CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan 'Vrouwboomweg 16b, Horst.17.719 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan Vrouwboomweg 16b, Horst NL.IMRO.1507.HOVROUWBOOMWEG16B-BPV1

colofon

projectnaam Vrouwboomweg ong. te Horst datum 21 januari 2026 projectnummer P06317 IMRO-identificatienummer NL.IMRO.1507.HOVROUWBOOMWEG1 6B-BPV1 opdrachtgever Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. Concept 23 november 2023 Ontwerp 6 december 2023 Vaststelling 21 januari 2026 Movares | BRO Adviseurs B.V. projectleider IMo projectteam JEn bron kaft BRO

Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info.bro@movares.nl www.movares.com

Inhoudsopgave 1

Inleiding

5

1.1 1.2

5 6

Aanleiding en doel bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied en vigerend bestemmingsplan

2

Beschrijving plangebied

8

3

Uitgangspunten van het beleid

9

3.1

Rijksbeleid

9

3.1.1 3.1.2 3.1.3

9 10 10

3.2

3.3

Provinciaal beleid

11

3.2.1 3.2.2 3.2.3

11 12 14

3.5

Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Omgevingsverordening Limburg 2021 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM)

Regionaal beleid 3.3.1

3.4

Nationale omgevingsvisie (NOVI) Ladder voor duurzame verstedelijking AMvB Ruimte

15

Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

15

Gemeentelijk beleid

17

3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4

17 19 20 21

Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 Welstandsnota Nota Parkeernormen Horst aan de Maas

Conclusie

21

4

Planbeschrijving

22

5

Sectorale aspecten

24

5.1 5.2

Inleiding Milieuaspecten

24 24

5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Geurhinder Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Milieueffectrapportage

24 25 26 27 29 32 34

Waterparagraaf Kabels en leidingen Ecologie Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid Gezondheid

35 38 38 41 42 42 43

5.9.1 5.9.2 5.9.3 5.9.4

43 43 43 45

5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

6

Endotoxinen Geitenhouderij Spuitzones Conclusie

Uitvoerbaarheid

46

6.1

46

Economische uitvoerbaarheid

Vrouwboomweg ong. te Horst

3

6.2 6.3

7

Handhaving Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46 47

Juridische toelichting

49

7.1 7.2 7.3

Planstukken Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels

49 49 49

7.3.1 7.3.2

49 50

Algemeen Artikelsgewijze toelichting planregels

Separate bijlagen Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Waterparagraaf en infiltratieonderzoek Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Stikstofdepositie onderzoek Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Verslag omgevingsdialoog

Vrouwboomweg ong. te Horst

4

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van één compensatiekavel in het kader van de aanleg van de hoogwatergeul Ooijen-Wanssum. Op de kavel is één woning beoogd en is gelegen aan de Vrouwboomweg (ongenummerd, tussen de huisnummers 16 en 18), in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied bestaat uit het perceel, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T, nummer 519. Onderdeel van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum betrof de aanleg van een hoogwatergeul. Meerdere woonkavels hebben moeten wijken voor de aanleg. Een aantal woningen konden na de aanleg van de hoogwatergeul op dezelfde locatie worden herbouwd. Dit was niet voor alle woonkavels mogelijk. Er zijn voor deze woonkavels afspraken gemaakt om de percelen te compenseren. Onderhavige kavel betreft een compensatiekavel. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de gewenste ontwikkeling juridisch planologisch geregeld.

Globale ligging plangebied op topografische kaart bij rode pijl

Vrouwboomweg ong. te Horst

5

1.2

Ligging en begrenzing plangebied en vigerend bestemmingsplan

Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ dat op 19 december 2019 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas is vastgesteld. Van dit bestemmingsplan is op 8 september 2020 een herziene versie vastgesteld; het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’. Daarnaast vigeert er een Veegplan (vastgesteld op 20-9-2022) binnen het plangebied. De wijzigingen in de herziening en het veegplan hebben echter geen gevolgen voor de planologische regeling in het plangebied.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met plangebied in het rode kader

Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’. Daarnaast zijn de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing en zijn voor het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en ‘overige zone - beekdal’ opgenomen. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn voornamelijk bestemd voor agrarisch grondgebruik. Daarnaast zijn binnen deze bestemming tuinen, erven en terreinen, verkeers- en parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en natuur- en landschapselementen toegestaan als ondergeschikt gebruik. Het bouwen van een woning en het beoogde gebruik voor woondoeleinden past derhalve niet binnen het vigerende bestemmingsplan voor deze locatie.

Vrouwboomweg ong. te Horst

6

De voor Waarde - Archeologie 3 en 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Binnen ‘Waarde – Archeologie 3’ is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een verstoringsoppervlak van 500 m2 of meer en een diepte verstoring van 50 cm. Binnen de ‘Waarde – Archeologie 4’ is dit nodig bij een waarde van respectievelijk 2.500 m 2 en 50 cm. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beekdal’ zijn de gronden bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden van het beekdal.

Vrouwboomweg ong. te Horst

7

2

Beschrijving plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Vrouwboomweg, in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Horst. In de huidige situatie is het perceel braakliggend terrein.

Ligging plangebied op luchtfoto (in het rode kader)

De planlocatie wordt zowel aan de oost en westzijde begrensd door een vrijstaande woning. Aan de noordkant grenst het perceel aan een bedrijventerrein. Ten zuiden van de planlocatie liggen meerdere agrarische percelen en enkele woningen. De planlocatie wordt ontsloten via de Vrouwboomweg. Dit betreft een doorgaande weg ten zuiden van de kern Horst. De Vrouwboomweg ontsluit op de Venloseweg en bevindt zich in de nabijheid van de N556 en de A73. De N556 en de A73 zijn belangrijke verkeersaders binnen de gemeente Horst aan de Maas en verbinden Horst met Venray en Venlo.

Vrouwboomweg ong. te Horst

8

3

Uitgangspunten van het beleid

In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;

•

over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;

•

een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Vrouwboomweg ong. te Horst

9

Afweging Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het projectgebied. Gelet op de aard en locatie van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de (voormalige) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R4 1 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Afweging Het voorliggende plan voor de realisatie van één woning is een dergelijk klein initiatief. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. Desondanks dient wel de behoefte aan een ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 3.3 en 3.4. 3.1.3

AMvB Ruimte

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/ wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling van het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

1

ABRS, Uitspraak 201302867/1/R4, ECLI:NL:RVS:2013:2471, 18 december 2013

Vrouwboomweg ong. te Horst

10

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerpomgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Ontwerp-omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: •

Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;

•

Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);

•

Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen; •

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;

•

Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Vrouwboomweg ong. te Horst

11

Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving.

Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hitte-stress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het betreft een compensatiekavel in het kader van de aanleg van de hoogwatergeul OoijenWanssum. Er zijn afspraken gemaakt waarin woningen die moesten wijken door de gebiedsontwikkeling gecompenseerd werden. Het realiseren van onderhavige kavel maakt hier onderdeel van uit. Het ziet derhalve op het verplaatsen van een woning. Voor het overige sluit de woning aan bij bestaand stedelijk gebied, en wordt voorzien in een kwalitatief wenselijke woning. Het plan past daarmee in Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2021

Met de komst van de Omgevingswet is de nieuwe omgevingsverordening in werking getreden welke past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze is op 1 januari 2024, tegelijk met de omgevingswet in werking getreden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Instructieregels ‘Wonen, werken en recreëren’ Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het ‘Buitengebied’ en de regio Noord-Limburg (thema: werklocaties, recreatie, wonen).

Vrouwboomweg ong. te Horst

12

Projectlocatie Omgevingsverordening Limburg 2021 (rood omlijnd)

In hoofdstuk 12 van deze omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio NoordLimburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Venloschol Uit de kaart ‘Grondwaterbescherming’ volgt dat het plangebied zich begeeft binnen de boringsvrije zone Venloschol.

Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering.

Vrouwboomweg ong. te Horst

13

Klimaatadaptatie In artikel 3.5 is het volgende opgenomen: 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c.

droogte.

3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Het plan bevindt zich aan de rand van het stedelijk gebied van Horst waardoor het niet significant zal bijdragen aan droogte in het gebied. Daarnaast zal het hemelwater worden geïnfiltreerd waardoor omringende woningen, en de woningen zelf, geen toename aan wateroverlast zullen ervaren. Tevens bevindt het plangebied zich op voldoende afstand (circa 6 kilometer) van (zijtakken van) de Maas en bevindt het plangebied zich niet binnen het overstromingsbed van de Groote Molenbeek. De kans op overstroming binnen het plangebied valt daardoor binnen de overstromingsnorm van het Waterschap en het plan voldoet aan de voorschriften van de geconsolideerde Omgevingsverordening. Afweging In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. 3.2.3

Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM)

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Dit wordt nader besproken in paragraaf 3.4. Aangezien onderhavig initiatief ziet op een compensatiekavel is het LKM niet van toepassing.

Vrouwboomweg ong. te Horst

14

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: •

Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;

•

Gekeken dient te worden naar koppelkansen;

•

Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;

•

Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;

•

De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;

•

Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: •

Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.

•

Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.

•

Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.

•

Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slechts een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning

Vrouwboomweg ong. te Horst

15

als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: • De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; • Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad.

Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. Het plangebied wordt als ‘Wonen’ bestemd. Dit biedt de mogelijkheid om in te spelen op de meest actuele marktvraag/woonbehoefte. Hierdoor zorgt de realisering van de woning niet voor het vergroten van

Vrouwboomweg ong. te Horst

16

het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040

Op 16 december 2025 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de omgevingsvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De gemeente heeft de ambitie om in 2040 een groene, gezonde woongemeente te zijn met een duurzame, schone en innovatieve economie en agrarische sector, een herkenbaar en aantrekkelijk landschap en een sterk recreatief profiel. Gezondheid, veiligheid, groen, economie en wonen zijn belangrijk voor de toekomst van de gemeente. Aan de hand van 8 thema’s wil de gemeente de ambitie tot een succes maken, deze worden hieronder kort toegelicht. 1. De leefomgeving is gezond en veilig De gemeente wil inzetten op een gezonde en veilige gemeente, waar iedereen kan wonen, werken, ondernemen, sporten, bewegen, spelen en recreëren in een prettige en veilige omgeving. 2. Woningen en voorzieningen naar behoefte De gemeente wil voldoende woningen bouwen en bestaande woningen aanpassen om op de demografische veranderingen aan te sluiten. 3. De economie is duurzaam en waardevol voor de samenleving De gemeente wil inzetten op werk en groei voor ondernemers. Hierbij is het van belang om bedrijventerreinen te realiseren die circulair, groen en duurzaam zijn. De gemeente focust zich voornamelijk op lokale mkb bedrijven en agribusiness keten.

Echter blijven vrijetijdseconomie en de zorg belangrijke sectoren in de lokale economie en wil de gemeente deze sectoren ruimte geven in dorpen en het buitengebied. Zo wil de gemeente flexibele bedrijventerreinen inrichten, waar groei en ontwikkeling centraal staat. Daarnaast wordt er gezorgd voor ‘schuifruimte’. Op deze wijze kunnen bedrijven bij groei verhuizen. Als laatst is er aandacht voor revitalisering van bedrijventerreinen, waar de gemeente zich richt op de indeling van een vrijgekomen locatie om ruimte te creëren voor startende en groeiende lokale bedrijven. Slim en dubbel ruimtegebruik wordt hierbij gestimuleerd. 4. Toekomstbestendige agrarische sector De gemeente wil zich inzetten op toekomstgerichte, duurzame en innovatieve landbouwgebieden. Hier is een goede balans nodig tussen landbouw, natuur, water, bodem en een gezonde leefomgeving. Ze willen hun goede balans van hun agrarische sector vasthouden en verder versterken. Daarnaast is het van belang om een diverse agrarische sector te creëren voor een sterkere en minder kwetsbare economie. 5. Een sterk toeristisch-recreatief profiel voor rust- en plezierzoekers De gemeente wil goed ingericht zijn voor recreatie en toerisme. De gemeente wil dit behalen door zich in te zetten op een mooie, rustige omgeving waar genoeg recreatiemogelijkheden zijn.

De ontwikkelingen richten zich op het aantrekken van meer bezoekers, maar houdt rekening met de capaciteit van de wegen, natuur en dorpen.

Vrouwboomweg ong. te Horst

17

6. Identiteit door herkenbare landschappen en erfgoed De gemeente wil zich inzetten op het behouden en versterken van de eigenheid en kwaliteit van dorpen en linten. Daarnaast worden cultuurhistorische gebouwen, gebieden en landschappen behouden. Erfgoed moet beleefbaar en toegankelijk gemaakt worden voor iedereen. De gemeente kijkt naar de omgeving waarin het erfgoed ligt, waarbij kennis en maatwerk hier van groot belang is. Als laatst is het van belang om herkenbare en aantrekkelijke landschappen te realiseren. 7. Horst aan de Maas is groen en duurzaam De gemeente Horst aan de Maas wil in 2040 zoveel als mogelijk klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuurinclusief zijn. Dit doen ze door zelf duurzame energie op te wekken en willen een slim energiesysteem dat opwekking, gebruik, opslag en omslag met elkaar verbindt. Het reizen moet hierbij ook groener worden. De natuurgebieden zijn met elkaar verbonden en kwetsbare natuur wordt extra goed beschermd door middel van natuurbuffers. Het bodem -en watersysteem moet hierbij goed gebalanceerd zijn. 8. Onze mobiliteit is op orde De gemeente streeft naar goed en veilig bereikbare gebieden. Er zijn minder verkeersslachtoffers en mensen voelen zich veiliger in het verkeer. Zowel in als buiten de dorpen zoeken ze steeds een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid, voor alle vormen van vervoer.

Daarnaast richten ze zich op duurzamere mobiliteit, sterkere vervoersknoop Horst-Sevenum en een betere bereikbaarheid van bedrijventerreinen. In figuur 2 staat de visiekaart van de gemeente Horst aan de Maas afgebeeld. Deze laat zien dat de nabije omgeving van het plangebied aandacht schenkt aan de woningbouw naar behoefte en kans inbreiding. Daarnaast vinden ze het van belang om een levendig centra in Grubbenvorst te realiseren en vindt er kleinschalige recreatie langs de Maas plaats.

Visiekaart Horst aan de Maas globale ligging plangebied rood omlijnd

Vrouwboomweg ong. te Horst

18

Afweging Het plangebied is gelegen in de kernrandzone gelegen ten zuiden van de kern Horst. De kernrandzone is een overgangsgebied van 250 meter tussen een dorpskern en de omgeving. Deze kernrandzone is een aantrekkelijke zone voor de inwoners van de kernen, waarin de gemeente in principe de toekomstige woningbouwlocaties zoeken. Het initiatief betreffende het toevoegen van een woning, past daarmee binnen de omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040. 3.4.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025

Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. t/m 2025 1.000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (20212025): •

Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop.

•

Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen.

•

Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan.

•

Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken.

•

Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt.

•

Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit.

Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen. •

Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o

De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’).

o

Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen.

•

Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur.

Vrouwboomweg ong. te Horst

19

•

Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG).

•

Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan.

•

Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan.

•

Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen.

•

In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving.

•

Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid.

Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt. Afweging Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in één vrijstaande woning. De onderhavige ontwikkeling is onderdeel van reeds gemaakte afspraken voor de aanleg van de hoogwatergeul Ooijen Wanssum. Onderhavig planvoornemen ziet op de compensatie van een kavel. De locatie is tussen reeds bestaande woningen gelegen en ligt nabij de kern Horst. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn derhalve geen belemmeringen voor het planvoornemen. 3.4.3

Welstandsnota

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de kaders voor het bouwen van bouwwerken ten aanzien van situering en afmetingen. Voor het overige zullen vergunningaanvragen op basis van dit plan moeten voldoen aan de welstandsnota.

Vrouwboomweg ong. te Horst

20

3.4.4

Nota Parkeernormen Horst aan de Maas

Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW-publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROWpublicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Wel is onderscheid gemaakt tussen woonhuizen en appartementen. Op het voorliggende initiatief is de categorie ‘woonhuis’ van toepassing. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan wordt één woning mogelijk gemaakt. Hierbij dient conform de Nota Parkeernormen te worden voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. In totaal zijn (1 x 2 =) twee parkeerplaatsen benodigd voor de woning. De parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op eigen terrein.

3.5

Conclusie

De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.

Vrouwboomweg ong. te Horst

21

4

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. De ontwikkeling Op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T, nummer 519 wordt één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De woning maakt onderdeel uit van eerder gemaakte afspraken ten aanzien van de aanleg van een hoogwatergeul bij Ooijen-Wanssum. Het betreft een compensatiekavel. De woonbestemming heeft een oppervlakte van 1500 m2, voor het overige heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Tevens is er een ‘specifieke bouwaanduiding - bebouwingsvrije zone’ van 4 meter opgenomen, een ‘specifieke vorm van wonen – groenstrook’ van 2,5 meter en een ‘milieuzone – spuitvrije zone’ van 50 meter gemeten vanaf de woonbestemming.

Verbeelding onderhavig planvoornemen

Voor wat betreft de bouw- en gebruiksregels wordt overwegend aangesloten bij overige recente bestemmingsplannen voor woningen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en de inhoud van een woning mag maximaal 1.000 m³ bedragen. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedragen respectievelijk 5 en 8 meter.

Vrouwboomweg ong. te Horst

22

Stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten Aangezien er reeds diverse woningen in de omgeving aanwezig zijn, past de nieuw te bouwen woning vanuit functioneel oogpunt in de omgeving. In de omgeving zijn voornamelijk vrijstaande woningen op ruime percelen aanwezig. Er is feitelijk sprake van een cluster van burgerwoningen in een bebouwingslint aan de rand van de kern Horst. Met onderhavig planvoornemen wordt een kwalitatief gezien betere woning toegevoegd op de planlocatie. Vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig opzicht is hier dan ook sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Voor wat betreft de situering van de voorgevelrooilijn van de woning en de goot- en bouwhoogte van de woning en de bijgebouwen is aangesloten bij de omliggende woningen. Hierdoor past de nieuwe woning qua situering en maatvoering goed in de omgeving. Er ligt echter nog geen definitief uitgewerkt bouwplan voor de nieuwe woonkavel. De stedenbouwkundige kwaliteit wordt in het kader van de vergunningprocedure voor bouwen nader afgestemd met de gemeente Horst aan de Maas. Samengevat zijn er geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en ook wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.

Vrouwboomweg ong. te Horst

23

5

Sectorale aspecten

5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.

5.2

Milieuaspecten

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1

Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden. Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van een woning, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek 2 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met cadmium. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en nikkel. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het

2

Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Vrouwboomweg ong. te Horst. Projectnr.: AM23047, d.d. 3 mei 2023

Vrouwboomweg ong. te Horst

24

voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.2

Geluid

In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Nabij het plangebied liggen diverse wegen met een onderzoekszone van 200 meter conform de Wgh. Derhalve zal een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd dienen te worden, waarin alle relevante omliggende wegen (incl. 30 kilometer wegen) worden meegenomen. Door K-Plus is een onderzoek wegverkeerslawaai3 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hier wordt volstaan met een samenvatting en conclusie van het onderzoek. De geluidgevoelige bestemming is gelegen in de geluidszone van de Vrouwboomweg, de Expeditiestraat en de Reulsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde weg (Haagweg) in het onderzoek betrokken.

In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. De geluidsbelasting van de Vrouwboomweg, de Expeditiestraat en de Reulsweg bedragen respectievelijk 48dB, 24 dB en 15dB. Bij alle drie de gezoneerde wegen is geen sprake van overschrijding van de voorkeurswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze wegen geen restricties op aan het plan. Tevens bedraagt de geluidsbelasting van de niet gezoneerde weg (Haagweg) ten hoogste 20dB waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen de toekomstige woning.

3

K-Plus. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai RvR Vrouwboomweg Horst. projectnr: Rm230180aaA0, d.d. 7 juni 2023

Vrouwboomweg ong. te Horst

25

Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 2300 meter de spoorlijn Venlo - Eindhoven. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een gezoneerd industrieterreinen. In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt verder ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.3

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.

Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Vrouwboomweg ong. te Horst

26

NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van één woning. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.

Figuur 5.1: Uitsnede NIBM-tool worst case berekening 1 vrijstaande woning

Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (gegevens 2023) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse tussen 14 en 16 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen 8 en 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 10 en 15 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.2.4 Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Vrouwboomweg ong. te Horst

27

Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: •

Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units.

•

Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units.

•

Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units.

•

Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units.

Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Conform ‘Kaartbijlage A locaties veehouderijen’ blijkt dat er binnen een straal van 100 meter geen (intensieve) veehouderijen zijn gelegen. De dichtstbijzijnd gelegen veehouderij betreft een paardenhouderij aan de Haagweg 6 op circa 400 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Ook is er geen sprake van de beperking van de vergunde milieuruimte van veehouderijen. Onderhavig plangebied is zodoende niet gelegen binnen de indicatieve geurhindercontouren (vergunde situatie), zoals weergegeven op de Kaartbijlage C indicatieve geurcontouren. In de bijlagen behorende bij de geurgebiedsvisie van de gemeente Horst aan de Maas is een kaart gevoegd (Kaartbijlage B achtergrondbelasting) van de actuele achtergrondbelasting geur. Op basis van deze kaart (zie onderstaande afbeelding) kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, een zeer goed woon- en leefklimaat heerst (0,0-3,0 OU/m3).

De achtergrondbelasting geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Vrouwboomweg ong. te Horst

28

Figuur 5.2: Achtergrondbelasting geur (uitsnede behorende bij de ontwerp geurverordening, ontwerp beleidsregel en bijbehorende geurgebiedsvisie Horst aan de Maas d.d. 26-03-2020)

Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling. 5.2.5

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16846963/1