05c Toelichting bp Grubbenvorsterweg
Tekst van het document
Afbeelding 8. Berekening NIBM-Tool
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
23
Deze extra verkeersgeneratie is ingevoerd in de NIBM-Tool, zoals opgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu en Kenniscentrum Infomil. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar de invloed van onderhavig planvoornemen op de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het aantal dieren dat gehouden wordt binnen het plangebied blijft ten hoogste gelijk ten opzichte van de bestaande situatie. Daarmee is er voor wat betreft het houden van vee geen sprake van eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 10 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 17 µg/m³ en de concentratie NO2 16 µg/m³.
In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden van veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Geurhinder afkomstig uit bedrijven, niet zijnde veehouderijen, wordt behandeld in de volgende paragraaf.
Afbeelding 9. Uitsnede kaart indicatieve achtergrondbelasting
Afbeelding 10. Uitsnede kaart indicatieve geurhindercontouren
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
24
De ‘Gebiedsvisie Wet Geurhinder en Veehouderij’ van de gemeente Horst aan de Maas behorende bij de geurverordening 2020 van de gemeente Horst aan de Maas heeft betrekking op de het gehele gemeentelijke grondgebied. Daarmee is een actueel inzicht verkregen in de geurbelasting uit stallen van veehouderijen in – en nabij – de gemeente Horst aan de Maas. Onderdeel van de gebiedsvisie zijn een aantal kaarten die inzicht geven in het aantal en soort agrarische bedrijven binnen, en net buiten, de gemeente en de geurcontouren die bij deze bedrijven behoren. Daarmee kan een snelle eerste beoordeling van de geurbelasting ter plaatse van het plangebied plaatsvinden. In afbeelding 9 is een uitsnede van de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’ weergegeven. Het plangebied is daarbij gelegen binnen een leefklimaat dat beoordeeld wordt als ‘goed’ tot ‘zeer goed’. Afbeelding 10 geeft een uitsnede van de kaart ‘Indicatie geurcontouren 3 ou en 14 ou’. Hieruit blijkt dat het plangebied buiten de 3 ou contouren van omliggende bedrijven is gelegen. Vanwege de ligging in het buitengebied is binnen het plangebied een belasting tot maximaal 14 ou aanvaardbaar. De geurbelasting vanuit omliggende bedrijven op het recreatieterrein vormt dus geen beperking.
Voor wat betreft de geurbelasting vanuit het eigen bedrijf, geldt dat deze geen beperking vormt voor onderhavig initiatief. Het houden van dit vee maakt namelijk onlosmakelijk deel uit van de boerderijcamping. Verder is er geen sprake van een toename van het aantal te houden dieren. De geurbelasting van het eigen gehouden vee ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten blijft dus ten hoogste gelijk. Het aspect geur vormt dan ook geen beperking op onderhavig planvoornemen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.
De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor onderhavige planlocatie kan derhalve uitgegaan worden van een gemengd gebied, gezien de ligging van de spoorlijn Venlo-Eindhoven ten zuidwesten van het plangebied. Tevens is sprake van een matige tot sterke functiemenging gezien de aanwezigheid van onder andere de functies wonen, agrarisch veehouderij, agrarisch grondgebonden, agrarisch glastuinbouw, gemengd en diverse soorten bedrijvigheid. De milieuruimte van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBI-code en grootste bijbehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
25
Bedrijf
Adres
Landbouwmechanisatie Gemengd
Grubbenvorsterweg 46 Dijkerheideweg 1
Glastuinbouw
Californië
Glastuinbouw
Heerstraat
Oliehandel Melkveehouderij Bedrijventerrein
Groothorstweg 2 Ulfterhoek 14 Klaver 3
Richtafstand woonwijk’ Geur Stof
VNG
‘rustige
Geluid
Gevaar
016
30
10
50
10
Werkelijke afstand in nieuwe situatie 14
011, 012, 013 011, 012, 013 011, 012, 013 46713 0141, 0142 Tot en met cat 3.2
10
10
30
10
100
10
10
30
10
185
10
10
30
10
170
100 100
0 30
30 30
50 0
300 700
100
100
100
100
220
SBI-2008
Onderzocht is of de richtafstanden van nabijgelegen bedrijven het bouwvlak in de beoogde situatie overlappen. Op basis van bovenstaande tabel blijkt dat enkel ten aanzien van het bedrijf aan de Grubbenvorsterweg 46 niet voldaan kan worden aan alle richtafstanden. Vanwege de ligging in gemengd gebied mogen de richtafstanden uit de tabel echter met een stap verkleind worden. Daardoor worden de richtafstand voor geur 10 meter, voor stof 0 meter, voor geluid 30 meter en voor gevaar 0 meter. Dat betekent enkel dat de richtafstand voor geluid nog overschreden wordt. Een recreatieterrein betreft echter geen geluidgevoelig object. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van de locatie Grubbenvorsterweg 46 is dus sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. Ten aanzien van de locatie Dijkerheideweg 1 is in de tabel uitgegaan van de richtafstanden ten opzichte van een grondgebonden bedrijf, overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. Binnen de bestemming ‘Gemengd’ zoals in het vigerende bestemmingsplan ‘Californië 2’ is maximaal een milieucategorie 2 bedrijf toegestaan. De grootste richtafstand, ten opzichte van een rustige woonwijk, voor een bedrijf uit milieucategorie 2 is 30 meter. Voor deze locatie kan dus altijd voldaan worden aan de richtafstand, daar de werkelijke afstand van bouwvlak tot bouwvlak vele malen groter is.
Ten aanzien van het bedrijventerrein Klaver 3 geldt dat hier bedrijven tot maximaal milieucategorie 4.2 zijn toegestaan. Bij de inrichting van dit gebied is echter rekening gehouden met omliggende bestemmingen. Daardoor is aan de zijde van de Grubbenvorsterweg een zone ingericht waar bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. De grootste richtafstand van een bedrijf uit milieucategorie 3.2 bedraagt 100 meter. Voor deze locatie kan dus voldaan worden aan de richtafstand, daar de werkelijke afstand van bouwvlak tot bouwvlak vele malen groter is. Onderhavig planvoornemen behelst het omvormen van een agrarische bedrijfsbestemming naar de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. Voor een kampeerterrein met vakantieappartementen en theehuis geldt op basis van de bedrijvenlijst van de VNG een richtafstand van 30 meter voor geur, 0 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. Vanwege de ligging in gemengd gebied mogen deze afstanden met een stap verkleind worden. Dat betekent dat de richtafstand voor geur dan 10 meter bedraagt, voor stof 0 meter blijft, voor geluid 30 meter wordt en voor gevaar 10 meter. Binnen 10 meter rondom het rondom het nieuwe bouwvlak ten behoeve van de recreatiebestemming zijn geen objecten van derden gelegen. Deze richtafstanden vormen dus geen beperking. De richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter. Binnen 30 meter
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
26
(gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) rondom het nieuwe bouwvlak zijn twee geluidgevoelige objecten gelegen, te weten de burgerwoning aan de Grubbenvorsterweg 49 en de bedrijfswoning aan de Grubbenvorsterweg 48. De kortste afstand tot aan de Grubbenvorsterweg 49 bedraagt 26 meter, de kortste afstand tot aan de Grubbenvorsterweg 48 bedraagt 14 meter. Ten aanzien van de Grubbenvorsterweg 49 geldt dat de woning en bijbehorende bouwwerken op basis van de planregels op minimaal 2,5 meter van de zijdelingse bouwvlakgrens gebouwd moet worden. Ook in de planregels behorende bij onderhavig bestemmingsplan is deze afstand van minimaal 2,5 meter ten opzichte van de zijdelingse bouwvlakgrens opgenomen. Dat wil zeggen dat de minimale afstand van de bebouwing op het recreatieterrein en de woning aan de Grubbenvorsterweg 49 dus altijd minimaal 31 meter zal bedragen. Daarmee wordt dus alsnog voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Ten aanzien van de Grubbenvorsterweg 46 geldt dat de woning op minimaal 5 meter van de bouwvlakgrens gebouwd moet worden. Verder is in de planregels bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen dat nieuwe bebouwing ten behoeve van het recreatieterrein op of achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd dient te worden. De afstand tussen de bebouwing van het recreatieterrein en de woning aan de Grubbenvorsterweg 46 bedraagt daardoor altijd minimaal 35 meter.
Daarmee wordt dus alsnog voldaan de richtafstand van 30 meter. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de andere bedrijven geen beperkingen opleveren door het uitbreiden van het bouwvlak. Anderzijds worden door de bestemmingswijziging deze andere bedrijven en nabijgelegen woningen niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt. 5.2.6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet.
Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
27
In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Vanwege de nabijgelegen spoorlijn Venlo-Eindhoven en twee nabijgelegen buisleidingen is een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid, zie bijlage 4. Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie ruim lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde kan worden volstaan met een beperkte verantwoording ten aanzien van het groepsrisico. Voor deze beperkte verantwoording wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van voornoemd onderzoek.
5.2.7 M.e.r.-beoordeling Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: A. Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; B. Onderdeel B is reeds vervallen; C. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; D. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. beoordeling verplicht is. In onderdeel D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. In kolom 2 ‘gevallen’ staan drempelwaarden waar in kolom 1 benoemde activiteiten aan moeten voldoen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 10) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een permanente kampeer- en caravanterrein opgenomen. De drempelwaarden liggen bij 250.000 bezoekers per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.
Het voorgenomen initiatief overschrijd geen van deze drempelwaarden en is daarmee niet rechtstreeks m.e.r-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit Lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het Besluit m.e.r. dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Om te bepalen of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden kan men een aanmeldnotitie opstellen om vooraf een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen en procedureel
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
28
doorlopen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de aanmeldnotitie dient ten minste ingegaan te worden op de volgende selectiecriteria: 1. 2. 3.
De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van de potentiële gevolgen.
Deze criteria zullen in de navolgende paragraaf beoordeeld worden. Beoordeling Kenmerken van het project Het planvoornemen ziet toe op het exploiteren van een boerderijcamping met 25 kampeerplaatsen, 5 vakantieappartementen, een theehuis en het kleinschalig c.q. hobbymatig houden van vee en exploiteren van een akkerbouwbedrijf. Het aantal te houden dieren neemt ten opzichte van de huidige situatie niet toe. De omvang van het project ten aanzien van de bestaande situatie (in theorie is een volwaardig agrarisch grondgebonden bedrijf toegestaan op locatie) en de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. rechtvaardigen geen vormvrije m.e.r.-beoordeling. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Grubbenvorsterweg 47 te Sevenum. De Grubbenvorsterweg is gelegen in het buitengebied van de kern Sevenum. Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie is van oudsher in gebruik en bebouwd ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering. De plaats van het project rechtvaardigt geen vormvrije m.e.r.beoordeling. Kenmerken van de potentiële gevolgen Het project ziet toe op het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een recreatiebestemming met als nevenactiviteit het kleinschalig c.q. hobbymatig houden van vee en exploiteren van een akkerbouwbedrijf.
Te verwachten effecten hangen samen met veranderingen ten aanzien van zowel voor- als ook achtergrondbelasting van geur, fijnstof, stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, verkeer/geluid, luchtkwaliteit en waterhuishouding. Al deze aspecten worden in hoofdstuk 5 van onderhavig bestemmingsplan behandeld. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor onderhavig initiatief Conclusie De beoogde ontwikkeling op onderhavige locatie is niet m.e.r-beoordelingsplichtig.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
29
5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform de kaart ‘Regionaal water’ zijn geen bijzondere waarden aanwezig ter plaatse van het plangebied. Conform de kaart ‘Ondergrond’ ligt het plangebied in een boringsvrije zone en strategische grondwatervoorraad. Het plangebied is namelijk gelegen binnen de boringsvrije zone van de Venloschol. Reeds in paragraaf 3.3.2 is gemotiveerd dat onderhavig planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de Venloschol. 5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak.
De maaiveldhoogte varieert tussen 25,2 en 25,7 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart van Nederland uit een veldpodzolgrond, die voornamelijk is opgebouwd uit zwaklemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de grondwatertrap V. De hoogste grondwaterstand bevindt zich op minder dan 40 centimeter beneden maaiveld, de laagste grondwaterstand bevindt zich op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op circa 1,0 meter beneden maaiveld volgens de GHG kaart van het Nieuw Limburgs Peil. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten noorden, aan de overzijde van de Dijkerheideweg, ligt de Langevense loop op een afstand van circa 10 meter van het plangebied en ten zuidoosten de Zijtak Oude Gekkengraaf op een afstand van circa 200 meter van het plangebied.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
30
Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone van de Venloschol. Reeds in paragraaf 3.3.2 is gemotiveerd dat onderhavig planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor de Venloschol. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft tot doel een agrarische bedrijfsbestemming te wijzigen in een recreatiebestemming. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm van 1 l/s/ha niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.
Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. In de nieuwe situatie wordt het maximum bebouwde oppervlak binnen het plangebied gemaximeerd op 2.500 m2. De nieuwe erfverharding zal aangelegd worden onder afschot of als halfverharding, het water dat op deze (half)verharding valt loopt automatisch uit op de naastgelegen gronden en kan aldaar infiltreren. In totaal dient de voorziening een capaciteit te hebben zodat een bui van T=100 (100 mm) op eigen terrein opgevangen kan worden. Bij een oppervlak van 2.500 m2 dient de opvang een minimale inhoud van 250 m3 te hebben. De infiltratievoorziening zal aangelegd worden in de vorm van twee natuurvijvers c.q. poelen die gelegen zijn op het recreatieterrein. Voor de locatie van deze poelen wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Ter plaatse bevindt de GHG zich gemiddeld op circa 1,0 meter beneden maaiveld. Derhalve is uitgegaan van een diepte van 1,0 meter. De minimale gezamenlijke oppervlakte van deze twee poelen dient dus 250 m2 te zijn. In werkelijkheid worden deze poelen veel groter. Naar verwachting beiden minimaal 450 m2, zijnde in totaal dus een oppervlakte van 900 m2.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de eisen van het Waterschap Limburg. Het vuilwater van het recreatieterrein zal geloosd worden op de gemeentelijke drukriolering. Voor het lozen op de drukriolering geldt een norm van maximaal 1 m3 per uur. In een worst-case scenario zijn er maximaal 100 gasten gelijktijdig op de locatie aanwezig. Volgens het CBS wordt er per inwoner ongeveer 300 liter afvalwater per dag geloosd (inclusief afvalwater van bedrijven en hemelwater). Bij voornoemde aantal gasten is uitgegaan van 50 kampeerders, 10 personen in de vakantieappartementen en 40 bezoekers aan het theehuis. Met name de mensen die een bezoek brengen aan het theehuis zullen hoogstens een enkel keer gebruik maken van het toilet. Daarnaast zullen de kampeerders en personen in de vakantieappartementen gedurende de dag ook een aanzienlijk deel van de dag op pad zijn. Verder wordt het hemelwater van het recreatieterrein niet geloosd op het riool. Derhalve wordt uitgegaan van gemiddeld 100 liter afvalwater voor deze 100 aanwezige personen, zijnde in totaal 10 m3 afvalwater per dag. Er van uitgaande dat het afvalwater verspreid over 16 uur per dag (tussen 06.00 en 22.00 uur) vrijkomt, komt er per uur 0,625 m3 afvalwater vrij. Er zal daarmee geen overbelasting van het gemeentelijke riool plaatsvinden.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
31
De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de directe nabijheid van het plangebied. Ten aanzien van de nabijgelegen buisleidingen is in paragraaf 5.2.6 reeds een motivatie gegeven. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied, anders dan reeds in paragraaf 5.2.6 benoemd, geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Bij elke ontwikkeling dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. De gronden, ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bouwvlak, zijn nu in gebruik als erf/buitenopslag en akkerbouwland. Ter plaatse is geen bebouwing aanwezig die kan dienen als schuil- en/of verblijfsplaats van beschermde diersoorten. Gezien het intensieve gebruik van de gronden in de huidige situatie valt het niet te verwachten dat ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak beschermde dier- en/of plantensoorten aanwezig zijn. Verder wordt er met het realiseren van onderhavig planvoornemen geen bebouwing gesloopt, behalve de restanten van een voormalig rundveestal. Deze stal heeft al geen dak meer, en beschikt ook niet over spouwmuren of andere geschikte schuilmogelijkheden voor dieren. Het betreft enkel nog een geraamte van houten spanten en wanden.
Daarnaast vormt het landschappelijk inpassingsplan met elementen als een poel, groensingel en hoogstamboomgaard in de beoogde situatie juist een enorme toegevoegde waarde voor de ecologische kwaliteiten binnen het plangebied.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
32
Afbeelding 11. Zicht op restanten van door storm beschadigde stal.
Bij het realiseren van de bouwplannen dient evengoed wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Natura2000 Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen 2 Natura2000-gebieden, te weten de Maasduinen op 7,8 kilometer en de Deurnsche Peel & Mariapeel op 8,7 kilometer. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft het planvoornemen geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor de Natura2000-gebieden. Wel kan het bedrijf schadelijke effecten veroorzaken in de vorm van stikstofdepositie. Derhalve is een beoordeling en berekening van de stikstofdepositie gemaakt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, zie bijlage 5. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan gesteld worden dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase ter plaatse van Natura2000 gebieden geen negatieve effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie door vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Daarmee is er geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet Natuurbescherming. Conclusie Het aspect natuur vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
33
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de ontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren. 5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.
Afbeelding 12. Uitsnede archeologische waardenkaart
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
34
De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. In gebieden met een lage archeologische verwachting geldt geen onderzoeksverplichting. Het aspect archeologie vormt derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief.
5.8 Verkeer en parkeren Het plangebied blijft ontsloten via de Grubbenvorsterweg. Het recreatieterrein zal een eigen ontsluiting krijgen via een bestaande weidetoegang, hier hoeft dus geen nieuwe ontsluiting voor aangelegd te worden. Wel blijft op deze manier privé en recreatie van elkaar gescheiden. Via de Grubbenvorsterweg is het plangebied uitstekend bereikbaar. Parkeren, laden en lossen geschiedt volledig op eigen terrein. Daarvoor is meer dan voldoende ruimte aanwezig. Op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas gelden de volgende eisen (uitgaande van gebied buiten bebouwde kom): • • • •
(Bedrijfs)woning: 2 plaatsen Camping/kampeerterrein: 30 (25 plaatsen, norm is 1,2 per standplaats) Theehuis: 21 (maximaal 300 m2, norm is 7,0 per 100 m2 bvo) Vakantieappartementen: 10,5 (5 kamers, norm is 2,1 per kamer)
Dat betekent dat in totaal 64 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren en is ook reeds rekening bij gehouden met het uitwerken van het landschappelijk inpassingsplan. Verder zal initiatiefnemer ook zorgdragen voor een voldoende ruime fietsenstalling waar ook de mogelijkheden aanwezig zijn om de elektrische fiets op te laden.
5.9 Duurzaamheid Initiatiefnemer heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Het streven is dan ook om het recreatieterrein en de bijbehorende gebouwen op een zo duurzaam mogelijke manier in te richten. Zo zullen er op de daken van de nieuwe gebouwen zonnepanelen gelegd worden. Deze zonnepanelen zullen onder andere de stroom leveren voor de warmtepomp die gebruikt zal worden voor de warmwatervoorzieningen en het verwarmen van de gebouwen. Ook kunnen met de opgewekte stroom bijvoorbeeld de elektrische fietsen opgeladen worden. Tevens wil initiatiefnemer investeren in een waterbatterij als de technieken daarvoor op dat moment voldoende ontwikkeld zijn. Met een dergelijke batterij kan het overschot van zelf opgewekte stroom tijdelijk opgeslagen worden en op een later moment, als de zonnepanelen ondercapaciteit hebben, weer gebruikt worden. Daarnaast zal er bij de planrealisatie op toegezien worden dat alle gebouwen ook eenvoudig toegankelijk zijn voor mindervaliden. Zo is het recreatieterrein voor een ieder toegankelijk.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
35
6 UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan het bestemmingsplan zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.
6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. 2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
36
om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten.
Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken.
Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
37
gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. De Provincie Limburg heeft op 02 augustus 2021 per mail aangegeven het plan beoordeeld te hebben op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verder procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend. Gewijzigde vaststelling Het vastgestelde bestemmingsplan is beperkt gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Deze wijzigingen zullen hier toegelicht en gemotiveerd worden. Ten tijde van het ter inzage liggen van het ontwerpbestemmingsplan heeft initiatiefnemer afstemming gehad met Californië B.V. Zij hadden de wens om een dassenstrook c.q.
dassenverbindingszone aan te leggen ter plaatse van de gronden van initiatiefnemer in het kader van de ontwikkeling van glastuinbouwontwikkelingsgebied Californië 2. Daarover hebben initiatiefnemer en Californië B.V. ondertussen overeenstemming bereikt. Aangezien het aanleggen van deze dassenstrook / natuur een meerwaarde vormt voor onderhavig planvoornemen is in overleg met de gemeente Horst aan de Maas besloten om deze dassenstrook met natuurbestemming in het huidige plan te integreren en het plan gewijzigd vast te stellen. Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is aan de noordwestzijde van het plangebied over een strook van 25 meter breed de bestemming ‘Natuur’ aangebracht in plaats van de bestemmingen ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ en ‘Agrarisch met waarden’. Naar aanleiding daarvan is de verbeelding aangepast, is het landschappelijk inpassingsplan op enkele punten gewijzigd, zijn regels ten behoeve van de bestemming ‘Natuur’ toegevoegd aan de planregels en is paragraaf 4.3 ‘Landschappelijke inpassing’ van onderhavige toelichting gewijzigd. Op de verbeelding is de enkelbestemming ‘Natuur’ aangebracht op een strook van 25 meter breed aan de noordwestelijke zijde van het plangebied. Bij het ontwerpbestemmingsplan had deze strook nog de bestemmingen ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ en ‘Agrarisch met Waarden’.
In het landschappelijk inpassingsplan is de landschappelijke inpassing ter plaatse van de wijziging naar de bestemming ‘Natuur’ deels gewijzigd. Ter plaatse van de dassenstrook zijn de beoogde campingplaatsen weggehaald en elders, binnen dezelfde contouren van het oorspronkelijk kampeerterrein, wat meer ‘verdicht’ en heringedeeld. De dassenstrook wordt gevormd door de reeds in het ontwerpplan beoogde houtwal met ten zuiden daarvan een natuurweide met fruitbomen. De afscheiding met het kampeerterrein wordt gevormd door een gemengde haag. Voor omwonenden en passanten zal het aanzicht op het terrein door de beperkte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan niet wijzigen. Voor het planvoornemen zelf vormt de extra natuur een meerwaarde.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
38
In de planregels zijn in Artikel 4 ‘Natuur’ de regels die gelden ter plaatse van de bestemming ‘Natuur’ toegevoegd. Naar aanleiding daarvan zijn de overige artikelen en verwijzingen binnen artikelen daar waar nodig opnieuw genummerd. Inhoudelijk zijn deze artikelen niet gewijzigd. In onderhavige toelichting is in paragraaf 4.3 afbeelding 7 (van het landschappelijk inpassingsplan) gewijzigd, zodat deze overeenkomt met het meest recente landschappelijk inpassingplan. Verder hebben de wijzigingen geen gevolgen voor de inhoudelijke toetsing in onderhavige toelichting. De wijzigingen leiden niet tot een verandering in de beoogde activiteiten zoals die reeds in het ontwerpplan uitgewerkt zijn. Daarmee treedt ook geen verandering op in de toetsing aan de van toepassing zijnde beleidskaders en milieuaspecten. Door de wijziging treden dan ook geen nadelige gevolgen op voor omwonenden en belanghebbenden.
6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij
de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
39
7 JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmingsvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.
7.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het nieuwe bouwvlak weergegeven en is de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ aan het grootste gedeelte van het plangebied toegekend. Alle overige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” gelden voor het plangebied zijn eveneens overgenomen op de verbeelding.
7.3 Toelichting op de regels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: − Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. − Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. − Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.
Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 47 Sevenum”
40