CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting bp Crommentuijnstraat 38 Meterik

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Crommentuijnstraat 38, Meterik.22.274 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.4 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld. Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met een bijgebouw van maximaal 150 m². Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). In de structuurvisie is opgenomen dat een eventueel tekort kan worden gecompenseerd door een financiële bijdrage van € 45,- per m² tekort aan te slopen bijgebouwen. De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2;

Vastgesteld

21

▪

▪ ▪

De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden. Indien een aanvrager toch meer wil terugbouwen, tot maximaal wat er stond, geldt er een afdracht van € 45,- per m2 over het aantal vierkante meters dat boven de sloopverhouding en boven de 150 m2 word teruggebouwd; Gemeente rekent met € 45,- per m2 en niet met € 15,- per m3; Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen.

Op deze locatie wordt het volgende gesloopt (alleen de karakteristieke langgevelboerderij blijft behouden): 1. Machineloods van 18 m bij 9 m: 162 m2; 2. Stal van 37,5 m bij 15 m: 562,5 m2; 3. Aanbouw langgevelboerderij (platte aanbouw): 19 m2; 4. Later gerealiseerde aanbouw langgevelboerderij 1: 11 m2; 5. Later gerealiseerde aanbouw langgevelboerderij 2: 13 m2; Op de locatie is, nadat de agrarische bestemming is gewijzigd naar een woonbestemming, conform de maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied, maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan. Voor meer m2’s bijgebouwen hoeft voor 1/3 deel geen kwaliteitsafdracht betaald te worden. Dit betekent dat voor 2/3 deel wel kwaliteitsafdracht betaald moet worden. In totaal mag volgens het beleid 105,8 m2 (767,5 – 450 (150 * 3 woningen) = 317,5 m2; 317,5 / 3 = 105,8 m2) aan bijgebouwen extra worden gerealiseerd. In totaal mag dan 555,8 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. Initiatiefnemer wenst om per woning 200 m2 aan bijgebouwen op te kunnen richten. Dit houdt in dat voor de overige 44,2 m2 een afdracht van €45,- per m2 geldt. In totaal dient de initiatiefnemer € 1.989,= als afdracht te betalen om per woning 200 m2 aan bijgebouwen te kunnen realiseren.

Vastgesteld

22

4. PLANBESCHRIJVING

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Op de locatie Crommentuijnstraat 38 in Meterik was het gemengd agrarisch bedrijf van H.G.J. Tacken gevestigd, bestaande uit een akkerbouwtak en een varkenshouderijtak. De akkerbouwtak heeft de akkerbouwpercelen (langdurig) verpacht en heeft daarmee de akkerbouwactiviteiten beëindigd. De varkenshouderijtak heeft gebruik gemaakt van de stoppersregeling en is per 1 januari 2020 gestopt met het houden van varkens. Het voormalig agrarisch bedrijf van H.G.J. Tacken bestaat thans uit een bedrijfswoning (in de vorm van een karakteristieke langgevelboerderij), een machineloods en een stal. Bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De locatie Crommentuijnstraat 38 verliest de functie van intensieve veehouderij. In plaats daarvan wordt de locatie volledig benut voor woondoeleinden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ dient daarvoor te worden gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’; ▪ De voormalige stal en machineloods dienen volledig gesloopt te worden; ▪ De langgevelboerderij wordt verbouwd tot drie woningen, hiervoor wordt de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ aan de locatie toegekend; ▪ De karakteristieke delen van de langgevelboerderij mogen niet worden gesloopt c.q.

dienen behouden te blijven, hiervoor wordt de aanduiding ‘karakteristiek’ aan de karakteristieke delen van de langgevelboerderij toegekend; ▪ De niet-karakteristieke aanbouwen aan de achterzijde van de langgevelboerderij worden gesloopt; ▪ De bestemming ‘Wonen’ dient omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering te belemmeren; ▪ Binnen de woonbestemming wordt de mogelijkheid geboden 200 m2 aan bijgebouwen per woning op te richten; ▪ Het niet voor woondoeleinden te gebruiken deel van het plangebied krijgt een agrarische bestemming, zonder bouwvlak, waardoor het (opnieuw) exploiteren van een intensieve veehouderij of het oprichten van bebouwing is uitgesloten; ▪ Verder dienen alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan opnieuw van toepassing te worden verklaard; ▪ Middels een voorwaardelijke bepaling wordt geborgd dat nieuwe activiteiten binnen de woonbestemming pas zijn toegestaan wanneer de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden; De doelstelling van onderhavig bestemmingsplan is het planologisch mogelijk maken van het splitsen van de bestaande langgevelboerderij op de locatie Crommentuijnstraat 38 tot drie woningen.

De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied niet langer is voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ met bouwvlak, maar van de bestemming ‘Wonen’ en waarbij het achterste gedeelte is bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ zonder bouwvlak.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De stal en machineloods behorende bij de varkenshouderij worden volledig gesloopt en alle daarbij behorende verhardingen wordt verwijderd (afbeelding 13 gearceerd weergegeven). Het enige wat behouden blijft zijn de karakteristieke delen van de langgevelboerderij (bestaande uit voorhuis, zijnde de bedrijfswoning, achterhuis

Vastgesteld

23

en aanbouw aan de achterzijde) en de daarbij behorende verharding. De langgevelboerderij zal worden verbouwd tot drie woningen (afbeelding 14 grijs weergeven).

Afbeelding 13. Te slopen bebouwing en verdeling woningen

Afbeelding 14. Nieuwe situatie Crommentuijnstraat 38

Met de sloop van de stal en machineloods vindt een aanzienlijke ontstening plaats van het buitengebied wat leidt tot een grote ruimtelijke kwaliteitswinst. De sanering van de varkenshouderij draagt bij aan de karakteristieke openheid van het Meteriks Veld en de belevingswaarde van het landschap. Tevens vervalt de

Vastgesteld

24

uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof volledig en neemt ook het geluid, afkomstig van de locatie, enorm af. De belasting op het milieu vervalt volledig waardoor de totale omgevingskwaliteit enorm verbetert door het beëindigen van de varkenshouderij.

4.3 Landschappelijke inpassing Met de sloop van de varkensstal en loods is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van het landschap. Om ook de langgevelboerderij op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Dit inpassingsplan is als separate bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. De visie is om de nieuwe situatie passend in te kleden in het groen zodat met het splitsen van de langgevelboerderij de karakteristiek van het landschap wordt versterkt en er geen landschappelijke kwaliteiten verloren gaan. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling en tevens als zodanig vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente. De visie is om na sloop van de stal en loods een nieuw erf te creëren dat strookt met de historie. Juist de voorzijde behoud van het onderscheid oorspronkelijke woonhuis met leilindes en de schuur met nieuwe woningen juist geen leilindes, maar voor de eenheid wel de beukenhaag met blijvende toegangen, zodat het historische plaatje nog herkenbaar blijft. De verdere omkadering van het totale achtererf gebeurt met een beukenhaag aan de zijde van de straat en met een gemengde haag aan de zijde van het landschap, dus noordelijke zijde en westelijke zijde.

In deze haag komen aan de straatzijde enkele lindebomen te staan, waardoor de bestaande Lindeboom onderdeel vormt van bomen rond het erf en aan de achterzijde een reeks fruitbomen, dat refereert naar het vroegere fruit rond het erf van de boerderijen in deze zone.

1

IKL, Landschapsplan in het kader van omvorming bestemming agrarisch naar wonen Crommentuynstraat 38 Meterik, 5 maart 2020, projectnummer: 20-2020-ov-003

Vastgesteld

25

Afbeelding 15.Landschappelijke inpassing van het plangebied

De volgende beplantingen worden aangebracht (zoals gevisualiseerd op bovenstaande afbeelding): A. Aan te planten beukenhaag Aan straat- en zandpadzijde aanplant beukenhaag. Hoogte 1,2 meter. B. Aan te planten lindebomen In combinatie met straat worden langs het zandpad 4 opgaande lindes aangeplant. C. Aanplant gemengde haag De achter- en zijrand krijgen een omkadering met een gemengde haag. Naast visueel wat meer variatie heeft een gemengde haag ook ecologisch een grotere meerwaarde. Hoogte 1,4 meter. D. Aan te planten hoogstambomen Om het achtererf een cultuurhistorische landelijke uitstraling te geven worden hier 7 hoogstambomen aangeplant. De bomen staan in de haag aan de westzijde en aan achterzijde langs het pad, waarmee de schaduw niet tot last (kan) komen van het aangrenzende perceel en beide wordt er voldaan aan de wettelijke afstand van 2 meter. Het landschappelijk inpassingsplan geeft weer wat aangeplant en verfraaid wordt om er een mooi geheel van te maken. Zeker met een fraai verbouwde langgevelboerderij in de landelijke sfeer vormt het gehele plangebied een mooi landschappelijk plaatje.

Vastgesteld

26

5. SECTORALE ASPECTEN

5.1 Inleiding Met de bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20092. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt de bestemming gewijzigd om de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Dit project komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. 2

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)

Vastgesteld

27

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.3 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien het initiatief in dit geval per saldo betrekking heeft op twee woningen valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De bestemmingswijziging en het splitsen van een boerderijpand komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3.

Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. 5.2.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging.

3

Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

28

Er is daarom voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek (asbest)4 uitgevoerd (zie separate bijlagen). Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat het plangebied (c.q. de onderzoekslocatie) deels verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De bodem ter plaatse van de puinhoudende halfverharding (deellocatie A), de druppelzones van de varkensstal (deellocatie B), de machineloods (deellocatie C) en de uitstroom van de dakgoot van de machineloods (deellocatie E) is verdacht voor bodemverontreiniging. Voor het overige is de onderzoekslocatie als onverdacht voor bodemverontreiniging aan te merken. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” ten aanzien van de puinhoudende halfverharding stand houdt. In de grond zijn cadmium, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB in licht verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. De licht verhoogde gehalten in de grond kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan de sporen tot grote hoeveelheden baksteen, kolengruis en / of puin in de grond. Het verhoogde gehalte barium in het grondwater betreft waarschijnlijk een verhoogd achtergrondgehalte. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” ten aanzien van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking aan de noordzijde van de varkensstal stand houdt.

In de “toplaag” (tot 2 cmmv) is een sterk verhoogde gehalte asbest aangetoond. In de onderliggende bodem is geen verhoogd gehalte asbest boven de interventiewaarde aangetoond. Het sterk verhoogde gehalte asbest is het gevolg van de stukken asbesthoudend materiaal die op het maaiveld ter plaatse zijn aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” ten aanzien van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking aan de westzijde van de machineloods geen stand houdt. In de grond is geen verhoogd gehalte asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” ten aanzien van de uitstroom van de dakgoot van de asbestverdachte dakbedekking aan de oostzijde van de machineloods geen stand houdt. In de grond is geen verhoogd gehalte asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” geen stand houdt. In de grond zijn cadmium, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB in licht verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. De licht verhoogde gehalten in de grond kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan de sporen tot grote hoeveelheden baksteen, kolengruis en / of puin in de grond. Het verhoogde gehalte barium in het grondwater betreft waarschijnlijk een verhoogd achtergrondgehalte.

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking aan de noordzijde van de varkensstal vormt in principe een belemmering voor de bestemmingswijziging. Echter de aangetoonde bodemverontreiniging werd veroorzaakt door stukjes asbesthoudend materiaal op het maaiveld ter plaatse. De stukjes asbesthoudend materiaal op het maaiveld zijn in het kader van het verkennend bodemonderzoek asbest verzameld ten behoeve van een te analyseren materiaalverzamelmonster. Hierdoor is het asbesthoudend materiaal verwijderd en is de bodemverontreiniging gesaneerd en zijn er in principe geen (directe) milieuhygiënische belemmeringen meer voor de bestemmingswijziging. Het definitieve besluit hierover ligt echter bij het bevoegd gezag.

4

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek (asbest) Crommentuynstraat 38 Meterik, 18 augustus 2020, kenmerk: 20214801A.3

Vastgesteld

29

Het sterk verhoogde gehalte asbest ter plaatse van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking aan de noordzijde van de varkensstal geeft formeel gezien aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Echter omdat de bodemverontreiniging door het samenstellen van het materiaalverzamelmonster is “gesaneerd”, is de uitvoering van een nader bodemonderzoek niet zinvol. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. 5.2.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij een nieuwe woning een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de aanwezigheid van een weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is.

In artikel 7.4.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1. in stedelijk gebied: a. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 2. in buitenstedelijk gebied: a. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken 600 meter; b. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; c. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. De wettelijke geluidszone is niet van toepassing op wegen die aan te merken zijn als woonerf of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De nieuwe woningen die worden gerealiseerd door de woningsplitsing van het bestaande boerderijpand worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. De woningen zijn gelegen op 5 meter van de Crommentuijnstraat en tevens nabij de Pieter Litjensweg, die aansluit op de Crommentuijnstraat. De woningen zijn hiermee gelegen binnen de wettelijke geluidszones van deze wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom een akoestisch onderzoek verricht te worden bij de woningsplitsing.

Uit het akoestisch onderzoek5 blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Crommentuijnstraat en de Pieter Litjensweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde lijkt niet reëel. Het is derhalve noodzakelijk om bij het College van Burgemeester en Wethouders in het kader van de Wgh ontheffing aan te vragen voor een hogere grenswaarde. In een later stadium (tijdens aanvraag omgevingsvergunning verbouwing boerderijpand) zal aanvullend onderzoek nodig zijn naar de benodigde bouwkundige maatregelen waarmee voldaan kan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit aangaande het binnengeluidniveau.

5

HMB Groep, Akoestisch onderzoek Crommentuijnstraat 38 Meterik, 12 februari 2020, kenmerk: 20214802N

Vastgesteld

30

5.2.4

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden slechts per saldo twee woningen toegevoegd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. De functionele wijziging van het bestaande boerderijpand en het oprichten van twee nieuwe woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit.

Daarnaast verdwijnen door het saneren van de varkenshouderij de transportbewegingen van met name zwaar verkeer en de uitstoot van fijn stof door het vee. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de realisatie van het initiatief. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 12,11 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 19,66 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 16,88 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het toevoegen van twee woningen binnen het plangebied. 5.2.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf.

Vastgesteld

31

Het saneren van de varkenshouderij heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit het plangebied tot gevolg. Uit de nieuw op te richten woningen en de van functie te wijzigen woning vindt geen geuremissie plaats. In de woningen dient echter wel te worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een woning betreft een geurgevoelig object. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een dergelijke geurverordening. Individuele geurbelasting De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv vastgesteld op 14 OU/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen).

Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende veehouderijen: ▪ Crommentuijnstraat 34, vergunde emissie 18.170 OU ▪ Crommentuijnstraat 40, vergunde emissie 20.621 OU Van deze veehouderijen, waar dieren worden gehouden met geuremissiefactoren, is de vergunde geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 1). Nummer

X-coördinaat

Y-coördinaat

Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4 Punt 5 Punt 6

198792 198761 198778 198734 198759 198810

385062 385066 385061 385054 384998 385025

Crommentuijnstraat 34 10,3 10,7 10,3 8,9 4,8 6,2

Crommentuijnstraat 40 4,5 5,4 4,9 6,0 3,6 3,4

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 10,7 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen (zie bijlage 2). In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

Vastgesteld

32

Nummer Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4 Punt 5 Punt 6

X-coördinaat 198792 198761 198778 198734 198759 198810

Y-coördinaat 385062 385066 385061 385054 384998 385025

Berekende waarde 13,0 15,0 14,7 15,0 11,3 11,5

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 11,3 en 15,0 OU/m3. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Milieukwaliteit

Geur gehinderden

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%

Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8

Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7

Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m3 voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de bebouwde kom een milieukwaliteit “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 20 – 28,3 OU/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 15,0 OU/m3. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een aanvaard woon- en leefklimaat, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen

Vastgesteld

33

nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen Naast het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen dient eveneens te worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen niet wordt belemmerd door het initiatief. Op basis van artikel 3, lid 1 van de Wgv dient een omgevingsvergunningsaanvraag van een veehouderij te worden geweigerd als de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer dan 14 OU/m3 bedraagt. Hiervan kan op basis van lid 2 worden afgeweken als een geurgevoelig object na 19 maart 2000 onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij. De langgevelboerderij maakte na 19 maart 2000 onderdeel uit als geurgevoelig object van een veehouderij (de veehouderij van H.G.J. Tacken). In dat geval geldt een minimale onderlinge afstand van 50 meter. In de directe omgeving rond het plangebied bevinden zich de veehouderijen op de locaties Crommentuijnstraat 34 en 40. De afstand van de nieuwe woonbestemming tot de bouwvlakken van deze veehouderijen bedraagt respectievelijk 50 en 52 meter. Aan de minimale afstand van 50 meter wordt voldaan. Het initiatief betekent geen belemmering voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen veehouderijen.

5.2.6 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied (zijnde o.a. het buitengebied).

Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied (zijnde o.a. het buitengebied). Bij het bepalen van de richtafstanden is voor deze situatie dan ook uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Bij de ligging in een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met een afstandsstap worden verkleind. De nieuwe activiteit richting de omgeving De nieuwe woningen zijn niet opgenomen in de indicatieve bedrijvenlijst en hebben derhalve geen negatieve effecten op de omgevingskwaliteit. Bestaande activiteiten richting het plangebied

Vastgesteld

34

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ een groepsaccomodatie op de locatie Crommentuijnstraat 53, afstand tot dit bouwvlak 19 meter; ▪ een intensieve veehouderij op de locatie Crommentuijnstraat 34, afstand tot dit bouwvlak 50 meter; ▪ een intensieve veehouderij op de locatie Crommentuijnstraat 40-40b, afstand tot dit bouwvlak 52 meter; ▪ een glastuinbouwbedrijf op de locatie Crommentuijnstraat 42/42a, afstand tot dit bouwvlak 142 meter; ▪ een glastuinbouwbedrijf op de locatie Crommentuijnstraat 57, afstand tot dit bouwvlak 150 meter; ▪ een intensieve veehouderij op de locatie Crommentuijnstraat 44/44a, afstand tot dit bouwvlak 230 meter; ▪ een melkveehouderij op de locatie Crommentuijnstraat 46/46a, afstand tot dit bouwvlak 230 meter. De milieuruimte van de andere milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf

Adres

SBI-2008

Intensieve veehouderij Intensieve veehouderij Glastuinbouwbedrijf Paardenhouderij Melkveehouderij Groepsaccomodatie Glastuinbouwbedrijf

Crommentuijnstraat 34

0146/ 0147

Richtafstand ‘gemengd gebied’ Geur Stof Geluid Gevaar 100 10 30 0

Crommentuijnstraat 40-40b

0146/ 0147

100

10

30

0

Crommentuijnstraat 42/42a Crommentuijnstraat 44/44a Crommentuijnstraat 46/46a Crommentuijnstraat 53 Crommentuijnstraat 57

011, 012, 013 0146/ 0147 0141, 0142 5510 011, 012, 013

0 50 50 0 0

0 10 10 0 0

10 10 10 0 10

0 0 0 0 0

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er zijn twee hindercontouren die het plangebied overlappen; die van de intensieve veehouderij op de Crommentuijnstraat 34 en die van de intensieve veehouderij op de Crommentuijnstraat 40-40b. Aan de richtafstanden wordt voor het aspect geur niet voldaan, aan de overige richtafstanden wel. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv). In het kader van de Wgv geldt een minimale afstand van 50 m van een (nieuw) dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object in het buitengebied. Aan de minimale afstand van 50 meter wordt in beide gevallen voldaan. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor de bestemmingswijziging en voor het toevoegen van de twee woningen. 5.2.7 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten.

De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Vastgesteld

35

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Vastgesteld

36

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving een drietal risico’s. Ten eerste is een gasdrukregel- en meetstation gelegen op de Schadijkerweg 40, ten tweede zijn twee buisleidingen van Gasunie in de buurt gelegen en ten derde staat bij het bedrijf Speulhofsbaan 24a een propaantank.

Vastgesteld

37

Afbeelding 16. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)

Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied In de omgeving van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation van Gasunie gelegen. De afstand tussen deze inrichting en het plangebied bedraagt circa 730 meter. Dit station is gelegen aan de Schadijkerweg 40. De plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting is gelegen op 25 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting, dit betekent dat de woningsplitsing hierdoor niet belemmerd wordt. Daarnaast zal, gezien de afstand, het groepsrisico niet significant verhoogd worden. Volgens de risicokaart is op een afstand van circa 300 meter aan de Speulhofsbaan 24a de inrichting Mts. Van Dijck gelegen. Binnen deze inrichting is een propaantank van 8.000 liter aanwezig. Dit bedrijf is echter inmiddels beëindigd en verplaatst en de voormalige bedrijfsbebouwing is gesloopt. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is gelegen aan de Crommentuijnstraat Over deze weg, alsmede over de omringende wegen binnen 200 meter van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats dat invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. Op een afstand van 760 meter van het plangebied liggen de buisleidingen Z-541-04 en Z-541-22 van Gasunie. Deze leidingen bevatten geen PR-contour. De woningen liggen niet binnen de 1% letaliteitsgrens van de genoemde aardgastransportleiding. Op basis hiervan is een groepsrisicoberekening niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Vastgesteld

38

5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.2.1

Beleidskader

Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.

Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden.

Vastgesteld

39

Afbeelding 17. Uitsnede kaart GHG

Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 160-180 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten zuiden van het plangebied stroomt de Kabroekse Beek, een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. De bestemmingswijziging heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de Kabroekse beek, de afstand is daarvoor te groot. Afvalwater / riolering De locatie is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Water in relatie tot de ontwikkelingen Met onderhavig initiatief wordt de boerderij verbouwd tot drie woningen. Verharding in de vorm van een hoofdgebouw neemt met dit initiatief niet toe. Bij de woningen kunnen wel nieuwe verhardingen in de vorm van bijgebouwen worden opgericht, hiermee neemt het verhard oppervlak in toe.

Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.

Vastgesteld

40

Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Dit kan door middel van een open dan wel een gesloten infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) of bijvoorbeeld door een grindkoffer of -krat. Er van uitgaande dat het verhard oppervlak 200 m2 aan bijgebouwen zal bedragen zal de capaciteit van de infiltratievoorziening 200 * 0,100 = 20 m3 dienen te bedragen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dienen initiatiefnemers aan te tonen dat zij voldoen aan deze voorwaarden. Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal andere aspecten om in acht te nemen: ▪ Het af te koppelen dakoppervlak mag niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. ▪ Af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd.

5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie6 uitgevoerd. In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.

Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden

6

Faunaconsult, Flora- en faunainspectie locatie Crommentuijnstraat 38 te Meterik, 28 januari 2020

Vastgesteld

41

voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. De noordzijde van de grote aanbouw aan de langgevelboerderij bevat mogelijk vleermuisverblijven. Deze blijft echter behouden zoals in de huidige situatie, maar wel inpandig verbouwd. Hierdoor is het uitgesloten dat er vleermuisverblijven worden vernietigd. De geplande werkzaamheden kunnen zonder aanvullend onderzoek worden uitgevoerd, zolang verstoringen worden voorkomen. Er mogen daarom geen bouwlampen op de noordgevel van de grote aanbouw worden gericht. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel, ligt op circa 5,9 km van het plangebied. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen. Met het saneren van de varkenshouderij wordt de uitstoot van ammoniak vanuit het plangebied volledig gestaakt. Dit heeft een bijzonder positief effect op de verzurings- en vermestingsproblematiek in het Natura2000-gebied.

Voor het overige is de afstand tussen het Natura2000-gebied en het plangebied te groot om te leiden tot directe negatieve gevolgen in het Natura2000-gebied (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc). Als gevolg van onderhavig initiatief wijzigt de emissie van stikstof volledig. De nieuwe situatie is afgezet tegen de vergunde situatie als zijnde varkenshouderij. Volgens AERIUS Calculator neemt de ammoniakemissie op de Natura 2000-gebieden af (zie bijlage 3).

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. De voormalige boerderij is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Limburg. De uit 1909 stammende langgevelboerderij is daarin beschreven als een project in de bouwstijl traditionalisme dat van belang is omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. Bij de uitwerking van het bouwplan voor de inpandige verbouwing zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de karakteristieke elementen van het pand.

Vastgesteld

42

Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een archeologische waarde. In het vigerende bestemmingsplan is deze waarde juridisch-planologisch vastgelegd door de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toe te kennen.

Afbeelding 18. Uitsnede archeologische waardenkaart met plangebied blauw omcirkeld

In gebieden met een hoge archeologische verwachting dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 100 m2 dieper dan 0,3 m verstoord wordt. Met de woningsplitsing zijn geen grondwerkzaamheden voorzien. Het aanwezige archeologisch erfgoed blijft daarmee onaangetast behouden in de bodem. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd

5.7 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is direct gelegen aan de Crommentuijnstraat en daarmee aan een goede verbinding, zowel in westelijke richting naar de Middenpeelweg als in oostelijke richting naar de kernen Meterik en Horst. Door het saneren van de varkenshouderij vervalt het verkeer van en naar de varkenshouderij. Daarnaast is de verkeerstoename door de realisering van twee extra woningen zeer beperkt. Het aantal verkeersbewegingen op de Crommentuijnstraat en omringende wegen zal met onderhavig plan niet onevenredig toenemen. Parkeren Om de parkeerbehoefte te kunnen bepalen wordt aansluiting gezocht bij de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2019, welke door de gemeenteraad op 3 juli 2019 is vastgesteld. Voor woonhuizen geldt een

Vastgesteld

43

parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. In totaal dienen zes parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op het eigen perceel is voldoende ruimte beschikbaar om deze parkeerbehoefte te kunnen invullen.

5.8 Volksgezondheid Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Endotoxine (pluimvee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.

In de omgeving van het plangebied zijn intensieve veehouderijen gelegen op een minimale afstand van 50 meter. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderijen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geitenhouderijen in de omgeving Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

5.9 Spuitzones gewasbescherming In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden

Vastgesteld

44

waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt er enerzijds van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de kweker niet wordt belemmerd, en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woon- en leefklimaat. Deze afstand is echter indicatief. Dat wil zeggen dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken. In dit geval grenst het plangebied rondom aan landbouwpercelen, waar geen boomteelt aanwezig is. Wel kunnen hier allerlei andere gewassen worden geteeld. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet toegestaan zonder omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden boomteelt te realiseren. Toch is in het kader van de bestemmingswijziging gekeken naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woningen. Uit jurisprudentie en onderzoek komen de volgende aandachtspunten naar voren bij spuitzones en een goed woon- en leefklimaat: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt? 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt? 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9578013/1