05c Toelichting bp Crommentuijnstraat 38 Meterik
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan “Crommentuijnstraat 38, Meterik” NL.IMRO.1507.MTCROMMENTUIJN38-BPV1
Document:
Bestemmingsplan “Crommentuijnstraat 38 Meterik”
IDN:
NL.IMRO.1507.MTCROMMENTUIJN38 -BPV1
Status:
Vastgesteld
Datum:
26 januari 2021
Aanvrager:
de heer H.G.J. Tacken
Auteur:
ing. P.W.M. van de Ligt ing. N.A.H. van den Ekker
Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
2.
3.
4.
5.
INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4
1.4
Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1
Algemeen ......................................................................................................................................................6
2.2
Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6
2.3
Functionele structuur ...................................................................................................................................7
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7
BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1
Algemeen ......................................................................................................................................................9
3.2
Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9
3.3
Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 15
PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 23 4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 23
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 23
4.3
Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 25
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 27 5.1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 27
5.2
Milieuaspecten........................................................................................................................................... 27
5.3
Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 39
5.4
Kabels en leidingen................................................................................................................................... 41
5.5
Natuur ......................................................................................................................................................... 41
5.6
Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 42
5.7
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 43
5.8
Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 44
5.9
Spuitzones gewasbescherming .............................................................................................................. 44
Vastgesteld
1
6.
7.
UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 47 6.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 47
6.2
Handhaving................................................................................................................................................ 47
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 49
6.4
Procedure................................................................................................................................................... 49
JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 51 7.1
Planstukken ............................................................................................................................................... 51
7.2
Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 51
7.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 51
BIJLAGEN Bijlage 1: Berekening voorgrondbelasting geur Bijlage 2: Berekening achtergrondbelasting geur Bijlage 3: AERIUS Calculator berekening Separate bijlagen: ▪ Landschappelijk inpassingsplan (IKL) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep)
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Op de locatie Crommentuijnstraat 38 in Meterik was het gemengd agrarisch bedrijf van H.G.J. Tacken gevestigd, bestaande uit een akkerbouwbedrijf en een varkenshouderij. Het agrarisch bedrijf is inmiddels niet meer als zodanig in gebruik; de landbouwpercelen zijn verhuurd en de varkenshouderij heeft geparticipeerd aan de Stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Dit betekent dat per 1 januari 2020 geen varkens meer mogen worden gehouden op deze locatie. In de wetenschap dat de agrarische activiteiten eindig waren, is H.G.J. Tacken zich de laatste jaren gaan oriënteren op een passende herinrichting van de locatie. Sloop van de bestaande agrarische opstallen, zijnde een varkensstal en een machineloods, vormen daarbij een belangrijke voorwaarde. Om sloop van deze opstallen te kunnen bekostigen dienen in de karakteristieke langgevelboerderij enkele woningen te worden gerealiseerd. Conform het (voormalige) agrarische gebruik is de locatie in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Conform deze bestemming is het uitsluitend toegestaan de locatie te gebruiken ten behoeve van een agrarisch bedrijf, met in het bijzonder als een intensieve veehouderij.
Afbeelding 1. Ligging locatie Crommentuijnstraat 38 Meterik (rood omcirkeld)
Bij de gemeente Horst aan de Maas is door initiatiefnemer een verzoek ingediend om de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming zodat agrarische activiteiten niet meer zijn toegestaan, de agrarische opstallen kunnen worden gesloopt en er ten slotte drie woningen in de langgevelboerderij kunnen worden gerealiseerd. De gemeente Horst aan de Maas heeft op 9 december 2019 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van het doorlopen van een wijzigingsprocedure. Omdat initiatiefnemer echter ook wil afwijken van de maximale bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen per woning van 150 m2 kan niet worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden. Derhalve is een bestemmingsplanprocedure benodigd waarbij gebruik gemaakt wordt van het beleid ‘Groter bouwen’.
Vastgesteld
3
Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de gewenste nieuwe situatie juridisch-planologisch vastgelegd door de bestemming van het voorste gedeelte van het agrarisch bouwvlak te wijzigen naar ‘Wonen’ en het bouwvlak van het achterste gedeelte te verwijderen. Daarnaast worden binnen de bestemming ‘Wonen’ aanduidingen opgenomen dat er drie woningen zijn toegestaan en per woning een afwijkende maximale oppervlakte aan bijgebouwen.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het (voormalige) agrarische bedrijf ligt aan de Crommentuijnstraat 38, in het buitengebied van Meterik. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie K, nummers 349 en 437 en 438 (ged.). Deze percelen worden in dit bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”. De Crommentuijnstraat betreft het verlengde van het bebouwingslint van de St. Jansstraat, waaraan de kern van Meterik is ontstaan. Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 230 meter, ligt de bebouwde kom van Meterik. Aan de Crommentuijnstraat bevinden zich meerdere langgevelboerderijen waar inmiddels diverse functies in zijn gevestigd. Bij de meeste van oorsprong agrarische langgevelboerderijen zijn de agrarische activiteiten gestopt en zijn in de langgevelboerderijen meerdere woningen gerealiseerd, zo ook aan de overzijde van de Crommentuijnstraat waar in een langgevelboerderij drie woningen zijn gerealiseerd. Tegenover het plangebied is in een langgevelboerderij weer een groepsaccommodatie gevestigd. Aan de noord-, west- en oostzijde grenst het plangebied aan akkers. Ten noorden van het plangebied bevinden zich nog enkele agrarische bedrijven, zijnde intensieve veehouderijen. De Crommentuijnstraat vormt verder de fysieke grens tussen het beekdal van de Kabroekse beek in het zuiden en het open Meterikse veld in het noorden.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt circa 5.000 m2. Daarnaast geldt voor de locatie ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – velden’ en ‘overige zone – kampen’. Op basis van de agrarische bestemming is het uitsluitend toegestaan om de locatie te gebruiken ten behoeve van een niet-grondgebonden veehouderij en/of een grondgebonden veehouderij. Per agrarisch bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan met een inhoud van maximaal 1.000 m3. Nagenoeg het gehele bouwvlak mag daarnaast bebouwd worden met bedrijfsgebouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf. In de agrarische bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het College van Burgemeester en Wethouders om de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ en daarbij tevens woningsplitsing mogelijk te maken. In dit geval kan echter geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid omdat het initiatief tevens voorziet in een grotere oppervlakte bijgebouwen per woning.
Vastgesteld
4
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd, tevens het huidige bouwvlak
Tevens hebben de ontwerp bestemmingsplannen “Buitengebied Horst aan de Maas, herziening” en “Paraplubestemmingsplan Parkeren Horst aan de Maas” ter inzage gelegen. Alhoewel deze bestemmingsplannen geen specifieke wijzigingen voor betreffende locatie regelen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan, zijn noodzakelijke deelaspecten, indien van toepassing, meegenomen in de afweging van het initiatief.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief zelf wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Vastgesteld
5
2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen in Meterik. Meterik maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Meer dan 1.500 inwoners bevolken de kern.
2.2 Ruimtelijke structuur Meterik wordt in ruimtelijke zin gevormd door een historisch dorpslint als uitloper van de kern Horst. Aan de zuidzijde lopen vanuit het dorpslint de Speulhofsbaan en de Donkstraat als uitvalswegen het buitengebied in. In het dorp van Meterik is een brink gelegen waar de kerk centraal op is geplaatst. Aan de noordwestzijde zijn de uitbreidingen van de kern gesitueerd, rond het voormalige klooster. Het plangebied is gelegen aan de Crommentuijnstraat 38, in het buitengebied van Meterik. De Crommentuijnstraat is een historisch bebouwingslint met aan weerszijden van de weg verspreid liggende bebouwing. Kenmerkend zijn de grote langgevelboerderijen die net buiten de bebouwde kom zijn gelegen. De Crommentuijnstraat ligt op de overgang tussen het beekdal van de Kabroekse beek en het open veld Meteriks Veld. Het beekdal is ten zuiden van de Crommentuijnstraat de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Ten noorden van de Crommentuijnstraat ligt het Meteriks Veld. Grootschaligheid en openheid zijn hier de belangrijkste structuurdragers.
Afbeelding 3. Langgevelboerderij Crommentuijnstraat 38
Afbeelding 4. Impressie omgeving Crommentuijnstraat
De Crommentuijnstraat loopt in oostelijke richting over in de Sint Jansstraat, die Horst en Meterik met elkaar verbindt. In westelijke richting loopt de Crommentuijnstraat over in de Meteriksebaan, die via de Peelheideweg is verbonden met de N277 (Midden Peelweg).
Vastgesteld
6
2.3 Functionele structuur Het plangebied is gelegen op circa 230 meter van de kern van Meterik. In de kern van Meterik overheerst voornamelijk de woonfunctie. De meeste voorzieningen zijn geconcentreerd in het dorpshart rond de kerk. Hier zijn onder meer het gemeenschapshuis gelegen en enkele horecagelegenheden. Er is ook een basisschool met peuterspeelzaal, en een gymnastiekzaal. Voor wat betreft winkelvoorzieningen, is de kern aangewezen op Horst.
Afbeelding 5. Crommentuijnstraat in oostelijke richting
Afbeelding 6. Crommentuijnstraat in westelijke richting
Het buitengebied van Meterik kenmerkt zich voornamelijk door de agrarische- en woonfunctie. Rondom het plangebied bevinden zich dan ook voornamelijk agrarische bedrijven. Achter het plangebied bevinden zich twee agrarische bedrijven, zijnde intensieve veehouderijen. Tussen het plangebied en de bebouwde kom bevinden zich echter uitsluitend woningen, waarvan meerdere zijn gerealiseerd in een langgevelboerderij. Schuin tegenover het plangebied is een groepsaccommodatie in de daar gelegen langgevelboerderij gevestigd.
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Meterik is één van de oudste kernen binnen de gemeente Horst aan de Maas. Er zijn sporen van bewoning gevonden die dateren van rond 700 voor Christus. Rond het oude esdek van het Meterikse veld ontstonden in de ontginningsfase enkele buurtschappen, waaronder Meterik. De oudste bebouwing bevindt zich in het centrale dorpslint, dat een vooruitgeschoven post vormde in de ontginningsgebieden ten westen van Horst. Meterik is ontstaan uit lintbebouwing van boerderijen rond een vruchtbaar akkerland. Veel boerderijen liggen verder van de doorgaande weg aan voormalige karrensporen die vroeger het landschap doorkruisten. Een veel voorkomend type woning is de langgevelboerderij. De Kabroeksche beek, die nabij het kasteel Ter Horst bij Horst uitkomt in de Groote Molenbeek, heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontstaansgeschiedenis van het hedendaagse Meterik en begeleidt het dorp in een oost-westrichting. De beek vormt een heldere begrenzing van het dorp. In 1898 is begonnen met de bouw van een kerk op de eertijds open brink in het centrum van de kern. Tevens werd gestart met de bouw van een eigen molen “Eendracht maakt macht”. Een beeldbepalend element in het dorp is, naast de kerk en de molen, het voormalige klooster “Theresia” dat gebouwd is omstreeks 1925.
Vastgesteld
7
Na de oorlog zijn enkele kleinschalige uitbreidingen aan de kern toegevoegd. In eerste instantie aan de zuidzijde tussen het lint en de Kabroeksche beek. Later is in het noordwestkwadrant een uitbreiding van het dorp gerealiseerd. De buitenschil van deze wijk wordt gevormd door de meest recente uitbreidingen. Omstreeks de 18e eeuw is het plangebied in agrarisch gebruik genomen. In 1908 is de huidige langgevelboerderij opgericht. Omstreeks 1990 is de varkensstal opgericht en omstreeks 1992 is de machineloods opgericht. Tot aan 1 januari 2020 was de locatie in gebruik voor agrarische doeleinden.
Afbeelding 7. Situatie omstreeks 1870
Afbeelding 9. Situatie omstreeks 1980
Vastgesteld
Afbeelding 8. Situatie omstreeks 1930
Afbeelding 10. Situatie omstreeks 1998
8
3. BELEID
3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ De bereikbaarheid verbeteren; ▪ Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.
Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebiedsof projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.
Vastgesteld
9
Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gesteld kan worden dat met het saneren van de intensieve veehouderij de uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof volledig vervalt. De verdere gevolgen en effecten van het initiatief op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen, deze aspecten zullen in paragraaf 5.2.2, respectievelijk paragraaf 5.3 en 5.2.4 aan de orde komen. Verder heeft de ontwikkeling uitsluitend betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. Het saneren van de varkenshouderij en daarvoor in de plaats woningsplitsing, is op nationaal niveau van een ondergeschikte omvang. Vanuit de SVIR bestaan er derhalve geen belemmeringen, provinciale belangen zijn vastgelegd in het POL2014.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken. Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het Waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend / beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt.
Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Met het saneren van de varkenshouderij en het daarvoor in de plaats realiseren van woningsplitsing op de locatie Crommentuijnstraat 38 worden geen van de genoemde belangen geschaad. Het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst:
Vastgesteld
10
“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden. Naast de functiewijziging wordt het boerderijpand gesplitst tot drie woningen. Gelet op de kleinschaligheid van het woningbouwplan (welke slechts de toevoeging van twee woningen omvat), voorziet het initiatief, conform de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2013 in zaaknummer 201302867/1/R4, niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verder niet van toepassing is. Er hoeft in het kader van dit initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.
Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
Vastgesteld
11
2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL ‘meer stad, meer land’. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn. De land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie.
Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen / burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs.
Afbeelding 11. Zonering POL2014 met plangebied rood omcirkeld.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Vastgesteld
12
Tabel 1.Essenties van de zones
Bebouwd gebied
Landelijk gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond. Er wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. De provincie streeft ernaar dat vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Als dat niet lukt, is mogelijke benutting voor alternatieve economische activiteiten aan de orde. Als daar tenminste, gelet op de leegstand in de betreffende sectoren behoefte aan is, en de functie geen belemmeringen voor bestaande functies met zich meebrengt. Dit zal leiden tot hergebruik van een deel van de vrijkomende agrarische bebouwing. Onderhavig bestemmingsplan voorziet onder andere in het saneren van een varkenshouderij.
Het saneren van de varkenshouderij en de daarmee samenhangende sloop van de varkensstal en machineloods draagt bij aan de karakteristieke openheid en de belevingswaarde van het landschap. Het initiatief past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert. De agrarische functie is dan ook de belangrijkste functie binnen deze zone. Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5.
Vastgesteld
13
Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Met de functiewijziging vervalt de mogelijkheid om een agrarisch bedrijf te vestigen nabij de bebouwde kom van Meterik. Met de functiewijziging wordt het daarnaast mogelijk gemaakt om het bestaande boerderijpand te kunnen splitsen tot drie woningen. Met de functiewijziging en de woningsplitsing is sprake van een beter behoud van een cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Daarmee past de functiewijziging en de woningsplitsing binnen de doelstellingen van het POL2014. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In hoofdstuk 2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met het initiatief is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als tegenprestatie voor het saneren van de varkenshouderij worden twee woningen toegevoegd (bestaande bedrijfswoning blijft behouden, maar wordt burgerwoning).
Het saneren van de varkenshouderij en het splitsen van het boerderijpand zorgen voor een kwaliteitsverbetering voor de omgeving. Daarnaast vindt de woningsplitsing plaats binnen een beeldbepalend gebouw, het boerderijpand aan de Crommentuijnstraat 38. Dit gebouw is aangewezen als een karakteristiek pand. Herbenutting van beeldbepalende gebouwen wordt in de Omgevingsverordening Limburg 2014 als positief ervaren. 3.3.3 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 5 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wro. Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; Het aantal plannen dat de regio heeft en maakt om nieuwbouw toe te voegen, moet in een gezonde verhouding staan tot de kwantitatieve behoefte.
Het is onverantwoord om te sturen op een bouwprogramma dat uitgaat van meer dan voorspelde groei. Dat betekent in de regio concreet dat plancapaciteit terug wordt gebracht én alleen plannen toe worden gevoegd die echt kwaliteit toevoegen en passen bij de woonbehoefte van de afzonderlijke gemeenten in de regio: bouwen naar reële behoefte. 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; Samen de regio een breed palet aan woonmilieus bieden dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van onze regio. De dominante vraag in de regio is het wonen in grotere kernen waar voorzieningen zijn. Er is in de visie een afwegingskader ontworpen dat regionaal en lokaal het instrument vormt om tot een heldere prioritering en onderbouwing van nieuwbouwplannen te komen. De werkwijze sluit aan bij de principes van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Integrale afweging en integraal voorraadbeleid zijn sleutelwoorden.
Vastgesteld
14
3. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor onder andere arbeidsmigranten; Bijzondere aandacht is nodig voor de huisvesting van (toekomstige) werknemers en dan vooral de arbeidsmigranten. Zij vullen veel banen in en zijn voorwaarde voor de verdere economische ontwikkeling. De regio gaat voor een uitnodigende strategie en kiest voor de beleidslijn van short stay naar mid stay en uiteindelijk naar regulier wonen. Regionaal wordt ook de noodzaak gevoeld om stil te staan bij statushouders. En verder zijn Toegelaten Instellingen (corporaties) vanaf 1 januari 2016 verplicht bij nieuwe verhuringen passend toe te wijzen. Betaalbaarheid en beschikbaarheid zijn dan ook twee onderwerpen die op regionaal niveau verder uitgewerkt moeten worden. 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; De eerste pijler van het dynamisch voorraadbeheer is het werken aan de kwaliteit en de geschiktheid van de bestaande voorraad. Vooral in de meer stedelijke wijken vraagt dit aandacht. Daar is vernieuwing nodig (slopen, verdunnen, renoveren). Stedelijke herverkaveling kan hierbij een instrument zijn, net zoals de mogelijkheden van een transitiefonds. Maar ook de leefomgeving in de kernen staat op sommige plekken onder druk. Leegkomende en leegblijvende panden kunnen juist in kleine kernen versneld een spiraal naar beneden inzetten.
Lokale kracht zien, benutten en waarderen is de lijn die wordt ingezet. Ruim baan voor nieuwe vormen van maatschappijsturing (coöperaties, zelfbeheer). Maar ook, slechts na zorgvuldige afweging is er in de kleine kernen in beperkte mate ruimte voor nieuwbouw. De grote opgave voor nu is het tegengaan van het overaanbod aan goedkope en slechte koopvoorraad. 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio. Door de vergrijzing neemt het aantal senioren fors toe; in de kleine kernen gaat dit proces nog sneller. Dit wordt extra aandacht gegeven in lokaal woonbeleid. Aanpassing van de woning is primair de verantwoordelijkheid van de verhuurder of eigenaar. Maar bewustwording over woningaanpassingen maakt het verschil. Hier ligt een prachtige kans om de koppeling te zoeken met bewustwording op het terrein van verduurzaming. Voorzieningen voor zwaardere zorg vereisen een zekere omvang en zullen naar verwachting daarom in grotere kernen geconcentreerd worden. In casu is sprake van bouwen naar reële behoefte. Om de sanering van de varkenshouderij te kunnen bekostigen dienen in de karakteristieke langgevelboerderij twee nieuwe woningen te worden gerealiseerd. Dit gebeurt door middel van woningsplitsing van het boerderijpand. Hiervoor dient de bedrijfswoning eveneens te worden omgezet naar een burgerwoning.
Het initiatief sluit aan op de pijlers 2 en 4 van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Vanuit dit regionaal beleid bestaan er derhalve geen belemmeringen.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” Op 19 december 2017 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” vastgesteld. De locatie is conform dit bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – velden’ en ‘overige zone – kampen’. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt circa 5.000 m2. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarische bedrijfsvoering. Op de gronden met deze bestemming en aanduiding mag ten behoeve van een intensieve veehouderij bebouwing worden opgericht, waaronder begrepen een bedrijfswoning. Ten behoeve van een agrarisch bedrijf mag het volledige bouwvlak worden bebouwd. Het saneren van de intensieve veehouderij en het beoogde woongebruik zijn niet toegestaan. Onderhavig bestemmingsplan wordt opgesteld om de intensieve veehouderij op de locatie Crommentuijnstraat volledig te
Vastgesteld
15
kunnen beëindigen en daarvoor in de plaats de bestemming ‘Wonen’ toe te kennen om het bestaande boerderijpand te kunnen splitsen tot drie woningen. In het bestemmingsplan is onder artikel 3, lid 8, sub 5 een bevoegdheid opgenomen om de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, mits voldaan wordt aan een aantal wijzigingsvoorwaarden. Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. deze wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'Overige zone ontwikkelingsgebied glastuinbouw' en/of 'overige zone - ontwikkelingsgebied TOV; b. de agrarische bedrijfsuitoefening is beëindigd; c. er sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) c.q. kan worden gemaakt voor eigentijdse agrarische bedrijfsvoering, dan wel een locatie waar voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering ongewenst is in verband met de belasting van het milieu dan wel de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden; d. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden behouden blijven; e. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; f.
overige niet tot de woonfunctie behorende gronden worden bestemd als 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak; g. eventuele aanwezige teelt ondersteunende voorzieningen en waterbassins behorende bij het (voormalige) agrarische bedrijf worden verwijderd en de bijbehorende aanduidingen worden verwijderd h. wonen uitsluitend is toegestaan in de bestaande bedrijfswoningen, waarbij het bestaande aantal bedrijfswoningen niet mag worden vergroot: i. in uitzondering op het voorgaande is splitsing van rijks- of gemeentelijke monumenten, van panden zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, dan wel karakteristieke panden die zijn aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid, in meerdere woningen toegestaan, met dien verstande dat: 1. het aantal woningen na splitsing niet meer bedraagt dan 3; 2. de woningsplitsing noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden; 3. de bestaande inhoud van de woning c.q. het pand niet wordt vergroot en de uiterlijke kenmerken behouden dienen te blijven; 4. indien het een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster betreft woningsplitsing in het hele cluster is toegestaan, met dien verstande dat de karakteristiek van het cluster behouden blijft; 5. de woningen na splitsing elk een inhoud te hebben van minimaal 350 m3; 6.
het bouwperceel per woning maximaal 1.000 m2 bedraagt; 7. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen niet meer bedraagt dan 150 m2; 8. de te realiseren extra woning(en) binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma passen; 9. het bevoegd gezag de aanhef onder i kan wijzigen door het toevoegen of verwijderen van karakteristieke panden indien het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid wordt gewijzigd of herzien. j. de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; k. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden; l. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 21 van overeenkomstige toepassing zijn. Hierna zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden op de wijzigingsvoorwaarden: Ad. a. Ter plaatse is geen aanduiding opgenomen ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ of ‘overige zone – ontwikkelingsgebied TOV’.
Vastgesteld
16
Ad. b.
Ad. c.
Ad. d.
Ad. e.
Ad. f.
Ad. g. Ad. h. Ad. i.
Ad. j. Ad. k. Ad. l.
Per 1 januari 2020 is de varkenshouderij beëindigd. Ter plaatse vinden geen enkele agrarische activiteiten meer plaats. Er is dan ook geen sprake meer van de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf. Door het beëindigen van de varkenshouderij worden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied niet aangetast, maar juist in ere hersteld. Met de sloop van de varkensstal en machineloods is geen sprake van het verlies van architectonische waarden. De stal en loods betreffen qua bouwstijl reguliere gebouwen. Er is geen sprake van monumentale of historische bebouwing. Het cultuurhistorische boerderijpand blijft hierbij ongewijzigd maar zal inpandig worden verbouwd tot zijnde drie woningen. Het initiatief betreft enerzijds een functiewijziging en anderzijds het verbouwen van een boerderij tot drie woningen. De landschappelijke, cultuurhistorische of architectonische waarden worden met dit initiatief niet aangetast. Met de sloop van de varkensstal en loods is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van het landschap. Om ook de langgevelboerderij op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie paragraaf 4.3. Het agrarisch bouwvlak heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 5.000 m2. Het huidige erf wordt daarvan bestemd als ‘Wonen’.
Het resterende gedeelte van het plangebied blijft bestemd als ‘Agrarisch met waarden’, maar het bouwvlak wordt hiervan verwijderd. Op de locatie is geen sprake van de aanwezigheid van teeltondersteunende voorzieningen danwel waterbassins. Zie het bepaalden onder ad i. De karakteristieke langgevelboerderij is niet opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden. Het pand is wél opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project van de Cultuur Historische Waardenkaart Limburg. Het initiatief zal uitsluitend gaan plaatsvinden in de bestaande langgevelboerderij, thans zijnde de bedrijfswoning. 1. Na splitsing van het pand is er sprake van de aanwezigheid van drie wooneenheden. 2. Gezien de grootte en ouderdom van het pand en de functie als woning is het nagenoeg uit financieel oogpunt niet haalbaar voor één huishouden het pand te onderhouden. Voor het behoud van dit cultuurhistorisch waardevol pand is het dan ook noodzakelijk om het pand te splitsen. Ook om de sloop van de opstallen te kunnen bekostigen dienen in de karakteristieke langgevelboerderij twee nieuwe woningen te worden gerealiseerd. 3. De bestaande langgevelboerderij wordt alleen inpandig verbouwd, de uiterlijke kenmerken blijven behouden. 4. Er is hier geen sprake van een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster. 5. De woningen hebben na splitsing elk een inhoud van minimaal 350 m3. 6.
Het bouwperceel bedraagt per woning maximaal 1.000 m2. 7. Middels de maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied wordt het mogelijk gemaakt om per woning 50 m2 extra aan bijgebouwen te realiseren. In totaal mag per woning 200 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. 8. Het plan past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma (zie hoofdstuk 3.4.3). 9. Het pand is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project. Het pand zelf wordt niet gewijzigd. Dit is dan ook niet van toepassing. Uit de toetsing die in hoofdstuk 5 plaatsvindt blijkt dat er geen aantasting plaatsvindt van de gebruiksen ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. Het waterschap is in het kader van het vooroverleg om een reactie gevraagd inzake onderhavig bestemmingsplan. Het waterschap heeft hierop niet gereageerd. Er wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen in artikel 21.
Vastgesteld
17
Hieruit blijkt dat aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden uit het vigerende bestemmingsplan wordt voldaan. Toch wordt het initiatief niet geregeld door middel van een wijzigingsprocedure. Doordat initiatiefnemer meer bijgebouwen per woning wil realiseren is dit namelijk niet mogelijk. 3.4.2 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: ▪ De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; ▪ De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; ▪ De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor.
Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente.
Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda.
Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks
Vastgesteld
18
door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen in deelgebied 3C ‘Agrarisch gebied Sevenum-Zuid en Meterik-Noord’.
Binnen gebiedstype 3C geldt een positieve grondhouding bij het (her)gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe het initiatief wenst en dus stimuleert.
Afbeelding 12. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met plangebied rood omlijnd
Bij de module ‘VAB’ in bijlage 6 van de structuurvisie is ten aanzien van woningbouw aangegeven dat de provincie stelt dat hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing voor een woonfunctie mogelijk is en dat
Vastgesteld
19
de balans tussen de ontwikkeling van woningen binnen de bebouwde kom en in het buitengebied in regionale woningbouwprogramma’s wordt vastgelegd. Binnen deelgebied 3C gelden de volgende doelstellingen voor wat betreft landschappelijke inpassingen: ▪ Tegengaan verdergaande verstedelijking en behouden (kwetsbare) beeldkwaliteit; ▪ Voor de essen: maximale openheid; ▪ Voor het gebied nabij Horst: recreatieve ontsluiting, als onderdeel van de route Park de Peelbergen – Maas; ▪ Dicht(er) bebouwde en beplante gebieden: nadruk op het behouden en versterken van de belangrijkste landschappelijke structuren, zoals lanen, singels e.d.; ▪ Verplaatsen intensieve(re) land- en (glas)tuinbouw en, in het geval dit niet mogelijk is, ze op een goede manier in te passen; ▪ Opwaardering directe omgeving A73, door middel van singels en erfbeplantingen met accenten bij sloten en wegen. In dit geval wordt een intensieve veehouderij volledig gesaneerd waarbij de varkensstal en machineloods worden gesloopt. Met de sanering van de varkenshouderij vindt een aanzienlijke ontstening plaats van het buitengebied wat leidt tot een grote ruimtelijke kwaliteitswinst. De sloop van de stal en machineloods draagt bij aan de karakteristieke openheid en de belevingswaarde van het landschap. Tevens vervalt de uitstoot van geur, ammoniak en fijn stof volledig en neemt ook het geluid, afkomstig van de locatie, enorm af.
De belasting op het milieu vervalt volledig waardoor de totale omgevingskwaliteit enorm verbetert door het beëindigen van de varkenshouderij. Naast het saneren van de intensieve veehouderij vindt een functiewijziging plaats. Door de bestemming ‘Wonen’ toe te kennen wordt het mogelijk om het boerderijpand te kunnen splitsen tot drie woningen. Het plangebied is geschikt voor onderhavig initiatief omdat er geen negatieve consequenties zijn voor omliggende (agrarische) functies en aan alle eisen uit milieukundig oogpunt wordt voldaan. Het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu is nader uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie. De gemeente Horst aan de Maas staat open voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De gemeente kiest voor een benadering waar ontwikkelingen binnen flexibele kaders worden toegestaan indien de kwaliteiten van dorpen en het buitengebied er ook mee vooruit gaan. Vanwege de ligging buiten de contour is voor onderhavig initiatief het Kwaliteitsmenu van toepassing. Er vindt dan ook een kwalitatieve tegenprestatie plaats in de vorm van een landschappelijke inpassing van het plangebied (zie voor een nadere uitwerking paragraaf 4.3). Met de landschappelijke inpassing is aangesloten bij de doelstellingen van deelgebied 3C.
Er geldt een kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van bebouwing, het ontwikkelen van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en een basisinpassing. 3.4.3 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde Een woningbouwprogramma dat toereikend is in aantal en gedifferentieerd is in eigendom, type en prijs. Dit gedifferentieerde woningbouwprogramma sluit aan bij de vraag en de financiële mogelijkheden van starters, kleine huishoudens, gezinnen en senioren en bevordert de doorstroming. 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn Een woningaanbod, dat veilig en toegankelijk is en in de nabijheid van voorzieningen. Een dergelijk aanbod maakt zorg op maat mogelijk en biedt mogelijkheden voor ontmoeting en sociale activiteiten, zodat alle inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en in de samenleving kunnen functioneren.
Vastgesteld
20
3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin Een aantrekkelijke en behaaglijke woonomgeving waarborgen door beheer en waar nodig herstructurering, in samenhang met het woningbouwprogramma op inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Daarmee wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit versterkt en ontstaat er een gedifferentieerd woningaanbod. Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen: ▪ Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. ▪ Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. ▪ Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. ▪ In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.
▪ Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. ▪ Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. In dit geval wordt een intensieve veehouderij volledig gesaneerd waarbij de varkensstal en machineloods worden gesloopt. Om de sanering van de varkenshouderij te kunnen bekostigen dienen in de karakteristieke langgevelboerderij twee nieuwe woningen te worden gerealiseerd. Dit gebeurt door middel van woningsplitsing van het boerderijpand. Hierbij wordt de bedrijfswoning eveneens omgezet naar een burgerwoning. In het vigerende bestemmingsplan is de mogelijkheid om een bedrijfswoning via een wijzigingsprocedure om te zetten naar een burgerwoning zonder hierbij een toets te doen aan het gemeentelijke woningbouwprogramma. In totaal worden in de nieuwe situatie drie woningen gevestigd in het boerderijpand. Conform bijlage 3 van het Masterplan blijkt nog een behoefte van 675 woningen in de periode 2015-2035 in Horst. De toename van twee woningen die ontstaan door de woningsplitsing passen binnen het Masterplan Wonen Horst aan de Maas.