05c Ruimtelijke onderbouwing Nachtegaalstraat 1 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Wegverkeerslawaai: ▪ De locatie ligt binnen de geluidzone (250m) van de Blitterswijckseweg. Voor deze weg geldt etmaalintensiteit van 1629 motorvoertuigen in 2033. ▪ De onderzoekslocatie bevindt zich op 145 m afstand tot de wegas. Er wordt een geluidsbelasting berekend van geluidbelasting van 45 dB Voor de weg geldt ter plaatse een rijsnelheid van 60 km/h zodat op grond van art. 110g Wgh een correctie in rekening gebracht mag worden van 5 dB. De toetswaarde wordt hiermee 40 dB waarmee ruimschoots voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. .
,
,
27
Uit deze notitie blijken derhalve geen beperkingen voor onderhavig plan. Het aspect geluid vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
4. 2. 3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per kmvak de huidige achtergrondconcentraties weer.
,
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM) 25 ter plaatse 9. 05 de concentratie 15. de concentratie µg/m³ fijn stof (PM)10 5 µg/m³ en stikstofdioxide (NO)2 10. 62 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 25 25 µg/m³ terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO 2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. ,
,
,
,
,
Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit als onderdeel van de Wet milieubeheer gelden kwaliteitseisen voor ,
,
de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd wordt draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. ,
De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties De Regeling NIBM noemt niet specifiek een project als het onderhavige. Wel zou een vergelijk gemaakt kunnen worden met een categorie de wel in de regeling is opgenomen. Bijvoorbeeld zou aangesloten kunnen worden bij de bouw van nieuwe woningen. In de regeling NIBM wordt genoemd het bouwen van woningen in het geval van één ontsluitingsweg en het plan netto niet meer dan 500 woningen omvat ,
28
beschouwd wordt als een NIBM project. Onderhavig project is vele malen kleiner dan het bouwen van 500 woningen er worden inpandig 18 verblijfsruimten gecreëerd. Het project kan daarmee als NIBM beschouwd worden. ,
Het aspect luchtkwaliteit is daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4. 2. 4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. ,
Geur van veehouderijen Voorgrondbelasting van geur Onderhavig initiatief behelst het omvormen van een agrarisch bedrijf naar een verblijfsfunctie van mensen met een verstandelijke beperking. Ter plaatse was voorheen sprake van een veehouderij. Door de gebruikswijziging op locatie komt er geen geur meer vrij door het houden van dieren dat is als positief te beschouwen. De bestaande vergunning voor het houden van dieren zal voorafgaande aan vaststelling van onderhavige procedure ingetrokken worden. Voor de beoogde nieuwe activiteiten zal gelijktijdig een Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) gedaan worden. Daarmee is geborgd dat er geen sprake meer zal zijn van bedrijfsmatig houden van dieren. Er zullen op het perceel in de beoogde situatie hobbymatig enkele dieren gehouden worden. Het houden van deze dieren zal in de omgeving (objecten van derden) niet tot overlast leiden. ,
In de omgeving liggen veehouderijen van derden. Deze liggen allen op een afstand van meer dan 300 meter. Om de voorgeurbelasting van geur inzichtelijk te krijgen zijn er met het programma V-stacks vergunning 2 berekeningen gemaakt (bijlage 5: berekeningen V-stacks vergunning). In de eerste berekening is de meest nabij gelegen veehouderij (Horreweg) meegenomen waar dieren vergund zijn met een geuremissiefactor. Uit deze berekening blijkt ter plaatse van de locatie Nachtegaalstraat 1 een geurbelasting van 0. 0 o. u. optreed waar maximaal 14 is toegestaan. In de tweede berekening is de veehouderij (Krienestraat 3) opgenomen met de grootste geuremissie. Uit deze berekening blijkt ter plaatse van de locatie Nachtegaalstraat 1 een geurbelasting van 2. 1 o. u. optreed waar maximaal 14 is toegestaan. Voorgrondbelasting van geur voldoet daarmee ruim aan de normen.
,
,
Achtergrondbelasting van geur Naast de voorgrondbelasting van geur dient er ook gekeken te worden naar de achtergrondbelasting van geur. Deze bepaald namelijk mede of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de “Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij Horst aan de Maas” is een kaart gevoegd waaruit de indicatieve achtergrondbelasting van ten aanzien van geurhinder blijkt. Een uitsnede van deze kaart is in onderstaande
afbeelding opgenomen.
29
Ligging projectgebied
[| ||
zeer
goed
goed redelijk goed
ln mm || [
matig
tamelijk slecht slecht zeer
slecht
extreem
slecht
Afbeelding 27. Uitsnede kaart achtergrondbelasting geurhinder Hieruit
kan
opgemaakt worden dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een “goed” woon- en leefklimaat. In het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas worden de categorieën “zeer goed”, “goed”, “redelijk goed” en “matig” beschouwd als categorieën met een “voldoende” woon- en leefklimaat. Hiervan is in dit geval dus sprake. Volledigheidshalve is er met het programma V-stacks gebied een berekening gemaakt van de achtergrond belasting van geur (bijlage 6: berekening V-stacks gebied). In deze berekening zijn alle veehouderijen waar dieren vergund zijn met een geuremissiefactor opgenomen in een straal van 2 kilometer rond de locatie. Deze Uit de berekening veehouderijen zijn geselecteerd uit de Kernregistratie Dieren (KRD). blijkt een met van maximaal 2.01 o.u. de bestaande Dit komt overeen de achtergrondbelasting op bebouwing. categorie “zeer goed”. Op de hoekpunten van het perceel blijkt een maximale belasting van 3.90 o.u. Dit komt overeen met de categorie “goed”. Op
basis
woon-
geconcludeerd worden dat enerzijds sprake is van een aanvaardbaar en leefklimaat en anderzijds veehouderijen in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. van
het bovenstaande kan
Qua geurhinder ontwikkeling. Geur
van
van
veehouderijen
kan daarmee
gesteld
worden
dat
er
sprake
is
van
een
aanvaardbare
andere bedrijven
In de
nabijheid van het projectgebied is een aardappelverwerkend bedrijf gelegen. De afstand van de rand van het bestemmingsvlak van het aardappelverwerkend bedrijf tot de rand van het projectgebied bedraagt 200 meter. Het bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning (WABO-2015-0590) waarin bepalingen zijn opgenomen omtrent geur. Tevens zijn geurberekeningen gevoegd als onderdeel van de vergunningaanvraag. Onderdeel van de berekeningen is een afbeelding waarop de geurcontouren zijn aangegeven. Een uitsnede hiervan is in onderstaande afbeelding weergeven. Het volledige geurrapport is als bijlage toegevoegd (bijlage 7: geuronderzoek (geanonimiseerd)
30
Ligging projectgebied
Afbeelding 28. Uitsnede kaart geurcontouren Blitterswijckseweg 1
Uit de kaart kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het projectgebied de berekende geuremissieconcentratie tussen de 0. 1 OUe/m3 en 0. 5 OUe/m3. En hinderniveau dat tussen de 1. 1 en 1. 6 OUe/m3 ligt wordt in de verleende omgevingsvergunning als een aanvaardbaar hinderniveau beschouwd voor geurgevoelige bestemmingen. In deze vergunning is een voorschrift opgenomen dat er binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning geurmetingen en -berekeningen uitgevoerd moeten worden. Uit verrichte geurmetingen na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning is gebleken dat de feitelijke geuremissie ruim lager is dan de vergunde emissie.
Op basis hiervan kan de conclusie getrokken worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor wat betreft geur afkomstig van niet-veehouderijen. Derhalve vormt het aspect geur geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4. 2. 5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving ,
,
31
waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten , dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande
rechten van deze bedrijven om aan te tonen dat in de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. ,
,
,
,
Bij deze lijst wordt rekening gehouden met de aard van de betreffende activiteit (milieucategorie) en de aard van de lokale omgeving. Gesteld wordt dat in een gemengd gebied al een hoger achtergrondgeluidsniveau heerst dan in een rustige omgeving. Daardoor kan in gemengd gebied een kleinere richtafstand gehanteerd worden. De te hanteren afstanden zijn opgenomen in tabel 1. Als de afstand tussen het plangebied en de inrichting voldoet aan de richtafstand voor het betreffende omgevingstype wordt gesteld dat het bedrijf niet onevenredig wordt geschaad en dat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied gewaarborgd is. ,
Het projectgebied en de directe omgeving daarvan kan het beste gedefinieerd worden als ‘rustig buitengebied’. In tabel 2 is de richtafstand afgezet tegen de werkelijke afstand (bouwvlak – bouwvlak) tussen het plangebied en omliggende functies. Tabel 1. Richtafstanden op basis van VNG-brochure
Bedrijfsmatige activiteiten van derden In de omgeving van het projectgebied zijn een meerdere bedrijven van derden gelegen. In onderstaande tabel worden deze bedrijven benoemd en de richtafstanden afgezet tegen de daadwerkelijke afstand. Tabel 2. Richtafstanden van omliggende functies
Bedrijf
Aardappelverwerkend
Adres
SBI-
Richtafstand
2008
woonwijk’
Blitterswijckseweg 1
1031
Agrarisch
Horreweg 1
Agrarisch veehouderij Agrarisch
Horreweg 2
011 012 013 0141 0142 011 012 013
VNG
‘rustige
Werkelijke
afstand
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
300
30
200
50
200
10
10
30
10
340
100
30
30
0
370
10
10
30
10
200
bedrijf
Blitterswijckseweg 16-18
,
,
,
,
,
32
Agrarisch veehouderij Agrarisch veehouderij
Blitterswijkseweg 22
Ganzenkampstraat 1
0141 0142 0141 0142
,
100
30
30
0
470
,
100
30
30
0
370
Uit tabel 2 blijkt dat ten opzichte van omliggende bedrijven enkel niet aan de richtafstand voor geur voldaan wordt van het bedrijf aan de Blitterswijckseweg 1. Aan alle overige richtafstand wordt wel voldaan. In paragraaf 4. 2. 4 is reeds ingegaan op het aspect geur afkomstig van het bedrijf aan de Blitterswijckseweg 1. Hieruit blijkt dat er qua geur sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Eigen bedrijfsmatige activiteiten Het verblijf van mensen binnen het projectgebied wordt in de VNG lijst niet rechtstreeks benoemd. Een vergelijk zou gemaakt kunnen worden met een verpleeghuis dat wordt namelijk wel genoemd. Bij een verpleeghuis gelden de volgende richtafstanden: ,
Geur: Stof: Geluid: Gevaar:
10 meter 0 meter 30 meter 0 meter
Het bestemmingsvlak van de meest nabij gelegen woning (Blitterswijckseweg 3) ligt op een afstand van ruim 100 meter. Aan de richtafstanden wordt daarmee ruimschoots voldaan. Verder kan nog gemeld worden dat de locatie op dit moment nog beschikt over een toestemmingsbesluit voor het houden van rundvee. Deze vergunning zal voorafgaande aan definitieve vergunningverlening voor onderhavige aanvraag ingetrokken worden. Gelijktijdig zal een melding gedaan worden voor het hobbymatig houden van enkele dieren zoals omschreven in dit plan. Daarmee kan gesproken worden van een aanvaardbare ontwikkeling voor wat milieuzonering.
4. 2. 6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting) het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen water- en spoorwegen buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. ,
,
,
,
Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o. a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. ,
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings- veiligheids- of ,
,
33
toetsingsafstanden maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor ,
groepsrisico vergelijkbaar met het Bevi. ,
De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. ,
In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid zoals onder andere vastgelegd in het Bevi geldt een verantwoordingsplicht. ,
,
,
,
Het aantal personen dat binnen het projectgebied verblijft neemt door onderhavig plan toe daarnaast is het verblijf op grond van het Bevi te beschouwen als een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist. ,
Toetsing. Om de mogelijke risicobronnen in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de kaarten uit de Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat er over het projectgebied geen risicocontouren liggen.
Ligging projectgebied
Afbeelding 29. Uitsnede kaart atlas leefomgeving
34
Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving zijn geen inrichtingen gelegen waarvan de risicocontouren reiken tot aan of over het projectgebied. De meest nabij gelegen risicovolle inrichting is gelegen aan de Blitterswijckseweg 1. De contour van dit bedrijf ligt op een afstand van 165 meter van het projectgebied. Overige risicovolle inrichtingen liggen op veel grotere afstand. Buisleidingen In de wijde omgeving van het plan zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Wegen en spoorlijnen In de wijde omgeving van het plangebied liggen geen wegen spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Waterwegen Over de Maas kan transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De contour van de Maas ligt op ruim 600 meter van het projectgebied. Deze vormt daarmee geen beperking voor het plan.
Afweging Het aantal personen dat binnen het projectgebied verblijft neemt door onderhavig plan toe. Omdat het projectgebied niet is gelegen binnen een invloedsgebied van een risicovolle activiteit hoeft er geen verdere uitwerking plaats te vinden van het groeps- en plaatsgebonden risico. ,
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering.
4. 2. 7 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m. e. r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m. e. r. in werking getreden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden is opgenomen in de bijlage van het Besluit m. e. r. Het realiseren van woongelegenheid voor mensen met een beperking wordt niet genoemd in het besluit. Het aanleggen wijzigen of uitbreiding van een stedelijk gebied waarbij 2000 of meer woningen gebouwd worden wordt genoemd als activiteit waarvoor op basis van de D-lijst een m. e. r beoordelingsplicht geldt. Onderhavig plan is vele malen kleiner er geldt daarmee geen verplichting tot een uitvoeren van de m. e. r. of m. e. r. beoordeling. .
,
,
,
4. 2. 8 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een ,
,
35
afstand
te
aan
houden
veer in zaak
50
nr.
gebruikt,
gevoelige in het
functies
algemeen
niet
en
zijn.
zijn
windrichting
ter
Binnen
meter de
van
hangt
hoogte
samen
drift), windrichting,
soort
een
van
bestrijdingsmiddelen
agrarische
onredelijk
(geanonimiseerd) Dit brengt echter niet reeds met zich dat (geanonimiseerd) kunnen Dit mede met de de
er kan
30
tussen
m
worden
redelijk zou sprake
van
en
bedrijvigheid
(uitspraak van
kortere afstand
gewassen
frequentie
waarbij
27 mei 2015
in dit
geval
(hoe hoger, des
van
spuiten.
niet
te meer
De heersende
plaatse is zuidwest. van
de
bestaande
bebouwing
vindt
toepassing
geen
worden
van
plaats. Op omliggende percelen geen gewassen geteeld gerechtvaardigd is. Voor akkerbouwgewassen en boomkwekerijgewassen Activiteitenbesluit milieubeheer teelt- en
waarin
spuitvrije
meest ruime afstand van 500 centimeter kan
Het
is
zones
variërend
gesteld worden
aspect spuitzones vormt daarmee geen belemmering
van
gewasbeschermingsmiddelen een
van
50
meter
gelden op grond van het 50 tot 500 centimeter. Uitgaande van de
dat hieraan ruimschoots
voor
spuitzone
voldaan wordt.
onderhavig project.
36
4. 3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 4. 3. 1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap de Provinciale Omgevingsvisie Limburg het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 WB21 Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ,
▪ ▪
,
,
,
vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Tevens wordt thans gewerkt met de trits hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. ,
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
,
,
4. 3. 2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)
Omgevingsverordering Limburg Conform de kaarten bij de Omgevingsverordening Limburg liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. De Omgevingsverordening Limburg vormt dus geen belemmering voor wat betreft het waterhuishoudkundig systeem binnen het plangebied. Bodemgesteldheid en grondwater Het plangebied ligt op circa 155 meter boven NAP. Volgens de bodemkaart uit de Atlas Limburg is er sprake “Gronden in de oude Maasmeanders”. Het projectgebied ligt op de overgang van grondwatertrap II naar trap VII. Grondwatertrap II heeft een GHG van < 40 cm grondwatertrap VII heeft een GHG van > 80 cm. De bodemdoorlatendheid (k-waarde) bedraagt aan de noordzijde 0. 45-0. 75 meter per dag en in het zuidelijke deel bedraagt de doorlatendheid 0. 15 – 0. 45 m/dag. ,
,
37
Oppervlaktewater Zowel in als in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De “oude Maasarm” ligt op een afstand 165 meter de Maas zelf ligt op een afstand van ca. 550 meter. ,
Ligging in Winterbed van de Maas De locatie is conform de kaarten van Rijkswaterstaat (en het vigerende bestemmingsplan) gelegen binnen het waterbergend rivierbed van de Maas. Naar aanleiding hiervan heeft er afstemming plaatsgevonden met Rijkswaterstaat. Bij mail van 2 augustus 2023 heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat door de werkzaamheden in het kader van de Maaswerken de locatie ondertussen als “hoogwatervrij” beschouwd kan worden. Het is daarmee niet nodig om een ontheffing of vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet aan te vragen.
Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
4. 3. 3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavig initiatief betreft het gewijzigde gebruik van momenteel agrarisch naar een verblijfsfunctie voor mensen met een beperking. In hoofdzaak vindt deze plaats in de bestaande bebouwing. Tussen de gebouwen wordt een kleine corridor gemaakt van een oppervlak van ca. 24 m2. In de bestaande situatie stroomt het hemelwater af in eigen tuin en eigen weiland. Het terrein is hiervoor voldoende groot. Er wordt daarmee geen hemelwater geloosd op riool of terreinen van derden. Verder kan nog gemeld worden dat de parkeerplaatsen uitgevoerd worden als een half-verharding zodat het water ter plaatse op de bodem kan infiltreren. Het is daarom niet noodzakelijk om ter plaatse infiltratievoorzieningen aan te leggen. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht voor zover relevant geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. ,
,
Afvalwater In de bestaande situatie wordt het afvalwater vanuit de bedrijfswoning geloosd op de gemeentelijke riolering. Vanuit de bedrijfsgebouwen komt geen afvalwater vrij. In de beoogde situatie wordt het aantal personen dat op de locatie verblijft groter. In de beoogde situatie zal ook de nieuwe bebouwing op het gemeentelijke riool aangesloten worden. Er is in dit plan uitgegaan van een waterverbruik van 120 liter per persoon per dag. Uitgaande van maximaal 18 bewoners en 3 medewerkers op locatie komt er dagelijks 2. 5 m3 afvalwater vrij. Naar verwachting komt de totale hoeveelheid afvalwater per dag in een beperkt aantal uur vrij (ochtend en begin van de avond). Ten tijde van de realisatiefase zal initiatiefnemer daarom in overleg met de gemeente beoordelen welke maatregelen er genomen kunnen en/of moeten worden om het riool niet te overbelasten.
Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding. Kans op overstroming Op het perceel verblijven in de beoogde situatie mensen die als kwetsbaar te beschouwen zijn. Vanwege de ligging nabij de oude Maasarm is gekeken naar de kans op overstroming ter plaatse. Door aanleg van de dijk lijkt deze kans erg klein. Op basis van de Klimaateffectatlas is gekeken naar een plaatsgebonden 38
overstromingskans van minder dan 20 centimeter. Bij een overstroming van minder dan 20 centimeter is het nog steeds mogelijk om mensen te evacueren. Het risico hierop wordt als klein aangegeven. Grotere overstromingen worden als klein tot zeer klein aangegeven. Initiatiefnemer is zich bewust van de ligging van de locatie en acht de overstromingsrisco’s aanvaardbaar.
4. 4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er ter plaatse van de nieuw te realiseren loods geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming. Ook blijkens kaarten van Gasunie TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. ,
4. 5 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied het Natura 2000-gebied de Maasduinen ligt op ca. 980 meter van het projectgebied. De Boschhuizerbergen liggen op een afstand van ca. 9. 5 kilometer andere gebieden liggen op nog grotere afstand. ,
,
Gezien de onderlinge afstand en de Maas als barrière zijn rechtstreekse negatieve effecten op het Natura2000-gebied niet te verwachten. Effecten als verzuring en vermesting zijn niet uit te sluiten in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. In bijlage 8A is een nadere onderbouwing gegeven omtrent mogelijke stikstofemissies in zowel de gebruiks- als aanlegfase. Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat in de beoogde situatie vanaf de locatie zelf geen emissies van stikstofverbindingen plaatsvinden. De bebouwing zal middels een warmtepomp verwarmd worden. Uitsluitend het verkeer van en naar de locatie kan leiden tot emissies van stikstofverbindingen. Om deze emissies en mogelijke deposities in beeld te brengen is er een berekening gemaakt met het programma Aerius. Uit de gemaakte berekening (bijlage 8B) blijkt dat er ter plaatse van N2000 gebieden geen deposities optreden. Voor wat betreft de aanlegfase geldt dat hiervoor eveneens een berekening (bijlage 8C) met het programma Aerius gemaakt is. In deze fase vinden er onder andere bewegingen met vrachtwagens plaats om materialen te bezorgen en vinden er bouwactiviteiten plaats waarbij emissies van stikstofverbindingen plaats kunnen vinden. Uit de gemaakte berekening blijkt dat er ter plaatse van N2000 gebieden geen deposities optreden.
Daarmee is onderhavig planvoornemen voor zowel de aanlegvergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
,
als
de
gebruiksfase
niet
4. 6 Flora en fauna De Europese natuurwetgeving is in Nederland op het gebied van soort- en gebiedsbescherming uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild ,
39
,
voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De voorgenomen ontwikkeling vindt in hoofdzaak plaats in de bestaande bebouwing. Zoals aangegeven zal er een kleine corridor gemaakt worden tussen de twee grote gebouwen. Om uit te sluiten dat er zich in de bebouwing en directe omgeving soorten bevinden die beschermd dienen te worden is er ter plaatse een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 9: Quickscan Flora en Fauna). Uit het rapport blijkt het volgende: 1. het plan heeft naar verwachting geen effecten op natuurwaarden in N2000 gebieden. Het is te overwegen om de te verwachten stikstofdepositie op N2000 gebieden te laten bepalen. Naar aanleiding van dit advies zijn de benodigde berekeningen gemaakt. Hier is in paragraaf 5. 5 reeds ingegaan. Hiermee zijn effecten ter plaatse van N2000 gebieden uit te sluiten. 2. Vanuit Provinciaal natuurbeleid zijn er geen bezwaren tegen het project. 3. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde Asoorten) waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen.
Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1. 11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst ,
,
,
,
,
Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4. 7 Archeologie en cultuurhistorie 4. 7. 1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. ,
,
Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. ,
,
Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart bevindt er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen. Op een afstand van ca. 190 meter is de Sint Anna kapel gelegen. Het project heeft geen invloed op de kapel en/of andere cultuurhistorische waarden.
4. 7. 2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. ,
40
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Deze maatregelenkaart is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Dat wil zeggen dat de in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ opgenomen dubbelbestemmingen voor archeologie dus het toetsingskader vormen.
Afbeelding 30. Uitsnede archeologische beleidskaart
Het plangebied is conform de maatregelenkaart gelegen op de overgang van een gebied met een gematigde verwachtingswaarde naar gebied met een hoge verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan zijn hier verstoringsoppervlakten aan gekoppeld van respectievelijk 2. 500 m2 en 500 m2. Daarbij geldt een verstoringsdiepte van 50 centimeter. ,
,
Door het beoogde gewijzigde gebruik van de bebouwing zal er voorafgaand inpandig verbouwd worden. Behoudens de corridor van 25 m2 zullen er geen verstoringen van de bodem plaatsvinden. Het is daarom niet noodzakelijk om een archeologisch onderzoek ter plaatse uit te voeren. Het aspect archeologie vormt daarmee geen beperkende factor voor dit initiatief.
4. 8 Verkeer en parkeren De locatie is ontsloten via de Nachtegaalstraat en de Blitterswijckseweg. Deze ontsluiting is goed te noemen. Voor het beoogde gebruik van het pand is in de gemeentelijke “Nota parkeernormen Horst aan de Maas” geen specifieke norm opgenomen. Ter vergelijk zou aangesloten kunnen worden bij de norm voor “verpleeg- en
41
verzorgingshuizen”. Hierbij geldt een norm van 0. 6 parkeerplaats per wooneenheid. Onderhavig project omvat in totaal 18 wooneenheden. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen. Op het terrein zal een nieuwe parkeerplaats worden gerealiseerd waarbij er plaats is voor 12 auto’s. Elke parkeerplek heeft een afmeting van minimaal 25 x 5 meter en zullen uitgevoerd worden als een halfverharding zodat het water ter ,
plaatse in de bodem kan zakken. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitritten. In onderstaande afbeelding zijn de parkeerplaatsen aangegeven. Daarmee wordt er voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Verder kan gemeld worden dat deze situatie aansluit op de ervaring van initiatiefnemer op de eigen locatie in Wellerlooi.
Afbeelding 31. Situering parkeerplaatsen
Parkeerbalans Zoals aangegeven is er op het terrein in de beoogde situatie sprake van 12 parkeerplaatsen. Uitgegaan is dat 2 personeelsleden gelijktijdig met eigen auto aanwezig zijn. Bij het wisselen van de diensten (2 x per dag gedurende 15 minuten) kan dat inhouden dat er 4 parkeerplaatsen gebruikt worden door het personeel. Voor het transport van de bewoners worden 2 busjes gebruikt. Hier zijn 2 parkeerplaatsen voor nodig. Deze kunnen gelijktijdig aanwezig zijn met de personenauto’s van het personeel. In deze situatie zijn er maximaal 6 parkeerplaatsen bezet. Dan zijn er op deze (kortdurende) momenten 6 parkeerplaatsen beschikbaar aanwezig voor bezoekers. De rest van de dag zijn dat 8 parkeerplaatsen voor bezoekers. Het bezoek aan de bewoners vindt voornamelijk in de avonden en de weekenden plaats. Daarmee is er een spreiding van bezoekers over de week heen. Dat maakt dat er op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.
,
42
5 UITVOERBAARHEID 5. 1 Economische en financiële haalbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6. 12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6. 2. 1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen wat onder een bouwplan valt.
Onderhavige ruimtelijke onderbouwing regelt het kunnen realiseren van verblijfseenheden in bestaande bebouwing voor mensen met een verstandelijke beperking. Volgens artikel 6. 2. 1 van het Bro wordt een dergelijk project niet gezien als een bouwplan als bedoeld in artikel 6. 12 eerste lid van de Wro. Aangezien tevens het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is stelt de gemeenteraad geen exploitatieplan vast. ,
,
De kosten voor het behandelen van de ruimtelijke onderbouwing worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6. 1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen. ,
5. 2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering maar ook alle juridische administratieve ,
,
en beleidsmatige
ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde veilige leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. ,
,
,
,
,
,
In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden. In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. ,
43
1.
“Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers
,
bedrijven en instellingen terecht komt dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers ondernemers instellingen scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar.
Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. ,
,
,
2.
,
3.
,
4.
5.
,
,
,
Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie en 4. gedoogstrategie. ,
Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten.
Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering kritisch zijn op het formuleren van regels handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten ,
,
bekend zijn bij de doelgroep er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. ,
Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. ,
,
Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan 44
bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat wanneer het mogelijk is de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties. ,
,
5. 3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning waarbij sprake is van strijd met het bestemmingsplan
,
dient ten behoeve van het voldoen aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening vooroverleg te worden gevoerd conform artikel 3. 1. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). ,
Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders daarom overleg plegen met andere gemeenten wiens belangen bij het initiatief betrokken zijn het waterschap en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Er hoeft geen overleg plaats te vinden met omliggende gemeenten. ,
De ontwerp omgevingsvergunning heeft vanaf periode zijn er wel/geen zienswijzen ingediend.
….
gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze
De provincie Limburg heeft op aangegeven wel/geen aanleiding te zien om in de verdere procedure een zienswijze in te dienen. De beoordeling geeft wel/geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. ……….
Het Waterschap Limburg heeft op aangegeven wel/geen aanleiding te zien om in de verdere procedure een zienswijze in te dienen. De beoordeling geeft wel/geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. ……….
.
Met de omwonenden is een omgevingsdialoog gevoerd. Het verslag van deze omgevingsdialoog is bij de gemeente Horst aan de Maas bekend. In het kader van de privacywetging is dit verslag niet bij deze onderbouwing gevoegd.
45
6 PROCEDURE 6. 1 Uitgebreide procedure omgevingsvergunning Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3. 4 van de Awb. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere: ▪ Aanvraag ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft de Inspectie een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag etc. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3. 12 lid 5 Wabo). ▪ De beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de dag ná de dag van ontvangst van de aanvraag ▪ (art. 3. 12 lid 7 Wabo). De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden met ten hoogste zes weken (art. 3. 12 ▪ lid 8 Wabo).
▪ Indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid aanhef en onder a onder 3º van de Wabo wordt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant geplaatst en gezonden aan de eigenaar van en eventuele beperkt gerechtigden op de in het ontwerpbesluit begrepen gronden voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3. 12 lid 2 Wabo jo. art. 6. 14 lid 2 Regeling omgevingsrecht). De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6. 14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012). ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
46
7 AFWEGING EN EINDCONCLUSIE Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er geen ruimtelijke en milieuhygiënische belemmeringen zijn om medewerking te verlenen aan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het omvormen van het agrarische bedrijf aan de Nachtegaalstraat 1 te Broekhuizenvorst naar een woonlocatie voor mensen met een verstandelijke beperking.
47