CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Motivering

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN23.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

- pagina 43 -

Motivering

In paragraaf 5.1.1.5 (artikel 5.130) Besluit kwaliteit leefomgeving is, zoals eerder aangegeven de mogelijkheid opgenomen voor het bevoegd d gezag om in het omgevingsplan onderzoek naar archeologische waarden verplicht te stellen. Daarbij geldt te allen tijde een ondergrens van 100 m² voor archeologisch onderzoek. In het vigerende tijdelijk omgevingsplan van Horst aan de Maas zijn richtlijnen ter behoud van mogelijke archeologische waarden en cultuurhistorisch erfgoed opgenomen. Plangebied Archeologie Op het plangebied liggen drie archeologische dubbelbestemmingen. Het overgrote deel van de locatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’. Dit houdt concreet in dat bij bodemverstoringen dieper dan 0,30 meter én groter dan 100 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het uiterste noordelijke hoekje van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 4’. Dit houdt in dat bij bodemverstoringen dieper dan 0,50 meter én groter dan 2.500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Een klein hoekje van het plangebied aan de Starterstraat heeft de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 7’. Dit houdt in dat bij bodemverstoringen dieper dan 0,50 meter én groter dan 500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Vrijwel het gehele perceel waarop de beoogde woonkavel wordt gerealiseerd is voorheen bebouwd geweest.

Onderstaand is nogmaals de foto opgenomen van de gesloopte bebouwing:

Foto voormalige bebouwing in het plangebied

Op de plek van de beoogde woning heeft voorheen een stal gestaan met mestkelder van 1,5 meter diep. Deze stal is door een gecertificeerd bedrijf gesloopt en er is tot 2 meter diep ontgraven. Daarmee zijn de eventueel aanwezige archeologische waarden in de eerste 2 meter van de bodem verdwenen. Het als gevolg van dit plan te bebouwen oppervlakte bedraagt 156 m² (woonhuis inclusief garage), hetgeen slechts 56 m² boven de ondergrens voor archeologisch onderzoek is. Desondanks is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Archeologisch onderzoek, separate bijlage 6 In het kader van deze wijziging van het tijdelijke omgevingsplan is een archeologisch bureau- en verkennend onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (Geonius, separate bijlage 6). Uit dit onderzoek is gebleken dat het plangebied is, voor zover kon worden achterhaald, in historische tijden TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 44 -

Motivering

voornamelijk in gebruik geweest als bouwland en boomgaard. Hier kwam pas tegen het einde van de 20ste eeuw verandering in met de bouw van een varkensstal die zeer waarschijnlijk zal zijn voorzien van een gierkelder. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben in het plangebied voor zover kon d worden achterhaald geen gevechtshandelingen plaatsgevonden. De onderzoekslocatie maakt deel uit van AMK-terrein 16543: de oude dorpskern van Sevenum. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. Uit de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk vondstlocaties bekend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Uitgaande van de resultaten van het bureauonderzoek is een lage verwachting vastgesteld op het voorkomen van jager-verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting op het voorkomen van landbouw gerelateerde vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Zoals reeds werd verwacht bleek uit het IVO-O dat de bodem sterk is verstoord als gevolg van de bouw en sloop van de voormalige stallen. De verwachte vlakvaaggronden werden niet aangetroffen. Wel werden resten van een enkeerdgrond vastgesteld.

De op basis van het bureauonderzoek vastgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kan na het veldonderzoek worden bijgesteld naar laag vanwege de vastgestelde bodemverstoring veroorzaakt door de bouw en sloop van de voormalige stal. Een archeologisch vervolgonderzoek wordt niet aanbevolen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van archeologie. Cultuurhistorie Op en rond het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden die planologische bescherming behoeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van cultuurhistorie.

4.9 Water Zoals in paragraaf 2.4 (beleid) reeds is aangegeven geldt het beleid van het Waterschap Limburg als het uitgangspunt voor hemelwaterafkoppeling bij kleinschalige particuliere initiatieven. Hierin ligt onder meer vast dat particulieren bij nieuwe ontwikkelingen het hemelwater op eigen terrein dienen te verwerken. Daarnaast is rekening gehouden met de uitgangspunten van het Rioleringsplan Horst aan de Maas (zie ook paragraaf 2.4 ‘Gemeentelijk beleid’). Plangebied Voor dit plan is een ‘Infiltratieonderzoek en beschouwing wateropgave’ uitgevoerd (separate bijlage 5) waarin eerst de doorlatendheid van de bodem is onderzocht. Op basis van deze uitkomst is vervolgens een voorstel voor de hemelwaterafkoppeling gemaakt. Infiltratieonderzoek Uit de gemeten doorlatendheden en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater gedeeltelijk tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is slecht tot goed. Echter, de grondwaterstand is op de locatie relatief hoog (ca. 1,0 m- maaiveld), waardoor infiltratie van hemelwater alleen oppervlakkig mogelijk is in de bovengrond (bijvoorbeeld door doorlatende harde oppervlakten). Geadviseerd wordt als infiltratievoorziening een wadi aan te leggen voor het afkoppelen van het hemelwater van de nieuwbouw.

Daarnaast wordt geadviseerd deze wadi aan te leggen op de voorzijde van het perceel gelet op de goed doorlatende ondergrond (k = 1,0 m/d). Op de achterzijde van het perceel zijn de infiltratiemogelijkheden naar verwachting minder goed gezien de slechte doorlatendheid (k<0,1 m/d). Inzake de locatie van de wadi kan het volgende worden aangegeven. In het kader van de ontwikkeling van het landschapsinpassingsplan (zie ook paragraaf 2.2) is aangegeven dat vanuit praktisch oogpunt en het zeker niet willen beschadigen van de wortels van de twee grootse bomen aan de voorzijde, uiteindelijk ervoor is gekozen de wadi aan de achterzijde/zijkant van het perceel te realiseren en het TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 45 -

Motivering

hemelwater daarin te laten infiltreren. Een overloop naar een openbare sloot is er niet, maar bij een extreme tweede bui kan het water op aangrenzend eigen perceel infiltreren, zodat de bewoners van het aanpalende perceel geen wateroverlast ervaren. Gezien de ervaring, ook in de natte periode, zal d dit goed verlopen. Infiltratiesysteem De dimensionering en inrichting van het gekozen infiltratiesysteem (wadi) is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: - het totale afwaterend oppervlak voor de uitbreiding bedraagt ca. 295 m²; - conform het gemeentelijk rioleringsplan Horst aan de Maas dient de voorziening gedimensioneerd te worden op een bergingseis van 53 mm/m²; - de hoeveelheid toestromend water is berekend op basis van het afwaterend oppervlak en de gehanteerde bergingseis. De uitkomst van deze berekeningen bedraagt 15,6 m³; - conform de richtlijnen van RIONED wordt een ledigingstijd van maximaal 24 uur gehanteerd.

Indien vanwege de doorlatendheid niet aan de ledigingstijd van 24 uur kan worden voldaan kan een leegloopvoorziening worden toegepast; - conform ISSO-publicatie 70.1 is de afvloeiingscoëfficiënt aangehouden op 1; dat wil zeggen dat alle neerslag op het beschouwde oppervlak in het infiltratiesysteem terecht komt; - voor de wadi is uitgegaan van een talud van 1:3 of flauwer zodat deze nog machinaal gemaaid kan worden; - voor de wadi wordt er van uitgegaan dat deze ontstaat door ontgraving van het terrein en dat deze begroeid zal zijn met gras. Derhalve is voor de berekening van de wadi conform de Leidraad Riolering uitgegaan van de doorlatendheid van gras welke conform de Leidraad 0,5 m/dag bedraagt. In de berekeningen wordt derhalve uitgegaan van een doorlatendheid van 0,5 m/dag. Eventueel kan de bodem van de wadi voorzien worden van drains en drainagezand; - voor de berekening is uitgegaan van een wadi met een diepte van 0,5 m en een waakhoogte van 0,1 m. De maximale waterdiepte komt hiermee op 0,4 m; - voor het dimensioneren van een voorziening middels een wadi is als doorlatend oppervlak conform de Leidraad Riolering 40% van de hoogte van de wanden meegenomen en 100% van het bodemoppervlak. De maatvoering voor de dimensionering van de wadi is in onderstaande tabel opgenomen:

Bron: infiltratieonderzoek Geonius, separate bijlage 5)

4.10 Klimaatadaptatie 4.10.1 Risico’s van weersextremen en overstromingen In Nederland leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag, drogere zomers en een stijgende zeespiegel. Het gaat daarbij niet alleen om geleidelijke veranderingen. Extreem weer, zoals hittegolven en forse regen- en hagelbuien, zal steeds vaker voorkomen en tot meer schade en slachtoffers leiden. De risico’s voor de gebouwde omgeving op schade bij de verschillende thema’s zijn samenvattend: - hitte kan leiden tot ongezonde opwarming in gebouwen en stress: meer zieken, ziekenhuisopnamen, sterfgevallen en verminderde arbeidsprestatie/toename arbeidsverzuim. - droogte kan leiden tot schade aan funderingen van gebouwen en infrastructuur, natuur, agrarische gewassen en schade aan bomen en groenvoorzieningen in de bebouwde omgeving. In combinatie met hitte kan droogte leiden tot natuur- en bermbranden. De schade aan de biodiversiteit wordt steeds groter omdat de veerkracht uit het systeem verdwijnt. De openbare TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 46 -

Motivering

-

-

ruimte en bermen kampen met een slechte bodemkwaliteit waardoor de schade door weersextremen alleen maar groter wordt. wateroverlast als gevolg van extreme d buien kan leiden tot schade aan gebouwen en infrastructuur (directe en indirecte schade) en tot uitval van delen van vitale en kwetsbare functies, zoals energie, telecom, IT-voorzieningen, hoofdinfrastructuur. overstromingen kunnen leiden tot sterftegevallen, schade aan gebouwen en infrastructuur en tot uitval van vitale en kwetsbare functies. Naast materiële en economische schade, kan het voorkomen van bijvoorbeeld wateroverlast en overstromingen ook leiden tot emotionele schade en een gevoel van onveiligheid.

4.10.2 Risico’s van verminderde biodiversiteit in steden De toenemende druk op de beschikbare ruimte kan ten koste gaan van natuur en biodiversiteit, zowel in nieuw als bestaand stedelijk gebied. De aanwezigheid van een gezond functionerend stedelijk ecosysteem met ruimte voor water en natuur heeft veel positieve effecten. Het draagt bij aan geluidisolatie, vermindering van luchtvervuiling, verbetering van de waterbergingscapaciteit, vastgoedwaardestijging, bestuiven van gewassen, beperken van plaaginsecten en meer biodiversiteit. Natuur levert een positieve bijdrage aan de gezondheid van de inwoners van steden en dorpen, zowel fysiek als mentaal, en bevordert sociale contacten. Kortom: een natuurinclusieve inrichting kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van actuele maatschappelijke opgaven, zoals klimaatmitigatie en -adaptatie, (drink)waterkwaliteit, biodiversiteitsherstel en een gezonde leefomgeving. 4.10.3 Klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit: een voor de hand liggende combinatie Klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen en inrichten dragen beide bij aan een aantrekkelijke leefen vestigingslocaties met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving.

Meer groen en een vitale bodem dragen bij aan de infiltratiecapaciteit van de bodem, houden water beter vast en zorgen voor schaduw (met name bomen en pergola’s) en verkoeling tijdens hete periodes. (Openbaar) groen met een hoge diversiteit en met inheemse vegetatie draagt bij aan het verbeteren van de leefgebieden van diersoorten in de gebouwde omgeving. Kortom: minder verharding en meer (inheemse en diverse) bomen, struiken en groenstroken leveren een belangrijke bijdrage aan zowel klimaatadaptatie als aan het versterken van de biodiversiteit. Zorgplichten regenwater en grondwater perceeleigenaar De zorgplicht voor afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen is vastgelegd in de Omgevingswet. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen, waarvan de eigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. Met andere woorden: de zorgplicht begint bij de perceeleigenaar. Bij de verwerking van overtollig regenwater op percelen speelt in de praktijk het afkoppelen van de afvoer van regenwater van de riolering een belangrijke rol. Bij de verwerking van het afgekoppelde regenwater en de daarbij gehanteerde lozingsroute (in de bodem of naar het oppervlaktewater) is het van belang om rekening te houden met het feit dat afstromend regenwater niet altijd schoon is.

4.10.4 Hittestress Hitte is een van de thema’s van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, naast droogte, wateroverlast en overstroming. Steden houden door verstening meer warmte vast, waardoor het daar ’s nachts tot 7 graden warmer kan zijn dan in het buitengebied: dit wordt het stedelijk hitteeilandeffect genoemd. De mate waarin het hitte-eilandeffect optreedt, varieert: hoe warm het ergens wordt, hangt af van de lokale ruimtelijke kenmerken. De meest bepalende factoren hierin zijn het aandeel bebouwd oppervlak, het aandeel verhard oppervlak en het aandeel groen oppervlak. De toenemende hitte-extremen hebben verschillende effecten, zoals op gezondheid, veiligheid, natuur, landbouw en infrastructuur. Er zijn diverse maatregelen om hitte te beperken, zoals het TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 47 -

Motivering

aanpassen van gebouwen en infrastructuur, het vergroenen van tuinen, openbare ruimte en bedrijventerreinen en het aanpassen van gedrag. De ladder van koeling kan houvast bieden bij de keuze van specifieke maatregelen. De ladderdvan verkoeling bevat vier treden: - zorgen voor een verkoelende omgeving (bijv. met bomen of groen dak); - warmte weren (bijvoorbeeld met screens of zonwering); - passief koelen (bijvoorbeeld met nachtventilatie); - milieuvriendelijke actieve koeling (bijvoorbeeld met warmtepomp). Een integrale aanpak, waarin andere klimaatthema’s worden meegenomen (bijvoorbeeld droogte of wateroverlast) heeft hierin de voorkeur. Huidige situatie hittestress op het plangebied (bron: Klimaateffectatlas) Gevoelstemperatuur (Klimaateffectatlas: hittestress gevoelstemperatuur - nu en 2050) De gevoelstemperatuur is iets anders dan de luchttemperatuur. De luchttemperatuur geeft aan hoe warm het buiten is. De gevoelstemperatuur geeft aan hoe warm een persoon het heeft in een bepaalde weersituatie. Als de gemeten luchttemperatuur bijvoorbeeld 30°C is, kan het in de volle zon en uit de wind voelen als 40°C. Op het plangebied is de huidige situatie met betrekking tot hittestress relatief ongunstig. Het is een warme plek (gevoelstemperatuur 40°C). De voorspelde (maximale) situatie in 2050 laat een verdere verhoging van de gevoelstemperatuur zien (tot 43°C).

Dit zal deels veroorzaakt worden door de warmte-uitstraling van de aanwezige geasfalteerde weg, maar in overwegend stenige gebieden zoals dorpskernen zal de temperatuur vrij sterk stijgen. In de kern zelf is de hittestress aanzienlijk groter. Op onderstaande afbeeldingen zijn de verschillen voor nu en 2050 weergegeven (bron: Klimaatatlas):

Hittestress gevoelstemperatuur – huidig

Hittestress gevoelstemperatuur – 2050-hoog

Hittestress door warme nachten (Klimaateffectatlas: hittestress warme nachten - nu en 2050) Bij warme nachten is er kans op hittestress. Hittestress is een serieus probleem dat vaak onderschat wordt. Blootstelling aan hoge temperaturen zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook risico op uitdroging en overhitting. Binnen het plangebied is de hittestress door warme nachten niet gedocumenteerd. Het plangebied ligt in de overgangszone van kern naar platteland, waarbij het platteland ’s nachts goed afkoelt. Daarmee zal de hittestress als gevolg van warme nachten minder een probleem zijn dan in de kern zelf. Wijze waarop het plan rekening houdt met klimaatadaptatie Er wordt een woning toegevoegd op een plek waar nu geen bebouwing aanwezig is. Dat is an sich een verslechtering van de situatie, immers er wordt verstening toegevoegd. Een deel van het perceel blijft in gebruik als tuin. Het is lastig om op één perceel maatregelen te nemen omdat deze geen algemeen positief effect hebben op de hittestress in of langs een kern of ander stedelijk gebied. De TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 48 -

Motivering

hittestress wordt hier met name veroorzaakt door de weg langs de locatie en de aanwezige bebouwing. Om de hittestress te verminderen in een kern zijn andere, en vooral grootschaligere maatregelen nodig (zoals toevoegen water en/of groen in openbaar gebied). Voor dit bouwperceel d kan worden aangegeven dat aan de achterzijde van de woning een wadi zal worden aangelegd ten behoeve van de hemelwaterafkoppeling. Deze wadi draagt bij aan het verminderen van de hittestress op en rond de locatie. 4.10.5 Droogte Het KNMI Klimaatsignaal’21 laat zien dat de neerslagpatronen veranderen. Droogte kan een bedreiging vormen voor de waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid in ons land. Wanneer er watertekorten optreden, kan dit leiden tot schade aan landbouw en natuur. Bovendien is er onder droge omstandigheden in de zomer een grotere kans op natuurbranden. Droogte kan ook leiden tot (extra) bodemdaling. Om de gevolgen van droogte te beperken zijn vele methoden beschikbaar. Naast het vasthouden van water in de bodem door het verbeteren van de bodemstructuur, kan water op particuliere percelen worden vastgehouden. Ook in de bedrijfsvoering zijn er besparingsof circulatiemogelijkheden. Hergebruik van waterstromen kan bijdragen om tekorten in droge periodes te beperken. Burgers kunnen maatregelen nemen om het water niet te verspillen.

Perceeleigenaren kunnen hun tuin zo inrichten dat ze in natte perioden water opvangen, dat ze in een droge periode kunnen gebruiken om de tuin te besproeien. Huidige situatie droogte in het plangebied (bron: klimaateffectatlas) Het risico op droogtestress is op het plangebied laag, zowel in de huidige situatie als in 2050. Wijze waarop het plan rekening houdt met klimaatadaptatie Er zijn geen specifieke maatregelen voorzien gelet op droogtestress, vanwege het lage risico op deze locatie. Wel wordt hemelwaterafkoppeling op eigen perceel gerealiseerd conform de regels van het Waterschap Limburg. Hierdoor wordt water vastgehouden en geïnfiltreerd in een wadi op eigen terrein. 4.10.6 Wateroverlast Wateroverlast is een van de thema’s van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, naast hitte, droogte en de gevolgbeperking van overstromingen. Uit de KNMI’14 scenario’s blijkt dat de hoeveelheid jaarlijkse neerslag toeneemt, evenals de intensiteit van de buien. Hierdoor is er een grotere kans op wateroverlast. Er zijn drie typen wateroverlast: 1. Wateroverlast door kortdurende hevige neerslag (vaker in de zomer); 2. Wateroverlast door langdurige neerslag (meestal in de winter); 3. Grondwateroverlast.

De gevolgen van deze drie typen overlast variëren en zijn onder andere afhankelijk van de plaats waar de neerslag valt: in landelijk gebied of in de bebouwde omgeving, in een hellend of vlak gebied, in een (groot) watersysteem met veel berging of klein systeem met beperkte berging. Om de gevolgen van wateroverlast te beperken, is het van belang om de omgeving in te richten met het oog op veranderingen. Een gezonde bodembiodiversiteit speelt een belangrijke rol bij het beperken van wateroverlast. Een gezonde bodem betekent betere infiltratie en opslag van water. De kwaliteit van de bodem hangt samen met de hoeveelheid vrije ruimte in de bodem. De sponswerking van een samengeperste bodem is erg laag. Door het verbeteren van de bodembiodiversiteit wordt de vrije ruimte vergroot, met als gevolg minder wateroverlast. Met natuuroplossingen, zoals wadi’s, graslanden en bomen, kan er op dit gebied al veel worden bereikt. Aangezien eigenaren verantwoordelijk zijn voor de afwatering van hun eigen terrein, is het ook passend dat zij maatregelen treffen door een gebouw of tuin regenbestendig(er) te maken. TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 49 -

Motivering

Door klimaatverandering neemt de kans op stortbuien en langdurige neerslag toe. Neerslag (hemelwater) stroomt vanaf verhard oppervlak (zoals bebouwing of bestrating) naar de openbare riolering. De openbare riolering moet hetd afstromende hemelwater van veel gebouwen en verharding verwerken. De capaciteit van het riool is bij zo’n forse regenbui niet altijd toereikend. Als de riolering het aanbod van hemelwater niet meer aan kan, kan dit tot ernstige wateroverlast leiden en tot schade aan gebouwen of infrastructuur. Daarnaast kan het aanbrengen van verharding leiden tot afname van de biodiversiteit. Verharding biedt immers nauwelijks geschikte leefruimte voor flora en fauna. Huidige situatie wateroverlast in het plangebied (bron: klimaateffectatlas) Het plangebied is volgens de Klimaatatlas beperkt gevoelig voor grondwateroverlast ter plaatse van de beoogde bouwlocatie. Ten aanzien van zware buien is met name de locatie van het beoogde woonhuis gevoelig. Dit blijkt uit de kaart ‘waterdiepte bij een hevige bui’ (70 mm respectievelijk 140 mm/2 uur- huidige situatie):

Kaart hevige bui 70 mm/2 uur

Kaart hevige bui 140 mm/2 uur

Wijze waarop het plan rekening houdt met klimaatadaptatie De locatie van de wateroverlast is het laagste punt van het perceel. In de huidige situatie kan het water nergens heen. Op de locatie waar de bebouwing is voorzien, wordt tevens een wadi aangelegd voor de opvang van dat hemelwater (zie paragraaf 3.9 voor een uitgebreide uiteenzetting daarvan). Deze wadi zal aan de achterzijde van de te bouwen woning worden gerealiseerd, ondanks de mindere infiltratiecapaciteit van de bodem. Dit heeft te maken met het beschermen van de twee grote bomen aan de voorzijde van het perceel. Deze bomen zorgen voor schaduwwerking en verkoeling (afname hittestress). Indien de wadi wordt aangelegd kan het overtollige hemelwater hierin worden opgevangen. Hiermee wordt wateroverlast als gevolg van hevige buien verminderd.

4.11 M.e.r. beoordeling In paragraaf 16.4.2 Ow en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven aan welke regelgeving voor de milieueffectrapportage getoetst dient te worden. Of een besluit m.e.r.-plichtig is of m.e.r.-beoordelingsplichtig kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 Ob. In kolom 1 van Bijlage V zijn de projecten genoemd die m.e.r- (beoordelings)plichtig zijn en in kolom 4 zijn de besluiten genoemd waarvoor de m.e.r-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming wordt verleend; in dit geval is dat een omgevingsvergunning. Of een besluit m.e.r.-plichtig of m.e.rbeoordelingsplichtig is volgt uit kolom 2 respectievelijk 3. Dit project kan worden ondergebracht in categorie J11 van de lijst uit Bijlage V, waarin de term ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is benoemd. Hiervoor geldt geen m.e.r.-plicht, maar wel een m.e.r.beoordelingsplicht bij aanleg, wijziging of uitbreiding, maar dan alleen in het kader van een TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 50 -

Motivering

omgevingsplan. Echter, wanneer voor het project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is, wordt die omgevingsvergunning het project-merbeoordelingsplichtige besluit in plaats van het d omgevingsplan (dat volgt expliciet uit artikel 11.8 lid 3 van het Ob). Indien sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dan geldt derhalve een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. Onderhavig plan In deze casus dient de vraag te worden gesteld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In haar uitspraak 201901464/1/R1 van 11 maart 2020 overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van de m.e.r.beoordelingsplicht, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De genoemde uitspraak betrof een zaak waarbij een voormalige basisschool werd gesloopt, waarna er op die locatie 12 grondgebonden woningen werden gebouwd. In de voorliggende situatie kan iets worden gezegd over de aard en omvang van het voorliggende project. Ten aanzien van de aard en omvang van het project kan - in analogie met genoemde uitspraak worden aangegeven dat er sprake is van de bouw van één woning.

Dit kleinschalige bouwplan past binnen de ruimtelijk-stedenbouwkundige en landschappelijke structuur van lintbebouwing aan de Staarterstraat. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het plan naar aard en omvang passend is in de directe omgeving resp. stedenbouwkundige structuur. Het plan kan hierdoor niet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het opstellen van een project-m.e.r.-beoordeling is daardoor niet noodzakelijk.

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 51 -

Motivering

5 Het TAM-omgevingsplan d

5.1 Opzet regelgeving 5.1.1 De Omgevingswet en het omgevingsplan Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze nieuwe wet bundelt alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Tot 1 januari 2024 golden in gemeenten meerdere bestemmingsplannen. Vanaf 1 januari 2024 heeft iedere gemeente één omgevingsplan dat voor het volledige grondgebied van de gemeente geldt. Dit omgevingsplan (ook wel het ‘tijdelijk omgevingsplan’ / TOP genoemd) bestaat uit alle vóór 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen. Tevens bevat het tijdelijk omgevingsplan alle regels voor de fysieke leefomgeving op Rijksniveau, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn overgeheveld naar gemeenten. Deze regels worden ook wel de ‘bruidsschat’ genoemd. 5.1.2 Wijziging van het omgevingsplan Het omgevingsplan kan gewijzigd worden. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet dient een wijziging van het omgevingsplan te voldoen aan de eisen die hieraan vanuit de Omgevingswet worden gesteld. Bij een wijziging van het omgevingsplan dienen de STOP-TPOD standaarden gehanteerd te worden. STOP-TPOD is een afkorting van de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). 5.1.3 TAM-IMRO / TAM-omgevingsplan TAM-IMRO is een hulpmiddel voor gemeenten die hun omgevingsplan nog niet kunnen of willen wijzigen middels STOP-TPOD.

Deze gemeenten kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van TAMIMRO (TAM: Tijdelijke Alternatieve Maatregel / IMRO: Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) om hun omgevingsplan te wijzigen. Hiertoe dient een TAM-omgevingsplan te worden opgesteld. Een TAM-omgevingsplan lijkt op een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, maar dient te voldoen aan de Omgevingswet. Een TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een plankaart en een motivering en wordt gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl door gebruikmaking van de IMROstandaard. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar ziet eruit als een losstaand plan. Het TAM-omgevingsplan vormt een nieuw hoofdstuk van het omgevingsplan. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Woning Staarterstraat ong. te Sevenum In de voorgaande hoofdstukken van deze motivering zijn de aan dit TAM-omgevingsplan ten grondslag liggende beleidsuitgangspunten en de verschillende omgevings- en milieuaspecten weergegeven. Een en ander is vertaald in de regels van dit plan. Deze regels voldoen aan de eisen volgend uit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk bevat een toelichting op deze regels. Het voorliggend TAM-omgevingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van de realisering van een woning. Het plangebied is plaatselijk bekend als Staarterstraat ong.

te Sevenum en is kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie R, nummer 682. Op deze locaties zijn de thans geldende regels van de voormalige bestemmingsplannen ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ voor zover relevant overgenomen en vertaald in een regeling die aansluit bij de terminologie van de Omgevingswet. Ook zijn de parapluplannen ‘Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021’ en ‘Parkeren’ meegenomen in de voorliggende regeling.

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 52 -

Motivering

5.2 Artikelsgewijze toelichting d

5.2.1 Preambule

De preambule regelt de verhouding tussen het TAM-omgevingsplan en het (tijdelijk) omgevingsplan. In de preambule is vastgelegd dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk 22i van het omgevingsplan. 5.2.2 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begrippen In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan. Artikel 2: Toepassingsbereik De vaststelling van een TAM-omgevingsplan leidt er niet toe dat de oude regels uit de/het voormalige bestemmingsplan(nen) die binnen het plangebied golden komen te vervallen. Door het opnemen van een toepassingsbereikverklaring wordt geregeld dat de regels uit het TAM-omgevingsplan voorrang hebben op de oude regels, in het geval deze regels strijdig zijn met elkaar. Artikel 3: Meet- en rekenbepalingen In dit artikel zijn regels opgenomen over hoe wordt gemeten bij de toepassing van de regels van het TAM-omgevingsplan.

5.2.3 Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten Artikel 4: Algemeen gebruiksverbod In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen, mogen activiteiten zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd en gelden er geen beperkingen voor die activiteit op basis van het omgevingsplan. Het enkel opnemen van regels die gelden voor bepaalde functies op bepaalde locaties is onvoldoende om het handelen in strijd met deze regels te verbieden of vergunningplichtig te maken. Artikel 5: functie ‘Agrarisch met waarden’ Een deel van het plangebied heeft de functie ‘Agrarisch met waarden’ gekregen. Dit heeft te maken met de spuitvrije zone met een straal van 50 meter tot aan de woonfunctie die is opgenomen om te garanderen dat in deze zone niet met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt. De agrarische functie is hierdoor op de plankaart als een halve cirkel zichtbaar. Op deze gronden gelden de regels van de gelijknamige bestemming uit het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’. In het voorliggende plangebied is geen sprake van agrarische bouwkavels. Artikel 6: functie ‘Wonen’ Een deel van het plangebied heeft de functie ‘Wonen’ gekregen.

Binnen deze functie is het wonen toegestaan in woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1; hieruit volgt dat het een grondgebonden woning betreft. Voorts zijn in de planregels maatvoeringen opgenomen voor goot- en bouwhoogten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde. De afstand tussen de zijgevel van de woning en de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te bedragen. Er binnenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn regels opgenomen voor aan huis verbonden bedrijf, kleinschalig kamperen, kleinschalige horeca en verblijfsrecreatie. Deze mogelijkheden zijn afkomstig uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Horst aan de Maas en de daarbinnen geldende regelingen van de voormalige bestemmingsplannen. In de regeling van deze

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 53 -

Motivering

functie is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen die strekt tot aanleg/realsering van het landschapsinrichtingsplan (LIP). d Artikel 7: functie ‘Waarde – Archeologie 2’ Het grootste deel van het plangebied is voorzien van de functie ‘Waarde – Archeologie 2’. De locaties met deze functie zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. Ter plaatse van deze functie dient archeologisch onderzoek plaats te vinden voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een bodemverstoring met een diepte van 0,30 meter of meer beneden het maaiveld, over een oppervlakte van 100 m² of meer. Artikel 8: functie ‘Waarde – Archeologie 4’ Een deel van het plangebied is voorzien van de functie ‘Waarde – Archeologie 4’. De locaties met deze functie zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. Ter plaatse van deze functie dient archeologisch onderzoek plaats te vinden voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een bodemverstoring met een diepte van 0,40 meter of meer beneden het maaiveld, over een oppervlakte van 2.500 m² of meer.

Artikel 9: functie ‘Waarde – Beschermd cultuurlandschap-1’ Een deel van het plangebied is voorzien van de functie ‘Waarde - Cultuurlandschap-1’. De locaties met deze functie zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van het cultuurlandschap. Er is een omgevingsvergunning verbonden aan bouw, aanleg- en sloopactiviteiten. Artikel 10: functie ‘Waarde – Beschermd cultuurlandschap-3 Een deel van het plangebied is voorzien van de functie ‘Waarde - Cultuurlandschap-3’. De locaties met deze functie zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van het cultuurlandschap. Er is een omgevingsvergunning verbonden aan bouw, aanleg- en sloopactiviteiten. 5.2.4 Hoofdstuk 3: Algemene regels De algemene regels van het TAM-omgevingsplan gelden voor het gehele plangebied. Hier zijn onder meer de algemene gebruiks- en afwijkingsmogelijkheden opgenomen Artikel 11: Anti-dubbeltelregel Dit artikel voorkomt dubbeltellingen bij aanvragen om omgevingsvergunning over hetzelfde gebied. Artikel 12: Algemene bouwactiviteiten In dit artikel zijn regels over ondergeschikte bouwdelen, ondergronds bouwen en bouwen in de buurt van agrarische bedrijven opgenomen, in aanvulling op de bij de diverse functies opgenomen regels.

Artikel 13: Algemene gebruiksactiviteiten In dit artikel zijn bepalingen over strijdig gebruik opgenomen. Artikel 14: Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake de specifieke aanduidingen ‘milieuzone – spuitvrije zone’ en ‘overige zone – velden’. De spuitzone verwijst naar de afstand van 50 meter tot gevoelige functies (in dit geval wonen). Hierbinnen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. De aanduiding ‘overige zone - velden’ is opgenomen ter bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het omliggende landelijk gebied. Artikel 15: Overige regels In dit artikel zijn de geldende parkeerregels opgenomen. TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 54 -

Motivering

5.2.5 Hoofdstuk 4: Overgangsrecht Artikel 16: Overgangsrecht d In dit artikel is overgangsrecht voor gebruik en bouwwerken opgenomen.

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 55 -

Motivering

6 Financiële uitvoerbaarheid d De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen zoals wegen, rioolaansluitingen en parken en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen (het zogenaamde ‘kostenverhaal’). De mogelijkheid van kostenverhaalregels of kostenverhaalvoorschriften geldt alleen voor nieuwe bouwactiviteiten of functieveranderingen, niet voor al eerder mogelijk gemaakte bouwactiviteiten. Onderhavig plan In de voorliggende casus is sprake van een particulier initiatief waarbij één woning wordt gebouwd. Het bouwen van een woning is primair kostenverhaalplichtig. Het bevoegd gezag kan echter in drie gevallen afzien van het toepassen van de wettelijke regeling voor het verhalen van kosten via kostenverhaal.

Artikel 8.14 van het Omgevingsbesluit maakt afzien van kostenverhaal mogelijk als: a. het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000; b. er geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV zijn; of c. de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Als een van deze drie situaties zich voordoet, mag het bevoegd gezag afzien van kostenverhaal. Het betreft een facultatieve bevoegdheid. Burgemeester en wethouders hoeven er geen gebruik van te maken. Gelet op het feit dat het kostenverhaal uitsluitend bestaat uit de aansluiting op nutsvoorzieningen zou de gemeente in dit geval de mogelijkheid hebben van kostenverhaal af te zien. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 56 -

Motivering

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid d

7.1 Participatie In het kader van de omgevingsdialoog is er door de toekomstige eigenaar van de gronden aan de Staarterstraat 5 en tevens toekomstige bewoner van de te realiseren woning op dit adres voor gekozen om de omwonenden alle individueel op de hoogte te brengen van de bouwplannen en deze plannen toe te lichten. Daarvoor heeft initiatiefnemer op 7 maart 2024 gesprekken gevoerd met de bewoners van Staarterstraat 2A, 2B, 2C, 4 en 4A en op een later moment, te weten op 7 april 2024, met de bewoners van Staarterstraat 6 en 8 en met de schutterij (Staarterstraat 7). De reacties varieerden van geïnteresseerd tot positief of enthousiast. Geen van de omwonenden gaf op de genoemde momenten aan bezwaren tegen het woningbouwplan te hebben. Sinds deze gesprekken is de voortgang van de procedure vertraagd doordat de gemeente eerst een gemeentelijk standpunt (ambtelijk-bestuurlijke lijn) wilde formuleren met betrekking tot de omgang met de zogenaamde spuitzone-problematiek. Nadat deze lijn duidelijk was is tevens gesproken met de eigenaren van de percelen R 191 en R 574. Tijdens deze gesprekken is inzicht geboden in de ligging van de spuitzone en de daarmee samenhangende beperkingen. Tevens is aangegeven dat daar waar sprake zou kunnen zijn van schade een beroep kan worden gedaan op nadeelcompensatie.

De betreffende eigenaren hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de opname van de milieuzone-spuitvrije zone en overeenkomstig de gemeentelijke ambtelijk-bestuurlijke lijn is deze instemming is tevens vastgelegd in een getekende vaststellingsovereenkomst van 5 juli 2025. Aangezien ook een deel van het perceel R 192 (gemeentelijk eigendom) is gelegen in de milieuzone - spuitvrije zone, is ook de gemeente gevraagd om instemming. De gemeente heeft per mail van 29 september 2025 aangegeven daarmee in te stemmen. Er wordt tevens naar paragraaf 4.4 verwezen. Op 27 september 2025 zijn de omwonenden opnieuw geïnformeerd over de voortgang van de procedure en ook toen is wederom niet van bezwaar gebleken.

7.2 Afstemming In artikel 2.2 van de Omgevingswet (afstemming en samenwerking) is vastgelegd dat een bestuursorgaan bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet rekening houdt met de taken en bevoegdheden van andere overheden en dat - indien nodig afstemming plaatsvindt met andere bestuursorganen. Bij de ontwikkeling van het voorliggende TAM-omgevingsplan heeft afstemming plaatsgevonden tussen de gemeente Horst aan de Maas en Waterschap Limburg.

7.3 Procedure Op de vaststelling van het TAM-omgevingsplan is de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De gemeente legt het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken voor een periode van zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een mondelinge dan wel schriftelijke zienswijze op de stukken in te dienen. Voorliggend ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf 12 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas

- pagina 57 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16933265/1