05c Motivering
Tekst van het document
Als laatste is er aandacht voor revitalisering van bedrijventerreinen, waar de gemeente zich richt op de indeling van een vrijgekomen locatie om ruimte te creëren voor startende en groeiende lokale bedrijven. Slim en dubbel ruimtegebruik wordt hierbij gestimuleerd. 4. Toekomstbestendige agrarische sector De gemeente wil zich inzetten op toekomstgerichte, duurzame en innovatieve landbouwgebieden. Hier is een goede balans nodig tussen landbouw, natuur, water, bodem en een gezonde leefomgeving. Ze willen hun goede balans van hun agrarische sector vasthouden en verder versterken. Daarnaast is het van belang om een diverse agrarische sector te creëren voor een sterkere en minder kwetsbare economie. 5. Een sterk toeristisch-recreatief profiel voor rust- en plezierzoekers De gemeente wil goed ingericht zijn voor recreatie en toerisme. De gemeente wil dit behalen door zich in te zetten op een mooie, rustige omgeving waar genoeg recreatiemogelijkheden zijn. De ontwikkelingen richten zich op het aantrekken van meer bezoekers, maar houdt rekening met de capaciteit van de wegen, natuur en dorpen. 6. Identiteit door herkenbare landschappen en erfgoed De gemeente wil zich inzetten op het behouden en versterken van de eigenheid en kwaliteit van dorpen en linten. Daarnaast worden cultuurhistorische gebouwen, gebieden en landschappen behouden.
Erfgoed moet beleefbaar en toegankelijk gemaakt worden voor iedereen. De gemeente kijkt naar de omgeving waarin het erfgoed ligt, waarbij kennis en maatwerk van groot belang zijn. Als laatste is het van belang om herkenbare en aantrekkelijke landschappen te realiseren. 7. Horst aan de Maas is groen en duurzaam De gemeente Horst aan de Maas wil in 2040 zoveel als mogelijk klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuur inclusief zijn. Dit doen ze door zelf duurzame energie op te wekken en willen een slim energiesysteem dat opwekking, gebruik, opslag en omslag met elkaar verbindt. Het reizen moet hierbij ook groener worden. De natuurgebieden zijn met elkaar verbonden en kwetsbare natuur wordt extra goed beschermd door middel van natuurbuffers. Het bodem -en watersysteem moet hierbij goed gebalanceerd zijn. 8. Onze mobiliteit is op orde De gemeente streeft naar goed en veilig bereikbare gebieden. Er zijn minder verkeersslachtoffers en mensen voelen zich veiliger in het verkeer. Zowel in als buiten de dorpen zoeken ze steeds een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid, voor alle vormen van vervoer. Daarnaast richten ze TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 25 -
Motivering
zich op duurzamere mobiliteit, sterkere vervoersknoop Horst-Sevenum en een betere bereikbaarheid van bedrijventerreinen. d Op de onderstaande afbeelding is de Integrale Visiekaart van de gemeente Horst aan de Maas afgebeeld (afkomstig uit de Omgevingsvisie. Op grond van deze visiekaart (met uitvergroting) is Sevenum aangewezen als groeikern en is het plangebied gelegen in de kernrandzone rondom Sevenum:
Integrale Visiekaart Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040
Een kernrandzone is een overgangsgebied van 250 meter tussen een dorpskern en de omgeving. Deze kernrandzone is een aantrekkelijke zone voor de inwoners van de kernen, waarin in principe de toekomstige woningbouwlocaties worden gezocht. Daarnaast is deze kernrandzone voor inwoners extra aantrekkelijk om te kunnen recreëren. Ook de groene leefomgeving is extra belangrijk in deze zone. Doorwerking plangebied Het mogelijk maken van de bouw van een vrijstaande woning in de kernrandzone van Sevenum past binnen de visie van de gemeente ten aanzien van nieuwe woningbouwlocaties. In de hoofdstukken 2 en 4 van deze motivering is onderbouwd dat het initiatief beperkte impact heeft op de omgeving. Het initiatief is daarmee passend binnen de ‘Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040’. Conclusie De activiteit past binnen de gemeentelijke doelstellingen en het gemeentelijke beleid, deze aspecten vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 26 -
Motivering
Masterplan Wonen 2021-2025 In het Masterplan Wonen 2021-2025 is aangegeven dat de woningmarkt in de gemeente Horst aan de Maas onder druk staat. De vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk d neemt de komende jaren verder toe. Horst aan de Maas groeit. De gemeente telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: het bouwen van 1.000 woningen tussen nu en 2025. Vooral onder starters op de woningmarkt, mensen met een laag inkomen en senioren is de vraag naar een nieuw thuis groot. De nieuwbouwopgave voorziet in die vraag: o 30% van alle nieuwbouw betreft woningen voor sociale huur; woningen bestemd voor allerlei huishoudens: jongeren, gezinnen en senioren met een laag inkomen. De behoefte naar sociale huur verschilt sterk per kern. o 30% van de nieuwbouw worden vrije sector huurwoningen. Deze zijn vooral interessant voor senioren (zij verkiezen in toenemende mate huur boven koop) of voor starters en jonge gezinnen met een middeninkomen. Een ander argument voor huur in deze categorie is ‘flexibiliteit’. Steeds meer mensen willen de vrijheid hebben om makkelijk te kunnen verhuizen, zonder de risico’s van een koopwoning.
o de overige 40% worden koopwoningen en dan hoofdzakelijk betaalbare (starters)woningen en nultredenwoningen zoals appartementen, grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond en eengezinswoningen die later relatief eenvoudig getransformeerd kunnen worden tot nultredenwoningen. Voorzien wordt dat de vraag naar traditionele eengezinswoningen in het duurdere koopsegment op termijn stabiliseert of zelfs daalt. Bestaande woningen voorzien al in deze behoefte. Daarom staat de gemeente terughoudend tegenover de nieuwbouw van dit type koopwoningen. Voor de meest urgente woonvragen bieden tijdelijke woningen – mits van goede kwaliteit – uitkomst. Denk aan tijdelijke woningen op braakliggende gronden. Bovendien zijn tijdelijke woningen verplaatsbaar en daarom in de loop der tijd ‘herbruikbaar’. Met ontwikkelaars en corporaties onderzoeken we de mogelijkheden van tijdelijke woningen voor starters, spoedzoekers en anderen die snel een woning nodig hebben. Resumé Omdat de voorliggende woning een compensatiekavel is en in feite een vervanging is van een - een aantal jaren geleden gesloopte - vrijstaande woning op een andere locatie is met de bouw van deze woning geen sprake van uitbreiding van de woningvoorraad. Ondanks de beperkte behoefte aan dure grondgebonden woningen is er reeds een potentiële koper voor de kavel beschikbaar met een concept - bouwplan.
Gemeentelijk Rioleringsplan Horst aan de Maas 2022-2026 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. In dit wettelijk verplichte gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente Horst aan de Maas haar (afval)waterketen heeft ingericht. Daarmee geeft de gemeente aan hoe zij omgaat met de wettelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen. Ook wordt richting gegeven aan de invulling van de zorgplicht voor het veiligstellen van de drinkwatervoorziening. Voor deze planologische onderbouwing is met name het aspect hemelwaterafkoppeling relevant. De gemeente is in dit verband verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen waarvan de eigenaren niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. De voorkeursvolgorde die daarbij wordt gehanteerd is vasthouden - infiltreren en bergen - afvoeren. Het algemene uitgangspunt dat de gemeente Horst aan de Maas hanteert is dat gebouwen en percelen geen hemelwater lozen op de gemeentelijke riolering, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid noodzakelijk is. Bij nieuwbouwsituaties, zoals in de voorliggende situatie, worden eisen gesteld aan de omgang TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 27 -
Motivering
met hemelwater. Voorheen werd een bergingseis van 30 mm gehanteerd, maar dat blijkt niet voldoende te zijn. De bergingseis is sterk afhankelijk van de lokale gebiedseigenschappen. Samen met Waterpanel Noord wordt momenteel d gewerkt aan een gebiedsgerichte aanpak. Tot die tijd wordt een bergingseis van 53 mm gehanteerd en indien afstroming plaatsvindt naar probleemlocaties wordt 100 mm aangehouden. Voor extreme neerslaggebeurtenissen wordt voorzien in een bovengrondse overloop naar de openbare ruimte. Hoe ten aanzien van dit bouwplan wordt omgegaan met afkoppeling van hemelwater is beschreven in paragraaf 3.9 van deze motivering Programma Erfgoed In 2025 is het Programma Erfgoed vastgesteld voor de gemeente Horst aan de Maas. Het programma geeft uitwerking aan en organiseert de uitvoering van de ambities in de omgevingsvisie en de zorgplicht voor erfgoed zoals vastgelegd in de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat erfgoed een van de dragers van de omgevingskwaliteit en identiteit van Horst aan de Maas is. Met het programma beoogt de gemeente een zorgvuldige omgang met de fysieke resten van het verleden van Horst aan de Maas en werken we aan het beleefbaar en toegankelijk maken van dit erfgoed. Het doel is daarbij niet om een stolp over de waarden in onze omgeving te leggen, maar om zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hierbij wordt de koppeling gelegd met andere gemeentelijke ambities, zoals die op het vlak van toerisme, economie, milieu en natuur. Door nieuwe functies, bijvoorbeeld bij herbestemming van gebouwen, mogelijk te maken kan tegelijk geïnvesteerd worden in behoud en beleving van het erfgoed zelf. Daarbij is het behoud van het ensemble waar het erfgoed deel van uitmaakt net zo belangrijk als het erfgoed zelf. Het Programma Erfgoed sluit aan bij de begripsbepaling van erfgoed uit de Omgevingswet: archeologische monumenten (archeologie - te verwachten en bekende waarden in het bodemarchief), cultuurlandschappen (cultuurlandschap - de structuur en elementen in het bovengrondse landelijk gebied), en monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna te noemen gebouwd erfgoed, waaronder zowel bouwkunst als stedenbouwkundige ensembles). Afweging bij initiatieven: De gemeente beschikt over beleidskaarten per erfgoedthema, deze vormen de basis voor het afwegingskader in de omgang met erfgoed in geval van initiatieven. Het beleid wordt hierna per erfgoedthema samengevat. Archeologie De waarden en verwachtingen zijn vertaald naar beleidscategorieën waaraan vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Indien de oppervlakte van het plangebied en de diepte van voorgenomen ingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden is onderzoek noodzakelijk.
In de kaart zijn bovendien aanduidingen opgenomen: in het onderzoek dient rekening gehouden te worden met de betreffende aanduiding. Cultuurlandschap De gemeente hanteert op basis van de waardering en onderliggende kenmerken drie beleidszones. - in gebieden met een zeer hoge waarde heeft het cultuurlandschap een zeer hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen. Aan een initiatief kan alleen worden meegewerkt als de cultuurhistorische waarden op de betreffende locatie niet onevenredig worden aangetast en bij voorkeur nog verder versterkt; - in gebieden met een hoge waarde heeft het erfgoedbelang een hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen, waarbij ontwikkelingen de cultuurhistorische betekenis versterken. Een beperkte aantasting van cultuurhistorische waarden op ondergeschikte aspecten is toelaatbaar mits een compensatie van gelijkwaardige aard kan worden gevonden. Is een impact van een ontwikkeling groot, dan is de mogelijkheid tot compensatie elders niet mogelijk; - in gebieden met een positieve en basiswaarde geldt dat het cultuurhistorisch belang als één van de deelbelangen in de afweging meedoet. Hierbij letten we op kansen in het ontwerp om TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 28 -
Motivering
de kwaliteit van het landschap te verbeteren via herstel van landschapselementen of kenmerken. d De afweging richt zich in alle gevallen zowel op gebiedskenmerken als op het behoud van aanwezige en/of herstel van herkenbare of verdwenen cultuurhistorische landschapselementen. Initiatiefnemers dienen op beide aspecten te verantwoorden hoe zij hiermee in hun plan omgaan. Historisch stedenbouwkundige ensembles Dit betreft de gebieden waar het gebouwde erfgoed relatief gaaf bewaard gebleven is en er sprake is van een duidelijke ruimtelijke samenhang. De gemeente hanteert hier twee beleidszones: - in ensembles met een zeer hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een zeer hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij getoetst wordt aan de kernwaarden van het ensemble. - in ensembles met een hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt getoetst aan de hoofdlijn van kernwaarden in het gebied. De gemeente beschikt tot slot over een register van gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden. Toetsing en rolverdeling initiatiefnemer en bevoegde overheid Een initiatiefnemer dient aan te tonen dat de aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast, zoals hiervoor per beleidszone is aangegeven.
Afhankelijk van de aard van de ingreep kan verdiepend onderzoek in opdracht van de initiatiefnemer nodig zijn, dit ter beoordeling door de behandelend ambtenaar. Bij initiatieven in linten c.q. waar historische bebouwingsstructuren en cultuurlandschappelijke waarden elkaar raken dient mede op basis van cultuurhistorische argumenten afgewogen te worden hoe zal worden omgegaan met nog bestaande zichtrelaties c.q. open ruimtes tussen de weg en het (open) landschap achter de lintbebouwing. Dit vragen we om te voorkomen dat bebouwing en erfinrichting in linten zodanig aaneengroeien dat de ruimtelijke en visuele relatie tussen de weg en het landschap verdwijnt. Initiatieven worden aan de deskundige namens het bevoegd gezag voorgelegd. Bij hogere waarden en complexere ingrepen wordt in het geval van cultuurlandschap, gebouwd erfgoed en/of ensembles de gemeentelijke adviescommissie gevraagd om te adviseren. Erfgoedverordening Vanwege de implementatie van de Omgevingswet is de Erfgoedverordening in 2023 geactualiseerd. Deze verordening bevat een vangnetbepaling archeologie. De verordening bevat daarnaast met name bepalingen ten aanzien van de aanwijzing en bescherming van gemeentelijk erfgoed. Plangebied Voor het onderhavige plangebied is de status van de drie genoemde onderdelen van het Programma Erfgoed geanalyseerd.
Archeologie Uit de archeologische beleidskaart, die is vastgesteld in het Programma Erfgoed, blijkt dat het plangebied valt binnen de beleidscategorieën 2 en 4. Deze beleidscategorieën met de bijbehorende restricties voor bouw- en aanlegactiviteiten zijn vertaald in beschermende juridische regelingen in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Concreet betekent dit dat bij beleidscategorie 2 een verstoring dieper dan 30 cm én groter dan 100 m² archeologisch onderzoek vereist is. Bij beleidscategorie 4 gelden hiervoor als ondergrens de waarden 40 cm respectievelijk 2.500 m².
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 29 -
Motivering
Cultuurlandschap Ten aanzien van cultuurlandschap kan worden aangegeven dat het plangebied gelegen is binnen twee cultuurlandschappen: ‘zeer hoge waarde’ (beleidszone 1-paars) en ‘positieve of basiswaarde’ (beleidszone 3-groen). In gebieden met een zeer hoge waarde op basis van de cultuurhistorische waardenkaart (beleidszone-1) heeft het cultuurlandschap een zeer hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen. Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als de cultuurhistorische waarden op de betreffende locatie niet onevenredig worden aangetast en bij voorkeur nog verder versterkt. In gebieden met een positieve en basiswaarde (beleidszone-3) geldt dat het cultuurhistorisch belang als één van de deelbelangen in de afweging meedoet. Bijzondere aandacht is daarbij voor kansen die ontstaan om de kwaliteit in gebieden met een positieve waarde te verbeteren. Specifieke aandacht bestaat hier voor de landschapselementen die op de cultuurhistorische waardenkaart in deze deelgebieden zijn weergegeven. Deze beleidscategorieën met de bijbehorende restricties voor bouw- en aanlegactiviteiten zijn vertaald in beschermende juridische regelingen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
Concreet betekent dit dat het bouwen, het uitvoeren van aanlegactiviteiten en het slopen omgevingsvergunningplichtig zijn; hiervoor zijn in de afzonderlijke categorieën specifieke beoordelingsregels opgenomen. Historisch stedenbouwkundige ensembles Ten aanzien van de historisch stedenbouwkundige ensembles geldt dat er geen waarden aanwezig zijn binnen het plangebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het plangebied sprake is van archeologische verwachtingswaarden en van ligging in twee typen cultuurlandschappen. Via de opgenomen beschermende regelingen in de regels van dit TAM-omgevingsplan is geborgd dat verstoring van archeologische respectievelijk cultuurlandschappelijke waarden plaatsvindt. Daarnaast is voor deze ontwikkeling een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.2 en separate bijlage 7).
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 30 -
Motivering
4 Fysieke leefomgeving d
4.1 Beschermen van de gezondheid 4.1.1 Wettelijk kader In artikel 1.3 Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet aangegeven. De wet, zo is beschreven, is gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. De vraag die daarbij wordt gesteld is of de vaststelling van deze wijziging van het tijdelijk omgevingsplan leidt tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. In de navolgende paragrafen 3.2 t/m 3.11 komen de aspecten die hierbij een rol spelen aan de orde.
4.2 Milieubelastende activiteiten Volgens artikel 1 Ow en de daarbij behorende bijlage is een milieubelastende activiteit een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Regels over milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving), het Besluit kwaliteit leefomgeving (in de vorm van (instructieregels) en in de bruidsschat (afdeling 22.3 van het Tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas). Instructieregels In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen van milieuhygiënische aard. Het befreft de aspecten luchtkwaliteit, geluid door activiteiten, geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, windturbines, bodemkwaliteit en geur. In het kader van het voorliggende plan zijn relevant: - paragraaf 5.1.4.2 Bkl (geluid door activiteiten): zie hiervoor paragraaf 4.3; - paragraaf 5.1.4.2a Bkl (geluid door wegen): zie hiervoor paragraaf 4.3; - paragraaf 5.1.4.1 Bkl (luchtkwaliteit): zie hiervoor paragraaf 4.4; - paragraaf 5.1.4.5 Bkl (bodemkwaliteit): zie hiervoor paragraaf 4.5. Deze aspecten komen aan de orde in paragraaf 4.3 tot en met 4.5 van deze onderbouwing.
De overige aspecten uit de instructieregels (geluid door spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, windturbines en geur) zijn niet relevant voor deze wijziging van het tijdelijke omgevingsplan. Bruidsschat TOP Ten aanzien van de voorliggende wijziging van het tijdelijke omgevingsplan is er geen sprake van milieubelastende activiteiten waarvoor in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noch in de bruidsschat van het TAM-omgevingsplan specifieke regels zijn opgenomen. Overige aspecten Naast de aspecten uit het Bkl en de bruidsschat is voor deze motivering ook het aspect ‘spuitzones’ relevant, vanwege de ligging aangrenzend aan agrarisch gebied en de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast is het aspect ‘gevaar’ relevant vanwege de ligging in de nabijheid van een schutterij. Voor beide is geen wetgeving voorhanden. Het onderwerp ‘spuitzone’ TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 31 -
Motivering
komt aan de orde in paragraaf 4.4 (‘Kwaliteit van de buitenlucht’); het onderwerp ‘gevaar schutterij’ komt aan de orde in paragraaf 4.6 (‘Externe veiligheid’). d
4.3 Geluid 4.3.1 Geluid door activiteiten Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag in de Omgevingswet en in het Bkl. In deze subparagraaf wordt het aspect geluid door activiteiten behandeld. Het gaat dan om geluid afkomstig van bestaande activiteiten die in de nabijheid van de geprojecteerde woning plaatsvinden en die mogelijk een belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. Daarbij prevaleren de bestaande rechten van de aanwezige activiteiten boven de nieuwe woning. Mocht er sprake zijn van overschrijding van normen vanwege de bestaande activiteiten op de beoogde woonfunctie dan zal het plan voor de woonfunctie moeten worden aangepast. Onderhavig plan Geluid van omliggende functies op de beoogde woning In oktober 2024 is een nieuwe ‘Handreiking Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG geïntroduceerd. De in deze Handreiking beschreven nieuwe systematiek voor milieuzonering werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zonder een lijst van activiteiten.
De basisprincipes van milieuzonering zoals gehanteerd in de vorige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering uit 2009 blijven echter hetzelfde. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. Deze zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte. Hiermee wordt duidelijk welke milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten in een gebied op grond van het omgevingsplan rechtstreeks worden toegelaten. In de nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering (2024) wordt aangegeven dat deze publicatie niet bedoeld is voor de industrieterreinen (zware industrie). De publicatie is ook niet geschikt voor de beoordeling van milieuhinderlijke activiteiten in een rustig woongebied. Het voorliggende plangebied kan, gelet op de dominante aanwezigheid van woonfuncties, het best worden geclassificeerd als een ‘rustige woonwijk’.
Hiervoor is de Handreiking derhalve niet toepasbaar. Middels de vaststelling van het voorliggende TAM-omgevingsplan vindt een wijziging plaats van het omgevingsplan van rechtswege (TOP). Hierbij moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het voormalige toetsingskader ‘VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009)’ kan daarbij in rustige woongebieden als hulpmiddel worden gebruikt. Functies in omgeving (exclusief schutterij) In de directe omgeving van het plangebied zijn, buiten de schutterij, slechts enkele afwijkende functies aanwezig. Aan de Steeg is zorgboerderij D’n Bongerd gelegen en aan de Boekweitstraat is Woonbegeleidingscentrum Korenhuys gevestigd; beide complexen betreffen maatschappelijke woonvormen. Voor deze maatschappelijke functies zijn volgens de VNG-brochure geen richtafstanden van toepassing. Aan de weg Hees (op circa 150 meter resp. 210 meter van de grens van het plangebied) zijn twee glastuinbouwbedrijven gelegen. Deze hebben volgens de VNGTAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 32 -
Motivering
brochure een richtafstand van 30 meter (vanwege geluid). Gelet op de grote afstanden van deze bedrijven tot het plangebied speelt de geluiduitstraling van deze bedrijven geen rol noch worden deze bedrijven als gevolg van deze ontwikkeling belemmerd in hun activiteiten. Wellicht ten d overvloede wordt daarbij aangetekend dat deze bedrijven reeds beperkingen ondervinden van woningen die dichterbij gelegen zijn. Geluid vanwege schutterij Sint Sebastianus (Staarterstraat 7) Regelgeving Tot de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024 gold een vrijstelling van geluidregels voor traditioneel schieten, tenzij een gemeente er in de APV regels aan stelde. Voor het stellen van die regels kon de Handreiking Traditioneel Schieten (zie verder) als uitgangspunt worden genomen. De strekking daarvan is dat geluid vanwege schietactiviteiten door traditioneel Limburgs schieten in beginsel geen probleem oplevert in het kader van het streven naar een goed woon- en leefklimaat. Per 1 januari 2024 geldt de genoemde vrijstelling niet meer: in het Besluit kwaliteit leefomgeving is geen uitzondering meer opgenomen voor geluid door traditioneel schieten. Onder het nieuwe stelsel hebben gemeenten niet meer de mogelijkheid om geluid door traditioneel schieten niet te reguleren. Als een gemeente geen regels stelt dan gelden de standaardwaarden.
Dit geldt echter uitsluitend voor nieuwe situaties (oftewel: oprichting van nieuwe schietlocaties). Voor bestaande situaties, zoals deze schietlocatie aan de Staarterstraat 7, gelden op grond van de bruidsschat in het Omgevingsplan Horst aan de Maas de oude regels van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat voor deze locatie geen geluidregels van toepassing zijn met betrekking tot schietlawaai. In dit verband wordt ook teruggevallen op de aanbevelingen uit de Handreiking Traditioneel Schieten. Deze wordt in het navolgende toegelicht. Handreiking Traditioneel Schieten In het verleden is gebleken dat het voor schutterijen in Limburg erg moeilijk is om te voldoen aan de geluidregelgeving. Hierdoor en door de centralisatie van schietterreinen werden schutterijen vaak gedwongen hun schietlocatie in de dorpskernen te verlaten. Door het verlies van de verbondenheid met het dorp, werden veel schutterijen in hun voortbestaan bedreigd. Om de traditie van Limburgs schieten te behouden is de provincie Limburg in overleg met het toenmalige ministerie van VROM op zoek gegaan naar oplossingen voor de geconstateerde knelpunten. Dit heeft destijds uiteindelijk (mede) geleid tot een wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oude wetgeving).
In artikel 2.18 van het (voormalige) Activiteitenbesluit milieubeheer is geregeld dat bij het bepalen van de geluidniveaus van inrichtingen het traditioneel schieten geheel buiten beschouwing blijven, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. Wel is het mogelijk dat gemeenten regels stellen voor deze activiteit in een gemeentelijke verordening ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder. Het uitgangspunt is derhalve dat er in beginsel geen eisen worden gesteld aan het geluid van schietactiviteiten door een schutterij. Om toch voldoende aandacht te schenken aan het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van schietlocaties heeft de provincie Limburg in 2024 de ‘Handleiding Limburgs Traditioneel Schieten’ opgesteld. In deze Handreiking wordt aanbevolen met de betrokken schutterijen of schuttersgilden goede afspraken te maken met betrekking tot het schieten, waarbij het uitgangspunten is dat er niet wordt geschoten in de periode van 21.00 uur tot 9.00 uur. Dit ter voorkoming van klachten. Mocht deze aanpak ontoereikend blijken, dan kan overwogen worden om bij gemeentelijke verordening regels te stellen met betrekking tot geluid. Daarvoor wordt geadviseerd de Handreiking te benutten.
Er is in de Handreiking een aantal uitgangspunten opgenomen waarmee de gemeente extra instrumenten tot haar beschikking heeft om geluidoverlast te beperken. 4.3.2 Geluid door wegen Voor andere belangrijke geluidbronnen zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 33 -
Motivering
en het Bkl. De geluidregels hebben een tweezijdige werking, zowel voor het realiseren van geluid veroorzakende functies en activiteiten als voor het realiseren van geluidgevoelige functies en activiteiten. d Akoestisch onderzoek (separate bijlage 1) Door WSP is een onderzoek uitgevoerd naar het effect van het wegverkeerslawaai op de gevel van de te realiseren woning op deze locatie. De invloed van geluid door wegen moet worden berekend indien een geluidgevoelig gebouw (zoals een woning) dat wordt toegelaten op grond van een omgevingsplan geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van verharde gemeentewegen zonder geluidproductieplafonds met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Aangezien de geluidaandachtsgebieden op dit moment nog niet formeel zijn vastgesteld in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG), worden enkel de wegen beschouwd met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal op een afstand van 200 meter rondom het plangebied. In de voorliggende situatie zijn de wegen Staarterstraat, Den Eigen en Steeg relevant. Van de Tarwestraat, Haverstraat en Boekweitstraat zijn geen gedetailleerde gegevens opgenomen in het verkeersmodel waardoor ook geen relevante geluidbelastingen worden verwacht als gevolg van deze wegen.
Geconcludeerd is dat de gemeentewegen een hogere geluidbelasting veroorzaken dan de standaardwaarde van 53 Lden. De wettelijke grenswaarde van 70 Lden wordt echter nergens overschreden. Geconcludeerd is ook dat bron- en overdrachtsmaatregelen (bovenop de al voorziene ontvangermaatregelen) onvoldoende financieel doeltreffend zijn om de geluidbelasting als gevolg van gemeentewegen te reduceren tot onder de standaardwaarde, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van technische, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard. Daarom wordt geadviseerd om bevoegd gezag te verzoeken om voor deze woning meer geluid dan de standaardwaarde toe te staan. De motivering om dit toe te staan berust op de maatregelen die reeds zijn voorzien binnen het plan (ontvangermaatregelen). Deze ontvangermaatregelen bestaan onder meer uit het treffen van maatregelen aan de gevel van de nieuwe woning. Op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient de karakteristieke geluidwering van de gevels ten minste 20 dB (art. 4.102 Bbl) te bedragen. In geval van een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde dient de karakteristieke geluidwering minimaal gelijk te zijn aan het verschil tussen het bepaalde gezamenlijke geluid en 33 dB (art. 4.103 Bbl).
Uitgaande van het gezamenlijke geluid van ten hoogste 54 dB, zal dit dus resulteren in een karakteristieke gevelgeluidwering GA,k van 21 dB. Maatregelen bij de ontvanger kunnen ook betrekking hebben op de indeling van de woning. Voor de grondgebonden woning is sprake van een akoestisch gunstige indeling aangezien de leefruimte (keuken en eetruimte) en de hoofdslaapkamer zijn gesitueerd aan de achtergevel (afgekeerd van de bron van wegverkeerslawaai).
4.4 Kwaliteit van de buitenlucht 4.4.1 Luchtkwaliteit (Bkl) De regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen is opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. De overheid beoordeelt vanuit de Omgevingswet vooral de luchtkwaliteit van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Deze aandachtsgebieden zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 en 3 Bkl. De gemeente Horst aan de Maas valt niet onder deze aandachtsgebieden. Omgevingswaarden Bkl In artikel 2.4 Bkl staan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide. Hiervoor gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 34 -
Motivering
-
200 μg/m³ uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en 40 μg/m³ als kalenderjaargemiddelde. d
In artikel 2.5 Bkl staan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: - 50 μg/m³ als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en - 40 μg/m³ als kalenderjaargemiddelde. Blootstellingscriterium Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of 'significant' is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof toetsen. Die omgevingswaarden zijn er om de gezondheid van mensen te beschermen op plaatsen waar zij verblijven. Dit uitgangspunt heet ook wel het ‘blootstellingscriterium’. Bij de blootstellingsduur gaat het om de gemiddelde verblijftijden van personen op een plek. Daarin is geen onderscheid naar hooggevoelige groepen zoals kinderen, zieken of ouderen of het type verblijf. Het bevoegd gezag toetst niet als de blootstellingsduur kort is vergeleken met de middelingstijd van de omgevingswaarde. Dan is er geen significante blootstelling. Deze middelingstijd hangt af van de omgevingswaarde waarvoor een toets nodig is. Uitgaande van de omgevingswaarden vanuit het Bkl is voor stikstofdioxide (NO2) de jaargemiddelde norm bepalend. De middelingstijd voor NO2 is daarom vrijwel altijd een jaar. Voor fijnstof (PM10) is de daggemiddelde norm bepalend.
De vraag is dus of de beoogde gebruiksduur in verhouding tot een jaar respectievelijk een dag significant is. Als voorbeeld van ‘significant ten opzichte van een jaar’ kan gedacht worden aan: - woningen, andere voor wonen bestemde gebouwen en woonboten; - kinderopvang; - basisscholen en scholen voor middelbaar en hoger onderwijs; - verzorgings- en bejaardentehuizen; - revalidatie-instellingen; - gebouwen waar personen langdurig verblijven (met uitzondering van werkplekken of kantoorgebouwen). Denk bijvoorbeeld aan gevangenissen en asielzoekerscentra. Als voorbeeld van ‘significant ten opzichte van een dag’ kan gedacht worden aan: - tuinen bij woningen en bij andere voor wonen bestemde gebouwen; - recreatiewoningen en campings; - sport- en recreatieterreinen zoals buitenzwembaden, speelplaatsen, parken en pretparken; - havens voor recreatievaartuigen; - badinrichtingen in oppervlaktewater. Omdat woningen significant ten opzichte van een jaar worden geacht dient getoetst te worden aan de omgevingswaarden. NIBM: in hoeverre verslechtert de nieuwe activiteit de luchtkwaliteit Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is volgens artikel 5.53 Bkl niet nodig als een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging (‘niet in betekende mate’ ofwel NIBM).
Concreet betekent dit dat indien het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder (tenzij het gaat om een veehouderij). In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen NIBM aangewezen. Het bouwen van woningen behoort tot deze standaardgevallen. Bij één ontsluitingsweg geldt een ondergrens van 1.500 woningen, dat wil zeggen dat de bouw van 1.500 woningen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dat daarvoor dus geen toetsing hoeft plaats te vinden.
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 35 -
Motivering
Plangebied Het bovenstaande in ogenschouw nemende kan voor de te realiseren woning het volgende worden aangegeven. d Bestaande situatie: luchtkwaliteit plangebied De actuele luchtkwaliteit op en rond het plangebied is raadpleegbaar in de Atlas Leefomgeving. Uit de Atlas Leefomgeving volgt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de directe omgeving van het plangebied lager liggen dan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld (voor NO2 19,52 µg/m³, ‘Goed’, Atlas Leefomgeving d.d. 06.02.2025) en voor PM10 24,4 µg/m³ (‘Goed’, Atlas Leefomgeving d.d. 06.02.2025). Deze concentraties liggen (ver) beneden de grenswaarden. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor wat betreft de actuele luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. NIBM: nieuwe activiteit In de in het voorgaande beschreven ‘regeling niet in betekenende mate’ is in artikel 5.54 Bkl vastgelegd dat het ‘omslagpunt’ voor wat betreft de verslechtering van de luchtkwaliteit ligt bij de realisering van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Aangezien op het voorliggende plangebied slechts één woning wordt gebouwd, kan worden geconcludeerd dat deze NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van dit plan. 4.4.2 Milieuzone – spuitvrije zone Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Dit heet drift. Drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen wettelijke bepalingen in de wet opgenomen ten aanzien van dit onderwerp. In de jurisprudentie die zich over dit onderwerp heeft ontwikkeld, wordt als vuistregel een afstand (ook wel ‘spuitzone’ genoemd) van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden (modelberekeningen van TNO vormden hiervoor de basis). Deze in de praktijk gebruikte afstand is indicatief. Dat wil zeggen dat er van deze richtafstand van 50 meter kan worden afgeweken, mits deze afwijking goed wordt onderbouwd. De genoemde spuitzone van 50 meter geldt in principe voor alle vormen van agrarische teelt. Bij het realiseren van gevoelige functies (zoals de woonfunctie) dient met deze rechten rekening te worden gehouden.
Binnen de regels van het tot op heden vigerende omgevingsplan Horst aan de Maas in binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ in artikel 3.5.1 sub b. reeds een gebruiksverbod opgenomen voor het gebruik van de gronden voor fruitteelt en boomteelt binnen een afstand van 50 meter tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen. Er zijn dus al (gedeeltelijk) beperkingen gesteld voor fruitteelt en boomteelt. Met de voorliggende nieuwe ontwikkeling van een woning wordt de milieuzone - spuitvrije zone op de plankaart aangegeven die alle gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen uitsluit. Plangebied Aangrenzend aan het plangebied liggen de agrarische percelen met de kadastrale nummers Sevenum, sectie R nummers 574 en 191, 192 en 681. Het betreft percelen waar thans geen fruitboomteelt plaatsvindt, maar waar dit wel planologisch-juridisch zou mogen. De tuin, die ook als gevoelige functie moet worden aangemerkt, is in deze situatie maatgevend. Op dit moment zijn er planologisch-juridisch geen spuitzones opgelegd aan deze percelen. Het is echter wel wenselijk dit te doen als gevolg van het voorliggende nieuwe bouwplan. Daarbij is het van
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 36 -
Motivering
belang de in het voorgaande genoemde afstand van 50 meter in acht te nemen tot de begrenzing van de tuin. d Op het onderstaande kaartje is de beoogde spuitvrije zone (50 meter) aangegeven van de nieuwe woning. De percelen (sectie R) nummers 574 en 191, 192 en 681 zijn hierop aangegeven:
Beoogde spuitvrije zone in plangebied en omgeving
Er zijn door initiatiefnemer gesprekken gevoerd tussen de initiatiefnemer en de eigenaar van het aanliggende agrarisch perceel met nummer R 574. Deze heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de woningbouwontwikkeling aan de Staarterstraat 5 en de bijbehorende beperkende spuitzone. Tevens heeft de initiatiefnemer zijn plannen en afspraken uitgelegd aan de eigenaar van het perceel R 191. Ook deze eigenaar heeft aangegeven geen problemen te hebben met het initiatief dan wel de spuitzone. Zowel vanuit het oogpunt van gezondheid/milieu als rechten van de agrariër zijn er op basis van het voorgaande geen bezwaren tegen de woningbouwontwikkeling. Het perceel R 192 is eigendom van de gemeente en de gemeente heeft het opnemen van de spuitzone op dit perceel geaccordeerd. Het perceel R 681 is eigendom van initiatiefnemer en daarmee is instemming een feit. Op de plankaart bij dit TAM-omgevingsplan is door middel van de gebiedsaanwijzing ‘milieuzone spuitvrije zone’ een spuitzone opgenomen waarbinnen het gebruik van chemische gewasbeschermings-/bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan. Dit is ook als zodanig veranderd in de planregels (zie ook Hoofdstuk 5 van deze motivering). Met het toekennen van de ‘milieuzone – spuitvrije zone’ wordt uitgesloten dat op de omliggende agrarische gronden (bedrijfsmatig) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt.
Met het toepassen van de milieuzone
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 37 -
Motivering
komen de belemmeringen door het (bedrijfsmatig) gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen te vervallen en kan voldaan worden aan de vuistregel van 50 meter. d
4.5 Bodemkwaliteit Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ter bescherming van de gezondheid zijn in het Bkl instructieregels voor de bodemkwaliteit opgenomen. Deze inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt daarbij voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt als bevoegd gezag de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Deze toelaatbare kwaliteit is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Plangebied Voor deze omgevingsvergunning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, separate bijlage 2).
Doelstellingen van het verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek zijn om: - de bodemkwaliteit vast te stellen aan de hand van de kwaliteitsklassen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022; - vast te stellen in hoeverre de bodemkwaliteit voldoet aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem indien sprake is van de bodemgevoelig gebouw of bodemgevoelige locatie; - na te gaan of op de locatie sprake is van significante risico's voor mens, plant of dier in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); - de (indicatieve) afzetmogelijkheden van eventueel vrijkomende grond vast te stellen; - vast te stellen of een historische grondwaterverontreiniging mogelijk leidt tot een grondwatersanering; - vast te stellen in hoeverre veiligheidsmaatregelen dienen te worden getroffen met betrekking tot grondwerkzaamheden (CROW 400). Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: - de kwaliteitsklasse van de bodem voldoet aan de eisen voor de beoogde woonfunctie; - de bodem bevat geen gehalten boven de interventiewaarden; - het grondwater bevat geen concentraties boven de signaleringsparameters; - er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest aanwezig is in gehalten die aanleiding geven tot nader onderzoek. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Op basis van de resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de vastgestelde kwaliteitsklasse geen belemmering vormt voor de voorgenomen (bouw)activiteiten op de bodemgevoelige locatie. Voorafgaand aan het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de locatie dient een melding milieubelastende activiteit (mba) graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde te worden gedaan via het DSO.
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 38 -
Motivering
4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Wettelijk kader
d
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en de Aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Bij het vaststellen van het omgevingsplan moeten gemeenten voldoen aan regels over externe veiligheid. Enerzijds moeten ze in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. Dit speelt bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen.
Daarnaast moeten gemeenten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden In de externe veiligheid worden drie aandachtsgebieden onderscheiden: brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken bovenop de standaard bouweisen. Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Deze extra bouweisen gelden dan alleen voor nieuwbouw. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten. Plangebied In Bijlage VI van het Bkl onder C. sub a.
is aangegeven dat een woning een kwetsbaar gebouw is en dat het aspect externe veiligheid een rol kan spelen in de planvorming. De meest nabijgelegen transportassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd zijn: - de autosnelwegen A67 en A73 (onderdeel van het basisnet weg, op 2,9 resp. 4,9 kilometer). Volgens de Atlas Leefomgeving is het plangebied ver buiten de PR10-6 contouren en de brand- en explosieaandachtsgebieden van deze autosnelwegen gelegen. - de spoorlijn Venlo-Helmond (onderdeel van het basisnet spoor, op 2,1 kilometer). Volgens de Atlas Leefomgeving is het plangebied ver buiten de PR10-6 contour en de brand- explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van deze spoorlijn gelegen. Ten aanzien van buisleidingen kan worden aangegeven dat de meest nabijgelegen hogedruk gastransportleiding (van de Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij) op 1,6 kilometer is gelegen. Het plangebied is ver buiten het de PR 10-6-contour en het brandaandachtsgebied van deze leiding gelegen. Andere leidingen zijn verder van de projectlcoatie af gelegen. Ten slotte zijn er enkele bedrijfsmatige risicovolle functies in de verre omgeving gelegen. Aan de Venloseweg ligt een ESSO-tankstation met LPG-station. De uiterste grens van het TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 39 -
Motivering
explosieaandachtsgebied van dit station ligt op 1,1 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Andere functies met risicovolle opslagen zijn op nog grotere afstand gelegen. d Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet binnen één van de genoemde aandachtsgebieden is gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot dit plan. 4.6.2 Gevaar schietactiviteiten schutterij De nieuwe woning wordt gerealiseerd in de nabijheid van het schietterrein van schutterij Sint Sebastianus, gelegen aan de Staarterstraat 7. De woning wordt op 61 meter van de meest nabijgelegen schietboom gebouwd. Op het schietterrein vindt het traditionele Oud-Limburgs schieten plaats. Hierbij wordt er geschoten op een hark of vogel. Bij het Oud-Limburgs schieten wordt meestal gebruik gemaakt van zware buksen met kogels van kalibernummers 12 en 16. Als met een kogel van kalibernummer 16 of kleiner op een houten blok(je) of knoest wordt geschoten, bestaat de mogelijkheid dat de kogel kan afketsen en daardoor niet in de kogelopvangvoorziening terecht komt. Daarom moet er een ‘onveilige zone’ met een straal van 25 meter vanaf de schietboom waarop wordt geschoten worden aangehouden. Als een kogelopvangvoorziening aanwezig is, kan worden volstaan met een halve cirkel.
In onderstaande figuur is de onveilige zone weergegeven:
Schematisch overzicht onveilige zone bij schietbomen
In deze onveilige zone mogen alleen de schutter, baancommandant en één of meerdere door de baancommandant aangewezen personen aanwezig zijn. De onveilige zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten. De schietbomen van de schutterij aan de Staarterstraat zijn voorzien van kogelvangers. De gronden van het terrein van de schutterij zijn volgens het TOP Horst aan de Maas gelegen binnen de bestemming ‘Sport’ en zijn voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van sport -schutterij’. Er is binnen deze bestemming geen bouwgrens aangewezen. Dit betekent dat er in principe op het gehele perceel schietbomen gerealiseerd kunnen worden. Deze mogelijkheid dient hierdoor als maximale planologische situatie te worden beschouwd. De perceelgrens van de schutterij is daarom maatgevend bij het bepalen van de afstand tot aan de woning. De woning zal in de voorste helft van het boogde bouwvlak (wegzijde) worden gebouwd. Toch wordt hier uitgegaan van de maximale bouwkavelgrens. Gelet op dit gegeven dient de bouwgrens voor de te realiseren woning gesitueerd te worden op ten minste 25 meter vanuit de dichtstbijzijnde perceelsgrens van de schutterij. Aan deze afstandseis kan worden voldaan:
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 40 -
Motivering
d
Situatie afstand 25 meter vanaf perceelsgrens schutterij tot maximale bouwvlak positionering woning
Geconcludeerd kan worden dat de schietactiviteiten van de schutterij ten aanzien van het aspect gevaar niet worden belemmerd door de bouw van de nieuwe woning en dat de veiligheid ten aanzien van schietactiviteiten voor de woning kan worden gegarandeerd. Ten aanzien van het aspect (externe) veiligheid is derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7 Natuur Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG). Deze richtlijnen hebben de bescherming van soorten en hun natuurlijke habitats tot doel. Elke EU-lidstaat is verplicht speciale beschermingszones aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: ‘Natura 2000’. In de Omgevingswet zijn zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming in Nederland geregeld. Conform deze wet zijn de provincies het bevoegd gezag binnen hun grondgebied en zorgen zij voor eventueel noodzakelijke vergunningen en ontheffingen. De regels die in het Bkl zijn opgenomen zijn regels voor de gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming (flora en fauna) en regels ter bescherming van houtopstanden. Er zal eerst een voortoets moeten worden uitgevoerd. Deze bestaat uit een stikstofdepositieberekening (eventueel aangevuld met een ecologische voortoets) en een flora- en fauna onderzoek. Indien - na uitvoering van deze voortoets - sprake is van overschrijding van normen ten aanzien van de gebiedsbescherming wordt de activiteit tevens aangemerkt als een Natura 2000activiteit en dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd ex artikel 5.1 lid 1 sub e Ow.
In afdeling 8.6 Bkl is het beoordelingskader opgenomen voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten.
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 41 -
Motivering
4.7.1 Gebiedsbescherming voor dit plan Natura 2000-gebieden in de omgeving van dhet plangebied zijn ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Maasduinen’. Op het onderstaande kaartje het plangebied door middel van een rode stip aangeduid. De genoemde Natura 2000-gebieden zijn met een groene kleur weergegeven:
Plangebied
Bron: www.natura2000.nl, ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
De wijze waarop in het onderhavige plan rekening is gehouden met de gebiedsbescherming is in het navolgende beschreven. De stikstofdepositie die ontstaat als gevolg van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen kan een probleem vormen voor zowel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitattypen en soorten in veel Natura 2000-gebieden als voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op deze gebieden. Een te hoge achtergronddepositie zorgt voor een stikstofdeken, die tot gevolg heeft dat in veel Natura 2000gebieden de zogenoemde kritische depositiewaarden voor de aangewezen habitattypen ruim worden overschreden. Een overschrijding van de kritische depositiewaarde brengt het risico met zich mee dat de kwaliteit van habitattypen worden aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. Deze negatieve effecten worden veroorzaakt door de uitstoot van stikstof en ammoniak. Deze stoffen komen vrij bij alle verbrandingsprocessen en door ammoniakemissies in de landbouw. De voornaamste bronnen zijn verkeer, industrie en landbouw. Voor omgevingsvergunningen en ruimtelijke plannen is een berekening van de stikstofdepositie in de gebruiksfase en de aanleg-/bouwfase noodzakelijk.
Stikstofdepositieberekening, separate bijlage 3 Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd van de gebruiksfase en de bouwfase van dit plan. Deze berekeningen zijn als bijlage bij de rapportage in separate bijlage 3 opgenomen. Uit de rekenresultaten van AERIUS-Calculator blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase én in de aanleg-/bouwfase in ieder geval niet hoger dan 0,00 mol/ha/jr is. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op de beschermende natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning voor een Natura 2000-activiteit ex artikel 5.1, lid 1 sub e Ow is derhalve niet nodig. De berekening toont
TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
- pagina 42 -
Motivering
aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het beoogde planvoornemen. d 4.7.2 Soortenbescherming voor dit plan Om te kunnen bepalen of er in een te ontwikkelen gebied (habitats van) beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn wordt in de meeste gevallen voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Mocht uit deze quickscan blijken dat er geen (habitats van) beschermde flora- en fauna aanwezig zijn dan is daarmee aan de onderzoeksplicht voldaan. Is er naar aanleiding van deze quickscan wel sprake van aanwezigheid of vermoeden van voorkomen van (habitats van) beschermde plant- en diersoorten dan dient in veel gevallen een vervolgonderzoek hierover meer duidelijkheid te verschaffen. Ecologische quickscan, separate bijlage 4 In het kader van deze wijziging van het tijdelijke omgevingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (Ecolybrium, separate bijlage 4). Hieruit is het volgende geconcludeerd: - op en rondom de ingreeplocatie kunnen enkele vleermuizen voor een korte periode jagen. De ingreeplocatie vormt echter geen essentieel foerageergebied. Hiervoor is er geen optimale struiken- en bomenvegetatie aanwezig.
Er is ook geen sprake van aantasting van een primaire vliegroute, omdat deze niet aanwezig is op de locatie door het ontbreken van een opgaande aaneengebonden bomenstructuur. Op de locatie zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig, omdat er geen bomen en bebouwing aanwezig zijn. Nader onderzoek naar het gebruik van de ingreeplocatie door vleermuizen is niet noodzakelijk. Overtredingen van verbodsbepalingen in het kader van de Omgevingswet treden dan ook niet op. - effecten op andere beschermde soorten zijn eveneens uit te sluiten, omdat er geen natuurlijk habitat ontwikkeld is op de locatie waar soorten leefgebied hebben of wat als essentieel onderdeel van hun leefgebied aangewezen kan worden. Resumerend kan worden aangegeven dat in het kader van de Omgevingswet vanuit de soortenbescherming geen knelpunten te verwachten zijn met betrekking tot dit plan. Het uitvoeren van nader onderzoek, het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit of het treffen van mitigerende maatregelen is daarmee niet aan de orde. Vanuit de gemeente Horst aan de Maas is voorts als voorwaarde aangegeven dat de gemeentelijke bomen behouden blijven zodat mogelijke verstoring van vogelnesten wordt voorkomen. Dit betekent dat het niet is toegestaan om gemeentelijke bomen te kappen ten behoeve van de inrit naar het perceel.
Het aspect natuur (gebieds- en soortenbescherming) levert geen beperkingen op bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van het beoogde planvoornemen.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). TAM-omgevingsplan woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst aan de Maas