CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Bp Jaegerweg Toelichting

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Jaegerweg ongenummerd, Melderslo.13.567 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour.

34

Conclusie Gelet op het voorgaande en gelet op de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van een nieuwe woning op de voorgestelde locatie aan de Jaegerweg.

5.3

Waterparagraaf

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 5.3.1

Provinciaal Waterplan Limburg

Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water.

Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over 35

watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

5.3.2

Watertoets

Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. Plangebied De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.

Conform het stroomschema van het Waterschap Limburg dienen ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen met een toename van 2.000 m² of meer aan bebouwing of verharding te worden ingediend bij het Watertoetsloket. De bouw van één nieuwe woning aan de Jaegerweg leidt bij lange na niet tot een toename van bebouwing en verharding die groter is dan 2.000 m². Het doorlopen van de watertoets is derhalve niet noodzakelijk.

Grondwater Het plangebied ligt niet in een grondwaterwingebied.

Boringsvrije zone Het plangebied ligt binnen de Boringsvrije zone Venloschol. Het is in deze boringsvrije zone verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. 36

Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst bestaat er ook geen intentie dit aan te leggen. In de directe omgeving is ook geen oppervlaktewater aanwezig waarop het plan effect zou kunnen hebben.

Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op watergerelateerde ecosystemen.

Afvalwater Het afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering in de directe omgeving.

Hemelwater De beoogde ontwikkeling zal naar verwachting tot een beperkte toename van de totale hoeveelheid verhard oppervlak leiden. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de nog nader te bepalen infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt geen overlast voor derden veroorzaken. De opvangcapaciteit dient volgens de meest recente richtlijnen 100 mm per 24 uur per m² verharding en bebouwing te zijn. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Conclusie Gelet op bovenstaande uitleg zijn er vanuit het aspect Water geen belemmeringen voor de voorgestelde planontwikkeling.

5.4

Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 37

5.5

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG) hebben de bescherming van soorten en hun natuurlijke habitats tot doel. Elke lidstaat is verplicht speciale beschermingszones aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: ‘Natura 2000’. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Conform deze wet bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied en zorgen zij voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren.

Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken, gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is wel komen te vervallen.

Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden.

NNN-gebieden De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft een gebied dat is aangewezen als Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen plannen op de 38

onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Natura 2000 Binnen een straal van 10 kilometer vanaf de planlocatie bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden, waarvan de Maasduinen zich het dichtst bij de locatie bevindt (Maasduinen – 6,8 km, Deurnsche Peel & Mariapeel – 10 km, Boschhuizerbergen – 10,5 km).

Afbeelding 13, Natura 2000-gebieden

In de handreiking “Woningbouw en AERIUS” van de Rijksoverheid (d.d. januari 2020) is onderstaande tabel opgenomen. Deze geeft inzicht in het verloop van de stikstofdepositie, uitgaande van een gemiddelde situatie en de daarbij behorende afstand. Samengevat: bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, is de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar in zowel de gebruiksfase als aanlegfase. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Bij een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, is een AERIUS-berekening nodig om de feitelijke situatie te kunnen bepalen.

39

Afbeelding 14: Indicatieve stikstofdepositie, Handreiking Woningbouw en Aerius, januari 2020

Conclusie De bouw van één woning op een afstand van 6,8 km tot het meest dichtbijgelegen Natura 2000 gebied, kan gelet op bovenstaande uitleg waarbij wordt uitgegaan van de bouw van 50 woningen op 7 km, zowel in de aanleg als gebruiksfase geen significant negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van het betreffende Natura 2000 gebied hebben. Daarbij wordt in de gebruiksfase uitgegaan van Gasloos (conform het bouwbesluit) en haardloos wonen. De Wnb vormt hiermee t.a.v. de gebiedsbescherming geen belemmering voor het initiatief.

Soortenbescherming Om te kunnen bepalen of er in een bepaald plangebied (habitats van) beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn wordt, voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Mocht uit deze quickscan blijken dat er geen (habitats van) beschermde flora en fauna aanwezig zijn dan is daarmee aan de onderzoeksplicht voldaan. Is er naar aanleiding van deze quickscan wel sprake van aanwezigheid of vermoeden van voorkomen van (habitats van) beschermde plan- en diersoorten dan dient in veel gevallen een vervolgonderzoek hierover meer duidelijkheid te verschaffen.

Door Econsultancy is d.d. 11 december 2018 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlagen voor rapportage).

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is op basis van het uitgevoerde onderzoek uitgewerkt in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. 40

Afbeelding 15: Resultaten quickscan flora en fauna

Conclusie Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Ten aanzien van overige broedvogels geldt dat overtreding op voorhand kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen akkervegetatie te verwijderen. Daarnaast dient er ten aanzien van algemene zoogdiersoorten en amfibieën aandacht te zijn voor de zorgplicht. Individuen die ten tijde van de werkzaamheden op de onderzoekslocatie worden aangetroffen, dienen de kans te krijgen de onderzoekslocatie veilig te verlaten. Met betrekking tot gebiedsbescherming en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen.

5.6

Archeologie en Cultuurhistorie

Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en 41

historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.

Conclusie Op basis van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart kan worden geconcludeerd dat er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen bevinden.

Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is de planlocatie deels gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en deels gelegen in een gebied met een Archeologische waarde.

Voor het gebied met een Archeologische waarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Om deze reden is voor voorliggende planontwikkeling een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO) Door Econsultancy is in november 2018 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd (rapportnummer: 8509.003, zie bijlagen).

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

42

Afbeelding 16: uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas

43

Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.

Resultaten bureauonderzoek Op basis van de bekende gegevens geldt er een hoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke locatie, dichtbij open water, was een geschikte locatie voor de jagers-verzamelaars. In de omgeving zijn ook enkele vondsten van de jagers-verzamelaars aangetroffen. Voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen was het een geschikte locatie voor bewoning en de bijhorende activiteiten. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Ook zijn er meerdere vondsten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Mogelijk kunnen deze gerelateerd worden op bewoning. Het zuidwestelijke deel ligt in een AMK-terrein dat betrekking heeft op de historische kern van Melderslo. Op basis van de historische kaarten is duidelijk dat het zuidwestelijke deel van het plangebied is bewoond vanaf het begin van de 19e eeuw en mogelijk al eerder. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een Ap-horizont van 30-40 cm dikte met hieronder een B-horizont, al dan niet in een licht verstoorde toestand, eventueel een BC-horizont gevolgd door een C-horizont. Boring 2 en 5 vertoont gevlektheid, hebben een scherpe overgang en is geen podzolprofiel aanwezig.

Conclusie Op basis van de waargenomen boorprofielen kan de middelhoge archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden gehandhaafd met uitzondering van de locaties van boring 2 en 5. Op deze locaties kan op basis van de waargenomen verstoring de archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd voor het gehele plangebied.

Vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek is noodzakelijk om de archeologische verwachting binnen het plangebied te toetsen.

Proefsleuvenonderzoek Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Door Econsultancy is d.d. 15 mei 2020 een Programma van Eisen opgesteld met een doorstart naar opgraving. Zie rapportnummer 8509.006 dat als bijlage is toegevoegd. 44

Vervolgens heeft het proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Zie hiervoor de rapportage van Econsultancy met rapportnummer 8509.007 d.d. 13 augustus 2020. Uit het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek is gebleken dat:

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel De archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum is laag, voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen hoog en voor de Nieuwe tijd laag. De noordoostelijke helft van het plangebied is verstoord, worden daar geen archeologische resten meer in situ verwacht. Voor de zuidwestelijke helft van het plangebied blijft de archeologische verwachting gehandhaafd.

Resultaten Proefsleuvenonderzoek Ter plaatse van de toekomstige bebouwing is één proefsleuf aangelegd van in totaal 104 m2. Het vlak is aangelegd onder de bouwvoor en ploeglaag, op een diepte van circa 40 centimeter onder het huidige maaiveld. In de proefsleuf zijn 22 spoornummers uitgedeeld. Alle sporen zijn gecoupeerd, gefotografeerd en getekend. Na het couperen bleken twee sporen afgeschreven te kunnen worden als mollengangen en zeven sporen als restanten van ploegbanen. In het westelijke deel van de sleuf is één kuil (S1) aangetroffen met dierlijk botmateriaal, onder andere een kaak, van vermoedelijk een hond. In het oostelijke deel van het de sleuf zijn sporen van bebouwing aangetroffen. Vier sporen (S4, S10, S14 en S16) hebben betrekking op kuilen met een donkergrijze vulling. Hierin zaten veel kalkresten, beton, vensterglas, blik en spijkers. Eén langwerpig spoor (S15) is geïnterpreteerd als een funderingssleuf. In dit spoor zat eveneens veel kalk. Twee concentraties van kalk bevonden zich aan de uiteindes van de sleuf. Deze zijn geïnterpreteerd als poeren. Verder zijn er nog zeven paalkuilen aangetroffen (S8, S9, S11-S13, S17 en S21). Deze zijn vergelijkbaar van vorm en vulling. Het betreffen vierkante paalkuilen van circa 20 centimeter diep. De vulling is sterk vlekkerig en donkergrijs van kleur.

De paalkuilen worden geïnterpreteerd als gelijktijdig en niet ouder dan de overige sporen. 8509.007

Het vondstmateriaal aangetroffen tijdens het onderzoek bestaat uit fragmenten van gebruiksaardewerk dat in de 19e en 20e eeuw door grote delen van de bevolking werd gebruikt. Ook de bouwkeramiek kan in die periode worden gedateerd. In de proefsleuf is een dierengraf van een hond aangetroffen, de botten lagen echter niet in anatomisch verband. Dit toont aan dat er op het terrein ook overleden huisdieren aan de aarde werden toevertrouwd. Het botmateriaal is in zeer goede conditie.

Selectieadvies In het zuidelijk deel van de sleuf zijn enkele paalkuilen van waarschijnlijk een hekwerk aangetroffen. Verder zijn er kuilen en een funderingskuilen en -sleuf aangetroffen. Vanwege aanwezigheid van beton, plastic en blik worden de sporen gedateerd ná 1946. Op basis van het vooronderzoek en het historisch kaartmateriaal kunnen deze sporen vanaf de jaren ’60 gedateerd worden. Dit betekent dat 45

er bij proefsleuvenonderzoek geen archeologische sporen zijn blootgelegd.

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische resten aangetroffen die behoren tot een vindplaats. De waardering van de KNA is dan ook niet van toepassing. Het selectieadvies is daarom dan ook om het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling en geen vervolgonderzoek meer uit te voeren.

Selectiebesluit Op 2 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas, in navolging van bovenstaand selectieadvies, een selectiebesluit genomen (zie bijlage 8). Dit betekent dat voor het plangebied geen vervolgonderzoek meer noodzakelijk is en dat de locatie vanuit het oogpunt van archeologie kan worden vrijgegeven. Dit betekent dat de met dit bestemmingsplan mogelijk te maken bebouwing en de daarvoor noodzakelijke bodemingrepen, nadat de omgevingsvergunning is verleend, zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden kunnen worden uitgevoerd. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is dan ook niet meer van toepassing op het plangebied en hoeft niet op de verbeelding te worden opgenomen.

Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Conclusie Het aspect archeologie vormt, gelet op de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken en het genomen selectiebesluit, geen belemmering voor voorliggend planvoornemen.

5.7

Verkeer en parkeren

De nieuwe ontwikkeling maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse nauwelijks. De nieuwe woning wordt ontsloten door de Jaegerweg welke hiervoor voldoende capaciteit heeft.

Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op grond van deze nota is de parkeernorm bij een nieuwe woning in het buitengebied 2 parkeerplaatsen. Op de planlocatie is voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig om 2 parkeerplaatsen te realiseren.

46

6 UITVOERBAARHEID 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefneemster te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Hoewel het niet is te verwachten dat derden schade leiden door de gevraagde ontwikkeling, hebben de initiatiefnemers een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente. Eventuele planschade komt hierdoor niet voor rekening van de gemeente. De kosten met betrekking tot het ambtelijk apparaat zijn afgedekt door de leges.

6.2

Handhaving

Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2017 is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. De besturen van de gemeenten streven naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De

47

betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Vooroverleg Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

Gedeputeerde Staten van Limburg hebben op 29 oktober 2020 in een vooroverlegreactie aangegeven dat het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er dan als volgt uit: -

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;

-

Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;

-

Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;

-

Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;

-

Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, 48

waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; -

Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;

-

Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de voorzieningenrechter.

Het ontwerpbestemmingsplan “Jaegerweg ongenummerd” heeft vanaf 17 december 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Gedeputeerde Staten van Limburg hebben in een reactie aangegeven dat het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en zij geen aanleiding zien om een zienswijze tegen het plan in te dienen.

49

7 JURIDISCHE TOELICHTING Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond en de BGT, schaal 1:1000 waarop de specifieke bestemmingen zijn weergegeven.

Aan het bouwperceel is een woonbestemming en een bouwrecht toegekend. Uitgangspunt is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’.

Toelichting op de regels: Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

Hoofdstuk 1:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;

Hoofdstuk 2:

Bestemmingsregels;

Hoofdstuk 3:

Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels;

Hoofdstuk 4:

Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822217/1