CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Bp Jaegerweg Toelichting

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Jaegerweg ongenummerd, Melderslo.13.567 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vastgesteld Bestemmingsplan ‘Jaegerweg ongenummerd, Melderslo’ NL.IMRO.1507.MLJAEGERWEGONG-BPV1

Bestemmingsplan “Jaegerweg ong. Melderslo” NL.IMRO.1507.MLJAEGERWEGONG-BPV1

Initiatiefnemer: Versie

: Vastgesteld

IDN

: NL.IMRO.1507.MLJAEGERWEGONG-BPV1

Aanvrager

: J. Surminski en M. Vullings

Datum

: 23-03-2021

Inhoudsopgave 1

2

3

INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

3

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

3

1.3

Vigerend bestemmingsplan

4

1.4

Bij het plan behorende stukken

4

1.5

Leeswijzer

5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED Algemeen

6

2.2

Ruimtelijke structuur

6

BELEID

8

3.1

Inleiding

8

3.2

Rijksbeleid

8

3.2.1

Structuurvisie infrastructuur en ruimte

8

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

9

3.2.3

Ladder van duurzame verstedelijking

10

Provinciaal beleid

11

3.3.1

Provinciale omgevingsvisie Limburg (POL2014)

11

3.3.2

Provinciale omgevingsverordening

13

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 3.5

5

6

2.1

3.3

4

3

Regionale structuurvisie wonen Noord-Limburg

Gemeentelijk beleid

14 14 15

3.5.1

Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas

15

3.5.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

18

PLANBESCHRIJVING

20

4.1

Stedenbouw

20

4.2

Ruimtelijke en landschappelijke inpassing

20

SECTORALE ASPECTEN

23

5.1

Inleiding

23

5.2

Milieuaspecten

23

5.2.1

Milieueffectrapportage

23

5.2.2

Bodem en grondwaterkwaliteit

24

5.2.3

Geluid

25

5.2.4

Luchtkwaliteit

26

5.2.5

Spuitzone

28

5.2.6

Geur veehouderijen

29

5.2.7

Gezondheid

31

5.2.8

Bedrijven en milieuzonering

32

5.2.9

Externe veiligheid

34

5.3

Waterparagraaf

35 1

6

7

5.3.1

Provinciaal Waterplan Limburg

35

5.3.2

Watertoets

36

5.4

Kabels en leidingen

37

5.5

Ecologie

38

5.6

Archeologie en Cultuurhistorie

41

5.7

Verkeer en parkeren

46

UITVOERBAARHEID

47

6.1

Economische uitvoerbaarheid

47

6.2

Handhaving

47

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

JURIDISCHE TOELICHTING

50

Toelichting op de regels:

50

Bijlagen: 1.

Verkennend bodemonderzoek

2.

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

3.

Landschappelijk inpassingsplan

4.

Quickscan Flora en Fauna

5.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek

6.

Programma van Eisen

7.

Proefsleuvenonderzoek

8.

Selectiebesluit

2

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

De initiatiefnemers van het voorliggende plan zijn de heer J. Surminski en mevrouw M. Vullings, woonachtig aan de Zwingellaan 60 te Melderslo. Zij zijn voornemens om aan de Jaegerweg ongenummerd (tussen de nummers 10 en 12) een vrijstaande woning te realiseren. Het toevoegen van een woning op deze locatie is op dit moment in strijd met het geldende bestemmingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Het planvoornemen voorziet dan ook in een wijziging van de geldende bestemming zodanig dat het oprichten van een nieuwe woning mogelijk wordt.

In 2018 heeft het college reeds een positief principestandpunt ingenomen betreffende de bouw van een -destijds nog- ruimte-voor-ruimte woning op onderhavige locatie aan de Jaegerweg. Door voornoemde initiatiefnemers zijn diverse gesprekken gevoerd met de gemeente Horst aan de Maas. Daaruit is gebleken dat de gemeente medewerking wil verlenen aan het verzoek onder voorwaarde dat: ▪

Aangesloten wordt bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’;

▪

Een financiële kwaliteitsbijdrage wordt betaald;

▪

Een planschadeverhaalsovereenkomst wordt getekend;

▪

Aangetoond kan worden dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt aan de locatie Jaegerweg een woonbestemming met bouwrecht toegekend, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een nieuwe woning ontstaan.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen op de locatie Jaegerweg ongenummerd (tussen de nummers 10 en 12) te Melderslo. Rondom de locatie zijn nagenoemd alleen maar burgerwoningen aanwezig en op geruime afstand ligt een agrarisch bedrijf en enkele andere bedrijven. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Horst sectie T, nummer 1844 (ged.).

3

1.3

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.5. De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is daarin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Daarnaast is een dubbelbestemming ‘Waarden – Archeologie 2’ van toepassing. De locatie is tevens gelegen binnen ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en ‘Overige zone – kampen’. Daarnaast geldt voor de locatie nog het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ (vastgesteld d.d. 8 september 2020).

De vigerende agrarische bestemming maakt de bouw van een nieuwe woning ter plekke niet mogelijk. Om deze reden is dit bestemmingsplan opgesteld.

Afbeelding 1: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.4

Bij het plan behorende stukken

Samen met de bijbehorende regels, verbeelding en bijlagen vormt deze toelichting het bestemmingsplan.

4

1.5

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: • Gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; • Het actuele beleid, hoofdstuk 3; • Planbeschrijving hoofdstuk 4; • Toetsing van het plan aan de sectorale aspecten, hoofdstuk 5; • Uitvoerbaarheid van het plan, hoofdstuk 6; • Juridische toelichting, hoofdstuk 7.

5

2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1

Algemeen

De projectlocatie van de woning ligt aan de Jaegerweg ongenummerd (tussen de nummers 10 en 12) tussen de kernen Horst en Melderslo. Melderslo behoort tot de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern van Melderslo ligt ten oosten van de kern van Horst, fysiek van elkaar gescheiden door de snelweg A73. Melderslo heeft circa 2.000 inwoners.

2.2

Ruimtelijke structuur

De planlocatie is gelegen ten oosten van de kern van Melderslo. De Jaegerweg vormt een verbindingsweg tussen de Melderslose weg en de Sint Odastraat. Het gebied rondom de planlocatie kenmerkt zich als een gemengd gebied. De planlocatie is gelegen binnen lintbebouwing en is omringd door overige burgerwoningen. Tussen de bestaande bebouwing en de planlocatie zijn open zichten behouden. Ten noordwest van het plangebied ligt op ruime afstand een intensieve veehouderij en ten zuidoosten een grondgebonden veehouderij. Daarnaast zijn aan de oostzijde op afstand nog een kraamverhuurbedrijf en pallethandel gelegen.

Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied

Het landschap in dit gebied kenmerkt zich als afwisselend open, kleinschalig en besloten. Het is een structuur- en gradiëntrijk landschap met ter plekke van de Jaegerweg een meer blokvormige verkaveling. Men treft in het omliggende gebied een grote variatie in landschapselementen, zoals boscomplexen, bomenrijen, houtwallen- en singels en bomengroepen aan. Door het toevoegen van een nieuwe woning op de planlocatie blijft het gebied zijn transparante karakter met doorzichten 6

houden, doordat ruimte wordt gelaten tussen de nieuwe woning en de naastgelegen woningen (nr. 10 en nr 12).

Afbeelding 3: Impressie Jaegerweg in noordelijke richting

Afbeelding 4: Jaegerweg ter hoogte van plangebied

7

3 BELEID 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Aan bod komt het rijksbeleid, provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid 3.2.1

Structuurvisie infrastructuur en ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. In de SVIR legt het Rijk de ambities voor Nederland in 2040 vast, er wordt een visie gepresenteerd van waar Nederland in 2040 moet staan. Dit gebeurt aan de hand van (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven zowel bovengronds als ondergronds voor de toekomst moeten bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Dit betekent onder andere dat het Rijk een aantrekkelijk vestigingsklimaat wil ontwikkelen, waarbij de concurrentiekracht voor internationale bedrijven en een economische ontwikkeling wordt versterkt. Hierbij zijn onder andere sterke stedelijke regio’s nodig, waarbij een goede ‘quality of life’, optimale bereikbaarheid en goede (logistieke) verbindingen met Europa en de wereld het uitgangspunt zijn. Om deze ambities waar te kunnen maken vraagt het Rijk ook steun aan de decentrale overheden, de diverse marktpartijen en kennisinstellingen. Naast deze ambities voor de lange termijn kiest het Rijk tevens drie concrete doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), te weten: •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;

•

Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;

•

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Hierbij maakt het Rijk gebruik van verschillende nationale belangen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn en resultaten wil boeken.

Conclusie Onderhavig plan heeft geen invloed op de beschreven doelen die het Rijk nastreeft. Daarvoor is deze ontwikkeling te kleinschalig.

8

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen.

In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke belangen van het Rijk die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In paragraaf 5 van de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’.

Conclusie Door het bouwen van een nieuwe woning aan de Jaegerweg worden geen van de genoemde belangen van het Rijk geschaad. Het toevoegen van een woonbestemming is niet in strijd met de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in het Barro.

9

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds de invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling'. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr.

201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Conclusie Gelet op bovenstaande uitleg kan worden geconcludeerd dat het oprichting van één woning aan de Jaegerweg geen stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft daarom ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

10

3.3

Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2014

De Omgevingsvisie Limburg (POL2014) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van Limburg en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid.

Binnen Limburg maakt de provincie allereerst onderscheid tussen bebouwd gebied en landelijk gebied. Dit onderscheid hangt samen met de ambities gericht op enerzijds vitale en sterke steden, leefbaarheid van kernen en bereikbaarheid van voorzieningen in zijn algemeenheid, en anderzijds het behoud van een goede landbouwstructuur, veerkrachtige watersystemen en robuuste natuurnetwerken.

Planlocatie

Afbeelding 5: Uitsnede kaart zonering Limburg

De planlocatie is op grond van de Provinciale Omgevingsvisie aangeduid als “Landelijk gebied, buitengebied”. Landelijk gebied Dit is het gebied buiten de steden, plattelandskernen en bedrijventerreinen. De contramal dus van het bestaand bebouwd gebied. Een rijk geschakeerd gebied bestaande uit rivier- en beekdalen, hellingen, landbouwgronden, glastuinbouw, bos- en natuurgebieden, delfstofwinningen, solitaire woningen en bedrijfsgebouwen, linten en clusters van bebouwing, verblijfsrecreatieve terreinen e.d. en doorsneden

11

met allerlei vormen van infrastructuur. Het landelijk gebied wordt op hoofdlijnen en indicatief onderverdeeld in 4 zones: goudgroene natuurzones, zilvergroene natuurzones, bronsgroene landschapszone en buitengebied. Buitengebied Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: •

Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw;

•

Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw;

•

Faciliteren landschap en cultuurhistorie;

•

Kwaliteit en functioneren ondergrond.

Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord - Limburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient wel een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regiospecifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 3.4. In het POL2014 streeft de provincie naar een buitengebied waar het primaat niet ligt op het scheppen van nieuwe bouwmogelijkheden voor woningen. Toch worden in het POL2014 ook kansen gezien voor het toevoegen van woningen, mits naar daadwerkelijke behoefte wordt gebouwd.

In dit geval is daar sprake van (zie motivering in paragraaf 3.5). De provincie laat de verdere bevoegdheid voor het toevoegen van nieuwe woningen over aan de gemeenten. Conclusie Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten van het POL2014, zoals die van toepassing zijn voor de gebieden met de aanduidingen ‘landelijk gebied’ en ‘buitengebied’. De planlocatie is gelegen in een bebouwingslint bestaande uit burgerwoningen, waar een extra woning aan wordt toegevoegd (verdichting). Aan de belangrijke (provinciale) voorwaarde dat nieuwe functies in het buitengebied op een goede manier landschappelijk dienen te worden ingepast, zal in dit geval worden voldaan. 12

3.3.2

Provinciale omgevingsverordening

Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.

Woningbouw In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord - Limburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Conclusie De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. Het toevoegen van één woning aan de Jaegerweg ongenummerd past binnen deze Regionale Structuurvisie. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan.

Milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap of (milieu)beschermingsgebieden. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol (zie afbeelding 6). Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.

13

Conclusie Aangezien met het planvoornemen geen grondboringen van genoemde diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Wel zijn de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding “milieuzone grondwaterbeschermingsgebied Venloschol”.

Planlocatie

Afbeelding 6, uitsnede provinciale omgevingsverordening met aandachtsgebied

3.4

Regionaal beleid 3.4.1

Regionale Structuurvisie Wonen Noord - Limburg

De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 20 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; 2. de juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; 3. goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor onder andere arbeidsmigranten; 4. kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; 14

5. een levensloopvriendelijke en duurzame regio.

Conclusie Het planvoornemen betreft een particulier initiatief van de toekomstige woningeigenaar. Er vindt een toevoeging plaats van één (burger)woning. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de vraag is verzekerd.

Daarnaast komt de huidige woning van initiatiefnemer aan de Zwingellaan te Melderslo door onderhavig planvoornemen vrij. Dit betreft een starterswoning. Uit het Masterplan Wonen (zie paragraaf 3.5.2) blijkt dat er voor de kern Melderslo nog een woningbouwopgave is voor de periode 2015-2035 (120 woningen). Dit blijkt ook uit een recent planvoornemen van de gemeente om aan het Gussekuulke 24 woningen toe te voegen (met name starterswoningen). In Melderslo zijn met name (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen gewenst. Onderhavig planvoornemen zorgt voor doorstroming en het vrijkomen van een starterswoning in de kern Melderslo. Op deze manier levert het initiatief ook een bijdrage aan de doelstellingen van de regionale structuurvisie.

3.5

Gemeentelijk beleid 3.5.1

Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas

Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. 22 september 2015 heeft de raad de evaluatie van de structuurvisie vastgesteld en op 18 oktober 2016 heeft de raad de evaluatie nog op twee punten herzien. De doelstelling die de gemeente heeft met deze structuurvisie is drieledig: •

De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;

•

De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hiervoor gelden;

•

De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld.

De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het 15

landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.

Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, heeft de gemeente in de structuurvisie een fonds ingesteld voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a.

in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Het fonds wordt zoveel mogelijk gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is daarbij bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied.

Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar.

In de structuurvisie zijn vervolgens verschillende gebiedstypen gedefinieerd die een bepaalde ontwikkelingsrichting (ruimtelijk, functioneel en landschappelijk) typeren. Het plangebied maakt onderdeel 16

uit van gebiedstype 3B ‘Agrarisch gebied ten oosten van Horst en A73’ (zie afbeelding 7). Als algemene doelstelling geldt voor dit gebied het tegengaan van verdere verstedelijking, behouden van de beeldkwaliteit en versterken van de belangrijkste landschappelijke structuren. Voor nieuwe solitaire woningen geldt in dit gebied een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij).

De planlocatie is gelegen in een bebouwingslint. De structuurvisie stelt dat solitaire woningbouw daarin wordt toegestaan onder voorwaarde van een kwaliteitsbijdrage. Doordat de contingenten van “Buitenkans” en “Ruimte voor Ruimte” allen vergeven zijn kan uitsluitend nog met de Module solitaire woningbouw uit de structuurvisie worden gewerkt. Daarnaast dient de woningbouw te passen binnen de regionale woningbouwafspraken.

Conclusie Door initiatiefnemer wordt een financiële bijdrage geleverd voor kwaliteitsverbetering. Afspraken hierover zijn vastgelegd in een anterieure exploitatieovereenkomst. Het planvoornemen past daarnaast binnen de regionale woningbouwafspraken (zie motivatie in paragraaf 3.4.1). Hiermee is voorliggend initiatief passend binnen de gemeentelijke structuurvisie.

Afbeelding 7, Uitsnede Gebiedsindeling volgens gemeentelijk kwaliteitsmenu Horst aan de Maas

17

3.5.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

Het Masterplan Wonen 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde; 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2016-2021): •

Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners van de gemeente Horst aan de Maas. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw;

•

Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw besteedt gemeente in haar programma wonen extra aandacht aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren.

•

Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en dat zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven.

•

In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomstbestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.

•

Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden.

•

Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen.

Volgens de bevolkingsprognoses van Etil (voor het Masterplan Wonen zijn de prognoses uit het peiljaar 2016 gehanteerd) groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling.

18

Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor de kern Melderslo is de woningbouwopgave voor de periode 20152025 om 75 woningen te bouwen. Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 120 woningen nodig. Conclusie Het onderhavige plan leidt tot een toename van de woningvoorraad met één woning. Dit is passend binnen het masterplan wonen. Het betreft de bouw van één vrijstaande woning voor de initiatiefnemers. Om doorstroming te bevorderen verkopen zij hun huidige starterswoning. Aan dit type woning is behoefte in de kern Melderslo.

19

4 PLANBESCHRIJVING 4.1

Stedenbouw

Het plan bestaat uit het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel, kadastraal bekend Horst, sectie T, nummer 1844 (ged.), gelegen aan de Jaegerweg ongenummerd te Melderslo. Hiervoor wordt in het voorliggende bestemmingsplan één bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ opgenomen met een oppervlakte van circa 750 m².

Afbeelding 8, Uitsnede verbeelding

Bovenstaande afbeelding geeft aan hoe het plangebied er uit komt te zien. De binnen het plangebied te realiseren woning zal voldoen aan de regels behorende bij het bestemmingsplan. Onderstaande afbeelding 9 geeft een eerste impressie van de nieuw te bouwen woning. Deze “schuurwoning” zal als langgerekt en sober volume, met de nok dwars op de weg in lijn met de buurbebouwing worden gepositioneerd.

20

Afbeelding 9 Schetsontwerp nieuwe woning

4.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing De te bouwen woning gaat na realisering deel uitmaken van de diverse burgerwoningen die zijn gelegen aan het zuidelijke deel van de Jaegerweg. De te bouwen woning wordt landschappelijk ingepast middels gebiedseigen beplanting. Het bouwen van de woning is uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt dan ook niet bezwaarlijk en realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten op de omgeving. 21

De landschappelijke inpassing en vormgeving van het perceel aan de Jaegerweg richt zich op de overgang van het nieuwe woonperceel naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. De omgeving van de woning (ongeveer 750 m2) zal worden ingericht en benut als tuin. De overige delen van het plangebied zullen worden benut als een huisweitje. Aan de noordwestkant van het weitje zal worden voorzien in een greppel waarin het van dak en verhardingen vrijkomende hemelwater kan worden opgevangen en kan infiltreren.

Afbeelding 10: uitsnede uit Landschappelijk inpassingsplan

Concreet wordt de aanplant van de volgende planten/bomen in het plangebied voorgesteld: -

Beukenhagen, rondom het perceel;

-

2 lindes;

-

1 notenboom en 1 plataan;

-

4 hoogstamfruitbomen. 22

5 SECTORALE ASPECTEN 5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen vanuit de verschillende relevante sectorale aspecten (o.a. milieu, veiligheid, water, natuur en archeologie) nader gemotiveerd.

5.2

Milieuaspecten 5.2.1

5.2.1.1

Milieueffectrapportage

Toets m.e.r.-plicht

In het plangebied wordt de nieuwbouw van één woning mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. 5.2.1.2

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woning valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorliggende ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarden, waardoor een m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk is. 5.2.1.3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Conclusie Het voorliggende initiatief omvat de ontwikkeling van één nieuwe woning. Gezien de kleinschaligheid van deze ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het

23

Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Uit onderhavige toelichting blijkt daarnaast dat het planvoornemen op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden en er dus geen aanleiding is om op grond hiervan alsnog een m.e.r.beoordeling uit te voeren. 5.2.2 Bodem en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Op 11 december 2018 is door Econsultancy op onderhavige locatie een verkennend bodemonderzoek (rapportnummer: 8509.002) uitgevoerd voor de bouw van een nieuwe woning. Dit onderzoek is dermate kortgeleden uitgevoerd dat dit nog actueel is. Er hebben in de tussenliggende periode geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden in het plangebied, dat enkel als agrarisch akkerland (telen van mais e.d.) in gebruik is geweest.

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

De bodem bestaat ter plekke voornamelijk uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bovengrond is (analytisch) licht verontreinigd met cadmium en zink. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is (analytisch) licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, zink en naftaleen en matig verontreinigd met nikkel. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Voor de lichte naftaleenverontreiniging heeft Econsultancy vooralsnog geen verklaring.

Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte en matige verontreinigingen, verworpen. Maar gezien de aard en mate van verontreiniging is er géén reden voor een nader onderzoek en zijn er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging.

24

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 5.2.3

Geluid

Wet geluidhinder Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.

Wegverkeerslawaai Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).

Door Econsultancy is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (rapportnummer: 8509.005 d.d. 1 september 2020). Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Heuvelweg, Jaegerweg, Konijnenweg, Meldersloseweg, Vlasvenstraat en de Lottumseweg.

Voor de uitgevoerde berekening is uitgegaan van een woning bestaande uit twee woonlagen. De zijgevels zijn voor het model gesitueerd aan de randen van de kavel. De rooilijn van de woning is tenslotte gelijkgesteld met die van de naastgelegen woningen. Voor elke gevelzijde zijn toetspunten ten behoeve van 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.0. Alleen ten gevolge van de Jaegerweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Deze wordt met maximaal 3 dB overschreden op de voorgevel. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Jaegerweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen uitgevoerd. Op basis van deze maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht, vanwege financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Dit betekent dat voor voorliggend initiatief een aanvraag voor een hogere grenswaarde noodzakelijk is.

Uitgaand van genoemde situering van de woning dient tevens het akoestisch klimaat binnen de 25

ruimtes in het gebouw (het zogenaamde binnen niveau) te worden gegarandeerd. Het Bouwbesluit vereist in dat kader een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 20 dB(A) en een binnengeluidniveau in de woning van ten hoogste 33 dB. Doordat de ongecorrigeerde gevelgeluidbelasting 51 dB bedraagt en dus niet hoger is dan 53 dB is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen om het maximaal toelaatbaar binnengeluidniveau in de woning te waarborgen. Het onderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

Industrie en spoor- en vaarweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen welke een geluidbelasting op de geplande woningen kunnen hebben.

Een spoorweg is op meer dan 3 km van de planlocatie gelegen. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting.

Vaarwegen komen voor op een afstand van circa 8 kilometer van de planlocatie. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld voor het toevoegen van een woning op de voorgestelde locatie aan de Jaegerweg. 5.2.4

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde 26

concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden. De voorlopig looptijd is in 2014 verlengd tot en met 31 december 2016. De reikwijdte en werking van het NSL veranderd daardoor niet. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5.

Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert.

Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a.

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-grens

3%-grens

1.500

3.000

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt.

Conclusie Bij dit initiatief wordt planologisch gezien één woning gerealiseerd. Als gevolg van de bouw van één woning wordt derhalve ruim onder het genoemde 3% criterium gebleven. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.

27

5.2.5

Spuitzone

In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt er enerzijds van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de kweker niet wordt belemmerd, en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woon- en leefklimaat. Deze afstand is echter indicatief. Dat wil zeggen dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken. De meest dichtbij gelegen percelen met een agrarische bestemming waarop gewasbeschermingsmiddelen zouden kunnen worden toegepast ligt op een afstand van ca. 10 meter van de nieuw te realiseren woning (aan weerzijden). De betreffende percelen zijn al jarenlang in gebruik als grasland. Op deze teelt vindt nauwelijks bespuiting plaatsvinden.

De betreffende grondeigenaren van deze percelen dienen daarnaast sinds 1 januari 2018 een wijziging van het Activiteitenbesluit is doorgevoerd voor open teelten een driftreductie van tenminste 75% te realiseren. Voorheen golden met name vanwege de waterbescherming drift reducerende maatregelen in de nabijheid van sloten. Nu geldt dit voor het gehele landbouwperceel. De reden hiervoor is dat de bescherming niet alleen meer gericht is op het water, maar ook op omwonenden en passanten.

Uit jurisprudentie en onderzoek komen vervolgens de volgende aandachtspunten naar voren bij spuitzones en een goed woon- en leefklimaat: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt? 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt? 3. Wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik driftreducerende middelen? 4. Wat is de overheersende windrichting? Ad. 1. Er wordt een nieuwe woning toegevoegd in een lint bestaande uit diverse burgerwoningen. Deze woning zal middels hagen worden ingepast. Dit draagt bij aan driftreductie; Ad. 2. Uitgegaan is van de gewasbeschermingsmiddelen die in de teelt van gras het meest worden gebruikt. Dat is namelijk de meest representatieve situatie. In de bomenteelt worden hoofdzakelijk onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt. Ad. 3 Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimetheoaat 28

(het middel met het hoogste risico) het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m. Dit komt onder meer omdat er in een neerwaartse richting gespoten wordt. Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief. Drift is daarbij veel lager dan in de fruitteelt waar op- en zijwaarts gericht gespoten wordt. Ad. 4. In verband met de mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. De wind waait daarmee overwegend van de woning af.

Conclusie Gelet op genoemde drift-reducerende maatregelen die een grondeigenaar sinds 1 januari 2018 dient te nemen bij het bespuiten van een agrarisch perceel, het aanplanten van hagen rondom de nieuw te bouwen woning en genoemde afstand tussen de te besluiten percelen en de nieuwe woning kan worden geconcludeerd dat voor dit onderdeel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.6

Geur veehouderijen

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt zowel over een geurgebiedsvisie als geurverordening (vastgesteld 30 juni 2020). Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Uit de geurverordening blijkt dat onderstaande normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: -

de norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;

-

de norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied;

-

een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;

-

een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het 29

buitengebied.

Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor het toevoegen van een nieuw geurgevoelige object mogelijk. De meest dichtbij gelegen veehouderij (Konijnenweg 73) is gelegen op precies 200 meter ten noordwesten van het plangebied (gemeten vanaf de rand van het bouwvlak van de veehouderij tot aan de rand van het bouwvlak voor de nieuw te bouwen woning). De afstand tot aan het meest dichtbijgelegen emissiepunt is derhalve nog groter. Daarnaast liggen in de bestaande situatie reeds diverse burgerwoningen veel dichterbij deze veehouderij (en zijn daardoor maatgevend), waardoor de veehouderij door voorliggend planvoornemen niet verder in haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Bijlage C van de op 30 juni 2020 vastgestelde geurgebiedsvisie van de gemeente (als onderbouwend document behorende bij de geurverordening) geeft een indicatie van de omgekeerde werking (geurcontouren rondom bouwblokken, op basis van vergunde rechten van veehouderijen d.d. 2019). Uit deze actuele bijlage (zie uitsnede in afbeelding 11) blijkt dat de planlocatie aan de Jaegerweg ongenummerd is gelegen in een zone waarvan de indicatieve geurhindercontour (voorgrondbelasting) 3 OU/m³ bedraagt.

De locatie is daarnaast ruimschoots gelegen buiten de zone waar een indicatieve geurhindercontour van 14 OU/m³ aanwezig is rondom het veehouderijbedrijf aan de Konijnenweg 73.

Planlocatie

30

Afbeelding 11: Indicatieve geurhindercontour (voorgrondbelasting) ter plekke van de planlocatie

Uit Bijlage D van diezelfde geurgebiedsvisie van de gemeente blijkt vervolgens dat het leefklimaat ter plekke van de planlocatie op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder kan worden beoordeeld als “goed”. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting die is gelegen tussen 3,1 en 7,4 OU/m³ en een kans op geurhinder van 5 tot 10%. Tenslotte zijn er geen veehouderijen met diercategorieën zonder geuremissiefactor gelegen binnen een afstand van 50 meter tot aan de planlocatie. De meest dichtbijgelegen grondgebonden veehouderij met vaste afstandsdieren is gelegen aan de Vlasvenstraat 64. De afstand tussen het bestemmingsvlak van dit bedrijf en het nieuw te realiseren bouwvlak voor de woning aan de Jaegerweg is ca. 100 meter. Planologisch is dit bedrijf nog aanwezig. Het is echter onwaarschijnlijk dat hier nog dieren worden gehouden. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan genoemde afstandseis van 50 meter. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er gelet op bovenstaande uitleg geen belemmeringen voor het toevoegen van een woning aan de Jaegerweg. In de woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat, zowel wat betreft de aanwezige voorgrondbelasting als achtergrondbelasting.

Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, mede omdat er reeds bestaande woningen dichterbij zijn gelegen. 5.2.7

Gezondheid

In de onderhavige situatie is sprake van een nieuw te bouwen woning aan de Jaegerweg. De beoogde aanpassing van de vigerende agrarische gebiedsbestemming naar wonen heeft geen invloed op de endotoxine belasting.

Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven waar geiten worden gehouden. Het meest dichtbij gelegen geitenbedrijf Losbaan 42 in Lottum ligt op ruim 2 km afstand van de locatie Jaegerweg ongenummerd. In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van 31

september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking.

Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Conclusie Aangezien de planlocatie op ruim 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor de voorgestelde bestemmingswijziging.

5.2.8

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Bij het bepalen van de richtafstanden is voor de ontwikkeling aan de Jaegerweg kan, vanwege de ligging in het buitengebied met allerlei functies, uitgegaan worden van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Hierdoor is het te rechtvaardigen dat geldende de richtafstanden -blijkens de toelichting op de systematiek, zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat- met één afstandsstap worden verlaagd.

32

In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende andere functies gelegen met daarbij de grootste richtafstand en de werkelijke afstand: Adres

Soort bedrijf

Richtafstand

Werkelijke afstand

Konijnenweg 73

Intensieve

100 m

200 m

50 m

100 m

veehouderij Vlasvenstraat 64

Grondgebonden veehouderij

Heuvelweg 2

Pallethandel

30 m

200 m

Vlasvenstraat 51

Kraamverhuurbedrijf

30

280 m

Meldersloseweg 123

Plantenkwekerij

10 m

140 m

Boomsweg 2

Vleesverwerkings-

50 m

220 m

bedrijf

Conclusie Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden die gelden voor de omliggende bedrijven. Vanwege de ligging in een gemengd gebied zijn deze met een stap verlaagd. Ook zonder verlaging zou het initiatief op de voorgestelde locatie voldoen aan de richtafstanden (maximale afstandsmaat). Dit betekent dat omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering door het toevoegen van een extra woning op de planlocatie aan de Jaegerweg ongenummerd. Omgekeerd kan tevens worden gesteld dat in de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

33

5.2.9

Externe veiligheid

Planlocatie

Afbeelding 12, Bron; Risicokaart.nl

Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Op circa 700 meter van het plangebied ligt de A73, waarover risicovol transport plaatsvindt. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Ook buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de nabijheid van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822217/1