05c.6 Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O
Tekst van het document
Afbeelding 10: Uitsnede gemeentelijke beleidskaart Horst aan de Maas. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: hilkensberg. org
2. 7. 5
Resumé
Het plangebied maakt deel uit van AMK-terrein 16543 betreffende de oude kern van Sevenum. Uit het plangebied zijn geen archeologische vondstlocaties bekend en het plangebied is in het verleden niet eerder onderzocht. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachting. Uit de omgeving van het plangebied zijn vondstlocaties bekend uit diverse perioden. Met name zijn veel vondsten aangetroffen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Uit onderzoeken uitgevoerd in de nabijheid van het plangebied zijn voornamelijk vindplaatsen uit deze perioden ontdekt. De kans wordt dan ook groot geacht dat in het plangebied archeologische waarden kunnen worden aangetroffen uit met name de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
31 Auteur
Gemeentelijke beleidsadvieskaart 2000.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
29 van 47
2. 8 Gespecificeerde verwachting Bij het opstellen van een archeologische verwachting wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de relatie die bestaat tussen de situering van de archeologische vindplaatsen en het landschap of zelfs specifieke landschapselementen. Deze relatie (locatiekeuzefactoren) verschilt per archeologische periode en per complextype. ,
Op basis van de in de vorige stappen verworven informatie over de huidige situatie de aardwetenschappelijke en historische situatie en de bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden vindt een proces plaats van analyse en interpretatie t. b. v. het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Hiertoe is achtergrondkennis vereist van de landschapsontwikkeling en de geschiedenis van de archeoregio. Om tot een juiste keuze van de onderzoeksmethode van het inventariserend veldonderzoek te komen zijn voor zover mogelijk de volgende eigenschappen aangegeven: datering; minimaal in hoofdperioden (zoals Paleolithicum Mesolithicum etc. ); complextype (zoals nederzetting grafveld akkerlaag etc. ); ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
omvang;
diepteligging (ook zichtbaar/niet-zichtbaar); locatie (met eventueel aanduiding in welk deelgebied); uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren); mogelijke verstoringen. 32 Op basis van de hiervoor beschreven landschappelijk archeologische en historische informatie is het mogelijk een archeologische verwachting op te stellen. Op grond van het gebruik van het landschap door de mens kan er een tweedeling worden gemaakt in jager-verzamelaars (Paleolithicum Mesolithicum en deels Neolithicum) enerzijds en landbouwers (Neolithicum Bronstijd IJzertijd Romeinse tijd Middeleeuwen en Nieuwe tijd) anderzijds. De gespecificeerde verwachting is hierop afgestemd. ,
,
,
,
,
,
Jager-verzamelaars De algemeen gehanteerde theorie die ook voor onderhavig verwachtingsmodel wordt gebruikt is dat jagerverzamelaars door het landschap trokken en tijdelijk op een locatie verbleven. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven zogenaamde extractiekampen. De grootste kans voor het aantreffen van jachtbuit was in de buurt van water. Tevens konden hier veel vruchten worden aangetroffen. Zowel basiskampen als extractiekampen waren dan ook geconcentreerd in de buurt van water. De oudste bewoningsresten zijn dan ook te verwachten in de buurt van water op de overgang van laag en nat naar hoog en droog de zogenaamde gradiëntzone. Voor het dekzandgebied wordt een gradiëntzone aangehouden van 250 tot 350 m gebaseerd op het model van van Dijk. 33 Concreet betekent dit voor vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum een zone van 250 m. van de droognat gradiënt voor vindplaatsen uit het Mesolithicum geldt een zone van 300 m. en voor vindplaatsen uit het Neolithicum een zone van 350 m. Hiervan uitgaande maakt plangebied geen deel uit van een gradiënt zone. De afstand tot de droog-nat gradiënt bedraagt circa 700 m. ,
,
Complextype: Vindplaatsen worden niet verwacht. Omvang: Onbekend. Vindplaatsen worden niet verwacht.
32 KNA versie 4.2 , Protocol 4002. 33 Van Dijk , 2007
AA250081. R01v1. 0. ARG730
30 van 47
Diepteligging: Vanaf de onderkant van het oud-bouwlanddek kunnen archeologische resten uit het Mesolithicum en Neolithicum in situ aangetroffen worden. Mogelijke Paleolitische resten zullen onder het Holocene zand van de vlakvaaggrond liggen. Locatie: Onbekend. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een strooiing van vuursteen. Het is echter niet uitgesloten dat ook grondsporen kunnen worden aangetroffen. Mogelijke verstoringen: Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo min mogelijk is verstoord. Volgens de verzamelde gegevens is in het plangebied tegen het einde van de 20 ste eeuw een stal gebouwd hetgeen betekent dat de bodemverstoring naar verwachting substantieel zal zijn. De vraag blijft hoe diep deze verstoring zal reiken. ,
,
Specifieke verwachting jager-verzamelaars: Lage verwachting op het voorkomen vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum Mesolithicum en Neolithicum
van
jager-verzamelaars
,
Landbouwers Uitgaande
het verwachting op basis van het model van Van Dijk worden Neolithische vindplaatsen binnen de droog-nat gradiënt verwacht. In de Bronstijd worden nattere gebieden en grindrijke zones 350 m van vermeden. De gradiëntzones speelt geen rol meer. De nederzettingen liggen in goed ontwaterde gebieden met een natuurlijk hoge vruchtbaarheid en de grafvelden liggen op de dekzandruggen evenals in de IJzertijd wat ook geldt voor de nederzettingen. Behoudens de dekzandruggen worden ook overgangen naar de dekzandvlakten en meer kleiige gebieden in het Maasdal en het Middenterras uitgekozen voor bewoning. Voor drinkwater is men niet meer afhankelijk van open water maar worden putten gegraven. De boerenerven zwerven door het landschap. Het landbouwsysteem van de Celtic Fields doet zijn intrede waarbij grote aantallen (omwalde) kleine akkers worden aangelegd met periodieke braaklegging in verband met het behoud van de bodemvruchtbaarheid. Ook de nederzettingen in de Romeinse tijd liggen in goed ontwaterde gebieden. Van de nederzettingen die in de Middeleeuwen ontstaan zijn er velen die nu nog bestaan. In de Middeleeuwen concentreerde zich de bevolking in gemeenschappen die heden ten dage nog grotendeels bestaan. Maar ondanks deze centralisatie zullen buiten deze centra nog alleenstaande boerderijen hebben gelegen. van
Complextype: In het plangebied kunnen nederzettingsresten voorkomen. Het is ook niet uitgesloten dat resten van off-site activiteiten kunnen worden aangetroffen. Tevens kunnen dumplocaties worden aangetroffen. Omvang: Onbekend. De omvang kan sterk variëren. Diepteligging: Op grond van de bodemkaart (bodemtype) kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Oudere resten zullen zijn afgedekt zijn door het oud-bouwlanddek. Locatie: Onbekend. Archeologische waarden worden op het dekzand en in de oude dorpskern verwacht. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze perioden kenmerken zich door een spreiding van aardewerkresten en het voorkomen van grondsporen (paalsporen afvalkuilen greppels). Mogelijke verstoringen: Volgens de verzamelde gegevens is in het plangebied tegen het einde van de 20ste eeuw een stal gebouwd hetgeen betekent dat de bodemverstoring naar verwachting substantieel zal zijn. Onbekend is echter hoe diep deze verstoring zal reiken. ,
,
,
Specifieke verwachting landbouwers: Op grond van de verzamelde gegevens geldt voor het plangebied vanwege de verwachte bodemverstoring een middelhoge verwachting op het voorkomen van landbouw gerelateerde vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
31 van 47
Tabel 4: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel Periode
Verwachting
Jager-
laag
Complex kampementen
Omvang onbekend
Kenmerken
Gaafheid
Diepte
Beperkte
PALEO onder het
verzamelaars
grondsporen ,
Holocene zand.
Paleolithicum -
vuursteen
MESO/NEO onder
Neolithicum
matig
het oud-bouwland dek
landbouw
middelhoog
nederzetting ,
onbekend
Grondsporen ,
Late MiddeleeuwenNieuwe tijd vanaf
gerelateerde
akker/tuin ,
keramiek ,
vindplaatsen
begraving e. d.
vuursteen , metaal
matig
het maaiveld ,
Neolithicum –
Neolithicum tot en
Nieuwe tijd
met Late
Middeleeuwen onder het oud-bouwland dek
2. 8. 1
Besluit
De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek hebben onvoldoende data opgeleverd om een goed advies uit te kunnen brengen. Er zijn onvoldoende gegevens bekend over bodemopbouw en daarmee de verwachting op het voorkomen van intacte archeologische resten. Derhalve wordt vervolgonderzoek nodig geacht in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek Overig verkennende fase door middel van boringen om de bodemopbouw en de mate van verstoring van de bodem vast te stellen. De resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen zijn verwoord in H 3.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
32 van 47
3 Veldonderzoek 3. 1 Algemeen Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Cruciaal voor de uitvoering van een IVO is de keuze voor een bepaalde onderzoeksmethode waarmee de gespecificeerde archeologische verwachting zoals gesteld in het bureauonderzoeksrapport op een correcte wijze getoetst kan worden in het veld. Indien de onderzoeksmethode niet is voorgeschreven kan het aan de deskundigheid van de uitvoerende instantie overgelaten worden de meest effectieve en efficiënte methode te selecteren. Bij een IVO kan een onderscheid aangebracht worden in een verkennende karterende en waarderende vorm: Het verkennende IVO heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Een eenvoudige terreininspectie maar ook geo-archeologisch booronderzoek behoren tot de middelen. Het doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens een karterend IVO wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of ,
,
,
,
,
,
,
,
,
sporen.
In een waarderend IVO kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard omvang conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. 34 ,
,
datering gaafheid ,
,
Het nu uitgevoerde IVO-O verkennende fase door middel van boringen heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Het uitgevoerde booronderzoek is niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen.
3. 1. 1
Veldwerkzaamheden
Het veldwerk is op 8 juli 2025 uitgevoerd. In totaal zijn zes boringen uitgevoerd en beschreven (boringen 1-6). De boringen zijn handmatig uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De meeste boringen reikten tot ruim in de natuurlijke afzettingen. Alleen de boringen 2 en 4 zijn gestuit in een modern opgebrachte laag. De boordiepte van de vier niet-gestuite boringen varieert van 20 tot 22 m. ,
,
De locaties van de boringen zijn uitgezet en ingemeten vanaf de bestaande topografie. Bij het beschrijven is gelet op de kenmerken van het leem waaronder de consistentie en de grofheid van het silt en die van het zand en grind waaronder de sortering en de afronding. De genese en ouderdom van de te onderscheiden lagen zijn ingeschat. Kennis van de genese is relevant voor het kunnen aanwijzen van archeologisch relevante niveaus en voor het kunnen bepalen de archeologische potentie in het algemeen. Verder is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn naast beschreven ook gefotografeerd. ,
,
,
,
,
Kenmerken van de ligging en het huidige gebruik van het plangebied Het plangebied direct ten westen van de Staarterstraat. Het plangebied is een klein weiland bij een woonhuis (Afbeelding 11 en Afbeelding 12). Ten westen liggen akkers. Tot ongeveer 2003 stonden drie varkensstallen in het plangebied (Afbeelding 13 13) welke volgende de opdrachtgever waren voorzien van gierkelders. Volgens 34 KNA
versie 4.1 , Protocol 4003
AA250081. R01v1. 0. ARG730
33 van 47
het bureauonderzoek zou er één varkensstal hebben gelegen. Bij de afbraak is het puin afgevoerd en is het terrein geëgaliseerd. In het veld vallen aan de noordrand enkele lage heuvels van toen omgewerkte grond op. Het plangebied ligt laag ten opzichte van de ruime omgeving. Verder westelijk loopt het terrein geleidelijk op.
Afbeelding 11: Het zuidelijke deel van het plangebied , kijkende vanaf de Staarterstraat in westelijke richting (juli 2025).
Afbeelding 12: Het noordelijke deel van het plangebied , kijkende vanaf de Staartestraat in zuidwestelijke richting (juli 2025).
AA250081. R01v1. 0. ARG730
34 van 47
Afbeelding 13: Foto van een oude foto , getoond door de opdrachtgever , die de stallen toont die tot ongeveer 2003 in het plangebied stonden. Het noorden is rechts. De noordgrens van het plangebied komt overeen met de noordelijke lange muur van de grootste stal rechts op de foto. De zuidgrens ligt bij de zuidelijke lange muren van de kleine stallen links op de foto.
3. 2 Opbouw en genese van de bodem 3. 2. 1
Lithologische opbouw
en
vorming
van
de afzettingen
Vijf pakketten zijn te onderscheiden (pakketten 1-5). Hieronder worden die besproken van jong (pakket 1) naar oud (pakket 5). Middels afbeelding 14 is de ligging van de pakketten per boring aangegeven Pakket 1 De top van de ondergrond bestaat uit antropogeen opgebracht niet tot zwak humeus zand. In de bovenste 02 à 03 m is een bouwvoor gevormd (pakket 1a). Eronder ligt een gevlekt pakket met niet- en zwak humeus zand (pakket 1b). Het zand is overwegend zeer fijn en zwak of matig siltig. Vorming had plaats na de afbraak van de varkensstallen rond 2003. Dit zal zijn geweest bij de afwerking van het terrein na de sloop. Laagtes waren ontstaan door een zandtekort na de sloop doordat de gaten van de verwijderde kelders waren opgevuld met grond van het terrein zelf (pakket 2). ,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
35 van 47
Pakket 2 Pakket 2 ligt onder pakket 1. De overgang is scherp. Pakket 2 is donkerder dan pakket 1 en bestaat uit matig humeus zand. Het zand is zeer fijn zwak of matig siltig en bijgemengd met grind baksteen en ander puin. De boringen 2 en 4 stuitten in dit pakket. Pakket 2 ontstond net als pakket 1 ook bij de afbraak van de varkensstallen rond 2003. Pakket 2 ontstond echter tijdens de sloop zelf bij de opvulling van ontstane kuilen waaronder die van de verwijderde gierkelders. Bij de sloop is baksteen en puin afgevoerd. Baksteen en puin dat vermengd raakte met zand is bij de sloop grotendeels uit de grond gezeefd. Het humeuze zand van pakket 3 is de bron van de omgewerkte grond van pakket 2. ,
,
,
,
,
,
Pakket 3 Pakket 3 is vooral dik waar de moderne verstoringen ondiep reiken. Het bestaat uit zwartgrijs en donkerbruingrjs matig humeus zwak of matig siltig fijn zand. Het is deels sterk humeus. De dikte is in boring 1 circa 105 cm. Vermoedelijk was dit ongeveer de dikte in het gehele plangebied. Bij boring 3 is de dikte weliswaar ook dik namelijk 075 m maar hier is pakket 3 modern afgetopt bij de vorming van pakket2. Pakket 3 kent een vage gelaagdheid ontstaan bij een geleidelijke ophoging. Het kan als een plaggendek worden geïnterpreteerd. ,
,
,
,
Afbeelding 14: Interpretatie van de boringen. Zie de tekst voor de beschrijving van de onderscheiden pakket.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
36 van 47
,
Pakket 4 In de diepte gaat pakket 3 scherp over in pakket 4. Pakket 4 bestaat uit lichtgrijs zwak en matig siltig zeer fijn zand. Het zand is matig goed gesorteerd. De top loopt op in westelijke richting van 263 m +NAP in boring 1 via 265 m +NAP in boring 3 tot 267 m +NAP in boring 4. Het kan worden geïnterpreteerd als een eolisch gevormde afzetting uit het Jonge Dryas de laatste koude fase van de laatste ijstijd het Weichselien. Dit zand is Jong Dekzand. ,
,
,
,
,
Pakket 5 Het diepst in de boringen gelegen pakket is pakket 5. Dat is een heterogeen pakket waarvan in de boringen 1 en 5 de top humeus is (pakket 5a Afbeelding 15). Dat betekent niet dat de humeuze laag alleen op de plaats van die boringen gevormd is. Vermoedelijk kwam een humeuze laag in het hele plangebied voor. Het is alleen in andere boringen niet vastgesteld. Boring 3 reikt hiervoor net niet diep genoeg om een eventuele humeuze laag vast te kunnen stellen. In boring 6 is pakket 5 afgetopt tot onder het niveau van een eventuele humeuze laag. De boringen 2 en 4 zijn gestuit in geroerd gerond. Onder de humeuze laag ligt in boring 1 een veenlaag (pakket 5c). Het ontstond in een nat milieu. Pakket 5b bestaat uit lagen zand klei en leem. Het zand is zeer fijn en zwak tot uiterst siltig. De klei en de leem zijn zandig. Het zand kan eolisch zijn gevormd. De klei en leem kan bij lokale verspoeling zijn afgezet. Het pakket is te interpreteren als Oud Dekzand. Vorming had plaats in het Pleniglaciaal. Bodemvorming was vermoedelijk onder warme condities in het Bølling en/of het Allerød. Dit was onder vochtige of natte omstandigheden door een laaggelegen ligging. Daardoor kon een duidelijke humeuze of venige laag ,
,
,
ontstaan.
3. 2. 2
Bodemkundige opbouw
en
vorming
van
de bodemlagen
De huidige bodem kan door de dikke recente omwerkingen (na 2002) van de pakketten 1 en 2 (Aa-horizonten) worden omschreven als een antropogeen bepaalde bodem. Voordat er stallen stonden lag pakket 3 aan het maaiveld in bouwland. Er was toen een enkeerdgrond met een dik plaggendek (Aa-horizont). Die was geleidelijk ontstaan bij plaggenbemesting. Op de overgang naar de dieper gelegen intacte natuurlijk afzettingen zonder bodemvorming maar met roestvlekken (pakket 3 Cg-horizont) ligt een bij oudtijds agrarisch gebruik van de grond omgewerkte maar van oorsprong natuurlijke humeuze laag in boring 3 (Ahbgp-horizont). Het is begraven onder opgebrachte plaggen. De humeuze laag in de top van pakket 4 (pakket ,
,
,
In de natuurlijke afzettingen van pakket 1 met het grove zand is de top bij bioturbatie aangerijkt met humus. Sprake is van een duidelijke B-horizont met niet-amorfe humus (moderhumus) en ijzerverbindingen (Bwshorizont). De moderhumus bestaat uit uitwerpselen van bodemorganismen. De humusdeeltjes zijn niet ‘vormloos’ of amorf maar hebben in het algemeen de vorm van bolletjes en snoertjes. Dit is nu niet in detail bekeken. In het plangebied hebben zich in het Holoceen holtpodzolgronden ontwikkeld. Door beakkering en plaggenbemestig ontstonden loopodzolgronden. Beide bodemtypes behoren tot de moderpodzolgronden. Een oude naam voor holt- en loopodzolgronden is ‘bruine bosgronden’ door de vorming van de holtpodzolgronden onder bos. ,
,
In het algemeen geldt het volgende. Intacte holtpodzolgronden hebben een dunne A-horizont. Dit is de Ahhorizont met de ‘h’ als aanduiding voor een ongeploegde humeuze bovengrond. Daaronder ligt een donkere Bhorizont een verbruinings-Bws-horizont met inspoeling van humus en ijzer- en aluminiumverbindingen. De zandkorrels zijn omgeven door een huid met veel ijzerverbindingen. De ‘w’ in de code is de aanduiding voor de aanrijking met ingespoelde humus en de ‘s’ voor ingespoelde sequioxiden de ijzer- en aluminiumverbindingen. Onder een overgangslaag de BC-horizont ligt het bodemkundig onveranderde uitgangsmateriaal de C-horizont. ,
,
,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
,
37 van 47
Opgebracht materiaal op de oorspronkelijke bodem bij loopodzolgronden wordt tot de Aa-horizont gerekend waarbij de ‘a’ staat voor antropogeen. De onderkant van de B-horizont bij holtpodzolgronden reikt in het algemeen niet dieper dan 07 m −mv. In het plangebied is dat ook het geval. Dieper kunnen in het algemeen in dergelijke gronden oranjebruine fibers voorkomen van ingespoelde klei en ijzer. Die zijn hier niet gezien. Loopodzolgronden zijn holtpodgronden waarop een matig dikke A-horizont van 03 tot 05 m is ontstaan door plaggenbemesting van akkers in de late middeleeuwen of daarna. ,
,
,
Gesteld kan worden dat van de oorspronkelijke holtpodzolgrond door beakkering de Ah-horizont en de top van de Bws-horizont zijn opgenomen in de akkerlaag. Van de bij agrarisch gebruik gevormde plaggendek de Aahorizont is de top sub-modern omgewerkt en in de zone om de woning begraven geraakt onder opgebrachte humeuze grond of niet-humeus ophoogzand (Aa-horizont). ,
,
De grondwatertrap is trap VII en dat betekent een droge bodem met diepgelegen grondwater. Het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ligt dieper dan 80 cm −mv en dat van de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm −mv. ,
3. 3 Archeologie Het boorresidu is geïnspecteerd aangetroffen.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
op
de aanwezigheid
van
38 van 47
archeologische indicatoren. Die zijn echter niet
,
Afbeelding 15: De van links naar rechts en van boven naar beneden per ongeveer 10 en 50 centimeter uitgelegde boring 1. De liniaal geeft de schaal aan.
3. 4 Synthese De genese van de afzettingen in het plangebied is samengevat en vereenvoudigd als volgt. Het plangebied ligt op afzettingen uit het Weichselien de laatste ijstijd. De top bestaat uit dekzand uit de laatste koude fase van die periode. Erop is door plaggenbemesting een plaggendek gevormd. Deze is in een groot deel van het plangebied modern diep afgetopt of geheel verdwenen bij een omwerking tot in de natuurlijke afzettingen. Die verstoringen hebben te maken met de bouw en afbraak van varkenstallen. ,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
39 van 47
Door de grootschalige en diepe moderne verstoringen in combinatie met een relatief lage ligging in het landschap wordt de kans op het aantreffen van archeologische waarden bij de voorgenomen graafwerkzaamheden klein geacht. Derhalve geldt voor het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit alle perioden. ,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
40 van 47
4 Conclusies
en
aanbevelingen 4. 1 Conclusies De conclusies worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen. 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Op de geomorfolgische kaart ligt het plangebied op een dekzandwelving toebehorend aan het Laagpakket van Wierden dat bedekt is met een oud-bouwlanddek. Volgens de bodemkaart bevinden zich binnen het plangebied vlakvaaggronden. De hoogte van het maaiveld varieert tussen 2776 m +NAP en 2852 m +NAP. ,
,
,
,
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? de 19de eeuw deed het plangebied dienst als bouwland en boomgaard. Dit rustieke karakter lijkt te zijn In behouden tot de tweede helft van de 20ste eeuw. Grootschalige bebouwing was aanwezig tegen het einde van het millennium in de vorm van een varkensstal. De gevolgen van de bouw en afbraak van deze stal zal voor verstoring van mogelijk archeologische waarden 2.
,
.
3. Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? Het plangebied maakt deel uit van AMK-terrein 16543: de oude dorpskern van Sevenum. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachting. Uit de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk vondstlocaties bekend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. 4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Op basis van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting op het voorkomen van jager-verzamelaars vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum Mesolithicum en Neolithicum en een middelhoge op het voorkomen van landbouw gerelateerde vindplaatsen vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. ,
Komt het middels het IVO-O vastgestelde bodemtype overeen met hetgeen op basis van het bureauonderzoek werd verwacht? Volgens de bodemkaart bevinden zich binnen het plangebied vlakvaaggronden. Het IVI-O heeft uitgewezen dat de bodem is verstoord. Er zijn resten van een enkeerdgrond aangetroffen welke volgens de bodemkaart direct aan het plangebied grenst. 5.
,
6.
Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw vanaf welke diepte t. o. v. het maaiveld kunnen archeologische waarden dan worden verwacht? Is er sprake van meerdere archeologische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Zo ja op welke diepte t. o. v. maaiveld bevinden deze zich? De top van het pakket jong dekzand onder het plaggendek is een potentieel archeologisch niveau maar die is vrijwel niet behouden binnen het plangebied. ,
,
7.
Indien
er in (delen
van) het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw tot welke diepte t. o. v. maaiveld is deze verstoord en wat zegt dit over de gaafheid van eventueel aanwezige archeologische waarden?
AA250081. R01v1. 0. ARG730
41 van 47
Omdat de voormalige varkensschuur een gierkelder had is de bodem tot diep geroerd. Dat is overwegend tot in de top van de natuurlijke afzettingen onder het plaggendek. De gaafheid is gering. De kans op het aantreffen van archeologische waarden bij de voorgenomen graafwerkzaamheden is klein. ,
8.
Kan de gespecificeerde verwachting zoals geformuleerd in het archeologisch bureauonderzoek aan de hand van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen worden gehandhaafd of dient deze (in delen van het plangebied) worden bijgesteld? Zo ja waaruit bestaat de bijstelling en
waarom? De gespecificeerde verwachting moet worden bijgesteld naar een lage verwachting diep-reikende en grootschalige moderne verstoringen.
voor
alle perioden door de
9. Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden? Die invloed zal er niet zijn of slechts gering zijn. 10. Is in het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja welke onderzoeksmethode wordt aanbevolen? Een archeologisch vervolgonderzoek wordt niet aanbevolen.
4. 2 Aanbevelingen Als gevolg van de grootschalige bodemverstoringen en daarmee ook va het bodemarchief geldt voor het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit alle perioden. Om deze reden wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen en wordt aanbevolen het plangebied vrij te geven voor de toekomstige ontwikkeling. Het rapport is ter beoordeling voorgelegd aan het bevoegd gezag de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft het rapport laten beoordelen door haar adviseur sr. KNA archeoloog C. Koot. Deze heeft het rapport akkoord bevonden de aanbeveling onderschreven en de gemeente geadviseerd zijn advies over te nemen hetgeen de gemeente Horst aan de Maas heeft gedaan. 35 ,
,
,
Ten alle tijden geldt dat mochten tijdens de voorgenomen graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen hiervan een melding dient te worden gemaakt conform artikel 5. 10 van de erfgoedwet. 36 ,
,
35 Schriftelijke mededeling van dhr. G. Klüter opdrachtgever van de Provincie Limburg , 16-10-2025. 36 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan
wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft , meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2. De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid , is gehouden de vondst gedurende zes maanden , te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding , ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Opmerking auteur: met monument wordt bedoeld: 1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid , hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 2. Terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1. Melding kan plaats vinden bij de gemeente (niet bij de minister).
AA250081. R01v1. 0. ARG730
42 van 47
Literatuurlijst en gebruikte bronnen Literatuurlijst Auwerda F. / P. Grimm 2008: Verliesregister 1939-1945 Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog Den Haag. ,
,
,
,
Blankenstein
,
Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945) Zeist.
van , E. , 2006:
Bles B. J. en B. H. Steeghs Wageningen. ,
,
,
1974. Ruilverkavelingsgebied Kruisland
–
Wouw. Stichting
voor
Bodemkartering
Dekkers J. M. J. en J. A. van den Hurk 1979. Stadsgewest Tilburg “Kerngebieden”. Stichting voor Bodemkartering Wageningen. ,
,
CCvD 2022. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Landbodems versie 4.2 2022. Vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie ondergebracht bij de SIKB te Gouda. ,
,
,
Dijk X. C. C. van 2007. Gemeente Venlo; een archeologische verwachtings- en advieskaart. Amsterdam. RAAPrapport 1473. ,
,
Heeringen R. M. van R. Schrijvers 2010. Toelichting op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas. Amersfoort. Vestigia rapport V585. ,
,
,
Renes J. 1999. Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma Leeuwarden. ,
,
,
Stouthamer E. K. M. Cohen en W. Z. Hoek 2020: De vorming van het land. Geologie en Geomorfologie Utrecht. ,
Zijverden Press.
,
,
van , W. en J. de
,
,
Moor 2014: Het groot profielenboek. Fysische geografie voor archeologen. Sidestone ,
Gebruikte bronnen www. zoekencultureelerfgoed. nl www. atlasleefomgeving. nl www. topotijdreis. nl www. arcgis. com www. portal. prvlimburg. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
43 van 47
www. beeldbank. cultureelerfgoed. nl www. ruimtelijkeplannen. nl www. easy. dans. knaw. nl www. sikb. nl
www. pdok. nl www. ikme. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
44 van 47
Verklarende woordenlijst en gebruikte afkortingen Verklarende woordenlijst ARCHIS
geautomatiseerd Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen daterend van de prehistorie tot de Nieuwe tijd. digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit zeldzaamheid en contextwaarde). Sinds 2014 is dit een statische kaart die niet meer wordt bijgewerkt. ,
AMK
,
Archeologische Indicator
Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid ter plaatse of in de nabijheid van een archeologische vindplaats. ,
,
Bodemhorizonten: Aa-horizont horizont met door de mens opgebracht materiaal zoals het plaggendek van enkeerdgronden. AC-horizont geleidelijke overgang van een A- naar een C-horizont. AB-horizont geleidelijke overgang van een A- naar een B-horizont. Ab-horizont begraven A-horizont. Ah-horizont minerale of moerige donker gekleurde horizont ontstaan aan of nabij het oppervlak waarin de organische stof geheel of gedeeltelijk is omgezet (humushoudende bovengrond). Ap-horizont bouwvoor de A-horizont die door de mens is bewerkt (geploegd). B-horizont laag waar door inspoeling bestanddelen zijn terechtgekomen zoals humus ijzer of lutum (inspoelingshorizont) of die biologisch is omgewerkt (gehomogeniseerd). C-horizont minerale of moerige horizont die niet tot weinig door bodemvorming is veranderd (uitgangsof moedermateriaal). E-horizont minerale licht gekleurde horizont die door uitspoeling verarmd is aan kleimineralen humus of ijzer- en aluminiumverbindingen of aan alle vier (uitspoelingshorizont). *g-horizont horizont met gleyverschijnselen: roestvlekken of -concreties eventueel met mangaanconcreties en grijze gereduceerde vlekken. O-horizont laag met onverteerbare en weinig verteerde plantenresten opgehoopt in een aeroob milieu op het minerale deel van de bodem (strooisellaag).
*r-horizont een minerale of moerige niet-geaëreerde horizont bij mineraal materiaal meestal donkergrijs of donker blauwgrijs van kleur (‘gereduceerde’ ondergrond); bij moerig materiaal meestal donkerbruin. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
45 van 47
Colluvium Dekzand
Eemien
Tijdens het Holoceen van hellingen geërodeerde en in de dalen afgezette löss (secundaire löss). sediment dat onder koude periglaciale omstandigheden door de wind is afgezet. Het bestaat vooral uit korrels met een grootte van circa 105 tot 210 μm. Een pakket dekzand kan ook lagen fijner zand en zandige leem bestaan. geologische periode warme periode tussen het overwegend koude Saalien en het koude Weichselien van circa 126 tot 116 duizend jaar geleden. dik pakket met donkere min of meer rulle grond met organische en anorganische bestanddelen ontwikkeld op een zandgrond door de mens. oud opgehoogd pakket op bouwland ontstaan door bemesting met plaggen of met zand vermengde potstalmest. In geval van een es is de opgebrachte laag ten minste 50 cm dik. De term ‘es’ is een gangbare aanduiding voor op deze wijze bemeste akkers in Noord- en OostNederland. In Midden-Nederland wordt gesproken van ‘enk’ of ‘eng’. korrels met een grootte van 2 tot 63 mm. geologisch tijdvak binnen het Kwartair van ongeveer 11. 700 jaar geleden tot nu met daarin onder andere het Mesolithicum het Neolithicum de Bronstijd de IJzertijd de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd sediment dat rijk is aan lutum onderscheiden worden siltige klei en zandige klei geologische periode van 26 miljoen jaar geleden tot nu de tijd van het menselijk leven op aarde omvattend het Pleistoceen en het Holoceen.
Eolische (wind) afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 63 μm. korrels met een grootte van minder dan 2 μm. koude omstandigheden in de zone buiten gletsjers of vergletsjerde gebieden. Periglaciale verschijnselen zijn vervormingen van grondlagen door die koude omstandigheden. geologisch tijdvak binnen het Kwartair van ongeveer 26 miljoen jaar geleden tot 11. 700 jaar geleden met daarin onder andere de eerste mensensoorten en het Paleolithicum (oude steentijd). uitgediepte veestal. potstalmest of aardmest werd bereid in een zogenaamde potstal en bestond uit stalmest huisafval bos- en heidestrooisel en meestal zand uit sloten of uit humusarme ondergrond van het bouwland zelf en ook werden in plaats van zand heideplaggen gebruikt. dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. geologische perioden namelijk die van de op een na laatste ijstijd van circa 238 tot 126 duizend jaar geleden korrels met een grootte tussen die van zand en lutum namelijk met een grootte van 2 tot 63 ,
,
,
,
Enkeerdgrond Esdek
Grind Holoceen
,
,
,
,
,
,
klei Kwartair
,
,
,
,
,
,
,
Löss Lutum Periglaciaal Pleistoceen
,
,
,
Potstal Potstalmest
,
,
Prehistorie Saalien Silt
,
,
,
μm.
Site situ (in situ) Tertiair Veen Vindplaats
plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden. nog in de oorspronkelijk positie op de oorspronkelijke plaats. geologische periode van 65-2 miljoen jaar geleden waarin zich de belangrijkste ontwikkelingen van de zoogdieren voordeden. pakket met niet vergane plantenresten ontstaan door zuurstofloze omstandigheden onder natte omstandigheden. ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument type monument aard archeologische waarde archeologische indicatie). een
,
,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
46 van 47
,
Vondst Weichselien Zand Zandlöss Zaakidentificatienummer
Alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties. geologische periode namelijk van de laatste ijstijd waarin het landijs Nederland niet bereikte van circa 115. 000 en 11. 700 jaar geleden. korrels met een grootte van 63 μm tot 2 mm zand als sediment bezien bestaat vooral uit korrels met die grootte. afzetting door de wind waarvan de korrelgrootte ligt tussen die van löss en dekzand. ,
,
,
,
,
(=ARCHIS-nummer). Het landelijk registratienummer ten behoeve van onderzoek uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem. Dit nummer vondsten en documentatiemateriaal vermeld te worden. ,
archeologisch dient op alle
Gebruikte afkortingen
RCE RGD StiBoKa
Archeologische Monumentenkaart ARCHeologisch Informatie Systeem Archis 3 before present (voor heden); 14 C-jaren; het nulpunt ‘heden’ is hierbij volgens internationale afspraak gesteld op 1950 (na Chr. ); de werkelijke kalender- of zonnejaren (gekalibreerde 14 Cjaren) zijn weergeven in jaren voor en na Chr. koolstof-14-isotoop van het normale koolstof-12; radioactief element dat voor dateringsmethoden gebruikt wordt. (jaren) voor Christus (jaren) na Christus gemiddelde hoogste grondwaterstand gemiddelde laagste grondwaterstand grondwatertrap Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld onder maaiveld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Rijks Geologische Dienst (tegenwoordig onderdeel van TNO-NITG Bodem) Stichting voor Bodemkartering
μm
micrometer
AMK ARCHIS BP
14
C
Chr. na Chr. voor
GHG GLG Gwt KNA mv -mv
AA250081. R01v1. 0. ARG730
47 van 47
Bijlagen
AA250081. R01v1. 0. ARG730
Bijlage
AA250081.R01v1.0.ARG730
1 TAM
omgevingsplan
GEONIUS
B(geanonimise rd)
BESLUITGEBIED Besluitgebied FUNCTIES EN ACTIVITEITEN Agrarisch met waarden
lw_
| Waarde Archeologie vee
Lwrk2_I
2
GEBIEDSAANWIJZINGEN milieuzone
Gewizigd
_
:
-
spuitvrije zone
07.05.2025
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Woning Staarterstraat ong. te Sevenum Gemeente Horst
aan
plankaart
de Maas
_:
N
IJ\
Pianstatus ontwerp
BNET Schaal Projectnummer
:
1:1000
Ed
vandewatl planologisch
advies
: VPA 2024.05
NL.IMRO.1507.TAMStaarterstraat-ON01
AA250081.R01v1.0.ARG730
GEONIUS
B(geanonimise rd)
Bijlage
AA250081.R01v1.0.ARG730
2
Boorpuntenkaart
GEONIUS
B(geanonimise rd)
Bijlage 3 Boorprofielen
AA250081.R01v1.0.ARG730
GEONIUS
B(geanonimise rd)
opdrachtnummer :AA250081 projectomschrijving:Sevenum,Staarterstraat ong.
Boring:
01
Boring:
02
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
27. 9 m+NAP 7-7-2025 19961800-38021200 , ,
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
28 m+NAP 8-7-2025 19961600-38021000 , ,
0. 00
27. 90
weiland Zand matig fijn , zwak siltig , matig humeus , donkergrijs , Edelmanboor , Modern , Aa
0. 00
27. 70 27. 60
0. 50
27. 35
27. 15
1. 00
28. 00
weiland Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak humeus , lichtgrijs , Edelmanboor , Modern , Aa
27. 80
Zand matig fijn , zwak siltig , zwak humeus , licht beigegrijs , Edelmanboor , Gevlekt met niet humeuze brokjes , modern , Aa Zand zeer fijn , matig siltig , zwak roesthoudend , licht oranjebeige , Edelmanboor , Deels matig fijn zand en deels zwak siltig zandige zand , modern , Aa Zand matig fijn , zwak siltig , sterk humeus , grijszwart , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , sub modern , geleidelijk gevormd , mogelijk vulling greppel Zand matig fijn , zwak siltig , matig humeus , donker roodbruin , Edelmanboor , Geleidelijk gevormd , sub modern
27. 60
0. 50
Zand zeer fijn , matig siltig , zwak humeus , Edelmanboor , Brokken niet humeus zand , modern , Aa
Zand zeer fijn , matig siltig , matig humeus , zwak grindig , donker 27.45beigegrijs , Edelmanboor , Modern opgebracht , Aa horizont , grind tot circa 5 cm , boring gestuit
26. 70
Zand matig fijn , matig siltig , matig humeus , sporen roest , donkergrijs , Edelmanboor , Enkele niet humeuze brokjes - misschien door bioturbatie , geleidelijk gevormd , sub modern , Aa 1. 50 26. 30
Zand matig fijn , matig siltig , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , deels zeer fijn zand , brokkelig , enkele brokjes humeus zand , 26. 05
2. 00
25. 85
25. 70
Zand matig fijn , sterk siltig , matig humeus , donkergrijs , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , vermoedelijk een waterbodem of natte bodem , geleidelijk gevormd Veen , sterk kleiïg , zwart , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , amorf , wat uiterst fijn zand , vermoedelijk waterbodem greppel
pagina 1 / 3 verticale schaal1: 20
opdrachtnummer :AA250081 projectomschrijving:Sevenum,Staarterstraat ong.
Boring:
03
Boring:
04
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
28 m+NAP 8-7-2025 19962300-38020000 , ,
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
28. 1 m+NAP 8-7-2025 19958800-38020100 , ,
0. 00
28. 00
weiland Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak humeus , lichtgrijs , Edelmanboor
0. 00
27. 80
Zand zeer fijn , matig siltig , zwak humeus , Edelmanboor , Met niet humeuze brokjes , Aa 27. 60 Zand zeer fijn , matig siltig , sporen roest , licht oranjebeige , Edelmanboor , Opgebracht , met enkele humeuze brokjes Zand matig fijn , matig siltig , zwak 27. 30 humeus , zwak baksteenhoudend , sporen sintels , donker beigegrijs , Edelmanboor , Gevlekt , met matig en niet humeuze brokken , modern opgebracht , Aa Zand zeer fijn , matig siltig , sterk humeus , grijszwart , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , oude begraven 26. 90 akker Zand zeer fijn , sterk siltig , matig humeus , zwartgrijs , Edelmanboor , 26. 75Oudtijds geleidelijk opgebracht , Aa , spikkel baksteen in top Zand zeer fijn , matig siltig , sterk humeus , zwartbruin , Edelmanboor , 26. 55 Enkele brokjes organische stof , deels matig humeus , lijkt oudtijds omgewerkte A horizont van een natte of vochtige bodem , 26. 35 Zand zeer fijn , matig siltig , matig roesthoudend , licht beigeoranje , Edelmanboor , Fijnbrokkelig , beige 26. 20 vlekken , scherpe bovengrens , Cg horizont Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak 26. 00 roesthoudend , licht oranjegrijs , Edelmanboor , Basis zone met oxidatie en reductie , Cg horizont Zand uiterst fijn , zwak siltig , sporen roest , lichtgrijs , Edelmanboor , Vooral reductie , Cr horizont , goed gesorteerd zand , jong dekzand
28. 10
27. 90
27. 70
0. 50
1. 00
1. 50
2. 00
weiland Zand zeer fijn , zwak siltig , matig humeus , donkergrijs , Edelmanboor , Modern
27. 70
0. 50
Zand zeer fijn , matig siltig , zwak humeus , lichtgrijs , Edelmanboor , Gevlekt , brokken niet en matig humeus zand Zand zeer fijn , matig siltig , sporen roest , lichtgrijs , Edelmanboor , Mo
27. 40
Zand zeer fijn , matig siltig , matig humeus , sporen grind , matig puinhoudend , grijszwart , Edelmanboor , Modern , met omgewerkte oudere akker lagen , fragment bloempot , paarsbruine gresbuis en ander puinboring , gestuit
1. 00
26. 70
pagina 2 / 3 verticale schaal1: 20
opdrachtnummer :AA250081 projectomschrijving:Sevenum,Staarterstraat ong.
Boring:
05
Boring:
06
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
28. 2 m+NAP 8-7-2025 19960000-38018800 , ,
Maaiveldhoogte: Datum: CoördinatenX-Y:
28. 05 m+NAP 8-7-2025 19961000-38019900 , ,
0. 00
28. 20
weiland Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak humeus , lichtgrijs , Edelmanboor , Modern
0. 00
28. 05
weiland Zand zeer fijn , zwak siltig , matig humeus , lichtgrijs , Edelmanboor , Modern , Aa
28. 00 27. 85
0. 50
27. 65 27. 55 27. 40 27. 25
1. 00 27. 05 27. 00
1. 50 26. 60
2. 00
26. 25 26. 20
Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak humeus , lichtbeige , Edelmanboor , Met niet humeuze brokken Zand zeer fijn , matig siltig , matig roesthoudend , licht oranjebeige , Edelmanboor , Modern , met enkele zwak humeuze brokjes zand Zand zeer fijn , zwak siltig , zwak humeus , sporen grind , sporen baksteen , sporen roest , sporen puin , licht grijsbeige , Edelmanboor , Modern Zand zeer fijn , zwak siltig , sterk humeus , grijszwart , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , top oude begraven akker Zand zeer fijn , zwak siltig , matig humeus , donkergrijs , Edelmanboor , Enkele brokjes uit onderliggende laag , bioturbatie , top is zwartgrijs Zand zeer fijn , zwak siltig , lichtgrijs , Edelmanboor , Goed gesorteerd zand , jong dekzand , Cr horizont , reductie Zand zeer fijn , matig siltig , sterk humeus , zwartbruin , Edelmanboor , Begraven Laatglaciale bodem , Ahb horizont Zand zeer fijn , matig siltig , zwak roesthoudend , licht blauwgrijs , Edelmanboor , Cg horizont , gelaagd , lagen zwak siltig zand , oud dekzand , toendra en verwaaiing van zand Zand matig fijn , zwak siltig , zwak roesthoudend , laagjes leem , beigewit , Edelmanboor , Oud dekzand , eolische afzettingen , Zand zeer fijn , sterk siltig , laagjes leem , zwak roesthoudend , licht beigeoranje , Edelmanboor , Oud dekzand
27. 75
0. 50
27. 50 27. 40
Zand matig fijn , zwak siltig , zwak roesthoudend , licht oranjebeige , Edelmanboor , Enkele brokjes zwak humeus zand Zand zeer fijn , matig siltig , matig humeus , donkergrijs , Edelmanboor , Modern Zand matig fijn , zwak siltig , sporen baksteen , licht groengrijs , Edelmanboor , Omgewerkt jong dekzand
1. 00 26. 90
Zand zeer fijn , matig siltig , matig humeus , brokken leem , matig baksteenhoudend , zwak sintelhoudend , zwak puinhoudend , sporen grind , donker bruingrijs , Edelmanboor , Modern opgebracht , niet humeuze brokken omgewerkt oud dekzand , Aa horizont
1. 50
26. 35
Zand zeer fijn , matig siltig , sterk roesthoudend , laagjes leem , licht oranjegrijs , Edelmanboor , Scherpe bovengrens , intact oud dekzand , Cg horizont 2. 00
26. 05
pagina 3 / 3 verticale schaal1: 20
Bijlage 4 Tijdtabel
AA250081.R01v1.0.ARG730
GEONIUS
B(geanonimise rd)
Geologische p= veder Datd ALCheglogische perioden ondeon
ring
Laat
Subatlanticum
1150 na Chr.
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C)
EE
Nieuwe tijd
Middeleeuwen
Vroeg Subatlanticum
AA250081.R01v1.0.ARG730
ERLE
|
Laat
|
GEONIUS
B(geanonimise rd)
56