05c.6 Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O
Tekst van het document
Archeologisch bureauonderzoek en IVOO plangebied Staarterstraat ong. te Sevenum Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O verkennende fase d. m. v. boringen plangebied Staarterstraat ong. te Sevenum gemeente Horst aan de Maas ,
AA250081. R01v1. 0. ARG730 Archeologische Rapporten Geonius 730 16-10-2025
Archeologisch
bureauonderzoek IVO-O
en
plangebied
Staarterstraat ong. te Sevenum Archeologisch bureauonderzoek
en
IVO-O verkennende
fase d.m.v. boringen plangebied Staarterstraat ong. te Sevenum, gemeente Horst
aan
de Maas
AA250081.R01v1.0.ARG730 16 oktober 2025
Bureauonderzoek
Archeologische Rapporten
en
IVO-O
Geonius 730
ISSN 2405-5506
Opdrachtgever Ruimte
voor
Ruimte
Limburg
C.V.
Postbus 5700 6202 MA
MAASTRICHT
versie
Definitief v1.0
Auteurs
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
+31 88 130 06 00
info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Vrijgave Senior KNA
archeoloog
Senior KNA
prospector
AA250081.R01v1.0.ARG730
(geanonimiseerd) nn
2
van
47
(geanonimise rd) GEONIUS
4
Administratieve Opdrachtgever:
Ruimte
gegevens Limburg
Ruimte
voor
C.V.
Postbus 5700 6202 MA MAASTRICHT Uitvoerder:
Archeologie
Geonius
De Asselen 6161
Kuil 10
RD Geleen
(geanonimiseerd) |
Contactpersoon: E:
(geanonimiseerd) BWM egeonius.nl
T: 088-1300600
Bevoegde
overheid:
Gemeente
Horst
aan
de Maas
Wilhelminaplein 6 5961 ES Horst
Contactpersoon:
(geanonimiseerd) |
(geanonimiseerd) BMe
horstaandemaas.nl
E:
(geanonimiseerd) Nn TE
Beheer
en
plaats van
documentatie:
Limburg
en
Provinciaal
aan
de Maas
Depot
Bodemvondsten
te Heerlen
Onderzoekmeldingsnummer:
5829299001
Locatie:
Gemeente:
Horst
Plaats: Sevenum
Toponiem:
Staarterstraat ong.
Kaartbladnummer: x, y-coördinaten:
52D
199.574
Oppervlakte plangebied: Kadastrale gegevens:
Sevenum
R 682
NOaA
Brabants
zandgebied
archeoregio:
Onderzoekskader:
Omgevingsvergunning
Onderzoeksteam:
JG:
/ 380.170 m?
7.334
(senior
Geraeds
KNA-archeoloog
actor
registratienummer 15217832))
(geanonimiseerd) (fysisch geograaf, |
actor
registratienummer
49891398)
(geanonimiseerd) (archeoloog) | Type
onderzoek:
Bureauonderzoek d.m.v.
juli-augustus
Status rapport:
Definitief.
Geonius
een
onderdeel
4002
(Bureauonderzoek),
Groep
B.V.
en
van
4003
Geonius
IVO-O verkennende
2025
Rapport is beoordeeld door bevoegd gezag. voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000
Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd
(Inventariserend veldonderzoek)
en
4004
de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO Prestatieladder niveau 3.
Bronzen
AA250081.R01v1.0.ARG730
fase
boringen
Tijdstip onderzoek:
Geonius Archeologie is
en
riemverdeler uit circa 900
3
van
47
na
NEN-EN-ISO
9001:2015,
NEN-EN-
Chr.
GEONIUS
A
Samenvatting In opdracht van Ruimte voor Ruimte Limburg C. V. heeft Geonius Archeologie in augustus 2025 een archeologisch bureauonderzoek en een IVO-O verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd voor het plangebied Staarterstraat ong. te Sevenum in de gemeente Horst aan de Maas. Aanleiding
het
voor
omgevingsvergunning
uitvoeren van het archeologisch de bouw van een woning.
onderzoek
vormt
de
aanvraag
van
een
voor
Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied op een dekzandwelving met een oud-bouwlanddek ligt welke kan worden toegewezen aan het Laagpakket van Wierden. Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als een vlakvaaggrond. De hoogte van het maaiveld varieert tussen 2776 m en 2852m + NAP. Het plangebied is voor zover kon worden achterhaald in historische tijden voornamelijk in gebruik geweest als bouwland en boomgaard. Hier kwam pas tegen het einde van de 20 ste eeuw verandering in met de bouw van een varkensstal die zeer waarschijnlijk zal zijn voorzien van een gierkelder. Tijdens de tweede wereldoorlog hebben in het plangebied voor zover kon worden achterhaald geen gevechtshandelingen plaatsgevonden. De onderzoekslocatie maakt deel uit van AMK-terrein 16543: de oude dorpskern van Sevenum. Volgens de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachting. Uit de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk vondstlocaties bekend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Uitgaande van de resultaten van het bureauonderzoek is een lage verwachting vastgesteld op het voorkomen van jager-verzamelaars vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting op het voorkomen van landbouw gerelateerde vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd ,
,
,
,
,
Zoals reeds werd verwacht bleek uit het IVO-O dat de bodem sterk is verstoord als gevolg van de bouw en sloop van de voormalige stallen. De verwachte vlakvaaggronden werden niet aangetroffen. Wel werden resten van een enkeerdgrond vastgesteld. De op basis van het bureauonderzoek vastgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kan na het veldonderzoek worden bijgesteld naar laag vanwege de vastgestelde bodemverstoring veroorzaakt door de bouw en sloop van de voormalige stal. Een archeologisch vervolgonderzoek wordt niet aanbevolen.
4 van 44 AA250081. R01v1. 0. ARG730
Inhoud 1
Inleiding
1. 1 1. 2 1. 3
Aanleiding en doelstelling Beleidskader Onderzoeksopzet
2
Bureauonderzoek
2. 1 2. 2 2. 3 2. 4 2. 5 2. 5. 1 2. 5. 2 2. 5. 3 2. 5. 4 2. 6 2. 6. 1 2. 6. 2 2. 6. 3 2. 6. 4 2. 7 2. 7. 1 2. 7. 2 2. 7. 3 2. 7. 4 2. 7. 5 2. 8 2. 8. 1
Algemeen Situering plangebied Huidig gebruik Toekomstige inrichting Aardkundige waarden Geologie en geomorfologie Bodem Actueel Hoogtebestand Nederland Resumé Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische ontwikkeling plangebied Mogelijke verstoringen Ondergrondse bouwhistorische gegevens Resumé Bekende archeologische waarden Archeologische monumentenkaart Archeologische vondstlocaties Archeologische onderzoeksgebieden Gemeentelijke verwachtingskaart/beleidsadvieskaart Resumé Gespecificeerde verwachting Besluit
3
Veldonderzoek
3. 1 3. 1. 1 3. 2 3. 2. 1 3. 2. 2 3. 3 3. 4
Algemeen Veldwerkzaamheden Opbouw en genese van de bodem Lithologische opbouw en vorming van de afzettingen Bodemkundige opbouw en vorming van de bodemlagen Archeologie Synthese
4
Conclusies
8
.. ... ... ... ... ... ... ... .... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
8 9 10 . ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ..
12 12 12 13
. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. .
.. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .
14 14 15 17
19 19 20 22 24 24 24 24 24 25 25 29 29 30 32
. .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .
.. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .
... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...
.. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... ..
. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...
.. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... ..
.. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...
... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. .... ..
. .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...
... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ...
.. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... ..
.. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. .... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... ..
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... .... ... ...
33
. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... ... ... .. ... ..
. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ...
en
aanbevelingen
Conclusies Aanbevelingen Literatuurlijst 4. 1 4. 2
AA250081. R01v1. 0. ARG730
. .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...
.. ... ... ... .... ... ... ... ... ... .
33 33 35 35 37 38 39
41 41
42 43
5 van 47
Gebruikte bronnen Verklarende woordenlijst Gebruikte afkortingen
43 45 47
Bijlagen Bijlage 1 TAM omgevingsplan Bijlage 2 Boorpuntenkaart Bijlage 3 Boorprofielen Bijlage 4 Tijdtabel Afbeeldingenlijst Afbeelding 1: Situering van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). De inzet geeft de situering van het plangebied binnen Nederland weer. Bron: Topografische kaart Nederland 13 Afbeelding 2: Luchtfoto met daarop het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: PDOK 14 Afbeelding 3: Geologische kaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: Geologischekaart. nl 16 Afbeelding 4: Geomorfologische kaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: BRO. 17 Afbeelding 5: Bodemkaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: ARCHIS 3 18 Grondwater 18 Afbeelding 6: Uitsnede uit de AHN van de omgeving rondom het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). De hoogste delen zijn rood/oranje en de laagste blauw/groen. Bron: AHN. 19 Bewoningsgeschiedenis 20 Afbeelding 7: Kadastrale kaart 1811-1831. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: beeldbank RCE 22 Afbeelding 8: Historische kaarten van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader) uit 1899 1937 1970 en 2000. Bron: www. opotijdreis.
nl 23 Afbeelding 9: Uitsnede uit de Archiskaart met hierop onderzoeks- en vondstmeldingen. Daarnaast worden ook de AMK-terreinen weergegeven. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: ARCHIS 3. 28 Afbeelding 10: Uitsnede gemeentelijke beleidskaart Horst aan de Maas. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: hilkensberg. org 29 Jager-verzamelaars 30 Landbouwers 31 Afbeelding 11: Het zuidelijke deel van het plangebied kijkende vanaf de Staarterstraat in westelijke richting (juli 2025). 34 Afbeelding 12: Het noordelijke deel van het plangebied kijkende vanaf de Staartestraat in zuidwestelijke richting (juli 2025). 34 Afbeelding 13: Foto van een oude foto getoond door de opdrachtgever die de stallen toont die tot ongeveer 2003 in het plangebied stonden. Het noorden is rechts. De noordgrens van het ,
,
,
,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
6 van 47
plangebied komt overeen met de noordelijke lange muur van de grootste stal rechts op de foto. De zuidgrens ligt bij de zuidelijke lange muren van de kleine stallen links op de foto. 35 Afbeelding 14: Interpretatie van de boringen. Zie de tekst voor de beschrijving van de onderscheiden pakket. 36 15: De Afbeelding van links naar rechts en van boven naar beneden per ongeveer 10 en 50 centimeter uitgelegde boring 1. De liniaal geeft de schaal aan. 39
Tabellenlijst Tabel 1: grondwatertrappen Tabel 2: overzicht ARCHIS-waarnemeningen Tabel 3: overzicht onderzoeksmeldingen Tabel 4: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel
AA250081. R01v1. 0. ARG730
7 van 47
199 25 25 32
1 Inleiding 1. 1 Aanleiding en doelstelling Op 17 juni 2025 is door Ruimte voor Ruimte Limburg C. V. aan Geonius Archeologie te Geleen opdracht verleend voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor het plangebied Staarterstraat ong. te Sevenum in de gemeente Horst aan de Maas. Aanleiding tot uitvoering van het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. Volgens artikel 22. 35 h van het Omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas dient voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet is bepaald: bij een aanvraag van een omgevingsvergunning een rapport worden verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. ,
,
,
,
Voor het vaststellen van de archeologische waarde van de locatie (plangebied) dient een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Archeologische onderzoeken in het kader van ruimtelijke ingrepen vinden plaats in stappen. Elke stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. In het (archeologische monumentenzorg) AMZ-proces vindt een trechtering plaats van betrekkelijk eenvoudige onderzoeksmethoden in de beginfase naar meer complexe en kostbare werkzaamheden. 1 Op deze wijze wordt in de ruimtelijke ordening het archeologische belang meegewogen via een proportionele inzet van middelen. Het is niet altijd nodig dat alle fasen doorlopen worden; uit een eerdere fase kan blijken dat er geen reden is tot vervolgonderzoek. Ook kunnen verschillende fasen gelijktijdig worden uitgevoerd; een bureauonderzoek in combinatie met een IVO-O. Als uit het vooronderzoek (bureauonderzoek eventueel aangevuld met een IVO-O) blijkt dat er een gerede kans is dat in het plangebied archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen kan de initiatiefnemer hiermee rekening houden.
Hij kan de plannen aanpassen waardoor de mogelijke vindplaatsen behouden blijven of besluiten tot het uitvoeren van een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek of een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) om eventuele vindplaatsen op te sporen en te waarderen. In uitzonderlijke gevallen zoals bij kleine ingrepen in een groot gebied of gebieden in stads- of dorpscentra waar de archeologische waarden pas door sloop van opstallen toegankelijk worden kan een archeologische begeleiding worden uitgevoerd een zogenaamd IVO-P variant archeologische begeleiding. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn kan dit leiden tot een aanpassing van de plannen waardoor de vindplaatsen behouden blijven of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. De kosten die dat met zich meebrengt zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag beoordeelt of de onderzoeken voldoen aan de eisen van wetgeving en (gemeentelijk) beleid. ,
,
,
,
,
,
,
,
De eerste stap in de AMZ cyclus is altijd het uitvoeren van een bureauonderzoek. Het doel van bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting met behulp van informatie van bestaande ,
,
1 Sterk vereenvoudigd kent
de AMZ cyclus vier opeenvolgende en nauw samenhangende fasen. De eerste fase behelst de inventarisatie (bijv. kartering) en documentatie van archeologische waarden: waar in de bodem is wat aanwezig? In de tweede fase wordt aan de hand van een reeks heldere criteria vastgesteld welke waarde de gekarteerde resten hebben , zodat op basis van geëxpliciteerde normen vervolgens een selectie kan worden gemaakt: welke resten verdienen het behouden te worden (in of ex situ) en welke mogen ongezien verloren gaan? In de derde fase wordt het behoud vormgegeven van de gewaardeerde en geselecteerde resten: is het mogelijk om de archeologische resten in de bodem te behouden of moeten ze – bijvoorbeeld onder druk van ruimtelijke ontwikkelingen - opgegraven worden? In het eerste geval moet worden vastgesteld hoe bescherming in situ (instandhouding) wordt vormgegeven , in het tweede geval hoe de opgraving moet worden uitgevoerd en uitgewerkt. In de vierde en laatste fase van de AMZ-cyclus worden tenslotte de resultaten van het uitgevoerde onderzoek 'opgewerkt' tot nieuwe kennis over de Nederlandse geschiedenis. Deze kennis op haar beurt vormt weer de inbreng voor de eerste procesfase.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
8 van 47
bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied zowel onder als boven water. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan kan het bevoegd gezag een beslissing nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. ,
Onderhavig onderzoek betreft een bureauonderzoek dat is aangevuld met een Inventariserend Veldonderzoek (IVO). Een IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan of afwezigheid de aard de omvang de datering de gaafheid de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het IVO kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuven (IVO-P) waarbij veldwerk o. a. bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en proefputten of als een IVO-Overig (IVO-O) waarbij het veldwerk kan bestaan uit kartering boringen profielputjes of geofysisch onderzoek. Onderhavig IVO bestaat uit een IVOO verkennende fase door middel van boringen ook wel aangeduid als verkennend booronderzoek. Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het resultaat van een IVO is een standaardrapport IVO-P of IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn kunnen deze niet opgesteld worden.
Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Een IVO kent drie fasen waarbij het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen: een verkennende een karterende en een waarderende fase: De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
en/of sporen. Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard omvang datering gaafheid conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. ,
,
,
,
1. 2 Beleidskader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. De doelstellingen van dit verdrag zijn verankerd in de Erfgoedwet (sinds 1 juli 2016) en in de Omgevingswet (sinds 1 januari 2024). In de Erfgoedwet is roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten opgenomen. In de Omgevingswet is de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving opgenomen. Met de invoering van de Omgevingswet is tevens het omgevingsplan ingevoerd waarbij iedere gemeente één omgevingsplan heeft. Hierin zijn de gemeentelijke regels opgenomen voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan dat op 1 januari 2024 van rechtswege is ontstaan bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om alle regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Voor zolang er geen nieuw omgevingsplan is opgesteld dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet gelden de regels zoals opgenomen in de bestemmingsplannen en archeologieverordeningen.
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
9 van 47
De gemeente Horst aan de Maas beschikt nog niet over een nieuw omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Derhalve gelden de regels zoals opgenomen in de bestemmingsplannen en gemeentelijke verordeningen. Aangezien de gemeente Horst aan de Maas nog geen omgevingsplan heeft dat aan alle eisen van de Omgevingswet voldoet gelden de regels zoals opgenomen in het Bestemmingsplan buitengebied Horst aan de Maas. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied 'Waarde - Archeologie 2'. Zodoende geldt er een onderzoeksplicht bij voorgenomen werkzaamheden die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 30 cm de grond beroeren. Ervan uitgaande dat de gestelde ondergrenzen worden overschreden dient een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. ,
1. 3 Onderzoeksopzet Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 en het IVO-O conform protocol 4003. Beide protocollen maken deel uit van de beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000 versie 4. 2. 2 De BRL 4000 is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4. 2 die beheerd wordt door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). 3 Het eindverslag van het bureauonderzoek en het IVO-O is vastgelegd in onderhavig rapport dat voldoet aan de eisen zoals opgenomen in protocol 4002: LS06 opstellen standaardrapport bureauonderzoek 4 en aan de eisen zoals opgenomen in protocol 4003: VS05 opstellen standaardrapport IVO-O. 5 Ten behoeve van het IVO-O is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld waarin een gedetailleerd werkplan van de te volgen werkwijze is opgenomen. In het PvA zijn onderstaande onderzoeksvragen opgenomen. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om deze te kunnen beantwoorden. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 2. Wat was het historisch landgebruik van het plangebied wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? 3.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? 4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek? 5. Komt het middels het IVO-O vastgestelde bodemtype overeen met hetgeen op basis van het bureauonderzoek werd verwacht? 6. Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een intacte bodemopbouw vanaf welke diepte t. o. v. het maaiveld kunnen archeologische waarden dan worden verwacht? Is er sprake van meerdere archeologische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Zo ja op welke diepte t. o. v. maaiveld bevinden deze zich? 7. Indien er in (delen van) het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw tot welke diepte t. o. v. maaiveld is deze verstoord en wat zegt dit over de gaafheid van eventueel aanwezige archeologische waarden? ,
,
2 de BRL 4000 versie 4. 2 3 www. sikb. nl 4 https://www.
is vastgesteld op 14-03-2022 door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en geldig vanaf 1 april 2024.
sikb. nl/doc/BRL4000/Protocol%204002%20Bureauonderzoek%204_2. pdf
5 https://www. sikb. nl/doc/BRL4000/Protocol%204002%20Bureauonderzoek%204_2. pdf
AA250081. R01v1. 0. ARG730
10 van 47
8.
Kan de gespecificeerde verwachting zoals geformuleerd in het archeologisch bureauonderzoek aan de hand van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van boringen worden gehandhaafd of dient deze (in delen van het plangebied) worden bijgesteld? Zo ja waaruit bestaat de bijstelling en
waarom? 9. Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden? 10. Is in het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja welke onderzoeksmethode wordt aanbevolen?
Leeswijzer In navolging op hoofdstuk 1 het inleidend hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de resultaten van het bureauonderzoek vermeld op basis waarvan de gespecificeerde verwachting is bepaald. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het veldwerk gepresenteerd en getoetst aan het verwachtingsmodel. In hoofdstuk 4 worden de conclusies en aanbevelingen geformuleerd. ,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
11 van 47
2 Bureauonderzoek 2. 1 Algemeen Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het bureau onderzoeksgebied om daarmee te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied. Met de afbakening van het bureau onderzoeksgebied wordt het gebied aangeduid waarvan de gegevens over de historische situatie bekende archeologische waarden en verwachtingen gebruikt gaan worden in het bureauonderzoek. Dit gebied kan groter zijn dan het plangebied. Voor onderhavig onderzoek is een straal van circa 500 m om het plangebied aangehouden als bureau onderzoeksgebied. Dit gebied sluit bodemkundig geomorfologisch en cultuurhistorisch aan bij het plangebied zodat op een verantwoorde manier het verwachtingsmodel kan worden bepaald. ,
,
,
,
,
,
,
,
Conform protocol 4002 van de BRL SIKB 4000 zijn in het kader van het bureauonderzoek de volgende werkzaamheden uitgevoerd: LS01 Afbakenen onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik. Producten: Topografische kaart of tekst met begrenzing van het geografische plangebied; Topografische kaart of tekst met de begrenzing van het onderzoeksgebied; Kaart of tekst over het mogelijk toekomstig gebruik; LS02 Beschrijven huidig gebruik. Product: Tekst en/of kaart van het plangebied met exacte gegevens over de huidige situatie van het terrein met legenda en toelichting. ; LS03 Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen. Product: Tekst en/of kaart van het plan- en onderzoeksgebied met bekende gegevens over de Historische situatie met legenda en toelichting. LS04 Beschrijven bekende archeologische ondergrondse bouwhistorische en aardwetenschappelijke waarden. Producten: Kaart of tekst met bekende archeologische waarden; Kaart of tekst met bekende bouwhistorische waarden; Kaart of tekst met aardwetenschappelijke gegevens. LS05 Opstellen gespecificeerde verwachting. Product: Tekst en indien noodzakelijk verwachtingskaart met toelichting over verwachte archeologische waarden of potenties als onderdeel van het standaardrapport. ,
,
,
,
2. 2 Situering plangebied Het plangebied zelf ligt in het westen van Sevenum en maakt deel uit van de gemeente Horst aan de Maas provincie Limburg. Het plangebied staat afgebeeld op kaartblad 52D van de Topografische kaart van Nederland. Het plangebied ligt aan de Staarterstraat en heeft een omvang van 7. 334 m². De omvang van het onderzoeksgebied betreft 2. 939 m² (Afbeelding 1).
AA250081. R01v1. 0. ARG730
12 van 47
,
Afbeelding 1: Situering van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). De inzet geeft de situering van het plangebied binnen Nederland weer. Bron: Topografische kaart Nederland
2. 3 Huidig gebruik Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek) is het van belang de huidige situatie vast te stellen. Bodemverontreiniging gebruik bebouwing maar ook de aanwezigheid van bijvoorbeeld een hoogspanningsleiding kunnen de onderzoeksstrategie van vervolgactiviteiten (mede) bepalen. Daarnaast kan dit medebepalend zijn voor de archeologische verwachting. 6
,
,
,
Het terrein doet momenteel dienst als weiland en is dus onbebouwd (Afbeelding 2). In het oosten grenst het plangebied aan de Staarterstraat. Ten noorden ligt het perceel van Schutterij Sint Sebastianus. Zuidwaarts bevindt zich de boerderij met bijbehorende bebouwing.
6 KNA
versie 4.2 , Protocol 4002.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
13 van 47
Afbeelding 2: Luchtfoto met daarop het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: PDOK
2. 4 Toekomstige inrichting Het mogelijk toekomstig gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het eventuele navolgende onderzoek (inventariserend veldonderzoek fysiek beschermen of opgraven). De wijze waarop het gebied wordt ingericht kan bijvoorbeeld betekenen dat bekende en/of verwachte archeologische waarden (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting dusdanig aan te passen dat de bekende en/of verwachte archeologische waarden alsnog (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven. 7 ,
,
,
In het plangebied zal een nieuwbouwwoning worden gerealiseerd. De exacte ingrepen waren ten tijde van het opstellen van onderhavig rapport nog niet bekend. Ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden kunnen archeologische waarden worden vernietigd dan wel verstoord.
2. 5 Aardkundige waarden Kennis van de geologie bodem en hydrologie van het onderzoeksgebied is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de gebruiksmogelijkheden van het landschap voor de mens. De geraadpleegde aardkundige gegevens dienen te leiden tot een helder en consistent verhaal aan de hand waarvan uitspraken kunnen worden gedaan over de gebruiksmogelijkheden van het landschap door de mens in verschillende relevante perioden en voor verschillende relevante activiteiten. 8 ,
7 KNA
8 KNA
versie 4.2 , Protocol 4002. versie 4.2 , Protocol 4002.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
14 van 47
2. 5. 1
Geologie en geomorfologie
De ondergrond ter hoogte van het plangebied wordt gevormd door afzettingen van de Maas welke worden gerekend tot de Formatie van Beegden. De basis van het huidige landschap in de omgeving van het plangebied is voornamelijk gevormd vanaf het Midden Pleistoceen (ca. 700. 000-120. 000 jaar geleden). In het begin van het Midden Pleistoceen stroomde de Maas nog ten westen van de Peelhorst. In de loop van het Midden Pleistoceen vormde de Maas een dal dwars over de Peelhorst. In dit dal heeft de Maas vele grinden en zanden afgezet die tot de Formatie van Veghel behoren. Door de opheffing van de Peelhorst (waarbij de opheffing in het westelijke deel van de horst groter was dan in het oostelijke deel) gleed de rivier verder oostwaarts in de Slenk van Venlo. Deze verplaatsing vond plaats in etappes waarbij gedurende koude perioden de Maas een wilde vlechtende rivier was die grindige afzettingen achterliet. Gedurende warmere perioden veranderde de Maas in een langzaam stromende meanderende rivier met een diepe stroomgordel. Tijdens deze warmere fases sneed de Maas zich in de bodem in om vervolgens in de volgende koudere en warmere periodes dit proces te herhalen. Vanwege de verplaatsing van de Maas van west naar oost ontstond een terrassenlandschap. 9
,
,
,
,
,
Bepalend voor het huidige landschap zijn de periglaciale en eolische afzettingen (Formatie van Twente) uit het Laat Pleistoceen (ca. 130. 000-10. 000 jaar geleden). Tijdens de glaciale perioden was het klimaat kouder en droger dan tegenwoordig en de bodem permanent tot grote diepte bevroren (permafrost). Het smeltwater dat veel verspoeld materiaal meevoerde werd in de lagergelegen gebieden afgezet. Deze fluvioperiglaciale afzettingen bestaan uit zandlagen met ingesloten leemlagen. Aan het einde van het Weichselien (ca. 120. 000-10. 000 jaar geleden) kreeg in het schaars begroeide landschap de wind gemakkelijk vat op de ondergrond. Hierdoor werden grote hoeveelheden zand verplaatst die de oudere afzettingen afdekken. 10 Het verstoven zand werd onder meer in Noord-Brabant en midden en noord- Limburg afgezet en wordt aangeduid als het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Volgens de Geologische kaart is het plangebied in dit specifieke laagpakket gesitueerd (Afbeelding 3). Afzettingen van het Laagpakket van Wierden worden over het algemeen als dekzand aangeduid. ,
9 Keijers 2024. 10 Keijers 2024.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
15 van 47
Afbeelding 3: Geologische kaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: Geologischekaart. nl
Op de geomorfologische kaart is te zien dat het plangebied op een dekzandwelving (3L51) ligt dat bedekt is met een oud-bouwlanddek (yc). Dit is ook het geval voor het omringende gebied. Ongeveer 18 kilometer ten westen van het plangebied komen landduinen voor. Deze zijn door de wind opgeworpen stuifzand tot stand gekomen tijdens het Weichselien en omvatten ook de daartussen gelegen geërodeerde laagten en vlakten. 11 Desbetreffende stuifzandlandschappen zijn in belangrijke mate het resultaat van menselijk ingrijpen. Vanaf de Steentijd werden delen van de zandgronden geleidelijk ontbost en in gebruik genomen voor landbouwactiviteiten. De oorspronkelijke bosvegetatie maakte plaats voor akkers die na uitputting van de bodem vaak transformeerden tot heidevelden die werden begraasd door schapen. Zodoende werd de vegetatie aangetast waardoor plaatselijk zandverstuivingen konden optreden. Dit gebeurde met name of locaties waar fijnzandig dekzand aan de oppervlakte lag. 12 Zowel 700 meter noordwaarts als 12 kilometer zuidwaarts komen beekdalbodems voor. ,
,
,
,
11 Kloosterhuis 1975. ; legendageomorfologie. wur. nl 12 Stitching voor Bodemkartering 1975; kennis. cultureelerfgoed. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
16 van 47
Afbeelding 4: Geomorfologische kaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: BRO.
2. 5. 2
Bodem
Volgens de bodemkaart komen in het plangebied vlakvaaggronden met lemig fijn zand (Zn23) voor (Afbeelding 5). Het betreft kalkarme zandgronden die hun oorspronkelijke bodemprofiel zijn verloren door bewerking. De oorspronkelijke Al-horizont is vermengd met humusarm Cl-materiaal voorkomend tot op sterk variërende dieptes. 13 Deze gronden zijn voornamelijk gevormd gedurende het Holoceen. 14 Bijkomend grenst het plangebied direct aan hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23). Dit zijn oude bouwlanden die vanaf de Late Middeleeuwen (ca. 1300 na Chr. ) in diverse delen van het pleistocene zandgebied van Nederland zijn ontstaan. De vruchtbaarheid van akkers op de zandgronden werd bevorderd door bemesting met onder andere plaggen en afval. Door eeuwenlange bemesting ontstonden vaak eerst op de hogere delen van het landschap zoals de dekzandruggen akkers met een dik humeus dek (hoge enkeerdgronden). De humus houdende laag van deze gronden varieert in dikte van 50 tot 110 cm; in enkele gevallen is de laag dikker dan 120 cm. Op diverse plaatsen komt in de sterk of zeer sterk lemige ondergrond een moderpodzol-B of een humuspodzol-B van 10 à 20 cm dikte voor. Vaak rust het humushoudende dek echter direct op meer of minder roestig C-materiaal. 15 ,
,
13 Dekkers en Van der Hurk 1979. 14 Bles en Steeghs 1974. 15 Augustin en Keijers 2024.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
17 van 47
Afbeelding 5: Bodemkaart van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron: ARCHIS 3
Grondwater Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (Tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoen variatie in de grondwaterstanden. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VIII (van respectievelijk extreem nat tot extreem droog). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In droge bodems wordt onverbrand organisch materiaal slecht bewaard gebleven als gevolg van oxidatie. Anorganische resten en verbande organische resten kunnen wel goed geconserveerd zijn gebleven. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen organische archeologische resten wel goed geconserveerd worden aangetroffen. ,
Binnen het plangebied komt grondwatertrap VI voor. Dit wijst wederom op de geschiktheid van het plangebied als bouwland zoals ook blijkt uit de waarschijnlijke ligging op het dekzand. ,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
18 van 47
Tabel 1: Grondwatertrappen.
Grondwatertrap GHG in cm beneden maaiveld GLG in cm beneden maaiveld
2. 5. 3
I
II
III
VI
VII
VIII
-
< 40
IV 40-80
V
-
< 40
> 40
> 80
> 140
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
> 120
> 160
Actueel Hoogtebestand Nederland
Op de uitsnede van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) is te zien dat vergeleken met de omringende omgeving het plangebied op een overgangslocatie lijkt te liggen van hoog naar laag (Afbeelding 6). Westwaarts wordt de dekzandwelving hoger (rood) terwijl de gebieden richting noorden oosten en zuiden die zich volgens de geomorfologische kaart in de beekdalbodems bevinden lager liggen (groen/blauw). Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plangebied op het oostelijke einde van de dekzandwelving ligt. Binnen de onderzoekslocatie zelf blijft de hoogte vrijwel egaal met 2776 m +NAP in het zuiden en 2852 m +NAP in het zuiden. ,
,
,
,
,
,
,
,
Afbeelding 6: Uitsnede uit de AHN van de omgeving rondom het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). De hoogste delen zijn rood/oranje en de laagste blauw/groen. Bron: AHN.
2. 5. 4
Resumé
Het plangebied is gesitueerd op de oostelijke grens van een dekzandwelving (3Ll51yc) behorende tot het Laagpakket van Wierden. Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als een vlakvaaggrond (Zn23). De hoogte van het maaiveld varieert tussen 2776 m en 2852m + NAP. Naar verwachting kunnen archeologische waarden vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Vanwege de aanwezigheid van een oud-bouwlanddek (yc) kunnen deze bestaan uit resten vanaf de Late Middeleeuwen. Onder deze laag kunnen nog archeologische waarden van voor deze periode worden aangetroffen. ,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
,
19 van 47
2. 6 Historische situatie en mogelijke verstoringen Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing (bijvoorbeeld scheepswerven) mogelijke vaarwegen en/of subrecent gebruik waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen stortingen en verhardingen). Belangrijk is niet alleen te vermelden welke informatiebronnen zijn gebruikt maar ook welke niet zijn gebruikt. 16 ,
,
,
,
Bewoningsgeschiedenis De oudste menselijke activiteiten in Nederland dateren uit het Paleolithicum. In het Laat-Paleolithicum Mesolithicum en deels het Neolithicum leefden de bewoners van jagen/verzamelen en visvangst. De jagerverzamelaars trokken door het landschap met name achter het wild aan. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven zogenaamde extractiekampen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze kampen voornamelijk worden aangetroffen in de omgeving van water op overgang van hoog en droog naar laag en nat de zogenaamde gradiënt situatie. In de omgeving van water was namelijk de grootste kans op het aantreffen van wild kon eventueel worden gevist en konden vruchten worden verzameld (met name hazelaars gedijen goed in deze omgeving). Tevens voorzag het water aan de drinkwater behoefte. De meeste kans op het aantreffen van nederzettingen uit de steentijd is dan ook in de buurt van water. Landbouw en daarmee het Neolithicum begon in Nederland ongeveer 5300 voor Chr. op de Zuid-Limburgse lössgronden. De mensen waren gebonden aan vaste woonplaatsen met als gevolg dat ze het landschap gingen inrichten. Uit het Neolithicum stammen ook de oudste zichtbare landschapselementen namelijk de Neolithische grafheuvels.
De boeren bewerkten kleine akkers te midden van uitgestrekte bossen waarbij het vee in een stal of binnen een omheining werd gehouden een systeem dat tot in de Bronstijd werd toegepast. Neolithische vondsten zijn geconcentreerd in de omgeving van de Maas en de belangrijkste waterlopen. Deze gebieden hebben nadien hun favoriete positie door de prehistorie en de geschiedenis heen behouden. In de IJzertijd werd een ander akkersysteem gehanteerd dat wordt aangeduid als het zogenaamde Celtic Fields systeem: kleine ongeveer vierkante percelen die door wallen waren omgeven. De duidelijkste zichtbare sporen uit de late prehistorie zijn eveneens grafheuvels. Hoewel dergelijke structuren niet uit de omgeving van het plangebied bekend zijn is er 100 meter oostwaarts een onbekend complextype aangetroffen daterende tussen de Bronstijd en IJzertijd. 17
,
,
,
,
,
,
Met de komst van de Romeinen vond een ingrijpende verandering in de samenleving plaats. De belangrijkste economische ontwikkeling was de introductie van villa’s grote agrarische bedrijven (50-100 ha). Sommige villa’s ontwikkelden zich uit omheinde inheemse nederzettingen. Het grootste deel van de bevolking bleef wonen in traditionele boerderijen en was meer gericht op zelfvoorziening. De omvang van nederzettingen zal net als later hebben gevarieerd van een enkele boerderij tot een dorp. Vanaf de eerste eeuw na Chr. lijkt zich echter een concentratie van de bevolking in grotere nederzettingen te hebben voorgedaan. Buiten de woonkernen vaak aan wegen lagen de begraafplaatsen. Het dichtstbijzijnde Romeinse grafveld ligt in gebied Zaarderheiken ongeveer 65 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. 18 Dichterbij het plangebied aan de Brouwertsraat te Sevenum is een onbekend Romeins complex blootgelegd. Daarbij werden ook diverse bronzen munten aangetroffen. 19 De meeste villa’s zijn gevonden in een smalle strook aan weerszijden van de Maas. De grotere ,
,
,
,
,
,
,
16 KNA versie 4.2 , Protocol 4002. 17 www. archis. cultureelerfgoed. nl 18 www. archis. cultureelerfgoed. nl 19 www. archis. cultureelerfgoed. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
20 van 47
nederzettingen waren met elkaar verbonden door brede rechte wegen van waaruit lokale wegen richting de villa’s leiden. Een aantal plaatsen in Limburg zijn nog terug te voeren tot de Romeinse tijd. Het vertrek van de Romeinen in het begin van de 5 de eeuw leidde tot een economische instorting die een eind maakte aan de villa’s. Met het vertrek van de legioenen lijkt ook een belangrijk deel van de inheemse bevolking naar zuidelijker streken te zijn geëmigreerd waarmee de bevolkingsomvang in het huidige Nederland rond de 5 de en 6 de eeuw een dieptepunt bereikte. Pollenanalytische gegevens wijzen op verlaten cultuurlandschap en uitbreiding van bossen. Uit deze periode zijn maar weinig nederzettingen en grafvelden ontdekt. Aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit tussen de Romeinse periode en de Vroege-Middeleeuwen concentreren zich langs de randen van het Maasdal. In de Merovingische tijd begon een langzaam herstel. De bevolking groeide weer nederzettingen en cultuurland werden uitgebreid. Kenmerkend voor de Vroege Middeleeuwen is de grote dynamiek van het nederzettingspatroon met nederzettingen die regelmatig werden verplaatst. Net als in de Romeinse tijd waren nederzettingen en begraafplaatsen ruimtelijk gescheiden. Vanaf de Karolingische periode lijkt de grootste dynamiek voorbij en kregen nederzettingen een vaste locatie.
Van de vroegmiddeleeuwse landbouw in midden en Noord-Limburg is vrijwel niets bekend. Verondersteld wordt dat er net als in Zuid-Limburg in Midden- en Noord-Limburg sprake was van het domaniale stelsel: een bedrijfstype waarbij het land van grootgrondbezitters werd bewerkt door onvrijen (horigen) die in ruil voor hun arbeid een stuk land kregen waarmee ze in hun onderhoud konden voorzien. Het stelsel was gebaseerd op betaling in natura. Met name door het grootgrondbezit wordt het ontstaan van de dorpen verklaard die ontstonden in de directe omgeving van grondheerlijke centra. Ook kerkstichtingen zullen stimulerend hebben gewerkt op de dorpsvorming. In de 8 e tot de 10 e eeuw lijken de nederzettingen een vaste locatie te hebben gekregen en ontstonden mogelijk ook de eerste grotere agrarische dorpen en de velden. 20 De grondslagen voor het huidige cultuurlandschap zijn dan ook in de Vroege Middeleeuwen gelegd. 21 De Volle en Late Middeleeuwen (1000-1500) zijn van groot belang geweest voor het cultuurlandschap. In de grote ontginningsperiode van de 10 e tot het begin van de 14 de eeuw als gevolg van de toename van de bevolkingsomvang werd de basis gelegd voor een belangrijk deel van het huidige cultuurlandschap. Tussen de 10 de eeuw en het begin van de 14 de eeuw groeide het aantal nederzettingen als ook het cultuurland.
De oudst bewaard gebleven melding van Sevenum betreft een document uit de mid-14 de eeuw. In de omgeving van het plangebied zijn de Late Middeleeuwen archeologisch vertegenwoordigd door verschillende bewoningsporen aan de Beatrixstraat. In deze periode ontstonden ook de meeste steden. De toenemende ontginningen leidden tot een sterke inkrimping van de weidegronden waardoor een tekort ontstond aan weidegronden. Als gevolg werden de moerasbossen in de beekdalen omgezet in graslanden. De moerasbossen werden gekapt en ontwateringssloten werden gegraven. In de tweede helft van de 14 de eeuw namen de ontginningen af ten gevolge van een bevolkingsdaling. In de 15 de eeuw volgden dan weer nieuwe minder grootschalige ontginningen. ,
,
,
,
,
,
De Nieuwe tijd (1500-1795) was een dynamische periode waarin de bevolking groeide het aantal nederzettingen als ook het cultuurlandschap werd uitgebreid en het bodemgebruik veranderde. Hierdoor heeft het cultuurlandschap op veel plaatsen een grote dynamiek gekend waarbij bijvoorbeeld nederzettingsvormen kavelvormen en opgaande begroeiing in de loop der tijd ingrijpend kunnen zijn veranderd. Waarschijnlijk werd in Sevenum in deze periode het kasteel De Donck gebouwd. Er wordt echter gesuggereerd dat het kasteel mogelijk al tot de Late Middeleeuwen dateert. 22 ,
20 Er is sprake van een
,
veld wanneer aan de volgende drie essentiële kenmerken wordt voldaan: 1; er zijn verschillende eigenaren en/of gebruikers , 2; visuele openheid en 3; het gebruik van bouwland met de nadruk op graanteelt. 21 Renes , 1999. 22 www. hephorst. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
21 van 47
2. 6. 1
Historische ontwikkeling plangebied
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg (Atlas Limburg) 23 zijn over het plangebied gegevens bekend.
geen
Volgens het kadastrale minuutplan van 1811-1832 (Afbeelding 7) is de omgeving van het plangebied enigszins veranderd. De onderzoekslocatie was voornamelijk in gebruik als bouwland en boomgaard. 24 Terwijl het terrein een dergelijk rustiek karakter heeft behouden heeft de verdere omgeving een zekere mate van urbane ontwikkeling doorgemaakt. In de vroege 19 de eeuw was er al enige bebouwing in het plangebied aanwezig. Mogelijk was dit de voorloper van de boerderij en bijgebouwen die hedendaags op het terrein liggen. De aangrenzende Staarterstraat bestond ook al en droeg toentertijd dezelfde naam. ,
Afbeelding 7: Kadastrale kaart 1811-1831. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: beeldbank RCE
Volgens kaarten van omstreeks 1899 (Afbeelding 8) is het gebruik van het plangebied sinds het eerste deel van de 19 de eeuw vrijwel niet veranderd. Dezelfde bebouwing is nog steeds aanwezig en de rest van de onderzoekslocatie doet nog steeds dienst als bouwland en boomgaard. Op verscheidene omringende percelen is de bebouwing toegenomen. Dat laatste heeft zich herhaald op de kaart van 1937. Binnen het plangebied zelf lijken er echter geen veranderingen te hebben plaatsgevonden. Hoewel dertig jaar later de bebouwing is toegenomen blijft het overige land op de onderzoekslocatie nog steeds onbebouwd. Pas rond de millenniumwisseling lijkt een groter deel van het plangebied bebouwd. De grote structuur zichtbaar op de historische kaart betreft een stal welke er tegenwoordig echter niet meer staat. De stal zal naar alle ,
,
23 https://portal. prvlimburg. nl/viewer/app/default 24 www. beeldbank. cultureelerfgoed. nl
AA250081. R01v1. 0. ARG730
22 van 47
waarschijnlijkheid voorzien zijn geweest zal hebben beslagen.
van een gierkelder
die waarschijnlijk de gehele oppervlakte van de stal
Afbeelding 8: Historische kaarten van het plangebied (rood kader) en onderzoeksgebied (blauw kader) uit 1899 , 1937 , 1970 en 2000. Bron: www. opotijdreis. nl
Tweede Wereldoorlog Uit het verliesregister is gebleken dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog een Junkers 52 en een Hawker Typhoon zijn neergestort. De Hawker kwam neer bij de Kevelaersdijk. Van de Junker is het echter niet duidelijk waar deze is neergekomen. 25 Binnen het werk van Van Blankenstein zijn geen gegevens bekend over enige oorlogsvernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in of nabij het plangebied. 26
25 Auwerda en Grimm , 2008. ; www. oorlogsbronnen. nl 26 Van
Blankenstein 2006.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
23 van 47
2. 6. 2
Mogelijke verstoringen
Uit de hierboven vermelde bronnen zijn aanwijzingen voor verstoringen naar voren gekomen. De constructie van de stal in het plangebied rond het jaar 2000 heeft hoogstwaarschijnlijk diep-reikende verstoringen veroorzaakt aangezien deze normaliter voorzien zal zijn geweest van een gierkelder. Bij het bodemloket zijn geen aanwijzingen voor verstorende saneringen bekend. 27 Volgens de Klic-melding van 24 juni 2025 zijn in het gebied geen kabels en leidingen bekend. 28
2. 6. 3
Ondergrondse bouwhistorische gegevens
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek) is het van belang de bekende ondergrondse bouwhistorische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Hiertoe is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. 29 Hierbij zijn geen aanvullende gegevens verzameld. ,
Uit de historische ontwikkeling van het plangebied kan geconcludeerd worden dat het plangebied tot eind 20 e eeuw onbebouwd is geweest. Ondergrondse bouwhistorische gegevens worden daarom niet verwacht.
2. 6. 4
Resumé
Het plangebied is voor zover kon worden achterhaald in historische tijden niet bebouwd geweest en in gebruik geweest als bouwland en boomgaard. Eind 20 ste eeuw verscheen de eerste bebouwing in het plangebied. De bebouwing die eind 20 ste eeuw in het plangebied verscheen betrof een stal. De bouw van deze constructie zal naar verwachting diep-reikende bodemverstoringen verstoringen en daarmee verstoring van het bodemarchief hebben veroorzaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben in het plangebied voor zover kon worden achterhaald geen gevechtshandelingen plaatsgevonden.
2. 7 Bekende archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden te beschrijven. Kennis daaromtrent bepaalt mede de onderzoeksstrategie van vervolgactiviteiten. 30 In de volgende paragrafen worden daarom relevante gegevens uit de AMK Archis en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart beschreven. ,
2. 7. 1
Archeologische monumentenkaart
De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Sinds 2014 is dit een statische kaart die niet meer wordt bijgewerkt. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit zeldzaamheid en contextwaarde). Het plangebied maakt deel uit van AMK-terrein 16543. Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde namelijk de oude dorpskern van Sevenum. In een straal van 500 meter bevindt zich AMK-terrein 16544 tevens een gebied van hoge archeologische waarde aangezien het om de oude bebouwing van Steeg gaat. ,
,
,
27 www. bodemloket. nl 28 KLIC-melding. 29 www. atlasleefomgeving. nl 30 KNA versie 4.2 , Protocol 4002.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
24 van 47
2. 7. 2
Archeologische vondstlocaties
ARCHIS is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd. In ARCHIS staat geen vondstlocatie geregistreerd binnen de begrenzing van het plangebied. Uit de directe nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 500 meter) zijn zes vondstlocaties bekend. ,
Tabel 2: Overzicht ARCHIS-vondstmeldingen
Zaakidentificatie
Afstand t. o. v. plangebied [m]
Datering
Aard van de melding
nr.
5157898100
25 ten westen
LNEO-ME
2442599100
130 ten noordoosten
LME-NT
Actueel hoogtemodel door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2022. Mogelijk grafveld gevonden via Algemene Hoogte kaart Nederland door Heemkundevereniging Sevenum. Nader onderzoek nodig voor betere datering. Archeologische opgraving door ADC ArcheoProjecten in 2014. Gedraaid keramiek paalgaten/kuilen kuilen greppels/ sloten en akkers/ tuinen aangetroffen. ,
,
4755984100
106 ten oosten
LBRONS-ME
,
Archeologische opgraving door RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2019. Ondetermineerbaar natuursteen handgevormd aardewerk (LBRONS-IJZ) paalgaten/kuilen (BRONS-IJZ) en onbekend gebouw (BRONS-IJZ) aangetroffen. ,
4755984100
126 ten oosten
LME-NT
Archeologische opgraving door RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2019. Onbekend gebouw paalgaten/kuilen maalstenen spijker en keramiek (Andenne roodbakkend geglazuurd en grijsbakkend handgevormd) aangetroffen. ,
,
,
,
4755984100
148 ten oosten
LME-NT
Archeologische opgraving door RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2019. Greppel/sloot en paalgaten/kuilen aangetroffen.
2859311100
374 ten zuidoosten
ROM
Niet-archeologisch graafwerk door particulier in 1992. Bronze munten en onbekend complextype aangetroffen.
Archeologische onderzoeksgebieden
2. 7. 3 In een
straal van circa 500 meter van het plangebied zijn 11 onderzoeksmeldingen bekend.
Tabel 3: Overzicht onderzoeksmeldingen
Zaakidentificatie
Afstand t. o. v. plangebied [m]
Uitvoerder
Aard en resultaten van het onderzoek
nr.
2269112100
11 ten oosten
ADC ArcheoProjecten
Archeologische boring 2010. Verwachting: archeologische resten uit alle perioden. 22 boringen gezet. Resultaat: ondergrond hele plangebied bestaat uit dekzand. Oude akkerlaag in oostelijke helft plangebied. In westen
AA250081. R01v1. 0. ARG730
25 van 47
,
Zaakidentificatie nr.
Afstand t. o. v. plangebied [m]
Uitvoerder
Aard en resultaten van het onderzoek baksteenresten aangetroffen in humushoudende bovengrond. Advies: inventariserend veldonderzoek d. m. v. proefsleuven (IVO-P) in oostelijke helft plangebied. Geen vervolgonderzoek nodig in resterende deel plangebied.
4755984100
64 ten oosten
RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologische opgraving 2019. Archeologische resten bestaan uit twee vindplaatsen en een off site-fenomeen. Vindplaats 1: gebouw late prehistorie. Vindplaats 2: 12 de -eeuws erf met gebouw waarschijnlijk boerenbedrijf. Wetenschappelijke informatie van plangebied ex situ bewaard. Advies: vrijgeven plangebied. Archeologische proefsleuven 2013. Geen rapportage of documentatie beschikbaar ten gevolge van faillissement Archeodienst. ,
2422478100
75 ten oosten
Archeodienst Gelderland BV
2442599100
82 ten oosten
ADC ArcheoProjecten
Archeologische opgraving 2014. Vooronderzoek: drie mogelijke vindplaatsen. Vindplaatsen d. m. v. opgraving ex situ te bewaren. Aantal (laat) middeleeuwse en Nieuwe Tijd perceelsgreppels kuilen en paalkuilen aangetroffen. Echter geen structuren met eventueel verband tot nederzetting. Verder groot aantal natuurlijke en recente verstoringen aangetroffen. Behaalde resultaten uit eerste fase maakte het niet noodzakelijk om de tweede fase uit te voeren. Archeologische boring 2017. Archeologische verwachting: hoog voor BRONS – VME middelhoog voor LME-NT. Advies: vervolgonderzoek voorafgaand aan bodemingrepen mogelijke archeologische begeleiding of proefsleuvenonderzoek. In eerste instantie gericht op onbebouwde delen plangebied. ,
4038996100
349 ten oosten
Aeres Milieu
,
,
2288301100
151 ten zuidwesten
Econsultancy BV
Archeologisch bureauonderzoek 2010. Doordat oorspronkelijke bodemprofiel tot 60 80 cm is vergraven conclusie dat archeologisch niveau direct onder bouwvoor waarschijnlijk grotendeels is verstoord. Advies: geringe kans op intacte archeologische waarden - onderzoekslocatie vrijgeven. Archeologische bureauonderzoek 2023. Vier verschillende verwachtingen. ,
5387087100
484 ten noordwesten
AA250081. R01v1. 0. ARG730
ADC ArcheoProjecten
26 van 47
Zaakidentificatie nr.
Afstand t. o. v. plangebied [m]
Uitvoerder
Aard en resultaten van het onderzoek A. - Beekdalen en restgeulen: resten gerelateerd aan de natte context. Verwachting resten infrastructuur (paden bruggen versterkingen (prehistorie tot en met de NT) rituele deposities (prehistorie) en mogelijk jachtkampen uit ,
,
,
LPALEO/MESO. B. - Hoger gelegen delen van het landschap nabij beekdalen relatief laag gelegen: later door veen bedek resten van jachtkampjes uit LPALEO/MESO of resten (semi)permanente landbouwnederzettingen uit NEO en BRONS. Kans op BRONS resten klein. C. - Hoger gelegen delen van het dekzandlandschap of terrassenlandschap al dan niet met plaggendek: resten bewoning en begraving uit LPALEO-VME. D. - Historische bewoningskernen: resten LME-NT. Advies: vervolgonderzoek: eerst kijken naar exacte omvang ingrepen beleidscriteria voor archeologisch onderzoek en op basis hiervan een uitspraak over vervolgonderzoek. ,
,
,
5156471100
363 ten noordwesten
De Steekproef
Archeologische boring 2022. 5 boringen gezet. Esdek volledig verstoord door bodemverstorende activiteiten. Verstoorde bodemprofiel betekent dat eventueel aanwezige archeologische waarden waarschijnlijk zijn vernietigd meer in archeologische context bevinden. Geen archeologische indicatoren gevonden in geplaatste boringen. O. b. v. afwezigheid intacte podzolbodem een plaggendek of archeologische indicatoren kans op archeologische waarden in plangebied laag geacht. Advies: vervolgonderzoek d. m. v. proefsleuven. Archeologische boring 2022. Archeologische verwachting: middelhoog voor LPALEO/MESO hoog voor NEO-NT. Resultaat boringen: dekzandafzettingen afgedekt met eerddek met bij deel van boringen daaronder oudere akkerlaag. Bij een deel bodemprofiel matig verstoord tot in de dekzandafzettingen. Resultaat: verwachtingswaarde archeologische resten PALEO/MESO en NEO-NT gehandhaafd. Advies: vervolgonderzoek d. m. v. karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. ,
,
5161833100
328 ten noordwesten
Econsultancy BV
,
,
AA250081. R01v1. 0. ARG730
27 van 47
Zaakidentificatie nr.
4041140100
Afstand t. o. v. plangebied [m]
Uitvoerder
Aard en resultaten van het onderzoek
287 ten noordwesten
Econsultancy BV
Archeologische boring 2017. Archeologische verwachting: laag voor jager-verzamelaars uit LPALEO/MESO hoog voor landbouwers NEO-NT. Geen archeologische waarde meer in situ verwacht door bodemverstoringen en aanwezigheid bebouwing. Advies: vrij geven plangebied. Archeologische boring 2010. Archeologische verwachting: middelhoog voor LPALEO/MESO hoog voor NEO-VME laag voor nederzettings- en begravingsresten LME/NT middelhoog voor agrarische bijgebouwen en perceelsgrenzen LME/NT. 6 boringen gezet. Resultaat: bodem plangebied tot diep in C-horizont verstoord. Advies: geen archeologisch vervolgonderzoek. Bijstelling verwachting plangebied alle perioden naar laag. ,
2285686100
310 ten noorden
Archeopro
,
,
,
Afbeelding 9: Uitsnede uit de Archiskaart met hierop onderzoeks- en vondstmeldingen. Daarnaast worden ook de AMK-terreinen weergegeven. Het rode kader geeft het plangebied weer. Het blauwe kader geeft het onderzoeksgebied weer. Bron: ARCHIS 3.
AA250081. R01v1. 0. ARG730
28 van 47
2. 7. 4
Gemeentelijke verwachtingskaart/beleidsadvieskaart
Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat het plangebied gekarteerd als gebied met een hoge verwachting (Afbeelding 10). Deze verwachting heeft volgens de beleidsadvieskaart 31 een direct verband met de ligging van (een deel van) het plangebied in de oude dorpskern van Sevenum. Daarbij komt de situering van de onderzoekslocatie op het dekzand met een oud-bouwlanddek. Dit ophogingspakket heeft oudere bewoningssporen vaak goed geconserveerd.