05c.5 Bijlage 5 - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (4.0, 07-06-2016) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 28 november 2018 door drs. A. Schutte (senior KNA-archeoloog) en P. Beurskens MA (archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 6 boringen tot maximaal 100 cm -mv gezet (zie figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsme37 thode beschreven. De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
37
Bosch, 2005.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 15 van 21
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. De hoofdlijnen van de opbouw van de bodem kunnen als volgt worden weergegeven: Tabel V.
Hoofdlijn bodemopbouw Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-30 cm
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruin zand
Ap-horizont
30-75 cm
Zwak siltig, matig humeus, matig fijn roodbruin zand
B-horizont
75-100 cm
Zwak siltig, matig fijn geel zand
C-horizont
De top van het boorprofiel in boring 1 bestaat uit een donkerbruine zwak humeuze verploegde bouwvoor, oftewel een Ap-horizont. Op een diepte van circa 30 cm bevindt zich een roodbruine B-horizont. In de horizont waren enkele lichte strepen zichtbaar. Dit is het resultaat van één enkele keer diepploegen, waardoor deze horizont licht verstoord is. Onder de B-horizont is op een diepte van circa 75 cm- mv de C-horizont aangetroffen. Deze bestaat uit zwak siltig geel zand. In boring 4 is een 30 cm dikke Ap-horizont aangetroffen. Deze was matig humeus en donkerbruin van kleur. Hieronder is een donkergrijze laag aangetroffen waar resten van een E- en een B-horizont zichtbaar waren. Op een diepte van circa 40 cm is een lichtbruinoranje gevlekte laag aangetroffen wat is geïnterpreteerd als de verstoorde top van een BC-horizont. Onder dit verstoord laagje is de restant van de BC-horizont aangetroffen die lichtbruin van kleur is. Deze horizont gaat geleidelijk over naar de C-horizont op een diepte van circa 70 cm –mv. De C-horizont bestaat uit beige zand. Het boorprofiel van boring 3 weergeeft een 40 cm dikke matig humeuze Ap-horizont met hieronder een donkergrijze laag met resten van een verstoorde podzol. Deze laag is maar 5 cm dik. Zeer waarschijnlijk is de rest van de podzol opgenomen in de verploegde bouwvoor en hierdoor niet meer zichtbaar.
Op een diepte van circa 45 cm –mv is een lichtbruinoranje BC-horizont te zien. In deze laag is gevlektheid te zien wat wijst op lichte verstoring van deze horizont. Onder de BC-horizont is de Chorizont met een beige kleur aanwezig. In boring 6 is een 20 cm dikke donkerbruine bouwvoor, Ap-horizont, aangetroffen. Hieronder bevinden zich resten van een verstoorde B-horizont. Deze laag is donkerbruin lichtbruin gevlekt. Op een diepte van circa 40 cm –mv bevindt zich de C-horizont die bestaat uit zwak siltig beige zand. De bodemopbouw in boring 2 bestaat uit een 40 cm dikke matig humeuze donkerbruine Ap-horizont met direct hieronder de C-horizont. De sedimenten van de C-horizont bestaan uit zwak siltig matig fijn beige zand. In deze boring ontbreekt een podzol. Het is niet duidelijk of deze niet is gevormd of dat het is opgenomen in de bouwvoor. Op basis van de overige boorprofielen is de tweede optie het meest waarschijnlijke. In boring 5 is een 25 cm dikke matig humeuze donkerbruine Ap-horizont waargenomen. Hieronder bevindt zich een verstoorde laag die donkerbruin beige gevlekt is. Op een diepte van 50 cm bevindt zich een beige C-horizont. Tussen de verstoorde laag en de C-horizont bevindt zich een scherpe grens wat aangeeft dat deze boring is verstoord. Mogelijk is ook de top van de C-horizont verdwenen.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 16 van 21
Op basis van de boorprofielen is het duidelijk dat er twee intacte boringen (nr. 1 en 4), twee deels intacte boringen (nr. 3 en 6) en twee verstoorde boringen (nr. 2 en 5) aanwezig zijn in het plangebied. In de intacte en deels intacte boringen is een podzolprofiel aanwezig. Deze podzolbodem kan gedefinieerd worden als een veldpodzol. Het aangetroffen bodemprofiel komt deels overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 0). In het zuidwestelijke deel werd een hoge zwarte enkeerdgrond verwacht. Deze bodem is niet aangetroffen in de boringen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. In vier van de zes boringen is een (deels) intacte podzolbodem aangetroffen. Deze bestaat uit een Ap-horizont van 30-40 cm dikte met hieronder een B-horizont, al dan niet in een licht verstoorde toestand, eventueel een BC-horizont gevolgd door een C-horizont. Boring 2 en 5 vertoont gevlektheid, hebben een scherpe overgang en is geen podzolprofiel aanwezig. Sites van de jagers-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum bestaan uit vuursteenstrooiingen. Dit soort sites zijn erg gevoelig voor bodemverstoring. Een lichte verstoring zou de sites van jagers-verzamelaars al kunnen aantasten of volledig laten verdwijnen. Vanwege dit feit is een duidelijke intacte bodem van belang, zoals de aanwezigheid van een intacte B-horizont. In slechts één boring, nr. 1, is een duidelijke intacte B-horizont aangetroffen. In een andere enigszins intacte boring, nr. 4, bevindt zich nog een BC-horizont met een verstoorde top. Op de locaties van deze boringen zouden nog vuursteenartefacten in situ aanwezig kunnen zijn. In boringen 3 en 6 is de Bhorizont verstoord, ook hier zouden nog resten aanwezig kunnen zijn maar dan wel in verstoorde toestand.
Vanwege de intactheid van de bodem kan de middelhoge archeologische verwachting voor sites van jagers-verzamelaars worden gehandhaafd. Op basis van de verstoorde bodemprofielen kan de verwachting bij boring 2 en 5 worden bijgesteld naar laag. Zie figuur 11 voor de locatie van de boringen en de archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars. De hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kan worden gehandhaafd. In de boringen is het archeologisch sporenniveau nog aanwezig. Hier kunnen nog sporen en vondsten in situ aanwezig zijn. Ook op de locaties van de verstoorde boringen blijft de verwachting gehandhaafd. De verstoring is zeer verspreid aangetroffen. Tevens zouden hier nog diepgaande sporen, zoals waterputten, afvalkuilen en greppels, aanwezig kunnen zijn. De hoge verwachting van de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd was gebaseerd op de ligging binnen een AMK-terrein en de aanwezigheid van bebouwing in het zuidwestelijke deel op de historische kaarten. In het boorprofiel op de locatie van de voormalige bebouwing, boring nr. 1, zijn geen sporen/vondsten, zoals baksteenfragmenten of een diepgaande, aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van resten van bebouwing. Aangezien het booronderzoek een steekproef is, kunnen de resten niet worden uitgesloten.
De hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft gehandhaafd.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 17 van 21
Tabel VI.
Gespecificeerde archeologische verwachting op basis van de boorprofielen Periode
Paleolithicum en Mesolithicum
Verwachting Middelhoog: boring 1, 3, 4 en 6 Laag: boring 2 en 5
Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd
Hoog
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is bestaat uit een Ap-horizont van 30-40 cm dikte met hieronder een B-horizont, al dan niet in een licht verstoorde toestand, eventueel een BC-horizont gevolgd door een C-horizont. Boring 2 en 5 vertoont gevlektheid, hebben een scherpe overgang en is geen podzolprofiel aanwezig. Op basis van de waargenomen boorprofielen kan de middelhoge archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden gehandhaafd met uitzondering van de locaties van boring 2 en 5. Op deze locaties kan op basis van de waargenomen verstoring de archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd voor het gehele plangebied. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.
Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 18 van 21
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Feest, N., van der & D. Hagens, 2014: archeologisch bureau en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen Meldersloseweg te Horst. Aeres Milieu rapport AM14203. Hijma, M.P., 2004: Melderslo, Vlasvenstraat. Inventariserend archeologisch veldonderzoek. Karterende fase. BAAC-rapport 04.090. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E.
Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Provincie Limburg, 2008: Provinciale aandachtsgebieden; archeologisch selectiedocument. Provincie Limburg Afdeling Cultuur, Welzijn en Zorg. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Roymans, J.A.M., 2009: Herinrichting Groote Molenbeek, gemeente Sevenum; archeologische begeleiding grondwerkzaamheden. RAAP-rapport 1497. Roymans, J.A.M. & M.P.F. Verhoeven, 2010: Beekdallandschappen als Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. Een onderzoekskader voor 7 beekdallandschappen in Noord- en MiddenLimburg. RAAP-rapport 1880. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 Oost/Venlo.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 19 van 21
Stiekema, M. & P. Beurskens, 2018: Plan van Aanpak booronderzoek Jaegerweg (ong.) te Melderslo in gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy, Swalmen. Ten Broeke, E.M., 2016: Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitbreiding Tennet Schakelstation Horst te Melderslo. Econsultancy-rapport 1557.002. Vos, S. de & A.M.I. van Waveren, 2006: Horst aan de Maas (L)- Melderslo, Konijnenweg 73. Archeologisch vooronderzoek. Bilan-rapport 2006/152. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 20 van 21
BRONNEN AHN; internetsite, november 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, november 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, november 2018. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, november 2018 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg; internetsite, november 2018. https://www.limburg.nl/Beleid/Cultuur/Erfgoed/Monumenten/Cultuurhistorische_Waardenkaart Dinoloket; internetsite, november 2018. http://www.dinoloket.nl/ Geschiedenis Melderslo; internetsite, november 2018. http://www.geschiedenismelderslo.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, november 2018. http://www.topotijdreis.nl/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, november 2018. https://www.limburg.nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsplan/pol-2014-inclusief/ Ruimingskaart; internetsite, november 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, november 2018. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, november 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 8509.003 versie 1
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas Legenda Plangebied
38
Van Heeringen & Schrijvers, 2013.
Rapport 8509.003 versie 1
38
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
39
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
39
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
40
AHN
Rapport 8509.003 versie 1
40
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
41
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
41
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
42
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
42
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1803-1820 (bron: imagebase.ubvu.vu.nl)
Situatie 1842 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl)
Situatie 1830-1850 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1895 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1915 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1927 (bron: www.topotijdreis.nl)
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Situatie 1936 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1958 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1967 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1979 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1987 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1994 (bron: www.topotijdreis.nl)
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 8509.003 versie 1
Figuur 11. Verwachting voor jagers-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum
Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Verwachting voor jagers-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum Legenda Plangebied
Rapport 8509.003 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 8509.003 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 8509.003 versie 1
Bijlage 2 AMK nr. 16285
AMK-terreinen
Situering t.o.v. plangebied 400c meter ten noordoosten
Rapport 8509.003 versie 1
Datering
Waarde en omschrijving
Middeleeuwen laat - Nieuwe tijd
Toponiem: Melderslo Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Melderslo. Melderslo is ontstaan rond 1400 uit twee ontginningsvelden in het bos. Te weten het Melderslosche veld en de Eikelenbosch. De natuurlijke omstandigheden voorlandbouw waren ongunstig. Arme zandgronden overheersten. Grote heidevelden bepaalden het aanzien. De eerste bewoners vestigden zich aan de rand van hoger gelegen grond. Die was wel geschikt voor akkerbouw. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden e e kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19 -eeuwse en vroeg 20 eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2129258100 (18765)
Onderzoeksmeldingen
Situering t.o.v. plangebied 200 meter ten westen
2457827100 (63397)
300 meter ten zuiden
2086644100 (6690)
400 meter ten noordoosten
4003435100
450 meter ten oosten
4003443100
450 meter ten oosten
Rapport 8509.003 versie 1
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Konijnenweg 73 Uitvoerder: BILAN Datum: 5-9-2006 Resultaat: Uit het bureauonderzoek bleek dat aan het plangebied een middelhoge archeologische verwachting is toegekend (IKAW, 2001) op grond van de in het plangebied verwachte aanwezigheid van beekeerdgronden en veldpodzolen. Uit het plangebied zelf waren voorafgaand aan het veldonderzoek geen archeologische vondsten bekend. In de directe omgeving van het plangebied zijn wel enkele waarnemingen bekend die dateren uit de periode vanaf het Laat-Paleolithicum tot de Nieuwe tijd. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangee bied tot laat in de 20 eeuw onbebouwd is gebleven en in gebruik is geweest als weiland. Verwacht werd dat de bodem ter plaatse van de bebouwing, afhankelijk van de gebruikte funderingsdiepte en –methoden, reeds geroerd zou zijn. Voor de onbebouwde delen werd aangenomen dat de bodem en de eventueel daarin aanwezige archeologische resten nog grotendeels ongestoord was gebleven. Tijdens het veldonderzoek werden geen vondstniveaus en/of archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied of de directe omgeving daarvan.
Het antropogene materiaal dat in de geroerde A-horizont werd aangetroffen bestaat zonder uitzondering uit indicatoren die gedateerd konden worden in de negentiende en twintigste eeuw. Op basis van bovenstaande resultaten wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen voor het plangebied. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Meldersloseweg Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 2-10-2014 Resultaat: Het resultaat is niet bekend. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Vlasvenstraat Uitvoerder: BAAC BV Datum: 7-6-2004 Resultaat: Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de samenstelling van de ondergrond binnen het plangebied weinig varieert. Het moedermateriaal bestaat uit zeer fijn dekzand met een korrelgrootte verdeling van 105 150 mm. In het dekzand heeft zich een veldpodzol ontwikkeld. Het bodemprofiel is op de meeste plaatsen verstoord aangeboord. Enkele boringen laten echter een duidelijk onverstoorde opeenvolging van A, Bh en C horizonten zien (boring 2, 3, 4, 5). Bij boringen 3, 4 en 5 is als toplaag een dunne, zwartbruine humuslaag aangetroffen. Bij boringen 6, 7 en 9 zijn op dieptes variërend van 40 tot 70 cm kiezels aangetroffen van ongeveer 1 cm groot. Deze komen van nature niet voor in dekzanden, wat duidt op een verstoord bodemprofiel. In een aantal boringen (1,8,10,11) is op verschillende dieptes zacht baksteen aangetroffen stammend uit de Nieuwe tijd.
Het plangebied bevindt zich op een dekzandwelving. Door de hogere ligging is deze welving al duizenden jaren aantrekkelijk voor bewoning en/of akkerbouw. Dit blijkt onder andere uit vele vondstmeldingen in de directe omgeving van het onderzoeksterrein op vergelijkbare landschappelijke eenheden. Gezien dit feit en het gegeven dat het bodemprofiel bij boringen 2, 3, 4 en 5 onverstoord is aangetroffen geldt voor het gebied rond deze boringen een middelhoge verwachting voor het aantreffen van gave archeologische vondsten. Bij alle andere boringen is een verstoord bodemprofiel aangetroffen. De kans op het aantreffen van gave archeologische vindplaatsen deze betreffende boorlocaties is daarom laag. Verplaatste vondsten kunnen hier wel verwacht worden. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Hogeweg Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 13-6-2016 Resultaat: Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied op de Peelhorst ligt, waarbij de opgeheven rivierafzettingen afgedekt zijn met een dikke laag dekzand. Het plangebied ligt daarbij op een vrij uitgestrekte, relatief hooggelegen dekzandrug. Dergelijke dekzandruggen verheffen zich over het algemeen een tot enkele meters boven hun omgeving.
Vanwege de hoge ligging en zandige bodemgesteldheid zijn ze goed ontwaterd. Dekzandruggen of -koppen hebben dan ook een hoge archeologische verwachting en vormen daarmee in archeologisch opzicht de belangrijkste landschappelijke eenheid binnen het dekzandlandschap. De variatie van de in deze landschappelijke eenheid aanwezige archeologische resten is ook groot. Het gaat hierbij om resten uit vrijwel alle archeologische perioden van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. (Hoog)veenvorming heeft binnen het plangebied, en daarmee op de hogere delen van de dekzandruggen en -koppen, waarschijnlijk niet plaatsgevonden, mede vanwege het feit dat voor de periode van de grootschalige ontginning het gebied aangeduid werd als een woest heidegebied en met het ontstaan van Melderslo in agrarisch gebruik werd genomen (de oude bouwlandcomplexen). Op basis van het historisch gebruik wordt er binnen het plangebied een (dik) plaggendek verwacht dat is opgebracht vanaf in ieder geval het begin van de 19 e eeuw en waarschijnlijk al eerder. Het plangebied heeft namelijk deel uitgemaakt van het Melderse Veld.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Hogeweg Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 14-6-2016 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de huidige bodemopbouw bestaat uit een sterk geroerde humeuze bouwvoor met hieronder nog een dunne gevlekte laag met nog resten/brokken van de oorspronkelijke veldpodzol. Een
3291576100
450 meter ten noordoosten
2059039100 (8700)
450 meter ten noordoosten
2152715100 (22092)
450 meter ten noordoosten
2049019100 (6689)
500 meter ten noordoosten
Rapport 8509.003 versie 1
plaggendek is namelijk niet aangetroffen. Wellicht dat er, voordat het schakelstation werd aangelegd, wel sprake was van een plaggendek, maar dat voor aanleg en inrichting van het terrein deze humeuze bovenlaag (grotendeels) is afgegraven. De huidige bodemopbouw bestaat uit een sterk geroerde/verstoorde humeuze bouwvoor met hieronder nog een dunne gevlekte laag met nog resten/brokken van de oorspronkelijke veldpodzol. De onverstoorde bodem betreft nog een restant van een intacte de BC-horizont, gevolgd door de Chorizont. Het van nature gevormde bodemprofiel, in de vorm van een veldpodzolprofiel, is dus niet geheel verstoord. Het niveau waarop archeologische vondsten worden verwacht is verstoord, echter het sporenniveau, dat het meest duidelijk zichtbaar op de overgang van de BC- naar de C-horizont, indien aanwezig waarschijnlijk grotendeels intact. Er zijn echter geen archeologische indicatoren (vondsten en oude cultuurlagen) bij het onderzoek aangetroffen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Vlasvenstraat Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 1-7-2015 Resultaat: Op basis van de aangetroffen verstoorde bodemprofielen en de het ontbreken van archeologische indicatoren kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Konijnenweg Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-4-2004 Resultaat: Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren gevonden uit de periode Steentijd t/m LateMiddeleeuwen. Wel zijn in iedere boring puin en in twee boringen fragmenten aardewerk uit de Nieuwe tijd aangetroffen( boringen 6 en 10). De fragmenten zijn waargenomen in de bouwvoor en staan waarschijnlijk in verband met ontginning of ophoging van het plangebied. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Steentijd t/m Late-Middeleeuwen wordt ten aanzien van het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Konijnenweg Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-4-2007 Resultaat: Er zijn 21 boringen uitgevoerd met een Edelmanboor van 15 cm doorsnede. Uit het veldonderzoek bleek dat de bodem in het plangebied verstoord was (gebroken podzolgronden). Er werden eveneens geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Vlasvenstraat Melderslo Uitvoerder: BAAC BV Datum: 7-6-2004 Resultaat: Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de samenstelling van de ondergrond binnen het plangebied weinig varieert. Het moedermateriaal bestaat uit zeer fijn dekzand met een korrelgrootte verdeling van 105 150 mm. In het dekzand heeft zich een veldpodzol ontwikkeld. Het bodemprofiel is op de meeste plaatsen verstoord aangeboord. Enkele boringen laten echter een duidelijk onverstoorde opeenvolging van A, Bh en C horizonten zien (boring 2, 3, 4, 5). Bij boringen 3, 4 en 5 is als toplaag een dunne, zwartbruine humuslaag aangetroffen. Bij boringen 6, 7 en 9 zijn op dieptes variërend van 40 tot 70 cm kiezels aangetroffen van ongeveer 1 cm groot. Deze komen van nature niet voor in dekzanden, wat duidt op een verstoord bodemprofiel. In een aantal boringen (1,8,10,11) is op verschillende dieptes zacht baksteen aangetroffen stammend uit de Nieuwe tijd. Het plangebied bevindt zich op een dekzandwelving. Door de hogere ligging is deze welving al duizenden jaren aantrekkelijk voor bewoning en/of akkerbouw. Dit blijkt onder andere uit vele vondstmeldingen in de directe omgeving van het onderzoeksterrein op vergelijkbare landschappelijke eenheden.
Gezien dit feit en het gegeven dat het bodemprofiel bij boringen 2, 3, 4 en 5 onverstoord is aangetroffen geldt voor het gebied rond deze boringen een middelhoge verwachting voor het aantreffen van gave archeologische vondsten. Bij alle andere boringen is een verstoord bodemprofiel aangetroffen. De kans op het aantreffen van gave archeologische vindplaatsen deze betreffende boorlocaties is daarom laag.
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2079987100 (130607)
Locatie t.o.v. plangebied
Omschrijving
400 meter ten zuiden
Paleolithicum - Neolithicum : - vuursteen afslagen Mesolithicum : - fragment van een vuursteen spits Late-Middeleeuwen : - 4 fragmenten van gedraaid aardewerk
Rapport 8509.003 versie 1
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 8509.003 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 8509.003 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 8509.003 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 8509.003 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 8509.003 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - boor- oppervlaktekartering onderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 8509.003 versie 1
Bijlage 7
Rapport 8509.003 versie 1
Boorprofielen
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 8509.003 versie 1