CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c.5 Bijlage 5 - Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Jaegerweg ongenummerd, Melderslo.16.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK JAEGERWEG (ONG.) TE MELDERSLO GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Jaegerweg (ong.) te Melderslo Opdrachtgever

Arvalis Venlo St. Jansweg 20D 5928 RC Venlo

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

8509.003 1 4 december 2018

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

P. Beurskens MA

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

8509.003

Toponiem

Jaegerweg (ong.)

Opdrachtgever

Arvalis Venlo

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Melderslo

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Horst, sectie T, nummers 317 (ged.) en 1844 (ged.)

Omvang plangebied

circa 2.800 m

Kaartblad

52 G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 202.965/Y: 385.211

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst

Contactpersoon: dhr. D. Bolhuis T: 077 – 4779777 E: d.bolhuis@horstaandemaas.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Vestigia Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort T: 033 – 2779200

Contactpersoon : dhr. R. van Heeringen E: r.vanheeringen@vestigia.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4652262100

Booronderzoek 4652270100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

2

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, P. Beurskens MA

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Venlo in november 2018 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw van een vrijstaande woning met bijhorende bij- een aanbouwen. Het plangebied is gelegen aan de Jaegerweg (ong.) te Melderslo in de gemeente Horst aan de Maas. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de bekende gegevens geldt er een hoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke locatie, dichtbij open water, was een geschikte locatie voor de jagers-verzamelaars. In de omgeving zijn ook enkele vondsten van de jagers-verzamelaars aangetroffen. Voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen was het een geschikte locatie voor bewoning en de bijhorende activiteiten. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Ook zijn er meerdere vondsten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Mogelijk kunnen deze gerelateerd worden op bewoning.

Het zuidwestelijke deel ligt in een AMK-terrein dat betrekking heeft op de historische kern van Melderslo. Op basis van de historische kaarten is duidelijk dat het zuidwestelijke deel van het plangee bied is bewoond vanaf het begin van de 19 eeuw en mogelijk al eerder. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een Ap-horizont van 30-40 cm dikte met hieronder een B-horizont, al dan niet in een licht verstoorde toestand, eventueel een BC-horizont gevolgd door een C-horizont. Boring 2 en 5 vertoont gevlektheid, hebben een scherpe overgang en is geen podzolprofiel aanwezig.

Rapport 8509.003 versie 1

Conclusie Op basis van de waargenomen boorprofielen kan de middelhoge archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden gehandhaafd met uitzondering van de locaties van boring 2 en 5. Op deze locaties kan op basis van de waargenomen verstoring de archeologische verwachting voor de jagers-verzamelaars worden bijgesteld naar laag. De hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd voor het gehele plangebied. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 8509.003 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................... 1

2

BUREAUONDERZOEK .................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................... 15 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ......................................................................................... 1 Methoden ........................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .................................................................. 2 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 3 Aardwetenschappelijke gegevens ......................................................................................... 4 Archeologische waarden ...................................................................................................... 7 Beschrijving van het historische gebruik ............................................................................... 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ................................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ............................................................................................... 15

Doelstelling en onderzoeksvragen ....................................................................................... 15 Methoden ......................................................................................................................... 15 Resultaten ........................................................................................................................ 16 Conclusie veldonderzoek ................................................................................................... 17

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................. 18

LITERATUUR ........................................................................................................................................ 19 BRONNEN ............................................................................................................................................ 21

Rapport 8509.003 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw Gespecificeerde archeologische verwachting op basis van de boorprofielen

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Verwachting voor jagers-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 8509.003 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Venlo een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Jaegerweg (ong.) te Melderslo in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens om een vrijstaande woning met bij- en aangebouwen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in november/december 2018 door P. Beurskens (archeoloog). Het booronderzoek is uitgevoerd door drs. M. Stiekema (senior prospector) en P. Beurskens (archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.0, 07-06-2016) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:   

2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 1 van 21

 

beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             

2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. 2

De onderzoekslocatie, circa 2800 m , ligt aan de Jaegerweg (ong.), ongeveer 0,6 kilometer ten zuidwesten van Melderslo in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 23,1 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T, nummers 317 (ged.) en 1844 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 52G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X: 202.965/Y: 385.211. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerland (zie figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemar3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 2 van 21

chief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde- archeologie 2’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 2 4 m en dieper dan 30 cm –mv. Volgens de maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas ligt het noordoostelijke deel van het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting, categorie 3 (zie Figuur 4). Het zuidwestelijke deel binnen de historische kern van Melderslo, categorie 2 archeologische waarde. Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 8509.002). Uit de resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek blijkt dat er lichte en matige verontreinigingen zijn aangetroffen.

Het gaat om een lichte verontreiniging van cadmium en zink in de bovengrond en lichte verontreiniging van barium, cadmium, kobalt, zink en naftaleen en een matige verontreiniging met nikkel in het grondwater. De aangetoonde verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket 5 geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bij- en aangebouwen gepland. Na navraag bij de opdrachtgever, blijkt dat het te verstoren oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw nog niet bekend is. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. 4 5

Ruimtelijke plannen, gemeente Horst aan de Maas. www.bodemloket.nl.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 3 van 21

De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens Geologie

6

Stroomgordel

Gegevensomschrijving Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)

7

Geomorfologie

Beekdal uit het Laat-Glaciaal (12.900-10.150 jaar geleden) 8

Dekzandrug of kopje (3L5)

Bodemkunde9

Zuidwestelijke deel: Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23) Overige deel: Veldpodzolgronden; lemig fijn zand (Hn23)

Grondwatertrap

VI

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met overwegend afzettingen van de Formatie van Boxtel. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een 10 pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden 11 genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de 12 Nieuwe tijd.

Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Melderslo afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde bekende beekdal (van de Groote Molenbeek) bevindt zich op 400 meter ten zuidwesten van het plangebied. 13

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO.

6

De Mulder et al., 2003. Cohen et al., 2012. 8 Alterra, 2003. 9 Stichting voor Bodemkartering, 1975. 10 Berendsen, 2008 11 De Mulder et al., 2003. 12 Berendsen, 2008. 13 www.dinoloket.nl. 7

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 4 van 21

14

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een pakket bestaande uit fijn en middelgrof zand. Dit is de dekzandlaag dat behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een dekzandrug of kopje (3L5) (zie figuur 5). 15

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hoger gelegen deel van een dekzandrug. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een lager gelegen dal. Dit is het beekdal van de Groote Molenbeek. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een hoog gelegen dekzandkop ook richting het noordwesten is er een duidelijk natuurlijke verhoging zichtbaar (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het zuidwestelijke deel van het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond; lemig fijn zand. Het overige deel is gekarteerd als veldpodzolgrond; lemig fijn zand (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden.

Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de e jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de MiddenBronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen e e die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkheid aan archeologische resten heeft er toe geleidt dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over 16 het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. Veldpodzolgronden worden veel aangetroffen in jonge heideontginningen. De veldpodzolgronden liggen in lagere delen met relatief hoge grondwaterstanden.

Op hogere plaatsen worden ze alleen gevonden als daar tijdens het proces van bodemvorming hoge grondwaterstanden waren; dit is het geval bij bijvoorbeeld dekzandruggen die vroeger in het veen hebben gelegen. De bodemopbouw van deze bodems bestaat uit een mineraalarme A-horizont met sterk gebleekte zandkorrels. Deze horizont is circa 20-30 cm dik. Het ontbreken van de ijzerhuidjes op de zandkorrels wijst erop dat de pod14

DINO boornummers B52G2657 en B52G2656. www.ahn.nl. 16 Doesburg et al., 2007. 15

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 5 van 21

zolering bij deze gronden onder natte omstandigheden heeft plaatsgevonden. Onder de A-horizont bevindt zich een dunne podzol-B. Deze B-horizont gaat geleidelijk over naar het moedermateriaal, oftewel de C-horizont. Dit bestaat uit sterk lemig of zeer sterk lemig zeer fijn zand. Op een diepte van 17 circa 60-80 cm neemt het leemgehalte af. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 18

Tabel II.

Grondwatertrappenindeling

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf19 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. 17

Stichting voor Bodemkartering, 1975. Locher & Bakker, 1990. 19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 18

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 6 van 21

Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.

Circa 150 meter ten oosten van het plangebied ligt volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied, namelijk 20 Beekdalen- Noord Horst. Meerdere beekdalen in Limburg zijn aangegeven als een Provinciaal Aandachtsgebied, waaronder ook het beekdal van de Groote Molenbeek nabij Horst en Melderslo. Deze beekdalen Noord-Limburg worden als bijzonder beschouwd vanwege het landschap. Door de insnijding van de Maas in het oosten ontstond er een waterscheiding op de Peel, van waaruit diverse beken ontsprongen die in oostelijke richting stroomden naar het dieper gelegen Maasdal. Hierdoor is het landschap sterk versneden door enkele evenwijdig aan elkaar lopende beekdalen. Een belangrijke karakteristiek van dit gebied is de sterke afwisseling van nat (de beekdalbodems) en droog (de interfluvia). Tot dit gebied wordt ook het niet-doorsneden ‘Eiland van Californië’ gerekend (tussen Maasbree en Tienray/Swolgen). Het is een zwak golvend dekzandgebied tussen de laatglaciale Maaster21 rassen en de beekdalen. In deze gebieden is bij archeologisch onderzoek belangrijk om aandacht te geven aan specifieke datasets die met beken gerelateerd kunnen worden.

Dit zijn bijvoorbeeld: Resten die gerelateerd kunnen worden aan voedselvoorziening, met name visserij, kleine jachtkampementen, afvaldumps, watermolens, beekovergangen, rituele deposities, resten van scheepvaart en 22 verdedigingswerken. 23

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt binnen een AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 8). Dit AMK-terrein (nr. 16285) betreft de oude dorpskern van Melderslo. Melderslo is ontstaan rond 1400. In de omgrenzing van het terrein worden bewoningssporen uit de Vroege- en Late-Middeleeuwen vere e wacht. De contouren zijn gebaseerd op basis van de 19 en 20 eeuw kaarten.

20

GISViewer provincie Limburg. Provincie Limburg, 2008; Roymans, 2009; Roymans & Verhoeven, 2010. 22 Roymans & Verhoeven, 2010. 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 21

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 7 van 21

24

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zeven archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken en booronderzoeken (zie bijlage 3 en figuur 8). Konijnenweg 73 (onderzoeksnr. 2129258100) Circa 200 meter ten westen van het onderhavige plangebied bevindt zich een onderzoekslocatie aan Konijnenweg 73. Op basis van de geologische en geomorfologische gegevens is het duidelijk dat het plangebied in een laaggelegen beekdal van de Groote Molenbeek ligt dat wordt omgeven door dekzandruggen. Volgens de bodemkaart bevindt het plangebied met beekeerdgronden. Deze gronden bevinden zich met name in vlakke delen van het dekzandgebeid in smalle, soms diep ingesneden laaggelegen beekdalen. Op het historische kaartmateriaal is zichtbaar dat het plangebied in gebruik is als weide- en grasland. Pas aan het einde van de vorige eeuw is het terrein bebouwd met een varkenshouderij. In de omgeving zijn meerdere archeologische vondsten aangetroffen. Het gaat hierbij om vuurstenen artefacten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Neolithicum. Er geldt een middelhoge verwachting voor het aantreffen van sporen en vondsten uit alle periodes.

Ter aanvulling en controle van de archeologische verwachting is er een booronderzoek uitgevoerd. Er zijn drie soorten bodemprofielen te onderscheiden. De boorprofielen van de boringen in het centrale deel van het plangebied bestaat uit een 40 tot 60 cm dikke bebouwvoor bestaande uit bruingrijs zand. Deze humeuze bovenlaag bevatte veel roest. Verder zijn er ook fragmenten van baksteen, puin, plastic en houtskool aangetroffen. Onder deze laag is een donkergrijs zwak grindige antropogene laag van 30-50 cm dik aangetroffen. Deze laag is afkomstig van een (sub)recente gedempte sloopt. Op een diepte van 70-90 cm –mv is de C-horizont aangetroffen bestaande uit wit tot geelgrijs zand. De boorprofielen in het zuidoostelijke deel van het plangebied bestaan uit een zwak grindige bruingrijze A-horizont met baksteen, houtskool en puinfragmenten. Ook bevat deze laag veel roest en ijzerconcreties. Onder de A-horizont is de C-horizont aanwezig. Deze bestaat uit witgrijs zand met roest en ijzerconcreties. In het noordelijke deel van het plangebied is de bodem opgehoogd. In de boorprofielen is echter ook geen begraven A-horizont aanwezig was wijst op afgraving. Vermoedelijk is de afgraving en ophoging te relateren aan de bouw van het huidige bedrijf. In het onderzochte plangebied zijn geen archeologische resten aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten.

Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt de archeologische ver25 wachting bijgesteld naar laag. Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Vlasvenstraat (onderzoeksnr. 2086644100) Circa 400 meter ten noordoosten van het onderhavige plangebied bevindt zich een plangebied aan de Vlasvenstraat. De resultaten van het bureauonderzoek wijzen uit dat het plangebied ligt op een dekzandrug. Volgens de bodemkaart bevindt zich in het oostelijke deel een esdek bestaande uit hoge zwarte enkeerdgronden. In het overige deel bevindt zich veldpozolgronden. In de omgeving zijn vondsten aangetroffen uit het Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd. Dit betreft vuurstenen bijlen uit het Neolithicum en een urnenveld uit de Bronstijd en IJzertijd. Op basis van deze gegevens geldt een hoge tot middelhoge verwachting. Het verwachte esdek is niet aangetroffen. In het gehele plangebied is een veldpodzolgrond aanwezig. Het bodemprofiel bestaat uit een A-, Bh- en C-horizont. In enkele boringen is op een diepte van 40-70 cm kiezels aangetroffen. Deze komen niet van nature voor in dekzanden wat wijst op een verstoring van het bodemprofiel. Op basis van het booronderzoek is duidelijk dat de bodem in een deel van het plangebied is verstoord. In dit deel van het plangebied worden geen archeologische resten verwacht en wordt er geen vervolgonderzoek aanbevolen.

Ondanks dat de bodemopbouw in het overige deel

24 25

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. De Vos & Van Waveren, 2006.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 8 van 21

intact is, wordt ook voor dit deel geen vervolgonderzoek aanbevolen. Dit is gebaseerd om de afwe26 zigheid van archeologische indicatoren in de boringen. Hogeweg (onderzoeksnr. 4003435100 en 4003443100) 450 meter ten oosten van het onderhavige plangebied is een onderzoek uitgevoerd aan de Hogeweg is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied ligt op een hooggelegen dekzandrug. De bodemkaart geeft aan dat er hoge zwarte enkeerdgronden verwacht kunnen worden. Dit eerddek is mogelijk opgebracht vanaf in ieder geval het begin e van de 19 eeuw en waarschijnlijk eerder. Het plangebied heeft namelijk deel uitgemaakt van het Melderse Veld. In de omgeving zijn waarnemingen bekend uit alle periodes. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor alle periodes. Aanvullend is een booronderzoek uitgevoerd. De top van het bodemprofiel bestaat uit een 30 cm dikke donkerbruingrijze laag. Hieronder bevindt zich een gevlekte laag. De gevlektheid van deze laag wijst op verstoring tot circa 40 cm –mv. Onder de verstoring is een restant van een BC-horizont aangetroffen. Op een diepte van circa 60 cm –mv bevindt zich de C-horizont die bestaat uit geel zand. In geen één boorprofiel is het verwachte eerddek aangetroffen.

Wellicht dat er, voordat het schakelstation werd aangelegd, sprake was van een plaggendek, maar dat voor aanleg en inrichting van het terrein de humeuze bovenlaag (grotendeels) is afgegraven. Op basis van deze waarnemingen kan de archeologische verachting worden bijgesteld naar laag. Er wordt geen vervolgonderzoek geadvi27 seerd. Conclusie Bij de archeologische onderzoeken in de omgeving geldt over het algemeen een hoge of middelhoge verwachting. Deze verwachting wordt echter op basis van de resultaten van het booronderzoek bijgesteld naar laag. Bij de booronderzoeken in de omgeving zijn meerdere diepgaande verstoringen aangetroffen waardoor er verwacht wordt dat het archeologisch niveau niet meer intact is. De intacte bodemprofielen zijn geïnterpreteerd als een veldpodzolgrond bestaande uit een A-, B- en C-horizont. In het onderhavige plangebied wordt hetzelfde bodemprofiel verwacht. Ondanks dat in delen het bodemprofiel nog intact is, zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen waardoor ook in deze delen geen vervolgonderzoek wordt geadviseerd. 28

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmelding geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). Deze vondstmelding heeft betrekking op vuurstenen vondsten zoals vuurstenen afslagen en een mesolithische spits. Verder zijn er ook enkele scherven uit de Middeleeuwen aangetroffen. Mogelijk wijzen deze vondsten op bewoning of activiteiten van de jagersverzamelaars en op bewoning in de Middeleeuwen. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, De resultaten van deze publicaties is beschreven in bovenstaande paragraaf. De publicatie van Melder29 sloseweg te Horst is niet beschikbaar. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien de gemeente geen aanvullende informatie beschikbaar had. Er is geen contact gezocht met het provinciaal depot van Limburg, maar met de lokale heemkundevereniging, zie onderstaande paragraaf.

26

Hijma, 2004. Ten Broeke, 2016. 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 29 Van der Feest & Hagens, 2014. 27

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 9 van 21

Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Stichting Geschiedenis Melderslo, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. 30

Korte bewoningsgeschiedenis van Melderslo In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De herkomst van de naam Melderslo is onzeker. Mogelijk is de betekenis milde plaats in bos. Hierbij wordt melder afgeleid van het Germaanse mildreda en lo van open plaats in een bos. Andere mogelijke betekenissen zijn zandheuvel in bos (hierbij wordt melder afgeleid van zandheuvel) of onkruid in bos (hierbij wordt melde afgeleid van het onkruid melde). De oudst bekende schriftelijke vermelding van Melderslo dateert van 1394, toen in de administratie van de stad Keulen het Meldersloervelde genoemd werd. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de feitelijke bewoning een paar eeuwen ouder is: aan het ontginningsveld Eikelenbos zijn vondsten aangetroffen daterend uit circa 1200. Melderslo is dus ontstaan uit drie ontginningsvelden in een bos: Meldersveld, Lochtsveld en Eikelenbosserveld. Waarschijnlijk was de bewoning in Melderslo in de Middeleeuwen gekoppeld aan de vestiging van mensen in het gehucht Berkel (het latere dorp Horst, gelegen op circa 3 kilometer afstand) en het kasteel Ter Horst (op circa 1 kilometer afstand). Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Tranchot und v. Müffling kaart

30 31

31

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1803-1820

Horst

1:20.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

Ten noorden bevindt zich de Meldersche Heide.

Renes, 1999/ www.geschiedenismelderslo.nl. Beeldbank Vrije Universiteit.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 10 van 21

Kadastrale minuut

32

1842

Gemeente Horst, Sectie B, Blad 04

1:2.500

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

Ten zuiden bevindt zich de Jaegerweg en ten westen de Konijnenweg. Aan de Jaegerweg bevinden zich woningen.

Militaire topografische kaart33 (nettekening)

1830-1850

52 Venlo

1:50.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1895

674 Lottum

1:50.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

Ten noorden veranderd de infrastructuur.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1915

674 Lottum

1:50.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1927

674 Lottum

1:50.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1936

674 Lottum

1:50.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

Ten zuidwesten wordt een woning gerealiseerd.

Topografische kaart

1954

52G

1:25.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

-

Topografische kaart

1958

52G

1:25.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

-

Topografische kaart

1967

52G

1:25.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

De woning ten zuidwesten is gesloopt.

Topografische kaart

1979

52G

1:25.000

Zuidelijk deel: bebouwd/ woonerf Overig deel: landbouwgrond

Ten zuidoosten wordt een tuinbouwkas gerealiseerd.

Topografische kaart

1987

52G

1:25.000

Landbouwgrond

Ten westen worden woningen gerealiseerd.

Topografische kaart

1994

52G

1:25.000

Landbouwgrond

-

Op het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het zuidelijke deel van het e plangebied in het begin van de 19 eeuw is bebouwd en deel van het woonerf. Het overige deel is in gebruik als landbouwgrond (zie figuur 9). Op de kaart van 1803-1820 is de zuidelijk gelegen weg, tegenwoordig de Jaegerweg genoemd, nog niet duidelijk weergeven. De omgeving is in gebruik als landbouwgrond. Enkele meters ten noorden bevindt zich een nat gebied dat de Meldersche Heide wordt genoemd. Op de kaart van 1842 is de huidige Jaegerweg weergeven. Ook is de Konijnenweg, ten noordwesten van het plangebied, zichtbaar. Aan de Jaegerweg bevinden zich enkele woningen. e Ten noorden van het plangebied wordt aan het eind van de 19 eeuw enkele veranderingen toegepast aan de infrastructuur. e

In de eerste helft van de 20 eeuw wordt aangrenzend ten zuidwesten van het plangebied een woning gerealiseerd. Deze woning is op de kaart van 1967 weer verdwenen. In het plangebied wordt ten noorden van de woning enkele bijgebouwen gerealiseerd. Tevens wordt ten oosten van het plangee bied een tuinbouwkas gebouwd. Aan het eind van de 20 eeuw wordt de bebouwing in het plangebied gesloopt. Het plangebied wordt volledig in gebruik genomen als landbouwgrond. Ten westen van het plangebied wordt in de jaren ’80 bebouwing gerealiseerd. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.

32 33

Beeldbank Cultureelerfgoed. Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 11 van 21

Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Horst aan de Maas is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon mevrouw Jenniskens- van Rijswick), wat geen aanvullende relevante informatie heeft opgeleverd. Op basis van de historische kaarten is het duidelijk dat het zuidelijke deel van het plangebied al vanaf e 1842 is bebouwd. Over het algemeen heeft een gemeentelijke archief geen informatie uit de 19 eeuw beschikbaar. Er is ook geen sloopvergunning bekend. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange34 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Middelhoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf:

Zuidwestelijke deel: Onder het antropo-

34

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 12 van 21

kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

geen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijke deel: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Zuidwestelijk deel: Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen Noordoostelijk deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op de flank van een hoge dekzandrug, nabij een beekdal, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum en de Middeleeuwen. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties 35 was ook drinkwater bereikbaar. Als er naar de landschappelijke situatie van het plangebied wordt gekeken, bevindt zich in het water op een afstand van circa 400 meter van het plangebied. Over het algemeen wordt dit als een te grote afstand beschouwd. Ook ligt het niet op een gradiëntzone.

In de omgeving zijn vuurstenen artefacten aangetroffen uit het Paleolithicum en Mesolithicum. Enkele van deze vondsten zijn aangetroffen op een vergelijkbare landschappelijke situatie. Hierdoor zijn resten van de jagers-verzamelaars niet uit te sluiten in het plangebied. De archeologische verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum is middelhoog. Voor de landbouwers zijn er andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bo36 dem en een goede afwatering van belang. De locatie op een hoge dekzandrug en nabij een beekdal is een geschikte locatie voor bewoning en activiteiten zoals akkerbouw en veeteelt. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd uit deze periodes. Waarschijnlijk is dit te wijten aan het feit dat er weinig archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Ondanks de afwezigheid van de vondsten, geldt er een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen vanwege de landschappelijke locatie. Vanaf de Late-Middeleeuwen zijn er schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en e archeologische gegevens kunnen aanvullen.

Vanaf de 13 eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. In de omgeving van het plangebied zijn enkele vondsten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Deze 35 36

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 13 van 21

vondsten kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan bewoning. Er zijn geen sporen aangetroffen. Dit is echter te verklaren door het feit dat er nog geen gravende onderzoeken zijn uitgevoerd. Het zuidwestelijke deel van het plangebied ligt in een AMK-terrein dat betrekking heeft op de historische kern van Melderslo. Op de historische kaarten is zichtbaar dat het zuidwestelijke deel van het plangee bied al minstens vanaf het begin van de 19 eeuw is bebouwd. Deze bebouwing is in de jaren ’80 gesloopt. Het overige deel van het plangebied is in gebruik geweest als woonerf en landbouwgrond. Mogelijk zijn er nog resten van dit historische gebruik aanwezig in het plangebied. Er geldt een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. In het zuidwestelijke deel worden de archeologische resten verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd.

Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. In het noordoostelijke deel worden de archeologische resten direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiingen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het zuidwestelijke deel van het plangebied is in het verleden bebouwd geweest. Het overige deel is gebruikt als landbouwgrond. Door bouw-, sloopactiviteiten en ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van de bekende gegevens geldt er een hoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke locatie, dichtbij open water, was een geschikte locatie voor de jagers-verzamelaars. In de omgeving zijn ook enkele vondsten van de jagers-verzamelaars aangetroffen. Voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen was het een geschikte locatie voor bewoning en de bijhorende activiteiten. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Ook zijn er meerdere vondsten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Mogelijk kunnen deze gerelateerd worden op bewoning. Het zuidwestelijke deel ligt in een AMK-terrein dat betrekking heeft op de historische kern van Melderslo. Op basis van de historische kaarten is duidelijk dat het zuidwestelijke deel van het plangee bied is bewoond vanaf het begin van de 19 eeuw en mogelijk al eerder. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Rapport 8509.003 versie 1

Pagina 14 van 21

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. In dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822227/1