05c.1 Toelichting bijlage
Tekst van het document
in een actuele woningbehoefte in de gemeente Horst aan de Maas van ruim 1.300 woningen (tabel 5).
Tabel 6: Plancapaciteit gemeente Horst aan de Maas en woonregio's Venlo en Venray Plancapaciteit
Tabel 5: Restbehoefte tot 2031
Gemeente Horst aan de Maas
Woonregio’s Venlo en Venray
Netto plancapaciteit hard
384
2.965
Behoefte
Opgeleverd in 2021
Rest behoefte
Netto plancapaciteit zacht
960
2.886
Horst aan de Maas
1.410
106
1.304
Netto plancapaciteit totaal
1.344
5.851
Woonregio’s
6.346
1.027
5.319
Ruimte totale plancapaciteit (rest behoefte minus totale plancapaciteit)
-40
-532
Ruimte harde plancapaciteit (rest behoefte minus harde plancapaciteit)
920
2.354
Voor de opgeleverde plannen in de woonregio’s Venlo en Venray is de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg geraadpleegd. De gegevens voor Horst aan de Maas zijn daarbij vervangen door de cijfers zoals aangeleverd door de gemeenten. Geconcludeerd wordt dat er in 2021 in beide woonregio’s circa 1.027 woningen zijn gerealiseerd. Plancapaciteit
dat diverse zachte plannen uiteindelijk niet tot uitvoering worden gebracht. Indien uitsluitend wordt gekeken naar de harde plancapaciteit, blijkt dat er nog ruimte bestaat om ruim 900 woningen toe te voegen aan de harde plancapaciteit.
Tabel 6 toont een overzicht van de huidige plancapaciteit binnen de gemeente Horst aan de Maas en de woonregio’s Venlo en Venray. De gegevens voor Horst aan de Maas zijn op basis van gemeentelijke cijfers (Overzicht fasering projecten, februari 2022), omdat de gegevens in de plancapaciteitsmonitor nog niet actueel zijn (de gemeente is op dit moment bezig met het actualiseren van de gegevens). De gegevens voor beide woonregio’s zijn op basis van de plancapaciteitsmonitor Limburg, waarbij de cijfers voor Horst aan de Maas zijn gecorrigeerd.
Voorliggend initiatief is reeds onderdeel van de zachte plancapaciteit, bovenstaande gegevens geven nadrukkelijk aanleiding om het initiatief toe te voegen aan de harde plancapaciteit. Zeker aangezien er in de kern Meterik een behoefte is van 75 woningen tot 2030 en er nog onvoldoende harde plancapaciteit is (8) om in deze behoefte te voorzien. Er is nog ruimte om 67 woningen toe te voegen. Met de realisatie van 110 woningen overschrijdt het initiatief de lokale behoefte. Echter, in de kern Horst zijn er onvoldoende plannen om in de behoefte te voorzien. Dit betekent dat het initiatief Meteriks Veld 2 door de nabijheid tot Horst ook een deel van de woningbehoefte van Horst op kan vangen.
De totale plancapaciteit in de gemeente Horst aan de Maas (hard en zacht) bedraagt per saldo (toevoegingen én onttrekkingen) 1.344 woningen. Afgezet tegen de actuele woningbehoefte (1.304) blijkt dat de totale plancapaciteit voldoende is om in de behoefte te voorzien. Het is echter van belang om te kijken naar de harde plancapaciteit. Ervaring leert namelijk
Voor de woonregio’s Venlo en Venray geldt een vergelijkbaar beeld. De totale plancapaciteit is voldoende om in de behoefte te voorzien, maar er is nog ruimschoots behoefte om plannen toe te voegen aan de harde plancapaciteit.
maandag 27 juni 2022
Conclusie kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 110 woningen voorziet nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte: De regio Noord-Limburg vindt het van belang dat de plancapaciteit in lijn is met de huishoudensprognose, zodat er kan worden gebouwd naar reële behoefte. Het aantal huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas neemt tot 2031 toe met ruim 1.400, een stijging van circa 7,7%. De aanzienlijke behoefte in de gemeente Horst aan de Maas wordt onderschreven in het gemeentelijke Masterplan Wonen. Daarin wordt alleen al tot 2025 ingezet op de bouw van circa 1.000 extra woningen. Het aantal huishoudens neemt relatief meer toe dan het inwonertal, wat betekent dat de gemiddelde omvang van huishoudens de komende jaren afneemt. Dit sluit aan bij de landelijke trends van individualisering en vergrijzing (toename van een- en tweepersoonshuishoudens). De huishoudensontwikkeling geeft een reëel beeld van de woningbehoefte. Wanneer de actuele woningbehoefte (rekening houdend met opgeleverde woningen in 2021) wordt afgezet tegen de bestaande harde plancapaciteit blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas onvoldoende harde plancapaciteit is om in de behoefte te voorzien. Rekening houdend met bestaande harde
10
Advies Ladder voor Duurzame Verstedelijking Meteriks Veld 2
woningbouwplannen (eigen gegevens gemeente Horst aan de Maas) is er nog ruimte voor ruim 900 woningen op gemeenteniveau, waarvan 67 woningen in de kern Meterik en 324 woningen in de kern Horst dienen te landen. Met de realisatie van 110 woningen in Meterik overschrijdt het initiatief de lokale behoefte. Gezien de nabijheid van Meterik tot Horst is het echter logisch dat Meterik als overloopgebied functioneert en een deel van de woningbehoefte van Horst opvangt. Oftewel: er is voldoende planologische ruimte om de 110 woningen toe te voegen. Het beeld in de woonregio’s Venlo en Venray is vergelijkbaar. Afgezet tegen de harde plancapaciteit bestaat nog ruimte voor circa 2.350 extra woningen.
B1.4 Kwalitatieve behoefte In deze paragraaf is de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Dit is gedaan aan de hand van onder meer landelijke trends en ontwikkelingen, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, CBS (2022) en Woningbehoefte onderzoek per kern gemeente Horst aan de Maas (Stec groep, 2020). Daarmee is ook het bestaande kwalitatieve aanbod en vraag betrokken in het onderzoek en is het initiatief op basis van deze resultaten afgewogen, conform de richtlijnen van de ladder. Landelijke trends en ontwikkelingen
De woningbehoefte in Nederland neemt op veel plekken toe en blijkt bovendien veel groter dan voorheen aangenomen. In tegenstelling tot eerdere onderzoeken verspreid de behoefte zich over grotere delen van het land, ook in de periferie. Landelijk gezien is nadrukkelijk sprake van een aantal trends, zo ook in de gemeente Horst aan de Maas.
2
Provincie Limburg (2020), Limburgse Agenda Wonen 2020-2023.
maandag 27 juni 2022
3
De woningmarkt zit voor veel doelgroepen op slot. Zeker voor starters op de woningmarkt is het lastig om een geschikte én betaalbare woning te vinden. De huizenprijzen zijn de afgelopen jaren explosief gestegen, maar tegelijkertijd beschikken starters doorgaans over beperkte financiële middelen. Een groot deel van de woningmarkt is daardoor onbereikbaar. Het aanbod is bovendien beperkt, huizen staan vaak kort in de verkoop en (stevig) overbieden is meer regel dan uitzondering. Ook de zogenaamde ‘middeninkomens’ hebben het lastig. Deze groep komt doorgaans niet in aanmerking voor sociale huur, maar heeft onvoldoende financiële middelen voor de meeste koopwoningen. Deze groep is veelal aangewezen op de vrije huursector. Om de positie van middeninkomens te verbeteren zijn veel meer betaalbare woningen nodig, zowel huur als koop. Veel gemeenten kampen met vergrijzing waardoor het aantal ouderen (fors) toeneemt. Op veel plekken wordt al gesproken van ‘dubbele vergrijzing’. Inwoners worden niet alleen ouder, maar ouderen blijven ook langer zelfstandig thuis wonen. Dit is enerzijds ingegeven vanuit persoonlijke voorkeuren, anderzijds heeft het ook te maken met veranderende wet- en regelgeving. Hierdoor neemt de behoefte aan levensloopbestendige woningen stevig toe, dan wel woningen die op termijn levensloopbestendig te maken zijn.
Vergrijzing zorgt tevens voor een toename van kleinschalige huishoudens (één- en tweepersoons). Kleinschalige huishoudens nemen bovendien toe door individualisering in de samenleving. De toename van kleinschalige huishoudens resulteert in een grotere behoefte aan kleinere woonproducten zoals appartementen.
Provinciale behoefte Provinciaal wordt een tekort geconstateerd in de specifieke segmenten voor ouderen, (sociale) huurders, middeninkomens, kwetsbare groepen en spoedzoekers2. Daarnaast is de doorstroming beperkt. De vergrijzing in Limburg en het rijksbeleid om het zelfstandig wonen te bevorderen, heeft grote gevolgen gehad voor de doorstroming. De behoefte aan zelfstandige woningen en nieuwe woonconcepten voor ouderen is daarom groot. Op dit moment geldt dat ouderen noodgedwongen in hun (vaak te grote) woning blijven wonen, vanwege het ontbreken van een alternatief. Als dat alternatief er wel is, komen bovengenoemde woningen eerder vrij en wordt de doorstroom op de woningmarkt bevorderd.
Figuur 4: Kwalitatieve woonopgave (Woonmonitor)
Figuur 4 toont een globaal beeld van de toekomstige ontwikkeling van Limburgse Huishoudens3. In lijn met de eerder genoemde vergrijzing volgt ook uit de figuur dat het aantal huis-
Provincie Limburg (2021), Woonmonitor 2021.
11
Advies Ladder voor Duurzame Verstedelijking Meteriks Veld 2
houdens ouder dan 75 de komende jaren stevig zal toenemen. Het aantal huishoudens met kinderen blijft redelijk stabiel, maar onverminderd op een hoog niveau. De overige huishoudens nemen af, waarbij het aantal huishoudens zonder kinderen in de leeftijdscategorie tussen 35 en 75 jaar desondanks het hoogst blijft. De kwalitatieve behoeftevraag is tevens vertaald naar specifiek woonsegmenten. In Noord-Limburg is sprake van een tekort aan sociale huur, vrije sector huur en koopwoningen, met nadrukkelijk de focus op appartementen en nultredenwoningen (levensloopbestendig). Dit beeld geldt voor de regio als geheel, lokaal kunnen er verschillen optreden. Regionale behoefte In de regionale Woonvisie Noord-Limburg wordt op hoofdlijnen tevens aandacht besteed aan kwalitatieve behoeften op de woningmarkt4. Anno 2020 hebben mensen verschillende woonwensen en willen ze op verschillende manieren met elkaar samenleven. De tijd van het (standaard) rijtjeshuis of de (standaard) tweekapper is voorbij. Steeds vaker zijn er initiatieven voor het transformatie van bestaand vastgoed, waarbij doorgaans appartementen worden gerealiseerd. Een van de centrale opgaven in de regionale woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad: Bij nieuwbouw gaat de voorkeur uit naar toekomstbestendige en flexibele woonconcepten.
Doordat er verschuivingen plaatsvinden in de demografische samenstelling van de bevolking (o.a. vergrijzing) verandert ook de kwalitatieve woonbehoefte. Er is een toenemende behoefte aan (levensloopbestendige) nultredenwoningen en appartementen. Er ontstaan op termijn overschotten in de niet-levensloopbestendige 4
Atrivé (2020), Regionale Woonvisie 2020-2024.
maandag 27 juni 2022
grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. In algemene zin is veel behoefte aan woningen voor starters en ouderen. Meer woningen voor ouderen zijn niet alleen een directe invulling van een behoefte door ouderen, maar het bevordert tevens de doorstroming op de woningmarkt. Gelet op de aanzienlijk behoefte aan woningen voor ouderen, wordt bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet op levensloopbestendige woningen.
De regio kiest ervoor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. Hiermee wordt bedoelt dat Progneff/Etil de basis vormt, maar dat (indien kwalitatief wenselijk) er ruimte blijft om de ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Relevante uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen. Gelet op de toekomstige samenstelling van onze bevolking streven we ernaar om woningen dichtbij voorzieningen te realiseren. Ook in kleine kernen biedt de gemeente mogelijkheden om woningen toe te voegen ten behoeve van de leefbaarheid. Door de juiste woningen (levensloopbestendige woningen) toe te voegen aan de voorraad, komen bestaande woningen vrij voor starters en/of (jonge) gezinnen. Bij nieuwbouw is het dus essentieel de toekomstbestendigheid van die woningen in het oog te houden. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. Alleen woningen toevoegen waaraan behoefte is, nu en in de toekomst. Denk hierbij aan een mix van sociale- en middenhuur, levensloopbestendige woningen en andersoortige toekomstbestendige woonconcepten.
5
Er zijn diverse redenen om aan te nemen dat de behoefte aan vrijesectorhuur aanwezig is en blijft in Noord-Limburg. Hierbij ligt de nadruk op het middensegment. Er is geen landelijke eenduidige definitie van middenhuur. Als ondergrens kan de liberalisatiegrens van de sociale huursector worden gehanteerd (> € 737,- /prijs per 01-07-2019). Als bovengrens wordt vaak circa € 1.000,- gebruikt. Gemeentelijke behoefte De structuurvisie Horst aan de Maas 2013 (opnieuw vastgesteld in 2019) stelt ten aanzien van kwalitatieve woningmarktaspecten dat: Doelgroepen die bijzondere aandacht krijgen zijn senioren en, in mindere mate, starters. De verdeling van nieuwbouw over de dorpen is op hoofdlijnen: 20% starters, 30% gezinnen (doorstromers) en 50% senioren, een en ander in overleg met de dorpsraden. Bij uitbreidingslocaties voor woningbouw is de ambitie 30% van de nieuw te bouwen woningen in de sociale (huur- en/of koop)sector te realiseren. De gemeentelijke woonvisie is het meest concreet ten aanzien van de kwalitatieve woningbehoefte5. 30% van alle nieuwbouw betreft woningen voor sociale huur. Dit zijn woningen bestemd voor allerlei huishoudens: jongeren, gezinnen en senioren met een laag inkomen. De behoefte naar sociale huur verschilt sterk per kern. Daar houdt de gemeente Horst aan de Maas rekening mee. 30% van de nieuwbouw worden vrije sector huurwoningen.
Dit segment is vooral interessant voor senioren (zij verkiezen in toenemende mate huur boven koop) of voor starters en jonge gezinnen met een middenin-
Gemeente Horst aan de Maas (2021), Masterplan Wonen 2021-2025.
12
Advies Ladder voor Duurzame Verstedelijking Meteriks Veld 2
komen. Een ander argument voor huur in deze categorie is ‘flexibiliteit’. Steeds meer mensen willen de vrijheid hebben om makkelijk te kunnen verhuizen, zonder de risico’s van een koopwoning. De overige 40% worden koopwoningen en dan vooral betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen zoals appartementen, grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond en eengezinswoningen die later relatief eenvoudig getransformeerd kunnen worden tot nultredenwoningen. De vraag naar traditionele eengezinswoningen in het duurdere koopsegment zal op termijn stabiliseren of zelfs dalen. Bestaande woningen voorzien al grotendeels in deze behoefte. Daarom wordt terughoudend omgegaan met de nieuwbouw van dit segment.
Figuur 5 toont dat de behoefte aan verschillende woonsegmenten in de gemeente Horst aan de Maas tot 2030 geleidelijk omslaat. Tot 2025 is nog sprake van vraag naar grondgebonden woningen in alle segmenten, sociale huur, vrije sector huur en koopwoningen. Vanaf 2025 is naar verwachting geen vraag meer naar grondgebonden koop en omstreeks 2030 is naar verwachting uitsluitend nog behoefte aan grondgebonden sociale huurwoningen. De behoefte aan appartementen en nultredenwoningen (levensloopbestendig) binnen de vrije huursector en koopsector blijft de komende jaren redelijk stabiel,
zie de groene en paarse staven in figuur 5). Tegelijkertijd neemt de behoefte aan sociale huurappartementen en nultredenwoningen (levensloopbestendig) tot 2030 stevig toe. Tevens is in het onderzoek van Stec Groep (2020) een onderscheid gemaakt op kernniveau. Daaruit komt het volgende naar voren. De vraag naar sociale huurwoningen is in de meeste kernen relatief beperkt. Alleen in de grootste kernen, Horst en Sevenum, is sprake van een substantiële vraag naar sociale huur.
In 2020 heeft de gemeente Horst aan de Maas een woningbehoefte-onderzoek laten uitvoeren door Stec Groep6. Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte wordt geconcludeerd: De sterkste groei zal plaatsvinden onder huishoudens ouder dan 65. Dit heeft alles te maken met vergrijzing en dit vertaalt zich in een sterke vraag naar nultredenwoningen (levensloopbestendig). Deze vraag is het grootst in het koopsegment, maar in minder mate ook in de vrije- en sociale huursector. Tegelijkertijd is (in mindere mate) ook sprake van een aanhoudende vraag naar reguliere grondgebonden woningen. Deze vraag komt met name van jonge huishoudens en gezinnen, die naar verwachting tot 2030 blijven toenemen. Bovendien is ook een deel van de groeiende groep ouderen nog vitaal en wil graag in een reguliere grondgebonden woning blijven wonen.
Figuur 5: Ontwikkeling behoefte woonsegmenten Horst aan de Maas 6
Stec Groep (2020), Woningbehoefte per kern Horst aan de Maas.
maandag 27 juni 2022
13
Advies Ladder voor Duurzame Verstedelijking Meteriks Veld 2
In vrijwel alle kernen is de vraag naar levensloopbestendige nultredenwoningen dominant en dan met name in de koopsector. Dit komt doordat het aantal 65plushuishoudens in elke kern fors toeneemt. Specifiek voor de kern Meterik is er (lichte) vraag naar alle woningtypen. Het aandeel 65-plussers groeit met +50% in Meterik. Doordat er in vrijwel alle doelgroepen een lichte groei ontstaat is er een (lichte) vraag naar alle woningtypen. De vraag van ouderen gaat primair uit naar nultredenwoningen, waarbij er vraag is naar zowel sociale- en vrijesectorhuur als koop. Door de lichte stijging bij andere doelgroepen ontstaat er een lichte vraag naar reguliere grondgebonden (koop)woningen. De Dorpsplannen Wonen gaan hier verder op in, maar deze zijn nog niet definitief vastgesteld.
Een belangrijke conclusie uit het onderzoek van Stec Groep (2020) is om in te zetten op levensloopbestendig bouwen en het bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt. Op korte termijn is nog vraag vanuit starters en gezinnen voor reguliere grondgebonden koopwoningen, maar dit slaat op termijn om in overschotten. Door woningen voor ouderen te realiseren wordt enerzijds de doelgroep direct bedient, maar indirect bevordert het ook de doorstroom op de woningmarkt. Ouderen die verhuizen laten weer een andere (doorgaans grondgebonden) woning achter enzovoort. Op die manier ontstaat een langere verhuisketen dan wanneer uitsluitend starterswoningen worden gerealiseerd. Bij nieuwbouw moet tevens goed worden ingezet op écht levensloopbestendige woningen. Woningen die qua omvang en uitstraling interessant zijn voor starters, maar tegelijkertijd ook volledig geschikt zijn (of geschikt te maken) voor ouderen. 7
Provincie Limburg, Dataportaal Wonen en Demografie, geraadpleegd in februari 2022.
maandag 27 juni 2022
Stec Groep heeft ook een analyse gemaakt van de behoefte door specifieke doelgroepen op basis van woonmilieu, leeftijd, inkomen en samenstelling van huishoudens. Daaruit blijkt het volgende. De grootste toename van huishoudens tot 2030 betreft suburbane senioren. Deze groep heeft behoefte aan een dorps woonmilieu en beschikt doorgaans over een relatief laag inkomen. Ook de groep ruim(t)e genieters / zilveren rand neemt stevig toe. Deze groep heeft eveneens behoefte aan een dorps woonmilieu, maar beschikt over een gemiddeld tot hoog inkomen. Twee andere doelgroepen die aanzienlijk toenemen zijn landelijke eenvoud en landelijke luxe. Beide doelgroepen zijn op zoek naar een landelijk woonmilieu, waarbij landelijke eenvoud over een relatief laag inkomen beschikt en landelijke luxe over een gemiddeld tot hoog inkomen. Kwalitatief aanbod Volgens CBS (2022) telt gemeente Horst aan de Maas in 2020 ruim 17.900 woningen. Circa 76% van de woningen betreft koopwoningen, circa 15,5% sociale huur en circa 8,5% vrije sectorhuur. Ten opzichte van het provinciale en landelijke gemiddelde is voorraad koopwoningen relatief hoog. Dit past echter bij het overwegend landelijke karakter van de gemeente. Bijna 90% van de woningvoorraad betreft eengezinswoningen. Ook dit is relatief hoog ten opzichte van het provinciale en landelijke gemiddelde.
Tegelijkertijd sluit ook deze verhouding aan bij het landelijke karakter van de gemeente Horst aan de Maas.
8
De kleinere kernen America, Meterik en Kronenberg hebben relatief veel eengezinswoningen, primair in het koopsegment.
Het dataportaal Wonen en Demografie van de provincie Limburg maakt tevens een onderscheid naar type woningen7. Ruim 35% van de woningen betreft vrijstaande woningen, ruim 28% betreft tweekappers, ruim 21% rijwoningen en ruim 10% betreft appartementen. De rest betreft overige woonvormen. Deze verdeling kan worden verwacht in een landelijke gemeenten als Horst aan de Maas en woonkernen met relatief veel ruimte. Plancapaciteit Er is vanuit de plancapaciteitsmonitor provincie Limburg openbare informatie bekend over de kwalitatieve plancapaciteit in de gemeente Horst aan de Maas. Dit geeft, echter, geen representatief beeld omdat vanuit de gemeente aangegeven is dat deze gegevens door de gemeente zelf niet geactualiseerd is. De gemeente is op dit moment (juni 2022) bezig met een actualisatie van de plancapaciteitsmonitor. Leegstand Een gezonde woningmarkt kent een leegstand van circa 2%. Deze frictieleegstand is van belang om de dynamiek binnen de woningmarkt op te kunnen vangen. De woningleegstand in de gemeente Horst aan de Maas is circa 2% en is daarmee nagenoeg gelijk aan de frictieleegstand8. De woonregio Noord-Limburg kent een woningleegstand van ca. 3%. De beperkte leegstand is een beeld dat past bij de huidige krapte op de woningmarkt.
CBS, Landelijke Monitor Leegstand, geraadpleegd in februari 2022.
14
Advies Ladder voor Duurzame Verstedelijking Meteriks Veld 2
Gezien de beperkte leegstand en de krapte op de woningmarkt is het reëel om te veronderstellen dat het effect van het beoogde initiatief beperkt zal zijn. Te meer aangezien de behoefte groot is.
Conclusie kwalitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling Meteriks Veld 2, waarbij verschillende woningtypen worden gerealiseerd in de verhouding 30/10/60, voorziet in een kwalitatieve behoefte: Door de demografische ontwikkeling is in heel NoordLimburg nadrukkelijk behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Daarbij kan gedacht worden aan grondgebonden levensloopbestendige woningen (seniorenwoningen), maar ook aan gestapelde levensloopbestendige woningen (appartementen met lift). Op de korte termijn is echter nog altijd sprake van behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zoals rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Te meer omdat dit de gewenste doorstroom op de woningmarkt bevordert. Deze vraag komt met name van jonge huishoudens en gezinnen, die naar verwachting tot 2030 blijven toenemen. Bovendien is ook een deel van de groeiende groep ouderen nog vitaal en wil graag in een reguliere grondgebonden woning blijven wonen. Met de realisatie van grondgebonden woningen in diverse prijsklassen voorziet het initiatief in deze behoefte. Ook de woningbehoefte onder starters is groot. Starters hebben vaak beperkte financiële middelen. De behoefte onder starters varieert van huur- en koopwoningen in het goedkope tot middeldure segment. Een andere manier om de woningmarkt voor starters toegankelijker te maken is om de doorstroom te bevorderen.
Dit betekent het toevoegen van woningen voor ouderen of gezinnen, zodat deze kunnen doorstromen en plek vrijmaken voor starters. Het initiatief draagt hier aan bij door vrijstaande woningen, tweekappers en rijwoningen te realiseren.
maandag 27 juni 2022
De positie van ‘middeninkomens’ op de woningmarkt staat landelijk onder druk, zo ook in Horst aan de Maas. Deze groep is nu veelal aangewezen op de vrije huursector. Om de positie van middeninkomens te verbeteren zijn veel meer betaalbare woningen nodig, zowel huur als koop. Aan deze behoefte kan invulling worden gegeven door de toevoeging van huur en koopwoningen in het middeldure segment, hier voorziet het initiatief Meteriks Veld 2 in door een deel van de huur- en koopwoningen in dit segment te realiseren. De richtlijn bij nieuwbouwontwikkelingen in Horst aan de Maas is 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koopwoningen. Op basis van behoefteonderzoek (woonenquête) en prognoses is de inschatting dat voor Meteriks Veld 2 het aandeel markthuurwoningen kan worden verlaagd van de in het Masterplan Wonen opgenomen 30% naar 10%. De verdeling is dan 30/10/60. Specifiek is in de kern Meterik een (lichte) vraag naar alle woningtypen aangezien vrijwel alle doelgroepen een lichte groei laten zien. Daardoor ontstaat vraag naar nultredenwoningen (ouderen), maar ook reguliere grondgebonden (koop)woningen.
15
Bijlage 3 Bodemonderzoek
Bestemmingsplan "Meteriks veld 2 te Meterik" (ontwerp)
55
Meterik te Horst aan de Maas MA210003.007.R01. V1.0 11 mei 2022
Meterik te Horst aan de Maas Rapportnummer MA210003.007.R01.V1.0 11 mei 2022
Opdrachtgever Geonius Infra BV Postbus 1097 6160BB Geleen
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Adviseur milieu
Mevrouw A. Vente
Projectleider milieu
De heer L. Riga
MA210003.007.R01.V1.0
Paraaf
2 van 27
Inhoud 1
Inleiding ..........................................................................5
2
Achtergrondinformatie ............................................. 6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.9.1 2.10 2.10.2 2.10.3 2.10.4
Algemeen 6 Situering onderzoekslocatie 6 Historie 6 Vergunningen 7 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie 7 PFAS 9 Ontplofbare oorlogsresten (OO) 9 Archeologie 9 Terreininspectie/interview(s) 9 Terreininspectie ...................................................................................................................................... 9 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 10 Bodem ........................................................................................................................................................ 11 PFAS ........................................................................................................................................................... 11 Asbest in bodem/puin .......................................................................................................................... 12
3
Veldwerk en analyses............................................... 13
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Onderzoeksprogramma Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Veldwerk verkennend bodemonderzoek Bodemprofiel Watermonstername Veldwerk verkennend asbestonderzoek
4
Analyseresultaten ...................................................... 18
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6
Toetsingskader 18 Wet bodembescherming...................................................................................................................... 18 Handelingskader PFAS ........................................................................................................................ 18 Besluit en Regeling bodemkwaliteit ............................................................................................... 18 Asbest in bodem/puin .......................................................................................................................... 18 Asfalt .......................................................................................................................................................... 19 Veiligheidsmaatregelen CROW 400................................................................................................. 19
5
Asfalt ............................................................................. 20
5.1 5.1.1 5.2 5.3
Veldwerk 20 Dikte asfalt .............................................................................................................................................. 20 Analyseresultaten 20 Interpretatie 21
6
Grond en grondwater ............................................... 22
MA210003.007.R01.V1.0
3 van 27
13 14 14 15 15 15
6.1.1 6.1.2 6.1.3
Milieuhygiënische analyses ............................................................................................................. 22 Bodem ....................................................................................................................................................... 22 Asbest ....................................................................................................................................................... 24
7
Conclusies en aanbevelingen ............................... 26
7.1 7.2
Conclusies Aanbevelingen
26 27
Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening
MA210003.007.R01.V1.0
4 van 27
1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Geonius Geotechniek BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie “nieuwbouwplan Meterik” Aanleiding voor dit verkennend bodemonderzoek vormt het nieuwbouwplan ‘Meterik’ te Horst en de hiermee samenhangende geplande graafwerkzaamheden waarbij tot een diepte van maximaal 3 m‐mv zal worden gegraven. Hierbij zullen grond en diverse materiaalstromen vrijkomen. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw‐ en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V.
en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN‐ EN‐ISO 9001:2015, NEN‐EN‐ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven.
Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.
MA210003.007.R01.V1.0
5 van 27
2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.
2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een landbouwperceel in de gemeente Horst aan de Maas. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Het nieuwbouwplan heeft een totale oppervlakte van circa 56.250 m2 en is opgedeeld in de volgende deellocaties: ‐ Sint Jansstraat (weg, asfalt, 500 m2); ‐ Meteriksveld (weg/parkeervakken, klinkers, 350 m2); ‐ Nieuwe riooltracé (landbouwgrond 3.900 m2 (3m x 1.300m1) ‐ Overig terrein (landbouwgrond 51.500 m2) Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Sint Jansstraat
Meteriksveld
2
Oppervlakte
Nieuwe riooltracé
2
2
Overig terrein
Circa 500 m
Circa 650 m
Circa 3.900 m
Circa 51.500 m2
Circa 26 m + NAP
Circa 26 m + NAP
Circa 26 m + NAP
Circa 26 m + NAP
X: 199553, Y: 385561
X: 199553, Y: 385561
X: 199553, Y: 385561
X: 199553, Y: 385561
onderzoekslocatie Maaiveldhoogte X‐coördinaat,
Y‐
coördinaat
De bovengenoemde deellocaties zijn perceel overschrijdend. Kadastrale gegevens Kadastrale
Gemeente
aanduiding
sectie O, nummer
sectie O, nummer
sectie O, nummer
sectie O, nummer
sectie M, nummer
345
356
355
1670
1337
Oppervlakte
2
17.950 m
Horst,
Gemeente
2
24.430 m
Horst,
Gemeente
2
10.170 m
Horst,
Gemeente
2
8.362 m
Horst,
Gemeente
Horst,
4.995 m2
kadastrale percelen
2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de onderzoekslocatie voor het eerst is weergeven op de eerste topografische kaart van 1823. Hierop is de locatie braakliggend/in gebruik als natuur. Pas op de kaart van 1850 is de bebouwing weergeven van de huidige plaats Meterik. Ter plekke van de onderzoekslocatie
MA210003.007.R01.V1.0
6 van 27
is geen bebouwing weergeven en is het terrein in gebruik als akker die doorkruist wordt met een openbare weg. Omstreeks 1979 is deze openbare weg niet meer weergeven. Sindsdien hebben ter plekke van de onderzoekslocatie geen significante wijzigingen voorgedaan. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal zijn opgenomen in onderstaande Figuur 2.1. 1850
1918
1979
2021
Figuur 2.1: uitsneden historische kaarten
2.4 Vergunningen Voor de onderzoekslocatie zijn geen vergunningen afgegeven in het kader van de voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen, Sloopvergunningen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT‐archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.2 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld.
MA210003.007.R01.V1.0
7 van 27
Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en ‐kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m‐mv
Omschrijving
Opmerkingen
[0 ‐ 6]
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
[6 ‐ 17]
Formatie van Beegden
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
[> 17]
Kiezeloöliet Formatie
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig klei, zandige klei, fijn zand en grind en een spoor bruinkool
Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater
Circa 23,65 m + NAP / Circa 2,55 m‐mv
Stromingsrichting grondwater
Zuidelijk
Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie
Nee
Het voorkomen van brak of zout grondwater
Nee
Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied
Nee
Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving
Nee
Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie
Nee
Bodemkwaliteitskaart Kenmerk, datum
Omschrijving
Provincie Limburg‐Noord
Sweco, kenmerk 349858, d.d. 24‐05‐2019
Deelgebied
Landbouw/natuur
Bodemfunctieklasse
Landbouw/natuur
Ontgravingsklasse
Bovengrond (0‐0,5 m‐mv): Landbouw/natuur Ondergrond (0,5‐2,0 m‐mv): Landbouw/natuur
PFAS PFAS‐bodemkwaliteitskaart
Regio
Sweco, kenmerk: 370570, d.d. 03‐09‐2020
Limburg Noord Bodemfunctieklasse Ontgravingsklasse
Landbouw/natuur Bovengrond (0‐0,5 m‐mv): Landbouw/natuur Ondergrond (0,5‐2,0 m‐mv): Landbouw/natuur
Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Auteur, kenmerk, datum
Omschrijving
Aelmans, E186649.007/HWO, d.d. 01‐
Verkennend bodem‐ en asbestonderzoek Sint Jansstraat 13 te Meterik (gemeente Horst aan
03‐2019
de Maas)
Aanleiding tot de uitvoering van het onderzoek vormt de beoogde eigendomsoverdracht van het te onderzoeken perceel. Het te onderzoeken terrein betreft momenteel een voormalig agrarisch bedrijf.
In totaal zijn een 15‐tal boringen veelal in combinatie met asbestinspectiegaten systematisch verdeeld over de onderzoekslocatie. Tijdens het plaatsen van de boringen is uitsluitend ter
MA210003.007.R01.V1.0
8 van 27
plaatse van de boringen 7 en 7a een afwijkende laag aangetroffen bestaande uit nagenoeg pure pannenschrot. Dit pakket is circa 35 centimeter dik. Onder voornoemde fundatielaag bevindt zich de oorspronkelijke grond.
Analytisch is enkel plaatselijk in de bovengrond (0,0‐0,65 m‐mv) lichte verontreinigingen aangetoond van PAK, PCB en minerale olie. In de rest van de boven‐ en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond van xylenen en naftaleen.
Ter hoogte van de kippenstal wordt in de druppelzone rondom de stal een asbestgehalte van 77 mg/kgds aangetoond.
2.6 PFAS In opdracht van Provincie Limburg is een historisch onderzoek uitgevoerd naar specifieke PFAS‐verdachte locaties binnen de gehele provincie. Hierbij is een inventarisatie gemaakt op basis van UBI‐codes. Onderhavige onderzoekslocatie komt in deze inventarisatie niet naar boven. Onderhavige onderzoekslocatie is derhalve geen verdachte locatie (puntbron) voor PFAS, waardoor geen sprake zal zijn van een bodemverontreiniging met PFAS.
2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) De onderzoekslocatie is wel gelegen in een gebied dat verdacht is voor “ontplofbare oorlogsresten”.
2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings‐ en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Horst aan de Maas blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt.
2.9 Terreininspectie/interview(s) 2.9.1 Terreininspectie Op 4 april 2022 is door de heer M. Witteveen een terreininspectie uitgevoerd. De onderzoeklocatie is grotendeels in gebruik als landbouwgrond, die ten tijde van het veldwerk braakliggend waren. Langs het adres Sint Jansstraat 23 bevindt zich een inrit richting de landbouwpercelen. De Sint Jansstraat is verhard met asfalt en het trottoir met tegels. Het gedeelte Meterikveld (rijweg en parkeervakken) is verhard met klinkers. Op de locatie zijn geen aanwijzigingen voor slootdempingen, stortplekken en andere plaatsen waar verdachte activiteiten m.b.t. bodemverontreiniging plaatsvinden. Tijdens het terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen.
MA210003.007.R01.V1.0
9 van 27
2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK‐gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat. Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/ op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Naast het “gewone” wegvak dient rekening gehouden te worden met “bijzondere weggedeelten” vakken zoals bushaltes, opstelvakken, reparatievakken, naden, etc. In onderstaande Tabel 2.3 is het minimum aantal boringen per onderzoeksvak aangegeven. Tabel 2.3: minimum aantal boringen per onderzoeksvak Situatie
Minimum aantal boringen per onderzoeksvak
Asfalt dat geheel of gedeeltelijk vóór 1995 is aangelegd Onderzoeksvak < 100 m2
1
Onderzoeksvak < 500 m2
2
Onderzoeksvak ≥ 500 m2
1 per (gedeelte van) elke 500 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) Onderzoeksvak < 1.000 m2 2
Onderzoeksvak ≥ 1.000 m
2 1 boring per (gedeelte van) elke 1.000 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Bij zeer grote homogene asfaltoppervlakten (≥ 10.000 m2) is een verminderde onderzoeksinspanning van toepassing.
Bij het plaatsen van de boringen dient volgens CROW publicatie 210 rekening te worden gehouden met onderstaande zaken: Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord. Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100 millimeter. De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt. De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x‐ en y‐coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter. In onderstaande Tabel 2.4 is het minimum te analyseren asfaltanalyses volgens CROW publicatie 210 en BRL 9320, d.d. 24 april 2009, weergegeven.
MA210003.007.R01.V1.0
10 van 27
Tabel 2.4: analysestrategie asfalt Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak
Minimum aantal analyses
Gehele werk na 1994 aangelegd èn in de PAK‐ detectorproef
0 analyses
0 ‐25 ton (alleen indien hele werk < 25 ton)
0 analyses
0‐200 ton
1 analyse
200‐1.000 ton
2 analyses
1.000‐2.000 ton
3 analyses
Elke 2.000 ton meer
1 analyse extra
Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK‐detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAK‐ detectorproeven worden uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 dient bij het samenstellen van de mengmonsters met de volgende zaken rekening te worden gehouden: Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd. Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden. De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter. Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn.
2.10.2 Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de deellocaties: riooltracé, het overige terrein (landbouwgrond) en Meteriksveld geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve is voor de onderzoekslocatie hypothese “onverdacht” van toepassing. Derhalve is voor het riooltracé en Meteriksveld respectievelijk de strategie ”onverdachte lijnvormige locatie” (ONV‐L) en “onverdachte niet lijnvormige locatie” (ONV‐NL) van toepassing. Voor het overige terrein is de strategie “grootschalig onverdacht niet lijnvormig” (ONV‐GR‐NL) van toepassing. De deellocatie St. Jansstraat wordt als verdacht beschouwd voor bodemverontreiniging vanwege de lekkages/spills vannuit motorvoertuigen en uitloging vanuit fundatiematerialen. Voor de deellocatie Sint Jansstraat wordt de bodem onder de fundatielaag / bovengrond uitgevoerd conform onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet‐lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED‐HE‐NL). De ondergrond is vooralsnog milieuhygiënisch “onverdacht”.
2.10.3 PFAS Sinds december 2021 is het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS‐houdende grond en baggerspecie” van kracht. Het Handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS‐houdende grond en
MA210003.007.R01.V1.0
11 van 27
baggerspecie. Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly‐ en perfluor alkyl‐verbindingen). Gezien hoogstwaarschijnlijk grondverzet zal plaatsvinden tijdens de realisatie van het nieuwbouwplan is het in kader van hergebruik wel noodzakelijk onderzoek te doen naar deze stofgroep. Derhalve dient het stoffenpakket in onderhavig bodemonderzoek te worden uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt deze niet op deze parameter onderzocht.
2.10.4
Asbest in bodem/puin
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de deellocaties St. Jansstraat en Meteriksveld met betrekking tot asbest in bodem de hypothese ”verdacht” van toepassing is, vanwege de aanwezigheid van mogelijke puinverhardingen. Het overige deel van de onderzoekslocatie wordt als asbest onverdacht beschouwd. Voor deze hypothese “onverdacht” zijn geen belastende bronnen/activiteiten voor asbest in bodem te verwachten op basis van het vooronderzoek. Conform de NEN 5707 is in dit geval een onderzoek naar asbest in bodem niet per definitie noodzakelijk. Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, tijdens het verkennend bodemonderzoek ook een beoordeling van de uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (puin, resten baksteen etc.) worden waargenomen. In onderhavig geval wordt voor de locatie de hypothese “onverdacht” gesteld en is aanvullend onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk. Tijdens de veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek wordt de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing en bevestiging van de hypothese niet verdacht voor asbest.
De hiervoor genoemde hypotheses wordt met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.
MA210003.007.R01.V1.0
12 van 27
3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld‐ en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem‐ en asbestonderzoek (Deel)locatie en Oppervlakte Veldwerk strategie (m2)/ lengte (m)
Analyses2) Asfalt
Grond/fundatie
Grondwater
Bovengrond: 3*standaardpakket 1* PFAS Ondergrond: 1*standaardpakket 1*PFAS Bovengrond: 1*CEN1+uitloog (fundatie) 1*standaardpakket Ondergrond: 1*standaardpakket 1*PFAS Bovengrond: 2*standaardpakket 2*PFAS Ondergrond: 2*standaardpakket 2*PFAS Bovengrond: 4*standaardpakket 4*PFAS Ondergrond: 4*standaardpakket 4*PFAS
1*standaard‐ pakket
1. St Jansstraat BG: VED‐HE‐NL OG: ONV‐NL
500 m2
Asfaltonder‐ zoek CROW210) 2 kernen
2. Meteriksveld BG/OG: ONV‐NL
350 m2
‐
3*2,0 m‐mv
2*PAK‐marker test (RAW 77.2) + laagdikte‐bepaling (RAW 77.1)\ 1*PAK in asfalt (DLC) ‐
3. Riooltracé BG/OG: ONV‐L
1.300 m
‐
22*3,0 m‐mv
‐
4.Overig terrein BG/OG: ONV‐GR‐NL
51.500 m2
‐
25*2,0 m‐mv 5*peilbuis1)
‐
500 m2
4 proefgaten (0,3*0,3)
‐
1 asbest in grond (NEN 5898)
‐
350 m2
3 proefgaten (0,3*0,3)
‐
1 asbest in grond (NEN 5898)
‐
Asbestonderzoek 1. St. Jansstraat (afgedekte fundatielagen) 2. Meteriksveld (afgedekte fundatielagen) 1)
2)
Bodem/ fundering 4*2,0 m‐mv 1*peilbuis1)
‐
‐
5*standaard‐ pakket
Op basis van geohydrologische gegevens is bekend dat binnen 5,0 m‐mv grondwater wordt aangetroffen. Grondwateronderzoek is volgens de NEN 5740 in een dergelijke situatie noodzakelijk. Conform ONV‐GR‐NL (51.500 m2) zullen 6 peilbuizen verdeeld worden over het gehele plangebied. Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som‐PCB’s, som‐PAK’s (10) en minerale olie PFAS (30 poly‐ en perfluor alkyl‐verbindingen) Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som‐xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1‐dichlooretheen, dichloormethaan, trans‐1,2‐dichlooretheen, cis‐1,2‐dichlooretheen, som 1,2‐dichlooretheen, 1,1‐dichloorethaan, chloroform, 1,1,1‐ trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2‐dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2‐dichloorpropaan, 1,1‐ dichloorpropaan, 1,3‐dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2‐trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) minerale olie
MA210003.007.R01.V1.0
13 van 27
Samenstellingspakket beperkt en uitloogproef (bouwstoffen) organische parameters (som PCB, som PAK (10) en minerale olie). schudproef met L/S=10 en analyse eluaat op pakket 15 metalen (As, Ba, Cd, Cr, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Sb, Se, Va, Zn) en 4 anionen (fluoride, bromide, chloride en sulfaat).
De chemische analyses van de grond(meng)monsters, de grondwatermonsters zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN‐EN‐ISO/IEC 17025 en AS3000‐ erkend.De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. De puin‐ en grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een geschat drooggewicht van minimaal 10 kg voor grond en minimaal 25 kg voor puin.
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5740 achttien grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740. In Tabel 6.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. De grondwatermonsters zijn conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven. Plaatselijk zijn in bodemlagen van gelijke textuur zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen aan baksteen en beton. Bij het samenstellen van de mengmonsters zijn in enkele gevallen mengmonsters samengesteld van zintuiglijk schone bodemmonsters met sporadisch met baksteen en beton geroerde bodemmonsters. Gezien het hier “homogene” bodemlagen betreft alsmede de mate van bijmengingen (gradatie sporen) betreft het hier geen afwijking op de NEN 5740 en wordt ons inziens een representatief kwaliteitsbeeld verkregen. Dit wordt gestaafd op basis van de analyseresultaten van de monsters die zijn verkregen.
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 4 t/m 8 april conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer M. Witteveen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer P. Engbers, de heer G.J. Timmer, de heer J.H.M.S. van Aart en de heer P.J. Klok. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. De boringen 321, 323 en 325 zijn ten tijde van het bodemonderzoek niet uitgevoerd gezien deze nog niet vrij waren gegeven i.v.m. ontplofbare oorlogsresten.
MA210003.007.R01.V1.0
14 van 27
Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS‐verbindingen in grond‐ en grondwater”. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.
3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor‐ en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld ter plekke van deellocatie Sint Jansstraat gedeeltelijk verhard is met asfalt en tegels en is in gebruik als openbare weg. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Onder de verhardindingslaag wordt voornamelijk tot de geboorde diepte (2,0 m‐mv) enkel zand waargenomen. In de bovengrond is plaatselijk sporen baksteen, beton asfalt en/of slakken waargenomen. Ter plekke van de deellocatie Meteriksveld is het maaiveld verhard met klinkers en is in gebruik als openbare weg/parkeerval. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Onder de klinkers is een repaclaag (0,12‐ 0,55 m‐mv) waargenomen. Onder de repaclaag is een visueel schone zandlaag waargenomen tot de maximaal geboorde diepte van 2,0 m‐mv. Ter plekke van overig terrein is het maaiveld onverhard en in gebruik als akker. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt voornamelijk zand waargenomen tot de geboorde diepte. Plaatselijk zijn restanten van metaal waargenomen in de bovengrond. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen ter plekke van de gehele onderzoekslocatie.
3.5 Watermonstername Op 20 april 2022 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). De monsternemer, de heer M. Witteveen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer P. Engbers. Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 6.2. De grondwaterstand is locatie‐ en seizoensgebonden en kan derhalve variëren.
3.6 Veldwerk verkennend asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 4 t/m 8 april. De coördinerend veldmedewerker de heer M. Witteveen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer P. Engbers, de heer G.J. Timmer, de heer J.H.M.S. van Aart en de heer P.J. Klok. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat gedeeltelijk het geval.
MA210003.007.R01.V1.0
15 van 27
Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: Droog (neerslag <10 mm). Helder (zicht >50 m). Bedekking maaiveld: 20%. Toplaag: zand; vochtig, vastgereden, matig plasvorming en matige vegetatie/asfalt/klinkers. De inspectie‐efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op circa 80%. Ter hoogte van de deellocaties Meteriksveld en Sint Jansstraat is de maaiveldinspectie 0%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectie‐efficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen. In aanvulling op de NEN 5707 is, tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden, tevens de uitkomende grond visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen, danwel verdachte bijmengingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest. Deze zijn, behoudens op de deellocaties Meteriksveld en Sint Jansstraat, op onderhavige locatie niet waargenomen waardoor een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege kan blijven.
Ter plekke van de Sint Janastraat en Meteriksveld zijn op basis van de opgestelde strategie proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter) en zijn boringen (minimale diameter van 35 centimeter) uitgevoerd tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag of tot in de ongeroerde ondergrond (maximaal tot 2,0 m‐maaiveld). In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten/boringen. Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten en bijzonderheden verrichte boringen Proefgat
Onderzocht
Bodemomschrijving
traject (cm‐mv)
Mengmonster
Afmetingen
Bodemvreemd
Asbest
fijne fractie
(cm)
materiaal (%)
aangetroffen
(l x b) Sint Jansstraat 101
12 – 35
Grind
‐
Diameter 35cm
0%
Nee
102
17 – 67
Zand
‐
Diameter 35cm
0%
Nee
104
0 – 50
Zand, sporen
Asb101
40 x 40
<5%
Nee
Asb101
40 x 40
<5%
Nee
Asb201
30 x 40
90%
Nee
baksteen en slakken, brokken asfalt 105
0 – 50
Zand, sporen baksteen, brokken beton
Meteriksveld 201
12 – 50
volledig repac, zwak slakhoudend
202
12 – 55
volledig repac
Asb201
30 x 40
80%
Nee
203
12 – 55
volledig repac
Asb201
30 x 40
80%
Nee
MA210003.007.R01.V1.0
16 van 27
Tijdens de visuele inspectie zijn enkele foto’s gemaakt, die zijn toegevoegd in bijlage 2. De uit de proefgaten en boringen vrijgekomen grond en materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen grond en materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. In het opgeboorde/opgegraven materiaal van alle proefgaten is in de grove fractie géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Vervolgens is van de grond twee mengmonsters samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898.
MA210003.007.R01.V1.0
17 van 27
4 Analyseresultaten 4.1 Toetsingskader 4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur‐ en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.
In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond‐ en interventiewaarde). Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”‐ en interventiewaarde. Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.
4.1.2 Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem) uit het Handelingskader voor hergebruik van PFAS‐houdende grond en baggerspecie (versie december 2021).