04d Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Met deze uitgangspunten zal LWM rekening houden in de verdere planuitwerking. Vanuit LWM is er als voedselverwerkend bedrijf in het bijzonder aandacht voor het duurzaam omgaan met zoet water. Dit vertaalt zich onder andere in een productieproces waarin zeer zuinig wordt omgegaan met water. De aanvulling van het grondwaterpeil is hierbij van wezenlijk belang, aangezien LWM voor een gedeelte van haar waterverbruik afhankelijk is van grondwater. In de bestaande situatie is een groot deel van het terrein van LWM al verhard. De wijze waarop binnen dit terrein wordt omgegaan met hemelwater loopt uiteen en is afhankelijk van de locatie op het terrein. Hemelwater van de voorzijde van het gebouw wordt momenteel al geïnfiltreerd in het bosje ten oosten van het terrein. In de nieuwe situatie zal het verhard oppervlak in het gebied toenemen. Dit komt door de geplande palletopslag (2.625 m2), de sprinklertank inclusief pompgebouw (265 m2) en de realisatie van terreinverharding (2.450 m2). Deze ontwikkelingen vinden plaats in een gebied dat momenteel niet verhard is. De toename aan verharding bedraagt hiermee 5.340 m2, waarbij nog niet vastligt of de terreinverharding als open of gesloten verharding gerealiseerd wordt. Uitgaande van een gesloten terreinverharding (worst-case aanname) bedraagt de bergingsopgave voor de nieuwe ontwikkelingen 534 m3 (100 mm neerslag). Er is voldoende
30
ruimte om te voorzien in deze opgave, hiervoor zijn er diverse mogelijkheden. Zo ligt er een mogelijkheid voor ondergrondse berging en infiltratie (bijv. kratten, lavapakket etc.) onder de terreinverharding en kan hemelwater worden afgevoerd richting het oostelijk gelegen bosje. De plannen zijn echter nog niet op detail uitgewerkt en worden de komende jaren gefaseerd ontwikkeld. De technische uitvoerbaarheid van de waterberging zal daarom nog nader moeten worden onderzocht. Hierover zal nog nadere afstemming plaatsvinden met het waterschap over de mogelijkheden en onmogelijkheden in het gebied. De bergingsmogelijkheden zijn namelijk ook afhankelijk van de bodemgesteldheid en de eventuele belemmeringen vanwege de ligging binnen de beschermingszone van een waterkering. Conclusie De ontwikkelingen zijn uitgebreid besproken met de betrokken waterbeheerders. Voor de voorgenomen ontwikkelingen zal zowel bij Rijkswaterstaat als Waterschap Limburg een watervergunning worden aangevraagd. Verder is er voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de bergingsopgave. De technische uitvoerbaarheid hiervan zal nog nader moeten worden onderzocht.
Kabels en leidingen Op de locatie waar de ontwikkelingen plaatsvinden lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid bescherming behoeven. Er is daarom geen sprake van een belemmering voor het planvoornemen.
Natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Om de effecten van de voorgenomen ontwikkelen op natuur in beeld te brengen is een Quickscan ecologie uitgevoerd. Deze Quickscan is opgenomen in bijlage 4. De resultaten van deze Quickscan zijn hieronder samengevat weergegeven. 4.6.1 Soortenbescherming Wettelijk kader Het onderdeel Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna, ook buiten Natura 2000-gebieden. Op hoofdlijnen is sprake van een drietal beschermingsregimes: één voor soorten van de Habitatrichtlijn, één voor soorten van de Vogelrichtlijn en één voor nationaal beschermde soorten. In de wet zijn ten aanzien van deze soorten verbodsbepalingen opgenomen als ook gronden waarop ontheffing kan worden verleend. Deze kunnen per regime verschillen, waarbij beide eerstgenoemden de meest strikte bescherming genieten. Bepaald dient te worden of sprake kan zijn van overtreding van geformuleerde verbodsbepalingen, of alternatieven voorhanden zijn, of sprake is van een wettelijke grondslag dan wel een wettelijk doel en in hoeverre sprake is van negatieve effecten op de staat van instandhouding van betrokken soorten. Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming) geldt verder een algemene zorgplicht conform artikel 1.11.
Deze plicht 31
houdt in dat een ieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier.
Onderzoek Op basis van een terreinbezoek en controle van verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is binnen de range van 1 januari 2010 t/m 2 juni 2020 bepaald welke beschermde flora en fauna (mogelijk) in het plangebied voorkomt. Verder is een oriënterend veldbezoek uitgevoerd op 3 juni 2020. Tijdens het veldbezoek is gericht gekeken naar de aanwezigheid van natuurwaarden (lees: habitats die geschikt zijn voor beschermde soorten). Om vast te stellen of de beoogde ontwikkelingen effect hebben op beschermde flora en fauna, is een beknopte analyse gemaakt van het project in relatie tot de habitat/ biotoopeisen van de beschermde soorten uit het gebied. Er wordt bepaald of het waarschijnlijk is dat het project in het licht van de Wnb ten aanzien van beschermde soorten doorgang kan vinden. Hierbij wordt rekening gehouden met de onder de Wnb vastgestelde criteria. Daarnaast zijn voorstellen gedaan om eventuele effecten te mitigeren die anders zouden kunnen leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen. Conclusie effectbeoordeling beschermde soorten Uit de effectbeoordeling blijkt dat wanneer buiten het broedseizoen wordt gewerkt, een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb wordt voorkomen.
Dit betekent dat de voorgenomen bouwactiviteiten buiten de periode van 15 maart tot begin augustus uitgevoerd zullen moeten worden of dat de werkzaamheden voor het broedseizoen gestart moeten worden waardoor broedvogels een andere broedplek zoeken en er geen verstoring optreedt. 4.6.2 Gebiedsbescherming Wettelijk kader Het onderdeel Gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Voor elk van de aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van de instandhoudingsdoelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Hierbij is ook zogenoemde externe werking van belang. Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre storingsfactoren buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen.
Onderzoek Op een afstand van circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied ligt het Natura 2000gebied Maasduinen. Het aanzicht van het Natura 2000-gebied wordt in hoofdzaak bepaald
32
door oude rivierterrassen van de Maas en opgestoven rivierduinen. Extra reliëf (in de vorm van stuifduinen) is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd dat al dan niet bedekt is met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit het Maasdal, vormen het karakteristieke landschap van de Maasduinen. Hierop ontstond in de loop van de tijd heide. In het begin van de vorige eeuw zijn er op grote delen van deze heide eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied in ruimtelijk opzicht niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal van de Maas in stand gebleven. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn (provincie Limburg, 2019). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 4,5 kilometer afstand van het plangebied.
De Effectenindicator zoals aangereikt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2020) geeft een negentiental mogelijke effecten, de zogenoemde storingsfactoren, waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden ten aanzien van in Natura 2000-gebieden beschermde waarden. Op basis van deze storingsfactoren worden de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving beoordeeld. De afstand van de Natura 2000-gebieden en hun waarden tot het plangebied is dusdanig groot dat voor de meeste storingsfactoren op voorhand kan worden uitgesloten dat deze gaan optreden als gevolg van de voorgenomen activiteit. Dit als gevolg van het gegeven dat de tijdelijke emissies van bijvoorbeeld geluid, licht en trillingen, als gevolg van tussenliggend landgebruik als woonkernen, in combinatie met de afstand ter plaatse, van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Bovendien grijpt de voorgenomen activiteit niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Effecten ten gevolge van vrijwel alle in de Effectenindicator opgenomen storingsfactoren zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
Als gevolg van het gebruik van zwaar materieel en vervoersbewegingen voor aanvoer van bouwmateriaal waarbij stikstof vrij komt is het op voorhand niet uit te sluiten dat omliggende Natura 2000-gebieden een toename van stikstofdepositie ondervinden. Hierdoor is ‘Verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht’ de enige storingsfactor waarvan op voorhand niet duidelijk is of deze relevant is. Hoewel er geen vergunningplicht meer geldt voor stikstofdepositie in de bouwfase, zijn voor de volledigheid wel de effecten ten aanzien van stikstofdepositie in beeld gebracht door de uitvoering van een stikstofdepositieonderzoek. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Uit dit stikstofdepositieonderzoek blijkt dat in de aanlegfase een beperkte stikstofdepositie optreedt. Mocht er toch weer een vergunningplicht ontstaan, dan kan door interne saldering gekomen worden tot een uitvoerbare situatie, aangezien dit geen depositieresultaten heeft opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr en daarmee negatieve effecten op habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. In de gebruiksfase is geen sprake van relevante stikstofdepositie. LWM beschikt voor haar bedrijfsactiviteiten over een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet (nu Wet natuurbescherming). De enige relevante wijziging die optreedt is de installatie van een
33
dieselpomp die geïnstalleerd wordt bij de sprinklertank. Deze pomp zal alleen 1 keer per 2 weken getest worden en leidt daarom niet tot een relevante stikstofdepositie op natura2000 gebieden.
Conclusie gebiedsbescherming Door interne saldering kunnen negatieve effecten op habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. 4.6.3 Houtopstanden Wettelijk kader Ook houtopstanden zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 4 van de wet). Wanneer meer dan 10 are opgaande begroeiing, dan wel laanbeplanting van ten minste 20 bomen moet verdwijnen buiten bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, dient hiervan melding te worden gemaakt bij Bevoegd Gezag. Uitgezonderd zijn onder meer (maar niet uitsluitend) naaldbomen bedoeld voor kerstbomenteelt of uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting. De verloren gegane bomen dienen binnen drie jaar, op bosbouwkundig verantwoorde wijze elders te worden teruggebracht (herplantplicht).
Beoordeling Om het bedrijfsterrein uit te kunnen breiden dient de grondwal met laurierhaag verwijdert te worden. Het bosperceel aan de oostzijde van het terrein blijft behouden. Het verwijderen van de laurierhaag zal door LWM zo lang mogelijk uitgesteld worden. De totale oppervlakte van de te kappen haag is minder dan 10 are en bestaat uit een niet inheemse struik, de laurierkers. Tevens kan de haag gezien worden als erfbeplanting van het bedrijfsterrein. Beplanting op erven en tuinen zijn vrijgesteld van bescherming. Dit betekent dat deze kap niet onder de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden valt. Het doen van een kapmelding is daardoor niet noodzakelijk. 4.6.4 Natuurnetwerk Nederland Wettelijk kader Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.
In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het “Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de
34
Natura 2000-gebieden voor zover de onder het Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen. In geval van Natuurnetwerk Nederland hoeft in Limburg geen rekening gehouden te worden met externe werking.
Beoordeling Het plangebied ligt naast een deel van de NNN die nog ontwikkeld moet worden in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied op de beheertypenkaart van de provincie Limburg weergegeven. Het dichtstbijzijnde deel van de NNN dat al ontwikkeld is en waarden heeft is een bosgebiedje op circa 400 meter afstand, dat het beheertype N01.03: Rivier- en moeraslandschap heeft gekregen (grijsblauwe vlak).
Figuur 4.1: ligging plangebied ten opzichte van de NNN (roze = Nog om te vormen naar natuur)(bron: Provincie Limburg, 2020)
Omdat het plangebied en het planvoornemen niet in planologische beschermde natuurwaarden liggen zoals aangeduid in de provinciale atlas van de provincie Limburg en het naastgelegen Natuurnetwerk Nederland zijn natuurwaarden nog moet ontwikkelen, is het optreden van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN als gevolg van de tijdelijke werkzaamheden uitgesloten.
35
4.6.5 Archeologie Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Er is daarom in beeld gebracht wat de archeologische verwachtingswaarde is van het gebied en of de omvang van de bodemingreep het noodzakelijk maakt om archeologisch onderzoek uit te voeren. Op 26 mei 2015 heeft de gemeenteraad het gemeentelijke archeologiebeleid ‘Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Dit beleid is opgenomen in het vigerende planologisch kader door dubbelbestemmingen op te nemen ter bescherming van archeologische waarden. Aan deze dubbelbestemmingen zijn regels verbonden voor bodemingrepen. Afhankelijk van de omvang en diepte van een bodemingreep kan blijken dat een nadere onderzoeksinspanning vereist is. Uit het vigerende bestemmingsplan buitengebied Horst aan de Maas (zie paragraaf 3.5) blijkt dat voor het huidige terrein van LWM de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie-4’ van toepassing is. Dit betekent dat bodemingrepen worden vrijgesteld van archeologisch (voor)onderzoek zolang deze niet dieper gaan dan 50 cm beneden maaiveld en het verstoringoppervlak minder dan 2.500 m2 bedraagt. De palletopslag en sprinklertank worden buiten dit gebied gerealiseerd, waardoor de bodemingreep in dit gebied een omvang van circa 1.800 m2 omvat.
Hiermee zijn deze ontwikkelingen vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De ontwikkeling van LWM ten zuiden van het bestaande terrein vindt plaats in het gebied waar het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’ het vigerende planologische kader vormt. Binnen het PIP is voor een gedeelte van het zuidelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie-3’ van toepassing. Voor dit gebied worden bodemingrepen vrijgesteld van archeologisch (voor)onderzoek zolang het verstoringoppervlak minder dan 500 m2 bedraagt of indien deze niet dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld. Alleen de palletopslag ligt voor een klein gedeelte binnen deze dubbelbestemming. Het oppervlak binnen deze aanduiding is met circa 375 m2 (5 m x 75 m) echter kleiner dan 500 m2. Hiermee zijn deze ontwikkelingen vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Conclusie Vanwege de omvang van de bodemingrepen in relatie tot de geldende archeologische dubbelbestemmingen zijn de ontwikkelingen vrijgesteld van archeologisch onderzoek. 4.6.6 Cultuurhistorie Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn de waardevolle cultuurhistorische elementen in beeld gebracht.
Hieruit blijkt dat het
36
dichtstbijzijnde rijksmonument een kapel is die gelegen is op 100 meter ten westen van het plangebied. De beoogde ontwikkelingen bij LWM hebben geen effect op dit monument. De Blitterswijckseweg en de nabij gelegen Rietweg en Horreweg zijn in de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als ‘andere wegen ouder dan 1806’. Het verloop en de inrichting van deze wegen zal echter niet wijzigen als gevolg van de beoogde ontwikkelingen bij LWM. Het plangebied ligt verder in een gebied dat in de cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als ‘Gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’. De beoogde ontwikkelingen bij LWM hebben geen invloed op het verkavelingspatroon, dit verkavelingspatroon is al veranderd door de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Er is daarmee geen sprake van aantasting van waardevolle cultuurhistorische elementen. Verder zijn in of nabij het plangebied geen waardevolle punt-, lijn- of vlakelementen aanwezig. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is het plan uitvoerbaar omdat aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving niet worden aangetast.
Verkeer en parkeren 4.7.1 Verkeer De beoogde ontwikkelingen bij LWM hebben geen effect op de ontsluiting van het plangebied. Deze blijft plaatsvinden via de bestaande in-en uitrit op de Blitterswijckseweg. Ook de verkeersstromen en aantallen vervoersbewegingen veranderen niet ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu, aangezien de veranderingen alleen betrekking hebben op een optimalisatie van het productieproces. 4.7.2 Parkeren Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas is de normatieve parkeerbehoefte in beeld gebracht. Op basis van deze parkeernota dient alleen voor de uitbreiding in beeld gebracht te worden wat het aantal benodigde parkeerplaatsen is. De bestaande vergunde situatie hoeft hierbij niet meegenomen te worden. In deze situatie is echter zowel de huidige situatie als de volledige eindsituatie beschouwd, aangezien er geen extra parkeerplaatsen voor de nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd. Er zijn geen extra parkeerplaatsen gepland, omdat in dit geval sprake is van een optimalisatie van de bestaande bedrijfssituatie.
37
In de huidige situatie is sprake van een bedrijfsgebouw van 9.600 m2, in de toekomst wordt het bedrijfsvloeroppervlak uitgebreid met 1.605 m2 (525 m2+1.080 m2)3. Op basis van de ligging buiten de bebouwde kom en uitgaande van bedrijfsactiviteiten die arbeidsextensief en bezoekersextensief zijn, betekent dit dat conform de Nota Parkeren een parkeernorm van 1,1 aangehouden moet worden per 100 m2 brutovloeroppervlak. Op basis van bovenstaande bedraagt voor de huidige situatie de parkeerbehoefte 106 parkeerplaatsen (9.600/100 x 1,1) en voor de uitbreiding bedraagt de parkeerbehoefte 18 parkeerplaatsen (1.605/100 x 1,1). Dit betekent dat op basis van de parkeernormen voor de toekomstige situatie een parkeerbehoefte is berekend van 124 parkeerplaatsen. De behoefte berekend op basis van de parkeernormen betreft echter een aanzienlijke overschatting van de daadwerkelijke behoefte. Er wordt daarom verzocht om vrijstelling van de parkeereis. Hieronder is op basis van de specifieke omstandigheden nader gemotiveerd waarom vrijstelling van deze eis aanvaardbaar is. Geen overlast in huidige situatie In de huidige situatie is sprake van 82 parkeerplaatsen. Dit aantal is aanzienlijk minder dan berekend op basis van de Nota Parkeernormen, maar ruim toereikend om het parkeren volledig te laten plaatsvinden op eigen terrein.
Er is bij LWM geen sprake van overlast van het parkeren, er is altijd ruim voldoende parkeerruimte beschikbaar voor bezoekers en personeel. Dit kan ook afgeleid worden uit historische luchtfoto’s. Uit de luchtfoto’s in de periode 2006-2021 (www.topotijdreis.nl) kan worden afgeleid dat er altijd vele parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Bedrijfsactiviteiten zijn extreem arbeidsextensief Het productieproces bij LWM is volledig geautomatiseerd en vraagt niet om de inzet van arbeid. Naast ondersteunende functies (onderhoud, kantoor etc.) vragen alleen het bewaken van het productieproces en logistieke handelingen om de inzet van personeel. Deze inzet vindt plaats in een ploegendienst, waardoor de parkeerdruk zich spreidt over de dag. Een parkeernorm van 1,1 is daardoor veel hoger dan daadwerkelijk noodzakelijk. Verder betreffen ook de nieuwe ontwikkelingen allemaal uitbreidingen die geen impact hebben op het personeelsbestand. Er is voldoende ruimte voor aanvullende parkeerruimte Hoewel er geen behoefte is aan extra parkeerplaatsen, is de ruimte hiervoor er fysiek wel. LWM heeft nog voldoende ruimte aan de voorzijde van haar terrein voor aanvullende parkeerplaatsen. Deze ruimte wil LWM echter graag groen houden en niet verder verstenen.
LWM heeft er verder geen bezwaar tegen als in de omgevingsvergunning een voorschrift wordt opgenomen dat de parkeerbehoefte op eigen terrein ingevuld dient te worden, mits deze behoefte wordt vastgesteld op basis van de feitelijke situatie en niet op basis van een normering.
3
Exclusief ondersteunende ruimtes zoals waterzuivering, pompgebouw, opslag en technische ruimtes 38
Daarnaast worden door de ontwikkeling per saldo geen parkeerplaatsen onttrokken. Het aantal parkeerplaatsen neemt af ter plaatse van de uitbreiding van de technische ruimte. Hierdoor vervallen echter tijdelijke technische voorzieningen die nu staan opgesteld op bestaande parkeerplaatsen. Per saldo blijft het aanbod aan parkeerruimte daardoor gelijk. Conclusie De afwijking van het planologisch kader is vanuit de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar mits er vrijstelling wordt verleend van de parkeereis. Hiervoor is voldoende gemotiveerd dat geen sprake zal zijn van parkeeroverlast.
Duurzaamheid LWM is een bedrijf waarop de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) van toepassing is. Deze richtlijn verplicht een bedrijf om de Beste Beschikbare Technieken (BBT) te gebruiken. Een aantal maatregelen is juist op gericht om duurzamer te kunnen produceren. De maatregelen voor de opslag en verwerking van reststromen zijn er namelijk op gericht om deze reststromen geschikt te houden voor gebruik als diervoeder. LWM heeft een zero waste policy en streeft er naar om de reststromen zo hoog mogelijk te verwaarden conform de ladder van Moermans. Zie ook het duurzaamheidsverslag dat LWM publiceert op haar website4. Verder heeft LWM deelgenomen aan de Meerjarenafspraak (MJA) energie-efficiency voor de Groenten- en Fruitverwerkende industrie. Voor LWM betekende dit dat in 2020 een energiebesparing gerealiseerd moest zijn van ruim 10% ten opzichte van 2014. LWM heeft hierbij een reductie gerealiseerd van 25% energie intensiteit t.o.v. (2008: 5.06 GJ / MT). Inmiddels heeft LWM een ISO5001 gecertificeerd energiemanagementsysteem. Hiermee voldoet LWM aan de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED) en worden de ambities ten aanzien van energiebesparing voortgezet. Duurzaamheid zit in het hart van de strategie van LWM, omdat het van belang is voor de lange termijn als bedrijf en de wereld. LWM wil positief bijdragen aan de wereldwijde duurzame ontwikkelingsdoelen.
Om het verschil te maken heeft LWM drie ambitieuze doelstellingen voor 2030 geformuleerd: Balanced Diet, zero (food) waste en climate action. Om de doelstellingen binnen de organisatie te embedden werkt LWM met extern gecertificeerde ISO 50001 en 14001 zorgsystemen. Waarbij via de plan, do, check, act cirkel wordt geborgd dat voldaan wordt aan (toekomstige)wet- en regelgeving en continue wordt gestreefd naar het reduceren van negatieve impact op het milieu. Het einddoel is positieve impact op de nabije omgeving van de productielocaties en de wereld samen met ketenpartners en belanghebbenden.
4
https://lambweston.eu/emea/sustainability/report-and-summary 39
5 HOOFDSTUK 5 - UITVOERBAARHEID Economische en financiële haalbaarheid In artikel 3.1.6 Bro is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden. De kosten die gemoeid zijn met het voornemen komen geheel ten laste van LWM. Deze kosten komen derhalve niet ten laste van de gemeente Horst aan de Maas. Verder zijn alle gronden waar ontwikkelingen plaatsvinden in het bezit van LWM. Volgens artikel 6.12 van de Wro stelt de gemeente een exploitatieplan vast ten tijde van het planologische besluit om het kostenverhaal verzekerd te hebben. De gemeente kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente en LWM hebben een anterieure overeenkomst gesloten, zodat kostenverhaal ten tijde van de vergunningverlening ‘anderszins’ is verzekerd. In deze overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt over afwenteling van eventuele planschadekosten.
Handhaving De doelstelling van het ruimtelijk beleid kan slechts verwezenlijkt worden, indien de regels worden nageleefd. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving vastgelegd in de beleidsnota Vergunningen, Toezicht en Handhaving. Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet –en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het gemeentebestuur van Horst aan de Maas streeft naar draagvlak bij belanghebbenden en maatschappelijke organisaties voor ruimtelijke besluiten. Daarom hecht het gemeentebestuur belang aan de dialoog over het voornemen om voor het plan een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening te verlenen. Dit hoofdstuk over de ‘maatschappelijke uitvoerbaarheid’ gaat nader in op het maatschappelijke overleg dat in het kader van de omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ zal plaatsvinden. 5.3.1 Overleg met de omgeving LWM heeft in de afgelopen jaren regelmatig overleg gevoerd met omwonenden. Doel van dit overleg is dat omwonenden enerzijds hun ervaringen met het bedrijf kunnen delen, en 40
anderszijds LWM informatie kan verstrekken over plannen van het bedrijf. Zo zijn plannen uit het verleden om de sprinklertank aan de wegzijde te plaatsen al eens uitgesteld. Deze plannen zijn nu aangepast en maken onderdeel uit van onderhavige aanvraag. Door de ontwikkelingen rondom het Coronavirus is er voor gekozen om geen fysieke bijeenkomst te organiseren. In een digitaal overleg dat heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021 zijn omwonenden geïnformeerd over de voornemens en is de mogelijkheid geboden om te reageren op de plannen. Op basis van dit overleg is het plan aangepast door de hoogte van de sprinklertank aan te passen van 10 meter naar 7,3 meter, zodat deze niet meer zichtbaar is vanaf de Blitterswijckseweg. De aanpassing van de plannen is gepresenteerd in een buurtbijeenkomst op 10 december 2021. Een aantal omwonenden kon hierbij niet aanwezig zijn en is later in een digitale bijeenkomst bijgepraat. De verslagen van de overleggen en bijeenkomsten zijn opgenomen in bijlage 9. 5.3.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro, zal de gemeente Horst aan de Maas de relevante maatschappelijke organisaties (overlegpartners) – die fysieke of beleidsmatige belangen hebben in het plangebied – in de gelegenheid stellen om te reageren op het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.
Verder heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met de provincie, aangezien de aanvraag omgevingsvergunning tevens toeziet op de afwijking van het provinciaal inpassingsplan ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’. Overige betrokken partijen (Rijkswaterstaat, Waterschap Limburg en gebiedsbureau OoijenWanssum) zijn ook door LWM geïnformeerd over de plannen. Verder is bij Rijkswaterstaat gelijktijdig met deze aanvraag omgevingsvergunning een watervergunning aangevraagd en wordt bij de toekomstige omgevingsvergunningen voor het onderdeel ‘bouwen’ ook een watervergunning bij Waterschap Limburg aangevraagd om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken. 5.3.3 Zienswijzen Op grond van de bepalingen in artikel 1.2.1a van het Bro en artikel 3.4 van de algemene wet bestuursrecht, wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.
41
6 HOOFDSTUK 6 - PROCEDURE Procedure omgevingsvergunning Aanvragen om afwijking van het bestemmingsplan worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning (ook wel projectomgevingsvergunning genoemd). Bij omgevingsvergunningen wordt onderscheid gemaakt tussen een ‘reguliere’ en een ‘uitgebreide’ procedure. Omdat in dit geval wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan en dit bestemmingsplan geen mogelijkheid biedt om de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1 van de Wabo. Dit betekent dat medewerking door het bevoegd gezag alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid sub a, onder 3 van de Wabo. Daarnaast past de ontwikkeling niet binnen de “kruimelgevallen” zoals deze in het Besluit omgevingsrecht (artikel 4 van Bijlage II) zijn opgenomen, bestaat er geen mogelijkheid om de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat medewerking door het bevoegd gezag alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid sub a, onder 3 van de Wabo. Hiervoor geldt de uitgebreide procedure, zoals beschreven in § 3.3 van de Wabo. Ten behoeve van deze procedure is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk; dit document voorziet hierin.
Een belangrijk uitgangspunt van de Wabo is de onlosmakelijkheid. Indien een activiteit behoort tot meerdere categorieën van vergunningplichtige activiteiten, dient de aanvrager er zorg voor te dragen dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het project. Met andere woorden, door middel van één vergunningaanvraag wordt één omgevingsvergunning verleend voor alle vergunningplichtige activiteiten. Voor de veranderingen bij LWM dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor de activiteiten ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, ‘milieu’ en ‘bouwen’. Bij LWM zijn veel bouwplannen echter nog niet concreet. Om deze reden is het niet mogelijk om één omgevingsvergunning aan te vragen voor alle activiteiten. Onderhavige aanvraag betreft daarom een afzonderlijke aanvraag voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Dit is mogelijk op basis van artikel 2.7 in de Wabo waarmee eerst de omgevingsvergunning aangevraagd kan worden voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en op een later moment omgevingsvergunningen voor de onderdelen ‘bouwen’ en ‘milieu’ (veelal milieuneutraal veranderen). Naast de omgevingsvergunning zal voor het bouwen binnen het bergend en stroomvoerend regime van de Maas een Watervergunning worden aangevraagd.
Rijkswaterstaat is bevoegd gezag voor deze aanvraag. Verder zal gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen een watervergunning worden aangevraagd bij Waterschap Limburg voor het bouwen binnen de beschermingszone van de waterkering. 42
Verklaring van geen bedenkingen Het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan echter kaderstellend zijn voor ruimtelijke beleidskeuzes en/of -afwegingen die vergelijkbaar zijn met een bestemmingsplan. Daarom is in de Wabo vastgelegd dat de gemeenteraad een Verklaring van geen bedenkingen dient af te geven, vóórdat het college van B&W besluit over een omgevingsvergunning (artikel 2.27 Wabo en artikel 6.5 Bor). De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft op 20 oktober 2015 categorieën aangewezen als bedoeld in artikel 6.5. lid 3 Besluit omgevingsrecht waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. In dit besluit zijn de categorieën benoemd waarvoor een verklaring van geen bedenkingen vereist is.
Het betreft de volgende categorieën: Ontwikkelingen die niet concreet in een visie zijn afgekaderd (met visie wordt bedoeld: structuurvisies en beleidsnota’s waaronder ook de onder de oude WRO vastgestelde gebieds- en structuurvisies zoals de Structuurvisie Centrum Horst en de Gebiedsvisie LOG Witveldweg); Ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties, de bouw van meer dan 5 woningen of 10 appartementen; Nieuwe industriële vestigingen; Bij substantiële bedrijfsontwikkelingen of substantiële nieuwvestiging in het buitengebied indien deze initiatieven niet passen in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied. De hierboven laatst genoemde categorie is relevant voor LWM. Aangezien de veranderingen substantiële bedrijfsontwikkelingen betreffen, is een verklaring van geen bedenkingen vereist.
43
7 HOOFDSTUK 7 – AFWEGING EN EINDCONCLUSIE Het voorliggende document strekt tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het project, dat toeziet op de verdere ontwikkeling van LWM in Broekhuizenvorst. Nader beschreven is waarom het project afwijkt van het geldende planologisch kader. Met het document is voldoende gemotiveerd aangetoond waarom het project:
In relatie tot de omgeving, ruimtelijk en functioneel gezien aanvaardbaar is; Geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat; Niet in strijd is met landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid; Geen belemmeringen kent vanuit de kaderstellende wet- en regelgeving; Vanuit financieel oogpunt verantwoord is.
In het algemeen kan daarom gesteld worden dat het aanvaardbaar is ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid onder a.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen.
44
1
BIJLAGE 1 – NOTITIE LADDERTOETS
2
BIJLAGE 2 – SITUATIETEKENING
3
BIJLAGE 3 – AKOESTISCH ONDERZOEK
4
BIJLAGE 4 – QUICKSCAN ECOLOGIE
5
BIJLAGE 5 – STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK
6
BIJLAGE 6 – M.e.r-AANMELDNOTITIE
7
BIJLAGE 7 – 3D VIEWS
8
BIJLAGE 8 – BESLUIT VORMVRIJE M.e.r-BEOORDELING
9
BIJLAGE 9 – VERSLAG OMGEVINGSDIALOOG
45