04d Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Blitterswijckseweg 1 Broekhuizenvorst Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1507.BVBLITTERSWW1-OVV1
Ruimtelijke onderbouwing ‘Blitterswijckseweg 1 Broekhuizenvorst’ Definitief 15-032022 Datum besluit NL.IMRO.1507.BVBLITTERSWW1-OVV1
INHOUDSOPGAVE Blz. 1
HOOFDSTUK 1 - INLEIDING Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend planologisch kader Leeswijzer
2 2 2 3 5
2
HOOFDSTUK 2 – BELEID Inleiding Rijksbeleid 2.2.1 Nationale Omgevingsvisie 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 2.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.2.4 Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum Provinciaal beleid 2.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 2.3.3 Omgevingsverordening Limburg Gemeentelijk beleid 2.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 2.4.2 Duurzaamheidsprogramma 2020-2050 #Wij gaan Groen
6 6 6 6 7 7 8 10 10 12 13 14 14 16
3
HOOFDSTUK 3 - PROJECTPROFIEL Inleiding Gebiedsbeschrijving Projectbeschrijving 3.3.1 Uitbreiding van het bedrijfsterrein 3.3.2 Realisatie van sprinklertank 3.3.3 Realisatie technische ruimte 3.3.4 Realisatie palletopslag 3.3.5 Uitbreiding hoofdgebouw voor opslag reststromen 3.3.6 Uitbreiding hoofdgebouw 3.3.7 Plaatsing opslagtanks reststromen 3.3.8 Realisatie fietsenstalling Landschappelijke inpassing Afwijkingen van planologisch kader Conclusie
17 17 17 18 19 19 20 21 21 21 22 22 22 24 25
4
HOOFDSTUK 4 - SECTORALE ASPECTEN Inleiding Milieuaspecten 4.2.1 Bodem en grondwaterkwaliteit 4.2.2 Geluid 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Geur 4.2.5 Bedrijven en milieuzonering
26 26 26 26 26 27 27 27
4.2.6
Externe veiligheid Milieueffectrapportage Waterparagraaf Kabels en leidingen Natuurbescherming Soortenbescherming Gebiedsbescherming Houtopstanden Natuurnetwerk Nederland Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Verkeer Parkeren Duurzaamheid
28 28 29 31 31 31 32 34 34 36 36 37 37 37 39
5
HOOFDSTUK 5 - UITVOERBAARHEID Economische en financiële haalbaarheid Handhaving Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3.1 Overleg met de omgeving 5.3.2 Vooroverleg 5.3.3 Zienswijzen
40 40 40 40 40 41 41
6
HOOFDSTUK 6 - PROCEDURE Procedure omgevingsvergunning Verklaring van geen bedenkingen
42 42 43
7
HOOFDSTUK 7 – AFWEGING EN EINDCONCLUSIE
44
1
BIJLAGE 1 – NOTITIE LADDERTOETS
45
2
BIJLAGE 2 – SITUATIETEKENING
45
3
BIJLAGE 3 – AKOESTISCH ONDERZOEK
45
4
BIJLAGE 4 – QUICKSCAN ECOLOGIE
45
5
BIJLAGE 5 – STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK
45
6
BIJLAGE 6 – M.e.r-AANMELDNOTITIE
45
7
BIJLAGE 7 – 3D VIEWS
45
8
BIJLAGE 8 – BESLUIT VORMVRIJE M.e.r-BEOORDELING
45
9
BIJLAGE 9 – VERSLAG OMGEVINGSDIALOOG
45
4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.6.4 4.6.5 4.6.6 4.7.1 4.7.2
1
1 HOOFDSTUK 1 - INLEIDING Aanleiding en doel Lamb Weston Meijer (verder LWM) heeft haar locatie in Broekhuizenvorst in 2017 overgenomen van Oerlemans Foods. Sinds de overname heeft LWM diverse verbeteringen doorgevoerd op haar productielocatie. Hierdoor is de productielocatie in staat om de productiecapaciteit te realiseren waarvoor in juli 2016 een omgevingsvergunning is verleend. Vanwege strengere regels voor voedselveiligheid en de verduurzaming die vanuit de markt wordt gevraagd, heeft LWM plannen voor de optimalisatie van de productielocatie. Deze ontwikkelingen hebben geen uitbreiding van de productiecapaciteit tot gevolg, maar waarborgen de continuïteit van de bedrijfsvoering. Door de verdere ontwikkeling van het bedrijfsterrein kan LWM het productieproces duurzamer, efficiënter en veiliger laten verlopen. De ontwikkelingen vinden de komende jaren gefaseerd plaats op de resterende ruimte tussen de Blitterswijckseweg en de waterkering, hierdoor kan gekomen worden tot een duurzame landschappelijke inpassing die aansluit op het definitieve ontwerp van het landschapsplan voor de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De geplande ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planologische kaders. Om te kunnen afwijken van de planologische kaders wordt een omgevingsvergunning aangevraagd in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wabo.
Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor afwijking van de planologische kaders dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht dat de beoogde ontwikkelingen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Ligging en begrenzing plangebied LWM is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas aan de Blitterswijckseweg 1 te Broekhuizenvorst. Het plangebied ligt in buurtschap Ooijen ten noorden van de kern Broekhuizenvorst. In onderstaande afbeelding zijn de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.
2
Figuur 1.1: Ligging en begrenzing plangebied
Vigerend planologisch kader Het plangebied is gelegen in het gebied waarvoor het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3) en het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’ het planologische kader vormen. Bestemmingsplannen Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ is op 8 september 2020 door de raad van de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Binnen het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’, zie figuur 1.2. Verder is voor het gehele gebied de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 4’ van toepassing en is sprake van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aardappelverwerkend bedrijf’, de dubbelbestemming ‘Waterstaat – waterbergend rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – rivierdal’. Uit de planregels behorend bij het bestemmingsplan blijkt dat binnen de bestemming ‘Bedrijf’ een aardappelverwerkend bedrijf is toegestaan. De beoogde ontwikkelingen van LWM zijn niet passend binnen dit bestemmingsplan, aangezien alleen bestaande gebouwen zijn toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan en omdat bouwwerken, geen gebouw zijnde een maximale hoogte mogen hebben van 6 meter.
Verder is in het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (zie onder) vastgelegd dat voor zover de dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen uit het PIP niet samenvallen met een enkelbestemming uit het inpassingsplan, de (enkel-) bestemmingen uit het gemeentelijk planologisch regime van de gemeente het planologisch kader vormen. Dit betekent dat voor de gronden die liggen binnen het plangebied van het PIP, maar geen enkelbestemming hebben, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3)’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 10 november 2009 het vigerende planologisch kader vormen. Dit bestemmingsplan vigeert dus nog voor de kadastrale percelen sectie D, nummers 383 en 1133. Vanuit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3)’ betekent dit dus dat voor die percelen nog de bestemmingen ‘Primair water’ en deels ‘Agrarische doeleinden met landschappelijke en 3
natuurwaarden’ met de aanduiding ‘Ontwikkelingszone groen’ gelden. Deze gronden mogen niet gebruikt worden voor bedrijvigheid en mogen niet bebouwd worden.
Figuur 1.2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas
Figuur 1.3: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3)
4
Provinciaal Inpassingsplan Naast het bestemmingsplan is het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum van toepassing op het zuidelijk deel de locatie. Dit plan is op 15 maart 2017 deels onherroepelijk in werking getreden. Op grond van het PIP zijn de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’, de enkelbestemmingen ‘Water – 2’, ‘Verkeer’, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ van toepassing. Op basis van het PIP mogen de gronden niet gebruikt worden voor bedrijvigheid en mogen de gronden niet bebouwd worden. In hoofdstuk 3 is voor de verschillende beoogde ontwikkelingen nader uiteengezet waarom deze niet passend zijn binnen het geldende planologische kader.
Figuur 1.4: Uitsnede plankaart provinciaal inpassingsplan
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk volgen de uitgangspunten vanuit rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is een omschrijving gegeven van het projectprofiel. In hoofdstuk 4 komen de sectorale aspecten zoals milieu- en wateraspecten aan bod. In hoofdstuk 5 komt vervolgens de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde en in hoofdstuk 6 wordt de te doorlopen procedure omschreven. In hoofdstuk 7 is tot slot de afweging en eindconclusie opgenomen.
5
2 HOOFDSTUK 2 – BELEID Inleiding In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijk beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau samengevat en wordt geconcludeerd in hoeverre de beoogde ontwikkelingen passen binnen het beleid.
Rijksbeleid 2.2.1 Nationale Omgevingsvisie Bij de nieuwe Omgevingswet hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Het Rijk geeft met de NOVI richting en helpt keuzes te maken. Relevante beleidskeuzes voor de verdere ontwikkeling van LWM zijn:
Beleidskeuze 1.1 Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. We behouden en reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. o Door de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is de regio klimaatbestendig en waterrobuust gemaakt. De ontwikkelingen van LWM vinden plaats op de resterende ruimte tussen de Blitterswijckseweg en de nieuwe waterkering, hierdoor kan gekomen worden tot een duurzame landschappelijke inpassing die aansluit op het definitieve ontwerp van het landschapsplan voor de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.
Beleidskeuze 2.1 De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95 procent gereduceerd, met 55 procent reductie als beoogd tussendoel in 2030. Nederland heeft een sterke positie in de top vijf van meest concurrerende economieën. Een gezonde en veilige leefomgeving en een goed vestigingsklimaat in het gehele land dragen bij aan een duurzaam groeivermogen van 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het Rijk investeert, faciliteert met kennis en onderzoek en stelt eisen aan het benutten van circulaire grondstoffen en zet in op reductie van het grondstoffengebruik van 50 procent in 2030. o Door de verdere ontwikkeling van LWM zal het productieproces duurzamer, efficiënter en veiliger verlopen. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 3 en 4.
De uitwerking en doorwerking van beleidskeuzes en ambities in de Omgevingsvisie zal plaatsvinden door de instrumenten uit de Omgevingswet. Daarnaast hebben een aantal Nationale programma’s, Omgevings- en gebiedsagenda’s eveneens de taak op zich gekregen concreet invulling te geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie.
6
Conclusie Met onderliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met de verdere ontwikkeling van LWM kan worden blijven voldaan aan de geldende normen op het gebied van milieukwaliteit en (verkeers)veiligheid en wordt de continuïteit van het bedrijf op deze locatie geborgd. Dit is in overeenstemming met de nationale belangen en de beleidskeuzes uit de NOVI. 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is als motiveringseis voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Op grond hiervan moet voor de ontwikkeling in beeld gebracht worden dat er behoefte is aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijke gebied aan de behoefte kan worden voldaan. In bijlage 1 is een notitie opgenomen, waarin toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking heeft plaatsgevonden. Hierin staat omschreven dat op deze locatie al sinds de jaren ’70 aardappelproducten worden geproduceerd. De locatie is sindsdien doorontwikkeld om te kunnen blijven aansluiten bij ontwikkelingen vanuit de markt en maatschappij. De huidige voorzieningen en installaties zijn van een zeer hoogwaardig niveau en zijn de afgelopen jaren gestaag uitgebreid.
Verhuizing naar een andere locatie is vanuit financieel oogpunt geen reële optie en ook vanuit ruimtelijk oogpunt is dit geen optie aangezien LWM gebonden is aan zaken zoals grondwaterwinning en lozing op het oppervlaktewater direct naast de locatie. Conclusie De ontwikkelingen bij LWM voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 2.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In het Barro staan die regels, die als nationaal belang in de SVIR worden herbevestigd en die instemming van de Kamer heeft gekregen. Een van deze belangen is het belang van de Grote Rivieren. Uit artikel 2.4.1. lid 1 blijkt dat de bepalingen van Titel 2.4 (Grote Rivieren) Barro van toepassing zijn op de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum. LWM is gelegen binnen het gebied van deze gebiedsontwikkeling die inmiddels is afgerond. Tevens is het belang van de Grote Rivieren van toepassing op het onderhavige plangebied. Het plangebied is zowel gelegen binnen het bergend regime als het stroomvoerend regime van de Maas. Op grond van artikel 2.4.3. en artikel 2.4.4.
Barro zijn nieuwe bestemmingen (ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan) onder voorwaarden toegestaan. Voor de verdere ontwikkeling van LWM betekent dit dat een watervergunning moet worden aangevraagd voor alle nieuwe bouwwerken die worden gerealiseerd. Deze is gelijktijdig
7
aangevraagd met de aanvraag omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Conclusie: In het Barro staan regels en onderwerpen die van toepassing zijn op de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De beoogde bebouwing bij LWM zal worden gerealiseerd in overeenstemming met de regels uit het Barro. De ontwikkelingen op het terrein van LWM vinden plaats binnen het bergend en stroomvoerend regime van de Maas. Dit is verder toegelicht in de waterparagraaf in hoofdstuk 4. 2.2.4 Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum LWM is gelegen in het plangebied van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Deze gebiedsontwikkeling is opgezet om voor eens en altijd de hoogwaterproblematiek in het gebied op te lossen, er ontstaat definitief duidelijkheid welke ruimte nodig is voor water en waar, en onder welke condities, ruimtelijke en economische ontwikkelingen weer kunnen plaatsvinden. Onderdeel van de gebiedsontwikkeling is het reactiveren van de oude Maasarm. In de waterparagraaf in hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan. De gebiedsontwikkeling komt voort uit de opgaven in het Deltaprogramma rivieren en de Beleidslijn grote rivieren. Hieronder wordt dit rijksbeleid nader uiteengezet. Deltaprogramma Nederland is een laaggelegen land, dat kwetsbaar is voor overstromingen.
De overheid wil Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en zorgen voor voldoende zoet water. Daarom maakt de overheid plannen in het Deltaprogramma. Daarin werken verschillende overheden en andere organisaties samen. De plannen komen tot stand onder leiding van de regeringscommissaris voor het Deltaprogramma: de deltacommissaris. In het Deltaprogramma staan definitieve voorstellen voor deltabeslissingen om de bescherming tegen overstromingen en watertekorten te verbeteren. De deltabeslissingen leiden tot een nieuwe manier van werken op drie terreinen: de waterveiligheid, de zoetwaterbeschikbaarheid en een waterrobuuste ruimtelijke inrichting. De deltabeslissingen zijn uitgewerkt in concrete voorkeurstrategieën. Op basis van deze voorkeurstrategieën zijn in het deltaplan Waterveiligheid maatregelen geprogrammeerd voor de korte termijn en maatregelen geagendeerd voor de korte, middellange en lange termijn. De gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is één van de projecten die was opgenomen in het uitvoeringsprogramma in het deltaplan Waterveiligheid. De gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is inmiddels afgerond en de beoogde ontwikkelingen bij LWM zullen dit plan niet in de weg gestaan. De gewenste ontwikkeling van LWM is in het verleden afgestemd met het projectbureau Ooijen-Wanssum.
Op basis van dit overleg is het dijktracé naar het zuiden verlegd waardoor ruimte is ontstaan voor de beoogde ontwikkelingen bij LWM1. Op basis van deze beoogde ontwikkelingen is er ontwikkelingsruimte voor LWM gereserveerd in het initiatievenloket. 1
Bron: nota van zienswijzen Provinciaal Inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum 8
Beleidslijn grote rivieren Het uitgangspunt van de Beleidslijn grote rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater, onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden, en het bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor overheden om te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. De Beleidslijn grote rivieren heeft als doelstelling om: de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. De beleidslijn bevat een afwegingskader waaraan nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren moeten voldoen. De toepassing van het afwegingskader waarborgt de veiligheid in het achterland; de ruimte die de rivier nodig heeft bij een maatgevende hoogwatersituatie blijft hiermee behouden. Voor nieuwe of uitbreiding van bestaande activiteiten in het rivierbed is in veel gevallen een vergunning op grond van de Waterwet nodig. Uit de kaart behorend bij de Beleidslijn grote rivieren (zie figuur 2.1) blijkt dat het terrein van LWM zowel in het gebied ‘Bergend regime’ als in het ‘Stroomvoerend regime’ ligt. Deze kaart is echter nog niet geactualiseerd op basis van de situatie na de uitvoering van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.
In werkelijkheid is dan ook geen sprake meer van een stroomvoerend regime (LWM ligt nu achter een waterkering). Doordat LWM bebouwing gaat realiseren binnen de aangewezen gebieden is voor de ontwikkelingen een vergunning aangevraagd op grond van de Waterwet. Om aanspraak te kunnen maken op de ontwikkelingsruimte heeft LWM naast een watervergunning tevens een Provinciale Instemmings- en Akkoord Verklaring aangevraagd (30 juni 2021) voor 2.651 m2 ontwikkelruimte uit de regeling Ontwikkelingsruimte Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg heeft per brief van 15 juli 2021 aangegeven dat deze ontwikkelruimte verleend is. Het verzoek en de verlening zijn bijgevoegd bij de aanvraag voor een watervergunning die is aangevraagd bij Rijkswaterstaat.
Plangebied
Figuur 2.1: Kaart Beleidslijn grote rivieren
9
Conclusie De verdere ontwikkeling van LWM vindt plaats binnen een gebied dat aangewezen is als bergend regime en stroomvoerend regime van de Maas. De voorgenomen ontwikkelingen vormen echter geen belemmering voor het bereiken van de doelstellingen vanuit het Deltaprogramma. In de waterparagraaf in hoofdstuk 4 is nader ingegaan op de effecten op de waterhuishoudkundige aspecten.
Provinciaal beleid 2.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg De Omgevingsvisie Limburg richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook de aspecten gezondheid, veiligheid en gezonde leefomgeving worden in de Omgevingsvisie meegenomen. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in de Omgevingsverordening Limburg. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. Tot de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) geldt echter nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. In deze ruimtelijke onderbouwing is daarom uitsluitend de Omgevingsverordening Limburg 2014 beschouwd. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma’s.
In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied b. in landelijk gebied 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie) 3. Klimaatadaptatie en energietransitie De Omgevingsvisie bestaat uit twee delen: een thematisch deel en een gebiedsgericht deel. Relevant voor de ontwikkelingen bij LWM zijn de thema’s ‘Economie’, ‘Werklocaties’ en ‘Landschap’. Verder is de regiovisie Noord-Limburg van toepassing.
10
Thematische visie Economie Bij de opgave ten aanzien van ‘Economie’ is in de Omgevingsvisie benoemd dat bij een toekomstbestendige economische structuur ook een aantrekkelijk vestigingsklimaat hoort, zowel voor ondernemers als voor werknemers en studenten. De ambitie die gesteld is bij deze opgave is de versterking van de regionale economische structuur binnen een excellent vestigingsklimaat. De ruimtelijke mogelijkheden zijn randvoorwaardelijk voor deze ambitie. Werklocaties In de Omgevingsvisie staat omschreven dat voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk is. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Dat deze beschikbare ruimte niet toereikend is voor de ontwikkelingen bij LWM is reeds benoemd in paragraaf 2.2.2. De provincie heeft de ambitie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven. Hierbij kiest zij voor compacte werklocaties om ruimtegebruik en landschappelijke inpassing te optimaliseren. Hierbij wordt de redeneerlijn “behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw” gehanteerd, om op deze wijze zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Dit betekent concreet: 1. de behoefte aantonen; 2. (her)gebruik ruimte op bestaande, evt.
te herstructureren terreinen; 3. ontwikkeling nieuwe terreinen aansluitend aan bestaande werklocaties; 4. mogelijk andere buitenstedelijke locaties (mits gemotiveerd) te ontwikkelen De uitbreiding van LWM voldoet aan deze voorkeursvolgorde, dit is ook reeds gemotiveerd in de laddertoets in bijlage 1. Hierin is de behoefte aangetoond en de onmogelijkheid van hergebruik op de bestaande locatie of een andere locatie. Er wordt daarom overgegaan tot de ontwikkeling van nieuw terrein, aansluitend aan de bestaande bedrijfslocatie. Landschap
De provincie ziet een opgave in het behoud, beheer, ontwikkeling en beleving van de landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en waterhuishoudkundige kernkwaliteiten van het landschap. De ambitie hierbij is om kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het Limburgse landschap te behouden en te versterken in combinatie met de ruimtelijke opgaven en transities die spelen. Een focus hierbij ligt op Limburgs meest bijzondere landschappen, waaronder de groenblauwe mantel die gelegen is ten zuiden van de bedrijfslocatie van LWM (voorheen bronsgroen landschap). De provincie kiest voor een rol die gericht is op het behouden, beheren, ontwikkelen en beleven van de landschappelijke kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap ZuidLimburg en de groenblauwe mantel. Ontwikkelingen binnen de ruimte van het beleid voor de verschillende thema’s zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden. Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting bij ruimtelijke plannen aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan 11
In dit geval is sprake van een ontwikkeling binnen de groenblauwe mantel. De ontwikkelingen vinden echter volledig plaats in een gebied dat is heringericht in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waarbij rekening is gehouden met het landschap en de kernkwaliteiten, maar ook al met de beoogde ontwikkelingen bij LWM (zie ook paragraaf 3.4). Verder vinden de ontwikkelingen plaats op de resterende ruimte tussen de Blitterswijckseweg en de waterkering, hierdoor kan gekomen worden tot een duurzame landschappelijke inpassing die aansluit op het definitieve ontwerp van het landschapsplan voor de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Door toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is aangetoond dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik (zie paragraaf 2.2.2. en bijlage 1). Gebiedsgerichte visie In de visie voor Noord-Limburg is het Toekomstbeeld voor 2030-2050 geschetst. Hierin geeft de karakteristiek van de Maas en de Peel richting én ruimte om ontwikkelingen mogelijk te maken. Hierbij wordt aangesloten op het Limburgse principe ‘zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden boven- en ondergronds’. De provincie spant zich hierbij in voor een robuuste economische structuur die is afgestemd op het economisch, landschappelijk en maatschappelijk draagvlak van de regio.
Conclusie De plannen van LWM sluiten aan bij de provinciale opgaves, ambities en keuzes om een gezonde en veilige leefomgeving te realiseren. Verder vinden de ontwikkelingen plaats in een gebied dat is heringericht in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waarbij al rekening is gehouden met het landschap en de kernkwaliteiten, maar ook al met de beoogde ontwikkelingen bij LWM. 2.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd, vanwege de vaststelling van het POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. De omgevingsverordening is vastgesteld op 12 december 2014 en in werking getreden op 16 januari 2015. Sindsdien is de Omgevingsverordening nog enkele keren gewijzigd. De laatste wijziging is vastgesteld op 1 september 2020. In onderstaande beschouwing zijn de wijzigingen tot dat moment meegenomen. In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL beleidsregels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen.
Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening.
12
De Omgevingsverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De verordening is van toepassing als het ruimtelijke plan betrekking heeft op een uitbreiding of verandering van bebouwing of activiteiten. Hiervoor sluiten de POL 2014 en de Omgevingsverordening aan op de ladder voor duurzame verstedelijking uit artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 2.2.1. en bijlage 1). In de Omgevingsverordening is een motiveringsplicht opgenomen voor ontwikkelingen in de bronsgroene landschapszone. Beschreven moet worden wat de kernkwaliteiten zijn en hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In dit geval vinden de ontwikkelingen echter volledig plaats in een gebied dat is heringericht in het kader van de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum, waarbij rekening is gehouden met het landschap en de kernkwaliteiten en ook met de beoogde ontwikkelingen bij LWM. Conclusie De ontwikkelingen vinden plaats in een gebied dat is heringericht in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waarbij al rekening is gehouden met het landschap en de kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone, maar ook al met de beoogde ontwikkelingen bij LWM.
2.3.3 Omgevingsverordening Limburg Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: niet voor 1 oktober 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. De vernieuwde
provinciale Omgevingsverordening is vastgesteld op 16 december 2021 en treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. Op dat moment vervalt van rechtswege de bestaande Omgevingsverordening Limburg 2014. De Omgevingsverordening Limburg (2021) is een beleidsneutrale en op de nieuwe Omgevingswet gebaseerde omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014, inclusief alle aanvullingen en wijzigingen die sinds 2014 zijn besloten en doorgevoerd. Naast de beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 naar de Omgevingsverordening Limburg (2021) zijn er vier nieuwe onderdelen aan de verordening toegevoegd. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze wijzigingen zijn niet relevant voor de verder ontwikkeling van LWM. Conclusie De veranderingen in de Omgevingsverordening Limburg (2021) zijn niet relevant voor de ontwikkelingen bij LWM.
13
Gemeentelijk beleid 2.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft hiervoor de structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ opgesteld, die op 9 april 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld en voor het laatst op 10 september 2019 is herzien. De structuurvisie wordt door de gemeente gebruikt om uitspraken te doen over de wenselijkheid van ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. Het grondgebied van de gemeente is hiervoor ingedeeld in diverse gebieden. Het perceel van LWM ligt in het gebied 5D (Maascorridor) van de structuurvisie (zie figuur 2.3). In dit gebied geldt een voorwaardelijke grondhouding voor de ontwikkeling van solitaire bedrijven. Dit betekent dat uitbreiding van bestaande bedrijven mogelijk is onder voorwaarden, als blijkt dat er geen andere mogelijkheden, zoals verplaatsing naar een bedrijventerrein, zijn. Voor LWM is het verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten financieel gezien niet mogelijk. Dit betekent kapitaalvernietiging van de huidige gebouwen en installaties.
Dit is ook gemotiveerd in de laddertoets (zie bijlage 1).
14
Figuur 2.3: Uitsnede structuurvisiekaart ’Integrale beleidsvisie’
Verder zijn in de structuurvisie ook de kaders opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen die niet voorzien zijn in het geldende bestemmingsplan. Hiervoor wordt het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) gehanteerd. Het grondprincipe van het GKM is dat als bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, dit gecompenseerd dient te worden door een kwaliteitsbijdrage. In de praktijk betekent dit dat bijvoorbeeld oude gebouwen in het buitengebied moeten worden gesloopt of een financiële afdracht wordt gedaan om het kwaliteitsverlies te compenseren. In de structuurvisie zijn voor het bepalen van de kwaliteitsbijdrage verschillende modules uitgewerkt. De ontwikkelingen bij LWM vallen onder de module uitbreiding solitaire bedrijven. Omdat de bestaande bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ en de bestaande bestemming wordt vergroot, is een kwaliteitsbijdrage conform het GKM aan de orde. LWM zal dan ook een financiële afdracht doen op basis van de toename van het bebouwingsoppervlak ten zuiden van de huidige bedrijfsbestemming. Verder is al in een landschappelijke kwaliteitsimpuls voorzien door de realisatie van een groenzone ten zuiden van het bedrijfsterrein.
15
Conclusie LWM zal een financiële afdracht doen op basis van de toename van het bebouwingsoppervlak ten zuiden van de huidige bedrijfsbestemming en er is voorzien in een landschappelijke kwaliteitsimpuls door de realisatie van een groenzone ten zuiden van het bedrijfsterrein. De verdere ontwikkeling van LWM is daarmee mogelijk binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie. 2.4.2 Duurzaamheidsprogramma 2020-2050 #Wij gaan Groen De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in februari 2020 het duurzaamheidsprogramma vastgesteld. In het Duurzaamheidsprogramma zijn 4 hoofddoelen omschreven: - Klimaatneutraliteit - Klimaatbestendigheid - Circulariteit - Biodiversiteit Deze hoofddoelen zijn weer verder verdeeld naar thema’s per hoofddoel. Het duurzaamheidsthema ‘Energiebesparing’ sluit aan bij de ontwikkelingen bij LWM. Het programma bevat geen concrete acties die betrekking hebben op LWM, maar de doelstellingen van het beleid sluiten wel aan op de doelstellingen van LWM. Ook LWM heeft de doelstelling om het energieverbruik te verbeteren. Een aantal van de ontwikkelingen zijn juist gericht op duurzamer produceren. LWM neemt daarom deel aan de Meerjarenafspraak (MJA) energie-efficiency voor de Groenten- en Fruitverwerkende industrie. De actuele afspraken over energie-efficiency zijn vastgelegd in MJA3.
Een belangrijke doelstelling van MJA3 is om in de sector 30 procent energie-efficiencyverbetering tussen 2005 en 2020 te realiseren.
De doelstelling ten aanzien van energiebesparing houdt echter niet op in 2020. Duurzaamheid zit in het hart van de strategie van LWM, omdat het van belang is voor de lange termijn als bedrijf en de wereld. LWM wil positief bijdragen aan de wereldwijde duurzame ontwikkelingsdoelen. Om het verschil te maken heeft LWM drie ambitieuze doelstellingen voor 2030 geformuleerd: Balanced Diet, zero (food) waste en climate action. Om de doelstellingen binnen de organisatie te embedden werkt LWM met extern gecertificeerde ISO 50001 en 14001 zorgsystemen. Waarbij via de plan, do, check, act cirkel wordt geborgd dat voldaan wordt aan (toekomstige)wet- en regelgeving en continue wordt gestreefd naar het reduceren van negatieve impact op het milieu. Het einddoel is positieve impact op de nabije omgeving van de productielocaties en de wereld samen met ketenpartners en belanghebbenden. Conclusie Energie-efficiency is een belangrijk ontwerpuitgangspunt bij de ontwikkelingen die plaatsvinden bij LWM. Hierbij sluit de ontwikkeling aan op het beleid van de gemeente.
16
3 HOOFDSTUK 3 - PROJECTPROFIEL Inleiding In dit hoofdstuk wordt een omschrijving gegeven van het gebied, het planvoornemen en de inpassing van het planvoornemen in de omgeving. Verder is uiteengezet op welke punten de plannen afwijken van het huidige planologische kader.
Gebiedsbeschrijving LWM is gelegen in een rivierdallandschap, in de Maascorridor. Het rivierdallandschap staat sterk onder invloed van de rivier de Maas. Het landschap bestaat uit een kleinschalige mix van oude akkercomplexen, jonge ontginningen en bos- en natuurgebieden. Dit zijn zowel de natte oude maasarmen, als de hoger en droger gelegen bossen op de rivierduinen. Ook steilranden en glooiingen komen hier in het landschap voor. Onder andere door de langgerekte bos- en natuurgebiedenzone tussen het rivierdallandschap en de zandgronden, is het rivierdallandschap relatief rustig en natuurlijk van karakter. LWM is gelegen in buurtschap Ooijen. In de nabijheid zijn enkele woningen gelegen en ten oosten van het bedrijf bevinden zich recreatiepark Kasteel Ooijen. LWM is verder gelegen in het plangebied van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Onderdeel van de gebiedsontwikkeling is het reactiveren van de oude Maasarm. Deze ontwikkeling heeft plaatsgevonden direct ten zuiden van het bedrijfsterrein en heeft geleid tot een transformatie van het gebied. Met deze gebiedsontwikkeling is er een waterkering gerealiseerd ten zuiden van het terrein van LWM en is het direct aangrenzende terrein aanzienlijk opgehoogd. Dit is weergegeven in figuur 3.1.
Figuur 3.1: Ingrepen gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (situatie 2017 en augustus 2020)
17
Projectbeschrijving LWM is voornemens om haar bedrijfslocatie in Broekhuizenvorst verder te ontwikkelen. Het gaat om de volgende aanpassingen: Uitbreiding van het bedrijfsterrein (waarvan 2.450 m2 verhard); Realisatie van sprinklertank (265 m2); Plaatsing opslagtanks reststromen (25 m2); Realisatie technische ruimte (132 m2); Realisatie fietsenstalling (37 m2); Realisatie palletopslag (2.625 m2); Uitbreiding hoofdgebouw voor opslag reststromen (525 m2); Uitbreiding hoofdgebouw (1.080m2). Het totale oppervlak aan bouwwerken bedraagt daarmee 4.689 m2. In onderstaande tekeningen (figuur 3.2 en 3.3) is weergegeven hoe de ontwikkelingen er op kaart uitzien. In bijlage 2 is de situatietekening op schaal weergegeven. Deze situatietekening vormt het kader voor de verdere vergunningverlening. In bijlage 7 zijn 3D views van de beoogde ontwikkelingen opgenomen. In de paragrafen hierna zijn de verschillende aanpassingen nader omschreven.
Figuur 3.2: Tekening gewenste situatie 18
Figuur 3.3: 3D view gewenste situatie
3.3.1 Uitbreiding van het bedrijfsterrein LWM heeft achter het bedrijventerrein nog een stuk grond in eigendom. Deze gronden kennen nog geen bedrijfsbestemming en waren voorheen van het bedrijfsperceel gescheiden door een watergang. Door de realisatie van de Reactivering Oude Maasarm door Mooder Maas (een aannemerscombinatie bestaande uit de hoofdaannemers Dura Vermeer en Ploegam) is de watergang komen te vervallen en in eigendom gekomen van LWM. Hierdoor zijn de achterliggende gronden tevens bereikbaar vanuit LWM en kan een nieuwe erfgrens worden gerealiseerd. LWM heeft de intentie om de beschikbare ruimte tot aan de nieuwe erfgrens bij het bestaande bedrijfsterrein te trekken en omgeven door een hekwerk. Een gedeelte van dit terrein (2.450 m2) wordt verhard en de belangrijkste bedrijfsactiviteit op dit deel zal zijn manoeuvreerruimte en wachtruimte voor vrachtverkeer, zodat de veiligheid op het terrein toeneemt. Daarnaast zal op dit deel van het terrein een sprinklertank met pomphuis geplaatst worden en een palletopslag. Het hekwerk dat voorzien is rondom het terrein krijgt een hoogte van 1,8 meter en zal in tegenstelling tot de bepalingen in het bestemmingsplan ‘buitengebied Horst aan de Maas’ niet worden voorzien van openingen voor fauna. Dit is namelijk niet gewenst vanwege de eisen ten aanzien van voedselveiligheid.
De effecten hiervan staan omschreven in de Quickscan ecologie (zie paragraaf 4.6 en bijlage 4). 3.3.2 Realisatie van sprinklertank Voor brandveiligheid, continuïteit en een eis van de verzekeraar is de productie momenteel gedeeltelijk voorzien van een sprinklerinstallatie en dit zal in de toekomst uitgebreid gaan worden over het hele gebouw inclusief vrieshuis. Er zijn tijdelijke noodvoorzieningen getroffen, zodat bij een brand direct d.m.v. sprinkler geblust kan worden. LWM wil een definitieve oplossing realiseren en een voldoende grote sprinklertank incl. pomphuis plaatsen op de productielocatie.
19
In het verleden is de sprinklertank voorzien aan de voorzijde naast de waterzuivering. Op deze voorgestelde locatie zijn Sprinklertank opmerkingen gekomen van de bewoners van het buurtschap Ooijen. Dit is de reden dat afgezien is van deze locatie en de positie is gekozen zoals op tekening. Deze nieuwe plannen zijn gepresenteerd in een (digitale) buurtbijeenkomst waarbij LWM alle plannen heeft toegelicht (zie paragraaf 5.3.1.). Tijdens deze bijeenkomst zijn opmerkingen gemaakt over de hoogte van de sprinklertank en de zichtbaarheid voor de omgeving. LWM heeft de plannen daarom aangepast en de hoogte aangepast van 10 meter naar 7,3 meter. Hiermee verdwijnt de sprinklertank uit het zicht, doordat deze wegvalt achter bestaande bebouwing. Hiernaast is het aangepaste plan naar aanleiding van de buurtbijeenkomst weergegeven. 3.3.3 Realisatie technische ruimte Voor het productieproces gebruikt LWM drinkwater. Dit is een mengsel van bronwater en leidingwater vanuit het openbare net. Nu blijkt dat het bronwater een steeds hoger zoutgehalte gaat bevatten. Eveneens is er een hoge concentratie ijzer en mangaan aanwezig. Om het bronwater geschikt te blijven maken voor het productieproces zullen er extra stappen aan de waterbehandeling nodig zijn om te blijven voldoen aan de eisen voor voedselproductie.
De extra installaties die hiervoor nodig zijn zullen in een gebouw aan de voorzijde in een technische ruimte geplaatst gaan worden, aansluitend op de bestaande waterbehandelingsinstallaties. Het ontwerp van het gebouw zal aansluiten bij het huidige bestaande gevelaanzicht.
20
3.3.4 Realisatie palletopslag Momenteel worden de pallets buiten op het terrein opgeslagen. De eisen voor voedselveiligheid worden echter steeds hoger. De trend is ook dat er meer en meer eisen gesteld worden aan de verpakkingsmaterialen en de transportmiddelen. Pallets dienen visueel schoon te zijn en klanten eisen dat pallets speciaal behandeld dienen te zijn i.v.m. mogelijk ongedierte. Hierdoor is de verwachting dat pallets in de nabije toekomst niet meer buiten opgeslagen mogen worden i.v.m. voedselveiligheid en kruisbesmettingen. LMW wil daarom een palletopslag realiseren ter bescherming van de pallets. 3.3.5 Uitbreiding hoofdgebouw voor opslag reststromen LWM streeft er naar om reststromen hoger te verwaarden en om voedselverspilling tegen te gaan. Momenteel staan er een aantal installaties voor de verwerking van reststromen buiten opgesteld. De eisen rondom het geschikt houden van reststromen voor diervoerder zijn echter steeds strenger geworden vanuit voedselveiligheid. Het is daarom nodig om de installaties voor de verwerking van reststromen binnen op te stellen. Om dit mogelijk te maken dient een uitbreiding van het hoofdgebouw plaats te vinden. 3.3.6 Uitbreiding hoofdgebouw Momenteel heeft LWM geen mogelijkheid om aardappelen te sorteren, de aardappelen worden gesorteerd aangeleverd.
LWM wil echter flexibel kunnen zijn in de levering van aardappelen en LWM wil ook een meer constante kwaliteit aardappel kunnen verwerken. Daarom wil LWM een sorteerruimte realiseren. Dit is voor LWM een standaard manier van produceren. Hiervoor dient een uitbreiding van het hoofdgebouw plaats te vinden.
21
3.3.7 Plaatsing opslagtanks reststromen Deze activiteit is niet nieuw, alleen de opslagcapaciteit dient vergroot te worden om te borgen dat de reststromen ingezet kunnen blijven worden voor diervoeder. Het betreft de plaatsing van 2 opslagtanks van 10 meter hoog, direct achter het hoofdgebouw. Er is gekozen voor een hoogte van 10 meter, zodat de tanks niet zichtbaar zijn vanaf de Blitterswijckseweg en efficiënt met de beschikbare ruimte omgegaan kan worden.
3.3.8 Realisatie fietsenstalling LWM heeft momenteel twee verplaatsbare fietsenstallingen. Deze worden vervangen door één nieuwe fietsenstalling waarin ook mogelijkheden zijn aangebracht voor de medewerkers om de accu van de fiets op te laden.
Landschappelijke inpassing In het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is reeds rekening gehouden met de verdere ontwikkeling van LWM. De gewenste ontwikkeling van LWM is in het verleden afgestemd met het projectbureau Ooijen-Wanssum. Op basis van dit overleg is het dijktracé naar het zuiden verlegd waardoor ruimte is ontstaan voor de beoogde ontwikkelingen bij LWM2. Dit is een ontwerpuitgangspunt geweest bij de totstandkoming van de landschappelijke inpassing zoals deze is opgenomen in het VRIP Ooijen-Wanssum (voorlopig ruimtelijke inpassingsplan), waarbij rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van het bronsgroene landschap en waarin de beoogde ontwikkeling van Oerlemans (nu LWM) ingepast is met een robuuste groenzone die inmiddels al gerealiseerd is. De uitwerking van het landschapsontwerp voor de gebiedsontwikkeling is in onderstaande afbeelding weergegeven.
2
Bron: nota van zienswijzen Provinciaal Inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum 22
Figuur 3.4: Landschappelijke inpassing LWM (bron: VRIP)
Doordat reeds voorzien is in een robuuste landschappelijke inpassing in het zuidelijk deel zal LWM bij de volgroeiing hiervan nauwelijks meer zichtbaar zijn vanuit het zuiden. Dit kan ook afgeleid worden uit het dwarsprofiel dat is opgenomen in het VRIP (zie figuur 3.6). De bestaande laurierhaag aan de zuidzijde zal zo lang mogelijk intact worden gehouden en pas verwijderd worden als dit nodig is voor het doorvoeren van de veranderingen. Aan de Westzijde wordt de bestaande groenstructuur langs de Ganzenkampstraat in stand gelaten (zie figuur 3.5) en ook het bos aan de oostzijde wordt niet veranderd. Verder is ook een bijdrage conform het
GKM aan de orde (zie paragraaf 2.4.1). LWM zal hiervoor een financiële afdracht doen op basis van de toename van het bebouwingsoppervlak ten zuiden van de huidige bedrijfsbestemming.
Figuur 3.5: Bestaande groenstructuur Ganzenkampstraat
23
Figuur 3.6: Dwarsprofiel landschappelijke inpassing LWM (bron: VRIP)
Afwijkingen van planologisch kader In de afbeelding hieronder zijn de beoogde ontwikkelingen bij LWM geprojecteerd over de verbeeldingen van zowel het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ als het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’.
Figuur 3.7: plannen geprojecteerd boven verbeeldingen planologisch kader
24
Op basis van een analyse van de van toepassing zijnde bestemmingen en aanduidingen en de bijbehorende planregels is in beeld gebracht op welke punten de beoogde ontwikkelingen afwijken van het geldende planologisch kader. Waarbij opgemerkt wordt dat de planologische kaders van het PIP niet overeenkomen met de daadwerkelijke uitvoering van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De afwijkingen ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen bij LWM zijn hieronder puntsgewijs omschreven: De ontwikkeling van het bedrijfsterrein in zuidelijke richting, de bouw van de palletopslag en de bouw van de sprinklertank vinden niet plaats binnen een bestaande bedrijfsbestemming en liggen tevens binnen de enkelbestemmingen ‘Water-2’ (artikel 12) en ‘Verkeer’ (artikel 10) van het PIP, waarbinnen bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan. De palletopslag en de bouw van de sprinklertank vinden plaats binnen een zone waar de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-dijk’ uit het PIP van toepassing is. Binnen deze gebiedsaanduiding zijn bouwwerken niet toegestaan, tenzij hierover positief wordt geadviseerd door de waterbeheerder (artikel 26.3 PIP); De bouwregels van het bestemmingsplan staan alleen het bestaande oppervlak aan bedrijfsgebouwen toe (artikel 5.2.2.
bestemmingsplan), al het nieuwe oppervlak aan bedrijfsgebouwen is dus niet passend binnen het bestemmingsplan (uitbreiding hoofdgebouw en technische ruimte); Binnen de bestaande bedrijfsbestemming is teven de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend gebied’ van toepassing. Binnen deze dubbelbestemming zijn bouwwerken niet toegestaan, tenzij hierover positief wordt geadviseerd door de waterbeheerder (artikel 42.3 bestemmingsplan), voor alle nieuwe bouwwerken dient hiervoor te worden afgeweken van het bestemmingsplan; Op basis van het geldende bestemmingplan bedraagt de maximale hoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 6 meter. (artikel 5.2.3. bestemmingsplan). De hoogte van de opslag van de reststromen is niet passend binnen deze bouwhoogte, zodat efficiënter met de beschikbare ruimte omgegaan kan worden. Voor bovenstaande afwijkingen wordt dus een omgevingsvergunning aangevraagd voor het ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. In de situatietekening in bijlage 2 zijn ook de afmetingen van de verschillende beoogde bouwwerken weergegeven, zodat kan worden afgeleid in welke mate wordt afgeweken van de planologische kaders.
Conclusie De plannen van LWM passen niet binnen de geldende planologische kaders. Om deze wel mogelijk te maken wordt een afwijking van het bestemmingsplan middels een omgevingsvergunning aangevraagd in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wabo. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt toegelicht dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In het volgende hoofdstuk is per sectoraal aspect beoordeeld wat de effecten zijn van de beoogde ontwikkelingen.
25
4 HOOFDSTUK 4 - SECTORALE ASPECTEN Inleiding Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning ziet niet toe op een toename in productie of een verandering van het productieproces, maar heeft uitsluitend betrekking op ondersteunende functies. Om die reden zijn de effecten in algemene zin beperkt. In dit hoofdstuk zijn uitsluitend de effecten op milieu- en omgevingsaspecten beschouwd die samenhangen met de beoogde ontwikkelingen bij LWM zoals omschreven in paragraaf 3.3.
Milieuaspecten 4.2.1 Bodem en grondwaterkwaliteit Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij onderhavig plan is er sprake van een functie-/gebruikswijziging aangezien het gebruik in het zuidelijk deel van het plangebied geen agrarische functie meer kent, maar gebruikt gaat worden voor bedrijfsdoeleinden. Voor deze bedrijfsdoeleinden gelden minder strikte kwaliteitseisen dan voor de huidige functie. Verder is dit gebied recent nog opgehoogd in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waarvoor bodem is aangevoerd met een kwaliteit die toereikend is voor een agrarische functie. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit ook geschikt is voor bedrijfsdoeleinden. Met uitzondering van de diesel die aanwezig is in de pompinstallatie die geïnstalleerd wordt bij de sprinklertank, is er geen sprake van nieuwe bodembedreigende activiteiten. Om te voorkomen dat als gevolg van de opslag van diesel bodemverontreiniging ontstaat worden er maatregelen getroffen conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Hierdoor ontstaat een verwaarloosbaar bodemrisico. Conclusie Gelet op vorenstaande vormen de aspecten bodem en grondwater geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
4.2.2 Geluid De aanpassingen op en aan de bedrijfslocatie hebben geen effect op de productiecapaciteit en het aantal transportbewegingen. Wel verandert de bebouwingssituatie en de routing op het terrein. Om alle effecten van de veranderingen in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat ook na de veranderingen aan de huidige vergunde grenswaarden wordt voldaan. Hiermee zullen in de toekomstige situatie voor het aspect geluid geen nadelige gevolgen voor omwonenden of geluidgevoelige functies in de omgeving ontstaan.
26
Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot nieuwe emissiebronnen die een effect hebben op de luchtkwaliteit. Er is alleen sprake van een dieselpomp voor de sprinklertank. Dit betreft echter een installatie die alleen in bedrijf is in geval van calamiteiten of testen. Het project leidt daarom niet in betekende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het project leidt niet in betekende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.2.4 Geur De voorgenomen ontwikkelingen betreffen ondersteunende functies en hebben geen effect op het productieproces of de waterzuivering. Derhalve is er geen sprake van negatieve effecten op het gebied van geur. Conclusie Voorgenomen ontwikkelingen zijn niet van invloed op het aspect geur.
4.2.5 Bedrijven en milieuzonering Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies worden gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld die gemotiveerd kan worden toegepast: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ blijkt dat LWM door de productie van aardappelproducten ingedeeld kan worden in milieucategorie 4.2. Voor aardappelproductiebedrijven gelden de volgende richtafstanden:
27
Milieuaspect
Richtafstand in meters 300 30 200 50
Geur Stof Geluid Gevaar
Het gaat bij richtafstanden om de afstand tussen enerzijds de grens van het bedrijf en anderzijds de uiterste situering van een woonbestemming. Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor alle aspecten een grotere richtafstand vereist is dan momenteel van toepassing is, aangezien de afstand tussen het bedrijf en de woningen aan de Blitterswijckseweg kleiner is (ca. 11 meter) dan de genoemde richtafstanden. Derhalve kan hinder niet uitgesloten worden op basis van de richtafstanden. Door de beoogde ontwikkelingen blijft de afstand van het bedrijf ten opzichte van de gevoelige bestemmingen gelijk. Aangezien deze afstand in de huidige situatie al beperkt is, is voor de milieuaspecten geur, geluid en gevaar in deze ruimtelijke onderbouwing afzonderlijk beschouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Door de nabij gelegen woningen kan hinder niet worden uitgesloten op basis van de richtafstanden. Effecten van relevante milieuaspecten zijn in deze ruimtelijke onderbouwing daarom afzonderlijk beschouwd. 4.2.6 Externe veiligheid De ontwikkelingen hebben geen effect op de externe veiligheidssituatie op en rondom het terrein. Er vinden namelijk geen veranderingen plaats aan de ammoniakkoelinstallatie en de waterzuivering waardoor de risico’s voor de omgeving zouden kunnen toenemen.
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn de voorgenomen ontwikkelingen dan ook uitvoerbaar.
Milieueffectrapportage Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet bij initiatieven voor activiteiten, die voorkomen in onderdeel C en of D van het Besluit m.e.r., worden beoordeeld of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein waarbij de drempel van D11.3 wordt overschreden, is mer-beoordelingsplichtig als het een besluit betreft uit kolom 4 en plan m.e.r-plichtig als het een plan betreft uit kolom 3. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein waarbij de drempel van D11.3 (> 75 ha) niet wordt overschreden, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt.
Ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie ingediend bij de gemeente Horst aan de Maas (zie bijlage 6). Op basis van deze aanmeldnotitie heeft de
28
gemeente op 15 december 2021 besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Dit besluit is opgenomen in bijlage 8. Conclusie Op basis van een ingediende aanmeldnotitie heeft de gemeente besloten dat het doorlopen van een Milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.
Waterparagraaf De effecten op de waterhuishouding vormen een relevant aspect voor de beoogde ontwikkelingen. Ten eerste zijn de ontwikkelingen gesitueerd in een gebied dat in de Beleidslijn grote rivieren is aangewezen als bergend en stroomvoerend regime. Daarnaast vinden de ontwikkelingen plaats nabij objecten en wateren die zijn aangeduid op de legger van Waterschap Limburg en ten slotte is er sprake van een toename van verhard oppervlak, waardoor er sprake is van een toename van afstromend hemelwater. Over deze aspecten heeft afstemming plaatsgevonden met de waterbeheerders. Hieronder zijn deze aspecten nader toegelicht. Ligging in bergend en stroomvoerend regime De huidige bedrijfslocatie van LWM is gelegen in het bergend regime van de Maas en het gebied waar de beoogde uitbreiding van het bedrijfsterrein is gelegen heeft conform de beleidslijn grote rivieren nog de status van stroomvoerend regime (in werkelijkheid is geen sprake meer van een stroomvoerend regime, LWM ligt nu achter een waterkering). Binnen deze gebieden mag bebouwing alleen onder voorwaarden worden opgericht. In het verleden zijn daarom verschillende meldingen gedaan en vergunningen verleend voor diverse ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden op de bedrijfslocatie.
In overleg met Rijkswaterstaat Zuid is besloten om voor de nu beoogde ontwikkelingen een revisie vergunning aan te vragen voor de gehele bedrijfslocatie van LWM waarin alle (vergunde) wijzigingen sinds de inwerkingtreding van de Rivierenwet in 1996, later Waterwet zijn opgenomen en waarin tevens de nu beoogde ontwikkelingen worden meegenomen. De waterstandsdaling die heeft plaatsgevonden door de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum en door de extra compenserende maatregelen die getroffen zijn, is er ruimte ontstaan voor nieuwe ontwikkelingen. De Regeling Ontwikkelingsruimte Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum bevat afspraken en spelregels over de verdeling van de Ontwikkelingsruimte. LWM kan ook aanspraak maken op de ontwikkelingsruimte die is ontstaan door de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. LWM (toen Oerlemans Foods) heeft zich in het verleden gemeld voor het initiatievenloket voor toekomstige ontwikkelingsruimte. Daarmee is LWM verzekerd van de benodigde ontwikkelingsruimte (voor een duur van 3 jaar). Om aanspraak te kunnen maken op de ontwikkelingsruimte heeft LWM naast een watervergunning tevens een Provinciale Instemmings- en Akkoord Verklaring aangevraagd (30 juni 2021) voor 2.651 m2 ontwikkelruimte uit de regeling Ontwikkelingsruimte Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg 29
heeft per brief van 15 juli 2021 aangegeven dat deze ontwikkelruimte verleend is. Het verzoek en de verlening zijn bijgevoegd bij de aanvraag voor een watervergunning die is aangevraagd bij Rijkswaterstaat.
Legger Waterschap Limburg Door de uitvoering van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is de inrichting van het gebied veranderd. Hierdoor is er een waterkering op korte afstand van het terrein van LWM komen te liggen en is de watergang direct ten zuiden van het bedrijfsterrein van LWM verdwenen. De leggerkaart van waterschap Limburg is nog niet aangepast op basis van ingrepen die plaatsgevonden hebben in het kader van de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum. Er heeft afstemming met het Waterschap Limburg over de locatie van de beoogde bouwwerken binnen de beschermingszone van de waterkering. Hieruit is naar voren gekomen dat de locatie van deze bouwwerken mogelijk is. Wel zal er voorafgaand aan de bouw van deze bouwwerken een watervergunning aangevraagd moeten worden. Deze watervergunning zal gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen worden aangevraagd. Toename verharding Waterschap Limburg heeft haar uitgangspunten voor de waterparagraaf per email kenbaar gemaakt en op 8 maart 2022 heeft er een digitaal overleg plaatsgevonden om deze uitgangspunten te bespreken. Hieruit volgt onder andere dat het waterschap voor het afkoppelen van nieuw verhard oppervlak een norm van 100 mm in 24 uur hanteert. Daarnaast worden er voorkeursvolgordes gehanteerd voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.