CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting bp Venloseweg

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Venloseweg 22-24 te Horst.28.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

40/123

bewoning toestaan in recreatieparken toestaan voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk Economie). Deze uitzondering – hoewel niet tijdelijk – geldt ook voor Ruimte voor Ruimte woningen. Waar nodig wordt samen met ondernemers ruimte gemaakt voor arbeidsmigratie met leefbare huisvesting voor tijdelijke internationale werknemers en goede integratie van 'nieuwe Limburgers'. Gemeenten worden geholpen om op een goede wijze de huisvesting te organiseren waarbij toegewerkt wordt naar één keurmerk, namelijk het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de beleidskaders van de POVI. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg

Algemeen Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI. Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter is uitgesteld tot 1 januari 2024 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening.

De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Instructie regels gemeenten In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor 'bestemmingsplannen' golden, maar breder voor 'ruimtelijke plannen'. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.

41/123

Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. Noord-Limburg beschikt heeft onvoldoende planvoorraad om aan de kwantitatieve vraag te voldoen. Ook is duidelijk dat met de bestaande planvoorraad niet voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag. Ook zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, is er een realisatie termijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen. Er is een onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen.

Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen. Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn wordt een toename van de realisaties verwacht. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen, worden met de instructieregels in de omgevingsverordening weggenomen.

Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten, wordt de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van 'de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment' vergroot. Met deze actualisatieplicht in twee stappen, wordt gestuurd op de planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies.

42/123

Afbeelding 3.7: uitsnede van kaart 10 'Wonen, werken en recreëren' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg) Instructieregels voor waterschap Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient(alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast. Op grond van artikel 2.10, eerste lid van de Omgevingswet moet een omgevingswaarde worden geduid als een resultaatverplichting, inspanningsverplichting of een andere, te omschrijven verplichting. Op grond van de hieronder beschreven aspecten is de omgevingswaarde geduid als resultaatverplichting: het beleid over de normering zoals opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma als continuering van het voorgaande Provinciale Waterplan; de concrete wijze waarop de normering is vastgelegd in de Omgevingsverordening, waarbij is afgewogen of de te treffen maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn; de mogelijkheid om de normering aan te passen op basis van de periodieke beoordeling van de regionale wateren als bedoel in artikel 3.1, tweede lid.

Ook is bepaald dat op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Omgevingswet dat aan de resultaatsverplichting om te voldoen aan de normering uiterlijk in 2035 moet zijn voldaan. Hierbij is rekening gehouden met de complexiteit van de opgave en de omvang van de kosten. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. Deze

43/123

omgevingswaarden geven afhankelijk van de functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen de bescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelen om aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het extremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans op wateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn. De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave over wateroverlast door het waterschap. De project locatie is gesitueerd in Overstromingsgebied E (zie afbeelding 3.8) met een gemiddelde overstromingskans van 1:100 voor bebouwing in bebouwde kernen. Daarbij geldt dat: de norm voor bebouwing alleen geldt voor woonbebouwing, bedrijven en niet voor overige terreinen in stedelijk gebied; de norm voor bebouwing alleen geldt voor water dat over de drempel van bebouwing naar binnen stroomt.

Afbeelding 3.8: uitsnede van kaart 3 'Omgevingswaarden - wateroverlast' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg) Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van de meest actuele neerslagstatistieken. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in paragraaf 3.2.3 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten"). 3.2.3

Geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014

Algemeen In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL

44/123

2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Nu is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Noord-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkings- instrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document. Voor onderhavig planvoornemen is artikel 2.2 (Duurzame verstedelijking) van toepassing. De laatste versie (geconsolideerde versie) van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld op 2022-09-30. Beoordeling Op kaart 2 ('Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014') van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied aan de Venloseweg aangeduid als "bebouwd gebied" (thema-verstedelijking).

45/123

Afbeelding 3.9: Uitsnede van kaart 2 'duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014) Onderzocht is of er regels van het hoofdstuk Ruimte van toepassing zijn op het plangebied. Het thema "Duurzame verstedelijking" is van toepassing, dit volgt ook uit het Besluit ruimtelijke ordening. Aangezien het project voornemen voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de LDV nodig. Zie hiervoor paragraaf 3.1.4. In artikel 2.4 wordt verwezen naar de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014. In paragraaf 3.3 (regionaal beleid) en 3.1.4 (gemeentelijk beleid) wordt daar nader op ingegaan.

46/123

Afbeelding 3.10: Uitsnede van kaart 10 'regionale wateroverlast' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014) Op kaart 10 (Normering regionale wateroverlast) van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is voor het plangebied, de normering 1:100 van toepassing. Deze leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling op de project locatie. Zie ook paragraaf 4.4.

47/123

Milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap ligt.

Afbeelding 3.11: ligging in milieubeschermingsgebied Omgevingsverordening Limburg 2014 - kaart 8)

-

'Boringsvrije

zone

Venloschol'

(bron:

Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Wel zijn de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan met de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ die is opgenomen voor het gehele plangebied. Op de overige themakaarten zijn geen specifieke zaken opgenomen die nader aandacht behoeven in deze toelichting. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in

48/123

paragraaf 3.2.2 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten"). 3.2.4 Waterbeleid Provincie Limburg Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg. In paragraaf 4.4 wordt nader op ingegaan op het aspect waterhuishouding.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Woonvisie 2020-2024 De ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geeft richting aan het woonbeleid voor de komende vier jaar. Uitgangspunt daarbij is dat de huidige samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen, waaronder corporaties, ontwikkelaars, zorginstellingen etc., wordt voortgezet. Op basis van een analyse over de huishoudensontwikkeling, de link tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad en enkele trends en ontwikkelingen zijn er in de visie enkele opgaven geformuleerd die als volgt zijn samen te vatten: Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad: Het gaat hierbij om zowel de bestaande woningvoorraad, als nieuwbouw. De samenstelling van de bevolking verandert en dit brengt een andere woonvraag met zich mee. Deze vraag sluit maar deels aan op de bestaande voorraad. De opgave ligt dan ook bij het aanpassen van de bestaande voorraad. De nieuwbouw die wordt toegevoegd, dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Hierbij wordt nog meer dan voorheen gekeken naar de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt. Bij nieuwbouw is de kwalitatieve toets daarom leidend en in mindere mate de kwantitatieve toets. Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt: In de regio komen de verschillende doelgroepen nadrukkelijker naar voren.

Die moeten allemaal een plek krijgen binnen onze woningmarkt en maatschappij. Denk hierbij aan zorgdoelgroepen (vanuit beschermd wonen naar de reguliere woningmarkt) en internationale werknemers de zich hier voor langere tijd willen vestigen. Voor een deel zijn bijzondere doelgroepen afhankelijk van de sociale huursector. De druk op dit segment lijkt dan ook toe te nemen. Niet alleen qua aantallen, maar juist door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt druk op de leefbaarheid met zich mee. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen. Koppelkansen.

49/123

Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. De regio streeft sociaal duurzame woonconcepten na. De regio zoekt aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Kwantitatieve opgave Volgens de Limburgse Woonmonitor van de provincie Limburg dient erin heel Noord-Limburg ruim 9.000 extra woningen te worden gerealiseerd tot 2040. De dorpen in Noord-Limburg, waaronder Horst, zullen daarom nog flink moeten groeien. Volgens de bevolkingsprognose van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2040 met 2.062. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 29 woningen. Dit past binnen de behoefte van de gemeente en binnen de behoefte van Noord-Limburg. Kwalitatieve opgave Uit de Woonmonitor blijkt ook dat er in Noord-Limburg een tekort aan appartementen (met lift) bestaat in verschillende type woningen, zoals sociale huursector, vrije huursector en in de koopsector. Onderhavig planvoornemen voorziet in nultreden appartementen (met lift) van verschillende groottes in de koopsector.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Integrale Structuurvise Horst aan de Maas 2019 Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de "Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas"vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: de structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; de gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; de structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld.

50/123

Afbeelding 3.12: integrale beleidsvisie kaart (bron: Structuurvisie Horst aan de Maas) De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen volgens nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Wonen en woonomgeving Het thema ‘Wonen en Woonomgeving’ in de Structuurvisie gaat voornamelijk in op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Belangrijke input hiervoor zijn de bevolkingsprognoses van Etil. De provincie heeft een visie geformuleerd voor de korte en de lange termijn. Op korte termijn streeft de provincie naar een kwalitatief goede en passende woningvoorraad afgestemd op de behoefte, met voldoende betaalbare woningen voor de betreffende doelgroepen. De bestaande woningvoorraad in Limburg voldoet voor een deel niet meer aan de woningbehoefte. Er is zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve opgave.

Op lange termijn wordt gestreefd naar de juiste woning op de juiste plek. Om dit te bereiken is een omslag van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte woningmarkt noodzakelijk. De gemeente Horst aan de Maas wil in het samenwerkingsverband Regio Noord-Limburg, bestaande uit de regio’s Venlo, Maasduinen en Venray en omgeving, samenwerken voor wat betreft de kwalitatieve aspecten van wonen.

51/123

De kwantitatieve woningbouwopgave daarentegen ziet de gemeente als een lokale aangelegenheid. Er wordt gebouwd voor de eigen behoefte. Bouwen naar ambitie moet mogelijk zijn in de dorpen. Voor de vitaliteit van elk dorp is het van groot belang om te kunnen blijven voorzien in de eigen woningbehoefte, afgestemd op de demografische ontwikkelingen in de gemeente. Samen met woningcorporaties denkt de gemeente na over een transformatie opgave, om de bestaande woningvoorraad (meer) toekomstbestendig te maken en af te stemmen op de demografische ontwikkeling van haar inwoners. De transformatie opgave behelst niet alleen de (sociale) woningvoorraad (een taak van de corporaties) maar met name de particuliere woningvoorraad (taak van de woningbezitter) en ook een transformatie van de openbare ruimte in de betreffende woonwijken (in hoofdzaak een taak van de gemeente).

Afbeelding 3.13: themakaart 'wonen en woonomgeving' (bron: Structuurvisie Horst aan de Maas) De dorpen Grubbenvorst, Horst en Sevenum zijn getypeerd als ‘centrumdorp’. Deze dorpen hebben een bovenlokaal voorzieningenniveau. In deze dorpen wordt gebouwd voor de eigen woningbehoefte. De overige 13 dorpen zijn getypeerd als ‘woondorp’, waar de woningsamenstelling zich zo levensloopbestendig mogelijk moet kunnen ontwikkelen. Aan de ontwikkeling van particuliere inbreidings- of uitbreidingslocaties wordt alleen medewerking verleend als daartoe al eerder overeenkomsten gesloten zijn of wanneer hiervoor, vanuit capaciteitsoogpunt (volkshuisvesting), noodzaak bestaat, dan wel hiermee ruimtelijke of maatschappelijke knelpunten opgelost kunnen worden. Doelgroepen die bijzondere aandacht krijgen zijn senioren en, in mindere mate, starters. De verdeling van

52/123

nieuwbouw over de dorpen is in het algemeen: 20% starters, 30% gezinnen (doorstromers) en 50% senioren, een en ander in overleg met de dorpsraden. Bij uitbreidingslocaties voor woningbouw is de ambitie 30% van de nieuw te bouwen woningen in de sociale (huur- en/of koop)sector te realiseren. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst over de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten stedelijk gebied. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument) voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken.

Waar realisatie van de investeringen ruimtelijk en planmatig niet op eigen terrein of directe omgeving mogelijk is en tegelijk met de nieuwe ontwikkeling kan worden gerealiseerd, dient de kwaliteitsbijdrage in de vorm van een financiële compensatie aan het Gemeentelijk kwaliteitsmenu (hierna: GKM) te worden voldaan. Werking GKM Het GKM is van toepassing als de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt met een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteit verbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. de gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. de gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. de gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. de gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar.

Een ontwikkeling kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteit verbetering gegarandeerd is. Van verbetering is pas sprake als deze past binnen de kwaliteitsdoelstellingen van de gemeente en de juiste waarde vertegenwoordigd. De kwaliteitsdoelstellingen zijn geformuleerd in de bijlagen ‘Gebieds- karakteristieken’, ‘Kwaliteit verbeterende maatregelen’ en ‘Ontwikkelingsmogelijk- heden’ en kunnen bestaan uit kwaliteit verbeterende maatregelen op eigen of op een ander terrein en/ of een fondsbijdrage van waaruit ‘centrale’ kwaliteit verbeterende projecten worden uitgevoerd. Een particulier initiatief dient dus gepaard te gaan met een concreet en gekwantificeerd voorstel voor kwaliteit verbetering of een (via een overeenkomst) vastgelegde financiële bijdrage.

53/123

Afhankelijk van de ruimtelijke wenselijkheid van betreffende ontwikkeling wordt een hogere of lagere kwaliteitsbijdrage verlangt. Op basis van de situering (binnen of buiten de contouren), en ook de grondhouding (bijvoorbeeld positief of meedenkend) wordt een factor bepaald die vermenigvuldigd wordt met de normen die gelden per type ontwikkeling. Wanneer de juiste stappen doorlopen zijn en de gemeente/ kwaliteitscommissie zich in de plannen/het initiatief kan vinden, dienen de afspraken in een overeenkomst vastgelegd worden, op basis waarvan realisatie plaats kan vinden. Doorwerking plangebied De gemeente streeft ernaar om de huidige kwaliteiten verder uit te bouwen en wenst daarnaast een sterke woongemeente te zijn waarbij de kwaliteiten worden benut om de aantrekkelijkheid van de gemeente te borgen en te verbeteren. In de kaart ‘Gebiedsindeling kwaliteitsmenu (GKM) Horst aan de Maas’ is het plangebied gelegen in de aanduiding ‘6A Centrumdorpen’.

De dorpen Grubbenvorst, Horst en Sevenum zijn getypeerd als ‘centrumdorp’. Deze dorpen hebben een bovenlokaal voorzieningenniveau. In deze dorpen is, naast het voorzien in de eigen woningbehoefte, ook ruimte voor groei. Via kwaliteitsverbeteringen wordt de (ruimtelijke) ingreep, die door een ontwikkeling plaatsvindt, altijd gecompenseerd. Als eerste wordt bekeken of compensatie op eigen terrein mogelijk is. Als dit niet mogelijk is, kan elders worden gecompenseerd. Is ook dit niet mogelijk, dan kan worden gecompenseerd door een financiële kwaliteitsbijdrage af te dragen aan het kwaliteitsfonds buitengebied of het leefbaarheidsfonds kernen.

54/123

3.4.2 Herziening Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas 2019 Op 10 september 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de "Herziening Integrale Structuurvisie 2019": het toevoegen van een woning in de kern" vastgesteld als oplegnotitie bij de Integrale Structuurvisie 2013. Met het Masterplan Wonen streeft de Gemeente Horst aan de Maas naar een evenwichtige woningvoorraad, zowel kwantitatief als kwalitatief. De behoefte staat onder invloed van demografische ontwikkelingen maar ook het economische klimaat. De structuurvisie Horst aan de Maas uit 2013 maakt het mogelijk om naast de gemeentelijke uitbreidingsplannen woningen toe te voegen in de kernen. Op basis van de module “Nieuwe (solitaire) woningen” wordt hiervoor een kwaliteitsbijdrage gevraagd. Voor grondgebonden woningen geldt, ongeacht het woningtype, een kwaliteitsbijdrage van €40.000,-. Voor appartementen geldt een kwaliteitsbijdrage van €12,50 of €15,- per m² bvo (afhankelijk van de kern waarbinnen de appartementen gerealiseerd worden). Door deze systematiek kan niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. In de praktijk blijkt namelijk dat met de opgenomen bijdragen niet de woningen gebouwd worden waar juist behoefte aan is: relatief kleine woningen voor eenpersoonshuishoudens, levensloopbestendige/senioren woningen en huurwoningen.

Door de hoogte van de GKM-bijdragen blijken dit soort ontwikkelingen financieel niet haalbaar te zijn. Om dit te veranderen en de juiste woningtypes op de juiste plek te kunnen realiseren is de Integrale Structuurvisie op dit punt herzien. Om te kunnen bepalen of het toevoegen van een of meerdere woningen gezien wordt als een gewenste ontwikkeling zal een plan beoordeeld worden op de volgende onderdelen: 1. Er moet sprake zijn van een goed stedenbouwkundig plan Een initiatief kan bestaan uit het toevoegen van meerdere woningen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een bestaand pand dat verbouwd wordt tot appartementen. Dit heeft invloed op de stedenbouwkundige inpassing van het plan. Wanneer het meerdere woningen betreft wordt het plan ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor de stedenbouwkundige toets. Bij het stedenbouwkundige plan dient o.a. rekening gehouden te worden met voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 2. Wanneer een plan in een klimaatgevoelig gebied ligt, kan het uitsluitend worden gerealiseerd wanneer er compenserende maatregelen worden genomen Wanneer een initiatief zich op basis van de Klimaatatlas WPN in een gevoelig gebied bevindt kan het plan uitsluitend gerealiseerd worden wanneer er compenserende maatregelen genomen worden. Dit is altijd maatwerk.

Er wordt getoetst op de volgende onderdelen: Kaart Hitte: in gebieden aangewezen als “aanzienlijk warmer ” mag de hittestress niet toenemen. Compenserende maatregelen, zoals het aanleggen van een sedumdak, kunnen een oplossing bieden. Kaart Stedelijke wateroverlast: Indien de locatie is gelegen in een gebied aangeduid als “water op straat, stedelijk gebied” zijn compenserende maatregelen van toepassing. Wanneer compenserende maatregelen nodig zijn, maar niet of onvoldoende genomen worden, dan wordt niet voldaan aan de klimaatvoorwaarden en

55/123

kan niet meegewerkt worden aan het initiatief. 3. Het plan wordt getoetst aan het Lokaal Afwegingskader Met het afwegingskader wordt bepaald of het plan een woningtype betreft waar op grond van het Masterplan Wonen behoefte aan is. Er zijn zowel ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden. Als het plan 8 of meer punten scoort binnen het afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op de juiste plek. Hiermee wordt invulling gegeven aan de kwalitatieve behoefte binnen de betreffende kern. 4. Het plan wordt getoetst aan de kwantitatieve woningbehoefte van de kern De behoefte aan woningen verschilt binnen de 16 kernen van Horst aan de Maas. In de kleine kernen zijn vaak voldoende woningen aanwezig maar is er toch behoefte aan een bepaald type woning, bijvoorbeeld kleine woningen, levensloopbestendige woningen of huurwoningen. Echter ook dit type woningen zal in dat geval niet onbeperkt toegevoegd kunnen worden. Daarnaast zijn er de zogenaamde groeikernen: Horst, Sevenum en Grubbenvorst. Omdat Horst onvoldoende ruimte kan bieden om het benodigde aantal woningen te realiseren zijn Meterik en Hegelsom aangewezen als ‘overloopgebied’, om zo mee te voorzien in het benodigde aantal woningen voor Horst. De vijf hiervoor genoemde kernen worden dus aangemerkt als een kernen waar op dit moment behoefte is aan kwantitatieve groei.

De kwantitatieve behoefte wordt bepaald aan de hand van de E’til cijfers en de al aanwezige bouwplannen waarvoor een positief (principe) standpunt is ingenomen. Aan de hand van het onderstaande stroomschema wordt bepaald of de ontwikkeling gewenst is.

56/123

Wanneer er meegewerkt kan worden aan het initiatief wordt op grond van de Structuurvisie bepaald welke kwaliteitsbijdrage van toepassing is (bijdrage op basis van het Gemeentelijke Kwaliteits Menu, ofwel GKM), De kwaliteitsbijdrage voor het toevoegen van een woning of appartement wordt tot dusver onafhankelijk van het woningtype berekend. Lokaal Afwegingskader (GKM-bijdrage) woning 8 of meer punten: € 0,grondgebonden woning < 8 punten: €40.000,appartement < 8 punten: €12,50 per m² bvo Naast de GKM bijdrage uit de structuurvisie geldt bij het toevoegen van woningen ook de afdracht in het kader van het Fonds Bovenwijkse voorzieningen. De hoogte van deze afdracht is afhankelijk van de kern waarbinnen het plan gerealiseerd wordt en daaraan gekoppeld de infrastructurele voorzieningen die aan deze kern verbonden zijn. Het bedrag wordt berekend over het kaveloppervlak (met een maximum van 500 m2)

57/123

Beoordeling Aan de hand van het stroomschema is voorliggend woningbouwinitiatief aan de Venloseweg beoordeeld en zowel kwantatief als kwalitatief als passend en wenselijk aangemerkt. 3.4.3 Masterplan wonen 2021-2025 Het Masterplan Wonen 2021-2025, dat op 20 april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, borduurt voort op het Masterplan Wonen 2016-2025 en is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. In deze periode wordt er gestreefd naar bouwen naar behoefte. Vooral onder starters op de woningmarkt, mensen met een laag inkomen en senioren is de vraag naar een nieuw thuis groot. De nieuwbouwopgave voorziet in die vraag: 30% van alle nieuwbouw betreft woningen voor sociale huur; woningen bestemd voor allerlei huishoudens: jongeren, gezinnen en senioren met een laag inkomen. 30% van de nieuwbouw worden vrije sector huurwoningen. Deze zijn vooral interessant voor senioren (zij verkiezen in toenemende mate huur boven koop) of voor starters en jonge gezinnen met een middeninkomen.

De overige 40% worden koopwoningen en dan vooral betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen zoals appartementen, grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond en eengezinswoningen die later relatief eenvoudig getransformeerd kunnen worden tot nultredenwoningen. Voor de meest urgente woonvragen bieden tijdelijke woningen – mits van goede kwaliteit – uitkomst. Denk aan tijdelijke woningen op braakliggende gronden. Bovendien zijn tijdelijke woningen verplaatsbaar en daarom in de loop der tijd ‘herbruikbaar’. De belangrijkste kaders voor ontwikkeling zijn als volgt: Het plan voorziet – zowel kwalitatief en kwantitatief – in de behoefte van inwoners. Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten zoals wateroverlast en hittestress ontstaan. Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet de voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd.

In het plan idient goed nagedacht te zijn over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. In de Woonvisie 2021 – 2025 is aangegeven dat niet elke woning op termijn nog aansluit op de wensen van de inwoners. De gemeente stuurt op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het

58/123

zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. In de prognose van woningbehoeften is te zien dat de vraag naar nultredenwoningen fors groeit. Inwoners willen langer in hun eigen, vertrouwde huis blijven wonen waar, mocht het nodig zijn, ook zorg aan huis geleverd kan worden als ze ouder en minder mobiel zijn en hulp nodig hebben. Doorwerking plangebied Voor de kern Horst is de woningbouwopgave voor de periode 2015-2025 om 495 woningen te bouwen. Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 675 woningen nodig. Voorliggend plan draagt bij aan het invullen van de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Horst doordat er invulling wordt gegeven aan de stijgende vraag naar woningen binnen de gemeente Horst. De ontwikkeling vindt plaats op een inbreidingslocatie op korte afstand van het centrum van Horst, en voorziet onder andere in de groeiende behoefte aan (nultreden)appartementen. Vrijkomende bedrijfspanden worden geamoveerd waardoor ruimte wordt gemaakt voor de realisatie van duurzame nieuwbouwwoningen. Het plan voldoet daarmee aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. 3.4.4 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld.

Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor het plangebied zal het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. In het kader van de concrete bouwplannen voor de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling zal een welstandstoets plaatsvinden. 3.4.5 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW-publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie).

In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Wel is onderscheid gemaakt tussen woonhuizen en appartementen. Op het voorliggende initiatief is de categorie ‘appartement’ van toepassing. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein.

59/123

3.4.6 Nota Kostenverhaal en Financiële Bijdragen Door de gemeenteraad van Horst aan de Maas is de Nota Kostenverhaal en Financiële Bijdragen vastgesteld, inclusief herziening modules GKM, die daarmee voorgaan op de hoofdstukken 4 en 5 plus bijlage 6 uit de Structuurvisie Horst aan de Maas voor het onderdeel kostenverhaalsystematiek. De planologische afweging, onderbouwing en voorwaarden blijven ongewijzigd. De nieuwe nota ‘Kostenverhaal en financiële bijdragen’ is derhalve een integrale herziening van alle bestaande beleidsstukken op het gebied van het kostenverhaal voor het hele grondgebied van gemeente Horst aan de Maas. De integrale herziening van de nota ‘Kostenverhaal en financiële bijdragen’ is geschreven vanuit de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt. Tot 1 januari 2024 geldt nog de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarom is in bijlage IV een compact schema over het kostenverhaal onder de Wro opgenomen. De wettelijke grondslag voor deze nota met de daarin opgenomen bijdragen wordt tot de invoering van de Ow op 1 januari 2024 gevormd door de Wro. Het uitgangspunt is dat gemeente Horst aan de Maas met initiatiefnemers een anterieure overeenkomst sluit en hierin onder andere de afspraken over kostenverhaal en financiële bijdragen vastlegt. De gemeente maakt hierbij gebruik van contractsvrijheid.

Het kan voorkomen dat de gemeente met de initiatiefnemer geen anterieure overeenkomst kan sluiten en dat de gemeente de planologische maatregel om het bouwplan mogelijk te maken toch in procedure wil brengen. In dat geval borgt zij het kostenverhaal en de financiële bijdragen door middel van de publiekrechtelijke kostenverhaalsregels. De nota ‘Kostenverhaal en Financiële bijdragen’ geeft uitsluitend het kader voor het verhalen van kosten voor de ontwikkeling van een ruimtelijke ontwikkeling en de financiële bijdragen voor het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (hierna: financiële bijdragen). De bijdragen voor het Gemeentelijk KwaliteitsMenu) GKM en Teeltondersteunende Voorzieningen (TOV) zijn ook opgenomen in de nieuwe nota. Daarnaast geeft de nieuwe nota ook een actualisatie van de investeringsopgave en groeiopgave. De nota is van toepassing op het hele grondgebied van gemeente Horst aan de Maas. Zo is het voor initiatiefnemers helder welke kosten de gemeente aan hen gaat doorberekenen en hoe ze de hoogte van de bijdrage bepaalt.

3.5

Conclusie

De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.

60/123

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten (bodem- en grondwaterkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, milieueffectrapportage, waterparagraaf, kabels en leidingen, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren).

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1 Cultuurhistorie Onderscheiden worden wel materieel (onroerend en roerend) en immaterieel erfgoed. Cultureel erfgoed wordt van belang geacht omdat het huidige generaties een beeld geeft van het verleden en kan bijdragen aan de culturele identiteit. Binnen het plangebied zelf zijn géén monumenten of karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. De Venloseweg wordt niet aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevolle weg. De in de nabijheid van het plangebied gesitueerde Van Douverenstraat is op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Deze weg ligt buiten het plangebied en de cultuurhistorische waarde van deze weg wordt niet beïnvloed door de woningbouwontwikkeling.

Afbeelding 4.1: uitsnede uit cultuurhistorische waardenkaart Limburg (bron: atlas Limburg)

61/123

Daarnaast zijn enkele panden in de omgeving aan de Venloseweg aangemerkt als gemeentelijk monument en als karakteristiek pand aangemerkt. Het betreft onder meer de Venloseweg 13 (gemeentelijk monument) en Venloseweg 14-16 (gemeentelijk monument) en de panden Venloseweg 21, 24, 27, 30,31 en 32 (karakteristieke panden). Deze gebouwen bevinden zich echter buiten het plangebied en worden door de woningbouwontwikkeling niet negatief beïnvloed.

Afbeelding 4.2: uitsnede uit de digitale erfgoedkaart van de gemeente Horst aan de Maas

Afbeelding 4.3: gemeentelijk monument aan de Venloseweg 14-16

62/123

Afbeelding 4.4: karakteristiek pand Venloseweg 24 (gesitueerd naast het plangebied)

Afbeelding 4.5: karakteristiek pand Venloseweg 21 (gesitueerd tegenover het plangebied)

63/123

4.2.2 Archeologie Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Hiermee wordt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen geregeld: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeente Horst aan de Maas over een eigen archeologische verwachtingskaart, waarop de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen zijn aangegeven.

Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bij grond verstorende activiteiten wordt op basis van deze kaart een advies uitgebracht door een ter zake bevoegde deskundige over de aard van het uit te voeren archeologische onderzoek. Dit kan een bureaustudie zijn eventueel gecombineerd met een inventariserend onderzoek.

Indien er sprake is van archeologische waarden die als waardevol worden aangemerkt heeft de gemeente verschillende mogelijkheden. In de eerste plaats kan de gemeente bestemmingen kiezen die goed samengaan met de archeologische waarden. Ten tweede kan de gemeente voorschriften aan de vergunning verbinden. Ten slotte kan een gemeente ook afzien van verdere planvorming. Op basis van de archeologische verwachtingskaart wordt beoordeeld of ten behoeve van een bepaalde ontwikkeling nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Beoordeling Voor de uitvoering van het plan zijn bodem ingrepen noodzakelijk. De aanwezige archeologische

64/123

verwachtingswaarde is dan ook relevant. Voor het plangebied geldt vanuit de archeologische verwachtingskaart deels de verwachting 'gebiedsterrein van archeologische waarde' en deels de verwachting 'hoge archeologische verwachting'. Op de navolgende afbeelding 4.6 is een uitsnede van deze kaart met archeologische verwachtingswaarde weergegeven:

Afbeelding 4.6: uitsnede uit de digitale erfgoedkaart van de gemeente Horst aan de Maas In het kader van het beoogde planvoornemen in het plangebied zal dan ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. In afwachting van het de resultaten van een uitgevoerd onderzoek zijn de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Gezien de hoge archeologische verwachting en de verwachte beperkte bodemverstoring, zal in samenspraak met de extern archeologisch adviseur van de bevoegde overheid kortgesloten moeten worden hoe het beste het onderzoek vormgegeven kan worden na sloop tot maaiveld van de huidige bedrijfsbebouwing en verwijdering van de aanwezige erfverharding. In afwachting van het uit te voeren onderzoek zijn de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’.

4.3

Bodem

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

65/123

Milieukundig bodemonderzoek Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling zal een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (conform NEN 5740) worden op de planlocatie, Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de bodem en grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigingen bevat die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en/of het milieu in het algemeen en zodoende een belemmering of beperking kunnen vormen voor beoogde ontwikkeling. Het eerste deel van het milieukundig bodemonderzoek, betreft het historisch onderzoek. Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op (een deel van) de locatie zijn door HMB bv een verkennend bodemonderzoek (kenmerk 20212001A|d.d. 21 februari 2020) en een nader bodemonderzoek (kenmerk 21218201B |d.d. 23 juni 2021) uitgevoerd. Aanleiding voor de onderzoeken was destijds de voorgenomen grondtransactie en de toekomstige woningbouw. 1e verkennend bodemonderzoek In januari 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek zijn ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek enkele deellocaties onderscheiden: Werkplaatsen (inclusief opslag olieproducten) - (deellocatie A) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de werkplaatsen (inclusief opslag olieproducten) standhoudt. In de grond zijn licht tot sterk verhoogde gehalten asbest, koper, lood, nikkel en zink aangetroffen. Ook zijn in de grond licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, minerale olie, PAK en PCB aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. De verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk grotendeels te relateren aan de in de bodem aangetroffen sporen tot grote hoeveelheden asbest, baksteen, ijzer, koolas, puin en/of slakken en mogelijk slechts deels aan de bedrijfsactiviteiten in de werkplaatsen. Gezien het feit dat de verontreinigingen grotendeels overeenkomen met de verontreinigingen ter plaatse van de wasplaats en het voormalige spuithok hebben de verontreinigingen mogelijk ook een andere (gezamenlijke) bron/oorzaak (bijvoorbeeld een (voormalige) verhardings- of ophooglaag). Het licht verhoogde gehalte zink in het grondwater betreft waarschijnlijk een verhoogd achtergrondgehalte. Wasplaats - (deellocatie B) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de wasplaats standhoudt.

In de grond zijn matig verhoogde gehalten koper en licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en zink aangetoond. De verhoogde gehalten in de grond kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de wasplaats. Gezien het feit dat de verontreinigingen grotendeels overeenkomen met de verontreinigingen ter plaatse van de werkplaatsen en het voormalige spuithok hebben de verontreinigingen mogelijk ook een andere (gezamenlijke) bron/oorzaak (bijvoorbeeld een (voormalige) verhardings- of ophooglaag). De licht verhoogde gehalten barium en zink in het grondwater betreffen waarschijnlijk verhoogde achtergrondgehalten. Olie- / benzine-afscheider - (deellocatie C)

66/123

Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de olie-/benzineafscheider geen standhoudt. In de grond is geen verhoogd gehalte minerale olie boven de achtergrondwaarde (AW2000) aangetoond. Voormalige verfspuitruimte met verfopslag en opslag olieproducten (in zuidwestelijke bedrijfspand) - (deellocaties D en E) Geconcludeerd wordt dat de deelhypotheses 'verdachte locaties' ten aanzien van de voormalige verfspuitruimte met verfopslag en opslag olieproducten standhouden. In het grondwater zijn een matig verhoogd gehalte zink en een licht verhoogd gehalte cadmium aangetoond. Aangezien in de grond geen verhoogde gehalten zijn aangetoond, betreffen de verhoogde gehalten in het grondwater waarschijnlijk verhoogde achtergrondgehalten. Voormalige bovengrondse olietank - (deellocatie F) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de voormalige bovengrondse olietank geen stand houdt. In de grond is geen verhoogd gehalte minerale olie boven de achtergrondwaarde (AW2000) aangetoond. Voormalig spuithok - (deellocatie G) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van het voormalig spuithok standhoudt. In de grond zijn sterk verhoogde gehalten koper en zink, een matig verhoogd gehalte nikkel en licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, lood, molybdeen, minerale olie, PAK en PCB aangetoond.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en tetrachlooretheen aangetoond. De verhoogde gehalten in de grond kunnen mogelijk gerelateerd worden aan het voormalige spuithok. Gezien het feit dat de verontreinigingen grotendeels overeenkomen met de verontreinigingen ter plaatse van de werkplaatsen en de wasplaats hebben de verontreinigingen mogelijk ook een andere (gezamenlijke) bron/oorzaak (bijvoorbeeld een (voormalige) verhardings- of ophooglaag). Het licht verhoogde gehalte tetrachlooretheen is mogelijk te relateren aan het voormalige spuithok en het gehalte barium in het grondwater betreft waarschijnlijk een verhoogd achtergrondgehalte. In onderstaande tabel is de uitvoering en zijn de resultaten van het onderzoek schematisch weergegeven:

67/123

Door de aanwezige beton- en klinkerverhardingen vormt de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen directe belemmeringen voor het gebruik van het terrein. Aanbevelingen Aangezien in de grond de gehalten asbest, koper, nikkel, lood, zink en PAK de tussen- en/of interventiewaarden overschrijden, is nader bodemonderzoek (asbest) noodzakelijk naar de aard, mate, omvang en oorzaken van de verhoogde gehalten. Aanbevolen wordt de aanwezige beton- en klinkerverhardingen intact te laten en geen grondroerende activiteiten te verrichten zolang niet meer inzicht is in de omvang en ernst van de bodemverontreinigingen. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. D 2- nader bodemonderzoek In de periode maart tot en mei 2021 is een nader bodemonderzoek (asbest) uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ter plaatse van de Venloseweg 22 te Horst. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de NTA-5755 en de NEN 5707. Op het terrein worden een tweetal gevallen van bodemverontreiniging onderscheiden, te weten een bodemverontreiniging met asbest ten westen van het pand en een bodemverontreiniging met metalen ten zuiden van het pand. Asbestverontreiniging ten westen van pand onder de split/grindverharding ten westen van het bedrijfspand is een bodemverontreiniging met asbest aangetoond.

Binnen de perceelsgrens bevat 5 à 10 m3 (˜15 à 20 m2 x 0,45 meter) sterk verhoogde gehalten asbest. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging welke ontstaan is voor 1993. Op de locatie is een sterk verhoogd gehalte asbest aangetoond in de bovenste 0,5 meter van de bodem onder een halfverharding van grind/split. Onder de laag grind/split is een antiworteldoek aanwezig. Het maximale gehalte hechtgebonden asbest is hoger dan 1.000 mg/kg d.s. en het maximale gehalte niet-hechtgebonden asbest is lager dan 100 mg/kg d.s. Aangezien het verontreiniging zich onder een halfverharding met antiworteldoek bevindt, is er (vooralsnog)

68/123

geen sprake van onaanvaardbare risico’s waardoor de sanering niet spoedeisend is. In de laag split/grind en het antiworteldoek worden verwijderd kunnen er mogelijk wel onaanvaarbare risico’s ontstaan. Metalenverontreiniging ten zuiden van pand Onder de betonverharding ten zuiden van het bedrijfspand is een bodemverontreiniging met metalen aangetoond. In totaal bevat circa 400 m3 grond verhoogde gehalten metalen boven de achtergrondwaarden, waarvan circa 150 m3 verhoogde gehalten boven de interventiewaarden bevat. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging welke ontstaan is voor 1987. Aan de hand van een uitgevoerde risicobeoordeling is gebleken dat aan de verontreiniging in de huidige situatie geen risico’s verbonden zijn, inhoudend dat het bepalen van de ‘spoedeisendheid’ niet van toepassing is. Aanbevelingen Aanvullend nader bodemonderzoek (asbest) wordt niet noodzakelijk geacht. Bij werkzaamheden in de grond ter plaatse van de gevallen van bodemverontreiniging is er sprake van een ‘saneringssituatie’ omdat gewerkt wordt aan/met sterk verontreinigde grond. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden. Als wordt overgegaan tot woningbouw op het terrein dienen sanerende maatregelen genomen te worden.

Alvorens wordt overgegaan op sanerende maatregelen dient een melding in het kader van het Besluit uniforme saneringen (BUS) of een saneringsplan te worden opgesteld. In de BUSmelding/het saneringsplan wordt een uitvoeringsmethode omschreven om de bodem op een zo efficiënt mogelijke wijze te saneren. De BUS-melding/het saneringsplan dient goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag c.q. de provincie Limburg. Na afronding van de sanering dienen de sanerende werkzaamheden geëvalueerd te worden beschreven. De evaluatie dient ter goedkeuring te worden voorgelegd bij het bevoegd gezag. 3e - vervolgonderzoek Aanleiding voor de onderzoeken was destijds de voorgenomen grondtransactie en de toekomstige woningbouw. Op de locatie zijn een tweetal gevallen van ernstige bodemverontreiniging aangetoond, te weten een bodemverontreiniging met asbest (5 à 10 m3) ten westen van het pand en een bodemverontreiniging met metalen (± 150 m3) ten zuiden van het pand. Destijds werd aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht en is geconcludeerd dat, indien overgegaan wordt tot woningbouw op de locatie, sanerende maatregelen dienen te worden genomen.

Volgens het gestelde in de Nota Bodembeheer Limburg Noord kan in 'onverdachte' situaties de Bodemkwaliteitskaart, in combinatie met een vooronderzoek NEN 5725, als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt voor de verdere ruimtelijke- of bouwprocedure. Daar er (vooralsnog) vanuit wordt gegaan dat ter plaatse van de nog niet onderzochte terreindelen binnen de onderzoekslocatie (woning Venlosweg 24 en perceel 5308) géén sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten wordt op dit moment een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem afdoende beschouwd

69/123

Afbeelding 4.7: onderzoekslocatie (bron: Econsultancy) Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de voormalige ondergrondse opslag van afval- en huisbrandolie die in het verleden niet afdoende in beeld zijn gebracht. Tijdens het verkennend onderzoek van HMB (kenmerk 20212001A | d.d. 21 februari 2020) zijn t.p.v. de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14295580/1