CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting bp Venloseweg

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Venloseweg 22-24 te Horst.28.259 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

bestemmingsplan

Venloseweg 22-24 Horst Aan De Maas

DATUM IMRO IDN

2024-06-05 NL.IMRO.1507.HOVENLOSEWEG22-BPO1

PROJECT PROJECTLEIDER

BP Venloseweg 22-24 Rho adviseurs

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

ADM vastgoed 20220599

AUTEUR STATUS

Rho adviseurs vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

10

Planbeschrijving

11

2.1

Algemeen

11

2.2

Historische ontwikkeling

12

2.3

Huidige situatie

13

2.4

Toekomstige situatie

16

Beleidskader

23

3.1

Europees en rijksbeleid

23

3.2

Provinciaal beleid

35

3.3

Regionaal beleid

49

3.4

Gemeentelijk beleid

50

3.5

Conclusie

60

Omgevingsaspecten

61

4.1

Inleiding

61

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

61

4.3

Bodem

65

4.4

Water

71

4.5

Milieuzonering

78

4.6

Geluid

80

4.7

Luchtkwaliteit

85

4.8

Natuur & flora en fauna

88

4.9

Externe veiligheid

98

4.10

Geur

104

4.11

Verkeer en parkeren

106

4.12

Kabels en leidingen

108

4.13

Overige aspecten

108

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

3/123

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

111

Juridische planopzet

118

Planstukken

118

Uitvoerbaarheid

121

6.1

Economische uitvoerbaarheid

121

6.2

Handhaving

121

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

122

Hoofdstuk 5 5.1

Hoofdstuk 6

4/123

Toelichting

5/123

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

1.1.1 Herontwikkeling EDM Vastgoed & Ontwikkeling B.V. wenst op een locatie plaatselijk bekend Venloseweg 22-24 te Horst een herontwikkeling door te voeren. De ontwikkeling betreft het saneren van een locatie met bedrijfspanden en de herontwikkeling van de locatie met woningen en een binnenterrein met parkeerplaatsen en een kleinschalig ingericht verblijfspark. De voorgenomen herontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Zie hiervoor paragraaf 2.4. Dit bestemmingsplan is opgesteld en voorziet in een passende planologisch-juridische regeling om de herontwikkeling mogelijk te maken. 1.1.2 Plan Het bestemmingsplan "Venloseweg 22-24" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er ook een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend. 1.1.3 Crisis- en herstelwet De Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, om bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis.

Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. Zo zijn bijvoorbeeld de behandelingstermijnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkort. De projecten waarvoor dit geldt zijn opgenomen in bijlage I en II van de Chw. In hoofdstuk 1, afdeling 2 van de Chw zijn de versnelde procedure en de beperking van het beroepsrecht geregeld. Artikel 1.1. lid 1 Chw geeft aan dat de versnelde procedure en de beperking van het beroepsrecht van toepassing is op alle besluiten over de in bijlage I genoemde ruimtelijke projecten. Uit bijlage I (artikel 3.1) behorende bij de Chw, blijkt dat de Chw van toepassing is voor projecten die voorzien in de bouw van meer dan 11 woningen:"ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden". Dit bestemmingsplan voorziet in meer dan 11 woningen, zodat de Chw dan ook van toepassing is.

6/123

1.2

Plangebied

1.2.1 Ligging De planlocatie is gesitueerd aan de Venloseweg in het zuiden van de kern Horst. Zie voor de situering afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1: planlocatie binnen de kern Horst De planlocatie wordt begrensd aan de oostzijde door de Venloseweg en aan de noord-, zuid- en oostzijde door woningen met erfbebouwing en tuinen. 1.2.2 Begrenzing en kadastrale percelen Het plangebied omvat gronden die tot ontwikkeling worden gebracht en bestaat uit de volgende kadastrale percelen, gemeente Horst, sectie C, perceelnummers 4898, 4890, 5308 (deels), 5309 en 5310. Deze percelen zijn in eigendom van EDM Vastgoed B.V.

7/123

Afbeelding 1.2: planlocatie op luchtfoto Het programma voor het plangebied bestaat uit de realisatie van een appartementengebouw ten behoeve van maximaal 29 appartementen met een voor-, zij- en achtererfgebied met de bestemming 'Wonen'.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Peelkernen') vastgesteld op 10 november 2009 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven op afbeelding 1.3. Op de gronden binnen de planlocatie gelden de bestemming 'Bedrijven' (perceelnummers 4890, 4998 en 5310) en de bestemming 'Wonen' (perceelnummers 4665, 5308 (deels) en 5309). Een deel van de planlocatie is ook als 'Archeologisch waardevol gebied' aangeduid.

8/123

Afbeelding 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan Peelkernen' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Het vigerende bestemmingsplan bevat geen relevante afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden waarmee de beoogde woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Daarom dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden, waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Tevens is op de planlocatie ook het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ (ontwerpbestemmingsplan van 2020-01-24) van toepassing. Door middel van dit plan wordt de ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’ (vastgesteld op 3 juli 2019) van toepassing verklaard op het gehele grondgebied van de gemeente. De voorliggende ontwikkeling is dan ook getoetst aan deze gemeentelijke parkeernomen. In paragraaf 4.11.2 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren bij deze ontwikkeling. Daarnaast is de huisvesting van arbeidsmigranten in woningen in de kernen van toepassing overeenkomstig de hiervoor opgenomen planregeling in het 'bestemmingsplan Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas' (vastgesteld 2021-09-21). Beoordeling Het initiatief met de voorgestane ontwikkeling is in strijd met het geldend bestemmingsplan. De gemeente Horst aan de Maas staat echter positief tegenover de beoogde ontwikkeling en heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de planvorming.

Ten behoeve van de voorgestane ontwikkeling zal dan ook een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen, waarbij de gemeenteraad het nieuwe bestemmingsplan uiteindelijk vaststelt.

9/123

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit 6 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een planbeschrijving opgenomen. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op uitvoerbaarheid van het plan.

10/123

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Algemeen

Het plangebied ligt in de kern Horst (gemeente Horst aan de Maas), ten zuidoosten van het centrum. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels bebouwd met bedrijfspanden. Verder bestaat het plangebied deels uit erfverharding en deels uit onbebouwd erf (tuinzone).

Afbeelding 2.1: foto van de bestaande situatie - aanzicht op de bedrijfspanden (bron: luchtfoto)

11/123

2.2

Historische ontwikkeling

Het dorp Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 na christus) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11e eeuw stond er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (ca. 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814). Volgens divers historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) was het plangebied tot circa 1930 onbebouwd en in agrarisch gebruik. Zie afbeelding 2.2.

Afbeelding 2.2: situatie van het plangebied zonder bebouwing rond 1930 (bron: topotijdreis.nl - kadaster) In de directe omgeving waren enkele verspreid gelegen boerderijen aanwezig. Ter plaatse van de Van Douverenstraat, Doolgaardstraat en de Venloseweg zijn al vanaf medio 19e eeuw wegen gelegen. In de jaren 1950 - 1960 is het merendeel van de bebouwing langs deze doorgaande wegen rond het plangebied opgericht. Het plangebied zelf is rond de jaren 1970 bebouwd met de huidige bebouwing.

12/123

Afbeelding 2.3: situatie van het plangebied met bebouwing rond 1970 (bron: topotijdreis.nl - kadaster)

2.3

Huidige situatie

De planlocatie betreft een bedrijvenlocatie waar bedrijfsactiviteiten werden uitgeoefend. Deze zijn inmiddels beëindigd. Op dit moment is 'Onze loods' tijdelijk gevestigd in de bedrijfsbebouwing. Het betreft een maatschappelijk organisatie die voor inwoners van Horst een zinvolle dagbesteding bieden, zorgen voor gezelschap en ondersteuning bij (het vinden van) werk. Deze tijdelijke huisvesting zal worden beëindigd ten behoeve van de beoogde nieuwe woningbouwontwikkeling ter plaatse. Zie voor de bestaande situatie de afbeeldingen 2.8 t/m 2.11.

13/123

Afbeelding 2.8: foto van bestaande situatie vanaf de Venloseweg (bron: Rho adviseurs)

Afbeelding 2.9: foto van bestaande situatie vanaf de Venloseweg (bron: Rho adviseurs)

14/123

Afbeelding 2.10: foto van bestaande situatie vanaf de Venloseweg (bron: Rho adviseurs)

. Afbeelding 2.11: foto van bestaande situatie vanaf de Venloseweg (bron: Rho adviseurs)

15/123

2.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied wordt de bestaande bedrijfsbebouwing op de planlocatie aan de Venloseweg wordt gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw van 29 woonappartementen. Het nieuwe appartementengebouw zal bestaan uit 4 bouwlagen, waarbij de laatste bouwlaag terugliggend (ongeveer 3 meter) wordt gepositioneerd ten opzichte van de onderste bouwlagen.

16/123

Afbeelding

2.12:

impressie van de gebouwopbouw (bron: Sjef architecten) Door het appartementengebouw intern op te splitsen in twee gebouwgedeelten oogt het geheel van buitenaf gezien visueel minder als één grote bouwmassa.

Afbeelding 2.13: impressie stedenbouwkundige invulling (bron: Sjef architecten) De nieuwbouw bestaat uit 4 bouwlagen (maximale bouwhoogte ongeveer 12 meter) en wijkt daarmee af van de naastgelegen hoogte van de panden (maximale goothoogte 4 meter en maximale bouwhoogte van 8 meter). Niettemin is het gebouw als passend te beschouwen, gezien de positionering ervan ten opzichte van de naastgelegen panden en de bestaande gevellijnen.

17/123

De ligging van de voorgevellijn van het gebouw is iets veder terug gepositioneerd ten opzichte van de gevellijnen van de naastgelegen panden. Hierdoor ontstaat ruimte voor een groene aankleding van de voorruimte van het perceel tot aan de openbare ruimte. Aan de westzijde van het gebouw wordt de 3e verdieping voorzien van een setback waardoor meer afstandsruimte wordt gecreëerd ten opzichte van het naastliggende woonpand (Venloseweg 20). De 4e verdiepingslaag is ten opzichte van de 3e verdiepingslaag fors kleiner van omvang.

Afbeelding 2.14: impressie stedenbouwkundige invulling - plattegronden (bron: Sjef architecten)

Afbeelding 2.15: impressie stedenbouwkundige invulling - begane grond + 1e verdieping (bron: Sjef architecten)

18/123

Afbeelding 2.16: impressie stedenbouwkundige invulling - 2e en 3e verdieping (bron: Sjef architecten) Het appartementencomplex bestaat uit 29 appartementen en wordt voorzien van een lift, waardoor alle appartementen als nultredenappartementen (dus zónder drempels en alle kamers op dezelfde verdieping) geschikt zijn voor 1- en 2-persoonshuishoudens. Ze krijgen een woonkamer/keuken, 1 of 2 slaapkamers, badruimte met toilet, een technische ruimte en een balkon. De omvang van de appartementen varieert: 10 appartementen op de begane grondlaag van 60 m2 GBO tot 88 m2 GBO; 10 appartementen op de 1e verdieping van 60 m2 GBO tot 88 m2 GBO; 7 appartementen op de 2e verdieping van 81 m2 GBO tot 112 m2 GBO; 2 appartementen op de 3e verdieping van 115 GBO tot 123 m2 GBO. De 29 appartementen, bestaan uit : 4 appartementen voor sociale huur (14%); 13 appartementen voor vrije sector huur (45%); en 12 koopwoningen (41%).

Afbeelding 2.17: impressie stedenbouwkundige invulling - voorzijde vanaf de Venloseweg (bron: Sjef architecten)

19/123

Afbeelding 2.18: impressie stedenbouwkundige invulling - oostzijde vanaf de Venloseweg (bron: Sjef architecten)

Afbeelding 2.19: impressie stedenbouwkundige invulling - westzijde vanaf de Venloseweg (bron: Sjef architecten)

20/123

Afbeelding 2.20: impressie stedenbouwkundige invulling - achterzijde vanaf de Venloseweg (bron: Sjef architecten) Het parkeren voor de bewoners van de appartementen zal aan de achterzijde van het nieuwbouwcomplex plaatsvinden op een binnenterrein, waarbij een deel van de parkeerplaatsen zal worden voorzien van en overkapping met op het dak zonnepanelen. Het binnenterrein wordt op 1 punt met de Venloseweg ontsloten. De breedte van deze ontsluiting, minimaal 4,80 meter, voorziet in een gezamenlijke in- en uitgang met een smalle midden geleider om de inrit/uitrit van elkaar te scheiden. Het binnenterrein wordt daarnaast voorzien van een klein park, ingericht met een wadi, groenvoorzieningen en looppaden. Het binnenterrein wordt aldus klimaat adaptief ingericht, wat moet zorgen voor minder wateroverlast, minder hittestress, minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en meer biodiversiteit. Zowel aan de achter- als de zijdelingse perceelsgrenzen worden groene hagen aangebracht als natuurlijke terreinafscheiding. In de openbare ruimte aan de voorzijde van het appartementencomplex wordt voorzien in de aanleg van een gezamenlijk afvalinzameling voor het appartementenccomplex.

Beoordeling De bestaande, verouderde bedrijfsbebouwing in het plangebied wordt gesloopt en vervangen door een modern, kwalitatief hoogwaardig appartementengebouw waarmee een substantiële opwaardering van het plangebied en de omgeving plaatsvindt. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging nabij het centrum van Horst en de situering in een gebied waar voornamelijk woningen zijn gelegen. De nieuwbouw past in het straatbeeld en wordt goed ingepast in de omgeving en heeft dan ook een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Conclusie Er zijn geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten.

21/123

22/123

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor het plan-/projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en vertaald in de verbeelding en in de regels.

3.1

Europees en rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), september 2020 De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR). De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet ook aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen.

Dit betekent een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

23/123

Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. Beoordeling Wonen is voor onderhavig project relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft.

De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten ook een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Voor dit project zijn de relevante nationale belangen: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De belangrijkste keuzes zijn: duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; ruimte voor overgang naar een circulaire economie; woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Er is sprake van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. Er is sprake van een lokale binnenstedelijke ontwikkeling waarbij een voldoende gezonde en veilige fysieke leefomgeving in voldoende mate wordt gewaarborgd en bevordert. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de NOVI.

24/123

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) in werking getreden en het Bro van toepassing. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Het gaat om het beschermen van de nationale belangen. Het Barro stelt regels over de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Deze nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

In het kader van deregulering en decentralisatie is ervoor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen al in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS). Beoordeling Uit het Barro volgen geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben voor het plangebied. Dit houdt in dat er voor ontwikkeling op de projectlocatie geen beperkingen vanuit de Barro gelden. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden.

In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

25/123

Beoordeling Het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel beslaat ook de gemeente Horst aan de Maas. Aangezien het bouwplan geen windturbines hoger dan 114 meter bevat, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Het plangebied is ook niet gelegen in of in de nabijheid van een reserveringsgebied voor uitbreiding van hoofdwegen of delen daarvan. De beoogde ontwikkeling is daarom niet in strijd met de regels van het Rarro. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro) Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, naast het Barro, ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Het SVIR als instrument van nationaal belang vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. In de SVIR is daarvoor de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: LDV) geïntroduceerd. De Ladder is gebaseerd op de zogenaamde SER-ladder, die een zorgvuldige verdeling van schaarse ruimte voor bedrijvigheid als doel had.

De LDV is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De LDV is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de LDV is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die al in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Ook is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen.

De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hierna volgt een toetsing van onderhavig plan voornemen aan de nieuwe LDV. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

26/123

Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro stelt daarom dat de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan twee stappen: de toelichting bij een plan(ontwikkeling) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Stedelijke ontwikkeling De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de LDV.

Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak (vaste jurisprudentie) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen (welke op één dezelfde locatie) gerealiseerd worden. Dit is het maximale aantal woningen, wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen (op dezelfde locatie) pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Beoordeling De Laddertoets geldt alleen voor 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen. Er vindt nieuw beslag op de ruimte plaats. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Op de project locatie is er sprake van een toevoeging van maximaal 29 appartementen in een woongebouw.

Gezien dit aantal en de ontwikkelde jurisprudentie op het gebied van 'stedelijke ontwikkeling' dient de voorziene ontwikkeling op de planlocatie daarom 'beladderd' te worden. Laddertoets Op de planlocatie bestaat het voornemen om in een woongebouw met liftfunctie maximaal 29 (nultreden)appartementen te ontwikkelen in de koopsector. Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 De provinciale ambitie ten aanzien van wonen betreft ‘de juiste woning, op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar’. De Agenda Wonen geeft hieraan invulling door bij te dragen aan een gezonde

27/123

woningmarkt. In dat kader wordt er ingezet op: voldoende woningen om in de huidige en toekomstige woonbehoefte te voorzien; zorgen voor doorstroming, zodat mensen wooncarrière kunnen maken; een betaalbare en toegankelijke woningmarkt. Woonmonitor 2020 In de provinciale woonmonitor is op regionaal niveau een samenvatting weergegeven van de woningbehoefte onderzoeken. Voor de regio Noord-Limburg bleek hieruit een tekort aan 5.500 appartementen (met lift)/levensloopbestendige woningen in de periode 2019-2029. Regio Noord-Limburg Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie constateren de gemeenten in de regio Noord-Limburg een sterke behoefte aan meer nultredenwoningen in alle segmenten en oppervlakteklassen. Daaruit komen de volgende opgaven voort: ingegeven door demografische verschuivingen is de kwalitatieve woonbehoefte aan verandering onderhevig. Er is een stijgende behoefte aan nultredenwoningen en appartementen (met lift) en een afnemende behoefte aan grondgebonden woningen, waar de bestaande voorraad voornamelijk uit bestaat. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve mismatch. Daarom wordt er beleidsmatig gestreefd naar toevoeging van woningen waar kwalitatief behoefte aan is, zoals een mix van sociale- en middenhuur en levensloopbestendige woningen.

Door in te zetten op woningen geschikt voor ouderen wordt ook de langste keten op het gebied van doorstroming bewerkstelligd. Doelgroepen waar specifiek aandacht voor is, zoals starters en ouderen, worden op die manier het meest effectief in hun woonbehoefte voorzien. Mede door de stijgende huizenprijzen en strenge toewijzingscriteria van corporaties, is (en blijft) er een behoefte aanwezig aan vrijesectorhuur in de regio Noord-Limburg. De nadruk ligt hier vooral op het middensegment. Masterplan Wonen 2021-2025 (gemeente Horst aan de Maas) In dit masterplan wordt aangegeven dat door enorme krapte de balans tussen vraag en aanbod (in zowel de huur- als koopsector) zoek is en dat de betaalbaarheid onder druk staat. Dit wordt ook duidelijk doordat er 0,5% van de koopwoningen leeg staat, ten opzichte van 2% voor een gezonde woningmarkt. Door de tekorten zet de gemeente Horst aan de Maas in op: nieuwbouw van ongeveer 1.000 woningen in de periode 2021-2025; gevarieerde opbouw van het nieuwbouwprogramma met 30% sociale huur, 30% vrije sectorhuur en 40% koop in diverse prijscategorieën. Specifieke aandacht voor (de woonwensen van) senioren en starters op de woningmarkt. Daarom wordt er onder andere ingezet op nultredenwoningen.

Demografie Op basis van de meest recente Progneff bevolkingsprognose (Etil, 2021) blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas in de periode 2019-2040 een groei verwacht wordt van zowel het aantal inwoners (van 42.291 naar 44.269 = + 1.978, ca. 4,7%) als het aantal huishoudens (van 17.869 naar 19.901 = +2.032, ca. 11,4%).

28/123

Afbeelding 3.1: dataportaal-viewer.prvlimburg - bevolkingsprognose

Afbeelding 3.2: dataportaal-viewer.prvlimburg - huishoudensprognose Voor de regio Noord-Limburg wordt ook een groei van het aantal inwoners (+4.675) en het aantal huishoudens (+9.602) verwacht in de periode 2021-2040. Vooral de toename van het aandeel ouderen valt op. De Nederlandse bevolking wordt steeds ouder. Deze trend van vergrijzing is ook in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg sterk aanwezig. Uit de meest actuele bevolkingsprognose (Etil, 2019) blijkt dat het aandeel ouderen (75+) in de gemeente Horst aan de Maas stijgt van 3.977 naar 7.673 (ca. met 93%) in 2040.

29/123

Afbeelding 3.3: dataportaal-viewer.prvlimburg - leeftijdsklasse prognose Wonen Door de toename van het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg, neemt de woningbehoefte toe. In de provincie Limburg wordt de woningbehoefte gelijkgesteld aan de huishoudensontwikkeling op basis van de meest recente Progneff prognose (Etil). Hierdoor is er indicatief behoefte aan 1.206 nieuwe woningen in de gemeente Horst aan de Maas tot 2040. Regionaal ligt dit deze behoefte op 9.602 (van 124.677 naar 134.279) woningen.

Afbeelding 3.4: woningbouwplannen in ontwikkeling binnen de gemeente Horst aan de Maas (bron: Plancapaciteitsmonitor Limburg

30/123

Conclusie behoefte initiatief Geconcludeerd kan worden dat het initiatief waarin 29 nultredenappartementen worden gerealiseerd, nadrukkelijk voorziet in een behoefte: Door de grote tekorten staat de landelijke woningmarkt in algemene zin onder druk. Ook in de gemeente Horst aan de Maas is er door de enorme krapte behoefte aan nieuwe woningen om in de vraag te kunnen voorzien. Daarnaast is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende jaren gaat toenemen, waardoor de vraag naar woningen eveneens verder toeneemt. Indicatief is er tot 2040 daardoor behoefte aan 1.206 nieuwe woningen in de gemeente Horst aan de Maas. De huidige planvoorraad in de gemeente voorziet in 357 woningbouwplannen, waarvan 98 met de status hard. Hierdoor bestaat er een restopgave aan 1.206 woningen tot 2040 in de gemeente Horst aan de Maas. Ook inclusief de zachte planvoorraad zijn er onvoldoende plannen voorradig om in de behoefte te kunnen voorzien. Naast de kwantitatieve opgave ligt er ook een nadrukkelijke kwalitatieve opgave. De landelijke trend van vergrijzing is namelijk ook sterk zichtbaar in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg. Het aandeel ouderen (75+) stijgt explosief tot 2040.

Het gevolg van deze demografische verschuiving is dat er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau een aanzienlijke behoefte bestaat aan woningen die geschikt zijn voor ouderen, zoals nultredenwoningen (zoals appartementen met lift) en patiowoningen. Ook in de gemeente Horst aan de Maas wordt door de verwachte vergrijzing nadrukkelijk ingezet op het toevoegen van nultredenwoningen aan de woningvoorraad. Het toevoegen van geschikte woningen voor senioren heeft bovendien als gevolg dat de doorstroming op gang komt, waardoor er ook woningen vrijkomen voor starters. De omvang van de vraag naar nultredenwoningen is dermate groot dat er in beginsel behoefte is aan toevoeging in alle segmenten en oppervlakteklassen. Door de krapte staat daarnaast de betaalbaarheid onder druk, waardoor specifiek aandacht is voor toevoeging in de sociale- en middeldure huursector. Daarnaast blijft er ook regionaal behoefte aan nultredenwoningen in de koopsector. Doordat er vraag is naar nultredenwoningen in ieder segment zet de gemeente Horst aan de Maas in op een gevarieerd nieuwbouwprogramma van 30% sociale huur, 30% vrije sectorhuur en 40% koop om in de behoefte te kunnen voorzien. Beoordeling De woningen die in het plangebied zijn voorzien passen binnen de bestaande regionale woningbouwafspraken en de woningbouwprogrammering van de gemeente Horst aan de Maas.

Naast de kwantitatieve afspraak qua behoefte, past de toevoeging ook binnen de regionale kwalitatieve behoefte, aangezien de woningtypen en het woonmilieu aansluiten op het doel en de ambitie om de groeiende bevolkingsgroep met eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens (in het kader van de demografische ontwikkeling) binnen Horst aan de Maas te kunnen huisvesten in een stedelijk woonmilieu. Kwalitatief wordt in een woonmilieu gerealiseerd, passend bij de gebiedskwaliteiten waarbij de ligging extra aantrekkingskracht geeft. Uitgangspunt is dat de te realiseren woningen aansluiten op een concrete behoefte, zowel kwalitatief als kwantitatief met een woonmilieu, dat niet aangeboden wordt in de directe omgeving. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan artikel 3.1.6. lid 2 Bro.

31/123

3.1.5

Waterbeleid

Kaderrichtlijn water Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat ook de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten ook structuurvisie.

De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt 'meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten'. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld. Beoordeling In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.4. 3.1.6 Wet milieubeheer Op de grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), moet bij de initiatieven voor bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.

Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Beoordeling In deze toelichting wordt op het aspect m.e.r.-beoordeling nader ingegaan in paragraaf 4.14.

32/123

3.1.7 Natura 2000-gebieden De Europese Unie heeft het initiatief genomen voor 'Natura 2000', een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelen/of Habitatrichtlijn zijn ook aangegeven als Natura 2000-gebied. Het is niet toegestaan om zonder vooraf toegekende vergunning nieuwe activiteiten in deze gebieden uit te voeren.

Afbeelding 3.5: situering Natura 2000-gebieden Op ruime afstand van het plangebied bevinden zich de Natura-2000 gebieden: 1. Maasduinden (5.274 ha) 2. Boschhuizerbergen (277 ha) 3. Deurnsche Peel & Mariapeel (2.734 ha) Het is binnen de kaders van de Europese habitat- en vogelrichtlijn vereist om nieuwe ontwikkelingen en activiteiten die van nadelige invloed zouden kunnen zijn, te beoordelen en te rapporteren. In paragraaf 4.8 ‘Natuur & flora en fauna’ wordt nader op dit aspect ingegaan.

33/123

3.1.8 Archeologie Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet. Voor het aspect archeologie wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is opgenomen in paragraaf 4.2. 3.1.9

Waterbeleid

Kaderrichtlijn water Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, is een waterparagraaf opgenomen. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat daarom de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie.

De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld. In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.4.

34/123

3.1.10 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.14. 3.1.11 Overig wettelijk kader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteitseisen, (Wamz), de Natuurbeschermingswet, Besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Op deze aspecten zal in hoofdstuk 4 nader worden ingegaan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021. De POVI is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als

35/123

gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (inwerkingtreding per 01-01-2024). Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-) modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma's, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies. Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma's een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten.

Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt. Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma's inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma's. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma's worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuurscyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd. Voor enkele onderwerpen zijn programma's wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen.

Voor de Provincie zijn vier programma's verplicht: Actieplan geluid; Regionaal Waterprogramma; Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden; Programma's bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof).

36/123

Afbeelding 3.6: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg (met rood omcirkeld Horst) Het Omgevingsbeleid voor Noord-Limburg richt zich op het koesteren en verder uitbouwen van de sterke punten uit de profielschets en tegelijkertijd op een strategie om de zwakke punten aan te pakken. De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal

37/123

draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart. Gezien de stapeling van grote opgaven én kansen in een gebied met een bijzonder karakter en de opkomst van thema's met (soms nog onbekende) ruimtevragen, onderscheiden we hier opgaven in vier lagen, met elk een verschillend gericht beleid. Deze vier lagen zijn: Landelijk gebied; Duurzame mobiliteit; Regionale centra en grote werklocaties; Stedelijk gebied. Wonen en leefomgeving Voor wonen staan voor een belangrijk deel de gemeenten aan de lat. De werkwijze voor wonen is vanaf 2015 gegroeid en per regio vastgelegd in bestuursafspraken tussen de gemeenten en de Provincie. De essentie van deze werkwijze is dat de gemeenten in regionaal verband per thema de kaders uit de provinciale omgevingsvisie (ambitie, opgave, principes) concretiseren tot gezamenlijke (inter)gemeentelijke programma's (voorheen structuurvisies of visies), waarvan de essenties onderdeel worden van de gemeentelijke omgevingsvisies. De Provincie is nauw betrokken bij deze uitwerkingen. De vaststelling vindt evenwel plaats door gemeenteraden/ besturen. De bestuursafspraken gaan over de totstandkoming, uitwerking, uitvoering, borging, naleving en monitoring van deze regionale uitwerkingen. De regionale aanpakken maken maatwerk per regio (Noord-Limburg) mogelijk.

Er is sprake van zowel kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en van een trage doorstroming. Deze opgaven verschillen per regio. Ook de betaalbaarheid van woningen staat onder druk. Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid aannemelijk slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. Er is een ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij zijn er ook kansen om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving

38/123

liggen. De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom wordt gekozen voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee wordt ingespeeld op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van de inwoners van Limburg zijn hierbij leidend. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is al in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburg breed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.

Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. Gedacht wordt hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de sociaaleconomische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie. Ook de betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kan een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen worden voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen. De woonkwaliteit voor mensen is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Ook sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningen- niveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving zijn van belang.

Leegstand, criminele activiteiten, ondermijning of verloedering en eenzijdig samengestelde woongebieden hebben invloed op de leefbaarheid en kunnen de kloof in de samenleving vergroten. Gemengde wijken met ruimte voor verschillende leefstijlen dragen bij aan een sterker sociaal weefsel en kunnen bijdragen aan het voorkomen van sociale problemen. Schone lucht, de nabijheid van groen -ook om hittestress tegen te gaan-, voorzieningen om wateroverlast tegen te gaan bij extreme buien en de kwaliteit van de openbare ruimte dragen bij aan de omgevingskwaliteit. Ambitie

39/123

Samen met haar partners wil de provincie een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doen we door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diverse groep mensen tegemoet kan worden gekomen in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. Door in samenhang naar woonopgaven te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wordt verdere segregatie voorkomen en vindt ruimtelijk sturing plaats door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), volgens de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Waarvoor wordt gekozen? De POVI is het richtinggevende kader op hoofdlijnen.

Daarnaast worden nadere uitwerkingen gemaakt op basis van regionale en lokale woonbehoeften, zoals de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023. Deze meer gerichte uitwerkingen zijn noodzakelijk in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten. Enerzijds omdat de woningbehoefte verandert en anderzijds omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven ten aanzien van woon- en leefomgeving. Zo bieden we flexibiliteit om opgaven gericht op te pakken en bij te sturen Vanwege het brede maatschappelijke belang van de opgave is gekozen voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. In hoofdzaak acteert de provincie vanuit toegevoegde waarde, meestal ondersteunend en aanvullend aan die de partners en via de inzet van (financieel en juridisch) instrumentarium. Indien nodig worden provinciale instrumenten ingezet. Monitoring vormt de basis voor regionale samenwerking. Provinciale monitoring is belangrijk om de Limburgse en regionale woonopgave voortdurend in beeld te hebben. Op basis daarvan kunnen gemotiveerd provinciale en regionale uitwerkingen voor het beleidsveld wonen worden gemaakt. Daarnaast kunnen de regio's op basis van de monitoringsgegevens hun programmering maken en afstemmen. De woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context.

Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij het nemen van keuzes wordt rekening gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de woningopgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van natuur inclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving. Via het principe van de LDV wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Daarvoor wordt samengewerkt met andere beleidsvelden. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen –tijdelijke– uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen. Voorbeelden hiervan zijn tijdelijk permanente

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14295580/1