04c Toelichting bp Horsterdijk 97 Lottum
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Horsterdijk 97, Lottum’ NL.IMRO.1507.LTHORSTERDIJK97-BPV1
Verantwoording en status Opdrachtgever
:
Camperplaats InDeVerte
Kenmerk
:
2022/705181
Opsteller: Arvalis B.V. Bergsma T.
Inhoudsopgave 1.
Beschrijving bestaande situatie ............................................................................... 3
1.1. 1.2. 1.3.
Aanleiding en doel ................................................................................................. 3 Ligging en begrenzing ............................................................................................ 3 Leeswijzer ............................................................................................................ 3
2.
Beschrijving van het plan ........................................................................................ 4
2.1. 2.2. 2.3.
Algemeen ............................................................................................................. 4 Ruimtelijk en functionele structuur ........................................................................... 4 Projectbeschrijving................................................................................................. 4
3.
Beleidskader ......................................................................................................... 5
3.1. 3.2.
Inleiding ............................................................................................................... 5 Rijksbeleid ............................................................................................................ 5
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.2.4. 3.3.
Provinciaal beleid ................................................................................................... 6
3.3.1. 3.3.2. 3.3.3. 3.4.
Provinciale Omgevingsvisie .............................................................................. 6 Provinciale omgevingsverordening .................................................................... 8 Ontwerp Omgevingsverordening ...................................................................... 11
Regionaal beleid ................................................................................................... 11
3.4.1. 3.5.
Nationale omgevingsvisie ................................................................................. 5 Structuurvisie infrastructuur en ruimte .............................................................. 5 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ...................................................... 6 Ladder duurzame verstedelijking ...................................................................... 6
Handleiding Ontwikkelkader Verblijfsrecreatie .................................................... 11
Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 12
3.5.1. 3.5.2.
Integrale structuurvisie Horst aan de Maas ........................................................ 12 Bestemmingsplan toetsing .............................................................................. 13
3.6.
Conclusie ............................................................................................................. 13
4.
Omgevingsaspecten .............................................................................................. 14
4.1.
Milieuaspecten...................................................................................................... 14
4.1.1. 4.1.2. 4.1.3. 4.1.4. 4.1.5. 4.1.6. 4.2.
Ruimtelijke aspecten ............................................................................................. 17
4.2.1. 4.2.2. 4.2.2.1. 4.2.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.3.
Externe veiligheid .......................................................................................... 17 Cultuurhistorie en Archeologie ......................................................................... 19 Cultuurhistorie ........................................................................................... 19 Archeologie ................................................................................................ 19 Mobiliteit en parkeren ..................................................................................... 19 Kabels en leidingen ........................................................................................ 20
Flora en Fauna ..................................................................................................... 20
4.3.1. 4.3.2. 4.4. 4.5. 4.6.
Milieu Effect Rapportage ................................................................................. 14 Bodem .......................................................................................................... 14 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................ 15 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 15 Geluid .......................................................................................................... 16 Spuitzones .................................................................................................... 17
Gebiedsbescherming ...................................................................................... 20 Soortenbescherming....................................................................................... 21
Landschappelijke inpassing .................................................................................... 21 Duurzaamheid ...................................................................................................... 22 Waterparagraaf .................................................................................................... 22
4.6.1.
Provinciaal waterplan Limburg ......................................................................... 22
4.6.2.
Watertoets .................................................................................................... 23
5.
Uitvoerbaarheid .................................................................................................... 24
5.1. 5.2.
Economische haalbaarheid ..................................................................................... 24 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................... 24
6.
Juridische toelichting ............................................................................................. 25
Bijlage(n) 1. Landschappelijke inpassing 2. AERIUS berekening 3. Onderbouwing ‘Handleiding Ontwikkelkader Verblijfsrecreatie’
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.
Aanleiding en doel
Initiatiefnemers van het voorliggende planvoornemen hebben in 2020 de locatie aangekocht. Er is een bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. Op locatie zijn reeds 50 bestaande plekken aanwezig, echter bestaat de vergunde situatie momenteel uit 10 kampeermiddelen. Dat wil zeggen dat maar een gedeelte van de plekken in gebruik mag zijn. Gelet op de huidige situatie en het toekomstige gebruik zal er ruimtelijk weinig tot geen verschil optreden. Voor de gehele locatie wordt de enkelbestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie opgenomen.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied is gelegen aan de Horsterdijk 97 te Lottum, kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie K nummers 215, 526 en 527 (hieronder blauw omlijnd). Het plangebied is grotendeels omringd met cultuurgronden. Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande zandweg richting de Horsterdijk en verder richting de A73.
Afbeelding 1. Kadastralekaart.com met locatie in blauw
1.3.
Leeswijzer
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • • • •
plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken, hoofdstuk 5; Juridische toelichting, hoofdstuk 6.
3
2. Beschrijving van het plan 2.1.
Algemeen
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt in de ruimtelijke structuur en de functionele structuur en ook hoe deze structuren zijn ontstaan. De beschrijving van de ruimtelijke structuur heeft bijvoorbeeld betrekking op hoe het landschap eruit ziet, welke infrastructuur er aanwezig is en de ligging van het grondgebied ten opzichte van de (directe) omgeving. De beschrijving van de functionele structuur heeft betrekking op de aanwezige functies in het plangebied.
2.2.
Ruimtelijk en functionele structuur
De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas ten westen van het dorp Lottum. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als een landelijk gebied met een hoofdzakelijk agrarische functie.
2.3.
Projectbeschrijving
Initiatiefnemers van het voorliggende planvoornemen hebben in 2020 de locatie aangekocht. Er is een bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende initiatief is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te nemen. Op locatie zijn reeds 50 bestaande plekken aanwezig. De vergunde camping bestaat momenteel uit 10 kampeermiddelen. Dat wil zeggen dat maar een gedeelte van de plekken in gebruik mag zijn. Verder wordt voor de gehele locatie de enkelbestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie opgenomen. De bestaande camperplaatsen zijn van een hoge kwaliteit. Initiatiefnemers zetten in op kwaliteit en zijn de meest luxe camperplaats met alle voorzieningen in de regio. Uit de toeristenbelasting blijkt dat de bezettingsgraat erg hoog is, wat aangeeft dat er vraag is naar camperplaatsen zoals deze op Camperplaats IndeVerte te vinden zijn. Qua voorzieningen zijn een sanitair ruimte inclusief wasmachine en droger aanwezig en een accommodatie om elkaar te ontmoeten bij regen. Verder zijn er op de receptie en het woonhuis na geen vaste opstallen aanwezig. Op locatie zal geen fysieke verandering plaatsvinden, het gaat enkel om de mogelijkheid alle bestaande 50 plaatsen te benutten. Wel zet de initiatiefnemer in op duurzaamheid. Er wordt geïnvesteerd in onder andere een warmtepomp, warmteboilers en een service station voor afval.
Het initiatief versterkt de uitzonderlijke verblijfskwaliteit voor wat betreft rust en ruimte. De locatie is met het ontbreken van buren in een straal van 800 meter om de locatie hiervoor uitermate geschikt. Gasten komen niet voor vrijetijdsvoorzieningen, maar juist voor de kwaliteiten welke op camperplaats IndeVerte en de omliggende omgeving te vinden zijn: ‘rust en ruimte’. Parkeergelegenheid is er reeds in voldoende mate, daarbij is de locatie reeds geheel ingepast. De initiatiefnemer laat met het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 en paragraaf 4.4) zien een extra kwaliteitsverbetering toe te passen.
4
3. Beleidskader 3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid
3.2.1.Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.2.2.Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).
Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.
5
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro.
3.2.3.Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In paragraaf 5 van de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’.
3.2.4.Ladder duurzame verstedelijking
Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het planvoornemen is van recreatieve aard, er is in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van de uitvoerbaarheid dient moet onder andere aandacht worden besteed aan de behoefte van het plan.
Gelet op het feit dat er vraag is naar camperplaatsen zoals bij initiatiefnemer (voortkomende uit feitelijke vraag aan initiatiefnemer) kan geconcludeerd worden dat er behoefte is voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling is daarbij aanwezig.
3.3.
Provinciaal beleid
3.3.1.Provinciale Omgevingsvisie
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg 6
vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b.
In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen.
Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ ▪
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. 7
Specifiek beleid vrijetijdseconomie De vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang. Een stabiele balans is nodig:
▪ ▪ ▪ ▪
tussen beleving en bescherming van landschap en natuur tussen belangen van toeristen, recreanten en inwoners tussen uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten tussen de verschillende groepen in het landelijk gebied die gebruik maken van dezelfde infrastructuur
In de POVI staat beschreven dat bij verblijfsaccommodaties de markt verzadigd is. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een kwaliteitsslag is continu nodig om het bestaande aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. In het voorliggende plan is sprake van bestaande camperplaatsen. Deze zijn van een hoge kwaliteit. Initiatiefnemers zetten met het voorliggende planvoornemen in op kwaliteit en zijn de meest luxe camperplaats met alle voorzieningen in de regio. Uit de toeristenbelasting blijkt dat de bezettingsgraat erg hoog is, wat aangeeft dat er vraag is naar camperplaatsen zoals deze op Camperplaats IndeVerte te vinden zijn. Gezien het bovenstaande is het planvoornemen passend bij de provinciale omgevingsvisie.
3.3.2.Provinciale omgevingsverordening De Omgevingsverordening Limburg is op 16 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening blijkt dat een deel van het plangebied is gelegen in een Bronsgroene landschapszone. Sinds de vaststelling van de provinciale Omgevingsvisie (POVI) op 1 oktober jl.
wordt echter ook gesproken van de term Groenblauwe mantel. Bij die Bronsgroene landschapszone horen 4 kernkwaliteiten. Er dient in een bestemmingsplan een beschrijving van die 4 kernkwaliteiten te worden opgenomen alsmede wat het voornemen betekent voor die 4 kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueelruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Nadere Kernkwaliteit
Wat (de belangrijkste aspecten)
ruimtelijke duiding
Groene karakter
zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder ‘Landschapsecologie’
Visueelruimtelijk karakter
zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder ‘Visueel-ruimtelijk’
Specifiek per landschapstype in Landschapskader Specifiek per landschapstype in Landschapskader 8
Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en Specifiek per Cultuurhistorisch patronen, zoals wegen- en kavelpatronen, landschapstype in erfgoed verdedigingswerken, ondergrondse Landschapskader kalksteengroeves, heggen. Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder ‘cultuurhistorie’ Steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische Specifiek per Reliëf ontsluitingen landschapstype in Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, Landschapskader deel A, hoofdstuk 4 onder ‘landschapskenmerken’ en ‘Landschapsecologie’ en deel b kaart 4 onder landschapselementen. Het plangebied is volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg gelegen binnen gebiedstype Mozaïek. Algemene kenschets Bos- en Mozaïeklandschappen Binnen dit landschapstype vallen de bossen, heiden, venen en zandvlaktes samen met de daartussen en naast gelegen oudste weides en akkers met zowel grazige vegetaties als heide, bloemrijke graslanden en hooiland, maar ook akkers, vennen en stuifduinen. Het is een, door groene elementen, besloten landschap, waarbinnen geen vergezichten ruimer dan 250 meter mogelijk zijn.
Deze gebieden zijn kenmerkend door het besloten karakter gevormd door bosen landschapselementen gecombineerd met weinig bebouwing. Hierdoor worden deze gebieden zeer gewaardeerd. De bijzondere kwaliteit die deze gebieden samenbrengt, schuilt dus niet zozeer in het natuurlijk fundament, noch in het tijdstip van in gebruik name, maar in de huidige belevingswaarde. Dit landschapstype heeft deels een sterke relatie met de (soms extreme) aardkundige situatie (zeer nat of zeer droog). Deels is dit landschapstype op cultuurhistorische wijze ontstaan, zoals bijvoorbeeld bij landgoederen. Landschapskenmerken Bos- en Mozaïeklandschappen
Kernkwaliteiten Bos- en Mozaïeklandschappen Voor het gebiedstype Bos- en Mozaïeklandschappen zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd in het landschapskader:
9
Natuurlijk De bossen in Limburg liggen ofwel op de allernatste (veenrestvlakten) of op de allerdroogste gronden (stuifduinen) en worden niet (meer) intensief door de mens gebruikt. Door de relatieve rust en de vele overgangen tussen bos en de open, grazige vegetaties, herbergt het bos- en mozaïeklandschap veel natuurwaarden. De vele verschillende landschapselementen op korte afstand van elkaar bieden vele soorten planten en dieren de gelegenheid zich te voeden, te verplaatsen, te schuilen en zich voort te planten. Door de huidige natuurwaarden vallen vele bossen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Cultuur(historie) Op de voormalige stuifduinen en zandruggen zijn pas de laatste 2 eeuwen door menselijk ingrijpen bossen aangelegd. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is de waarde van de huidige bossen variabel, afhankelijk van de ouderdom en het gebruik. De waarde is groot bij oudere bossen met oude patronen van wegen en percelen, oude hakhoutbossen en landgoederen, waar het vroegere gebruik van de gronden door de mens nog zichtbaar is. De waarde is gering bij relatief jonge bosaanplant. Sommige bossen worden vandaag de dag gebruikt als productiebos, andere specifiek voor natuur of recreatie of een combinatie van deze. Visueel-ruimtelijk Tussen en om de droge en natte bossen ligt vaak een mozaïek aan kleinere houtopstanden, akkers, graslanden en singels.
De mozaïeklandschappen zijn visueel-ruimtelijk bijzonder aantrekkelijke gebieden als gevolg van de afwisseling van kleinschalige open ruimten en besloten bosgebieden, de dominante aanwezigheid van groen en de geringe bebouwing. Er zijn veel wisselende doorzichten naar het achterliggende, meer open landschap. Reliëf De kenmerkende elementen zijn hiervoor reeds aangegeven onder ‘Landschapskenmerken Bosen Mozaïeklandschappen’. Bescherming en versterking kernkwaliteiten De voor dit gebiedstype kenmerkende elementen worden niet aangetast. De planlocatie aan de Horsterdijk 97 is een reeds bestaande situatie met 50 camperplekken. Alle ontwikkelingen vinden plaats op gronden waarbinnen in de huidige situatie ook al gekampeerd mag worden. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. De belevingswaarde van de omgeving, die als bijzondere kwaliteit wordt gezien voor dit gebiedstype, wijzigt niet door het plan. Er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan het volledig benutten van de aanwezige camperplekken. Bovenstaande heeft geleid tot de als bijlage 1 bijgevoegde landschappelijke inpassing. Meer hierover tevens in paragraaf 4.4.
In paragraaf 4.4 en het daarbij behorende beeldkwaliteitplan is verder gemotiveerd beschreven dat landschappelijke waarden ter plaatse niet verloren gaan en dat de locatie door de voorgestelde landschappelijke inpassing beter wordt ingebed in de omgeving. De inpassing zorgt enerzijds voor het behoud van de aanwezige waarden en anderzijds voor een versterking hiervan. De ‘groenblauwe mantel’ betreft de gebieden die als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg zijn gelegen. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In het voorliggende plan is sprake van een bestaande locatie. De locatie wordt niet fysiek uitgebreid maar er wordt een hogere intensiteit toegestaan. De focus binnen de ‘groenblauwe mantel’ ligt op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Hierop wordt waar mogelijk invulling gegeven door middel van de als bijlage 1 bijgevoegde landschappelijke inpassing. Doordat het hier gaat om een intensiever gebruik van bestaande plaatsen kan gesproken worden over het feit dat geen m2 uitgebreid wordt. Het gaat om een intensiever gebruik van 10
een bestaande, kwalitatief hoogwaardige locatie waar vraag naar is. Uit zowel bijlage 3 als uit de toeristenbelasting blijkt dat de bezettingsgraat erg hoog is. Dit geeft aan dat er voldoende vraag is naar camperplaatsen zoals deze op Camperplaats IndeVerte te vinden zijn. Toetsing aan artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. Zie hier voor de toetsin aan artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie, met de toetsing in blauw. 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. Het plan is getoetst aan het ontwikkelkader verblijfsrecreatie van de regio Noord Limburg, zie ook paragraaf 3.4.1. Het plan maakt het intensievere gebruik van reeds bestaande camperplekken mogelijk. Het concept is conform de bestuursafspraken zowel regionaal als met de provincie afgestemd. 2.
Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de opgaven en algemene principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2. Niet van toepassing, het planvoornemen is niet gelegen in Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3. Niet van toepassing, het planvoornemen is niet gelegen in Zuid-Limburg 4.
De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid. Aanvullend op hetgeen vermeld onder punt 1 kan gesteld worden dat punt 1 kan gesteld worden door middel van een landschappelijke inpassing invulling wordt gegeven aan het bepaalde in lid 1, zie ook paragraaf 4.4. Daarnaast wordt ingezet op duurzaamheid, zie ook paragraaf 4.5. Voor een nog completer beeld wordt verwezen naar bijlage 3. 5. De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Zie hiervoor bijlage 3 en paragraaf 3.4.1.
3.3.3.Ontwerp Omgevingsverordening De provincie Limburg heeft met ingang van 7 juni de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg ter inzage gelegd. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Ontwerp Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Ontwerp Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.
3.4. 3.4.1.
Regionaal beleid Handleiding Ontwikkelkader Verblijfsrecreatie
Het plan is getoetst aan het ontwikkelkader verblijfsrecreatie van de regio Noord Limburg. Het ontwikkelkader is een praktisch hulpmiddel dat door ondernemers kan worden gebruikt om
11
initiatieven snel en kwalitatief goed te realiseren. Het ontwikkelkader laat zien op welke gebieden en op welke manier de initiatiefnemer zijn plannen dient te onderbouwen, en welke aspecten van belang zijn om toegevoegde waarde te bieden aan het verblijfsrecreatief aanbod in Noord-Limburg. Het ontwikkelkader toont ook welke plan-elementen automatisch tot een negatieve beoordeling leiden als hieraan niet wordt voldaan. Er is een onderbouwing opgesteld welke is gebruikt voor het overleg met de regio. Deze is als bijlage 3 aan deze toelichting gevoegd. Het initiatief is ‘Positief’ beoordeeld.
3.5.
Gemeentelijk beleid
3.5.1.Integrale structuurvisie Horst aan de Maas
Binnen de Structuurvisie “Horst aan de Maas” van de gemeente Horst aan de Maas zoals vastgesteld op 9 april 2013 is één van de speerpunten van het gemeentelijk beleid het versterken van de concurrentiepositie van duurzame agribusiness, door gebruik te maken van het innovatief vermogen van bedrijven en door in te zetten op de praktische toepassing van wetenschappelijk onderzoek. Het onderhavige initiatief sluit aan op de genoemde doelstelling. Op 22 september 2015 heeft de gemeenteraad ook nog een evaluatie van de Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De gemeente kiest voor een benadering waar ontwikkelingen binnen flexibele kaders worden toegestaan indien de kwaliteiten van de dorpen en het buitengebied er ook mee vooruit gaan. Deze benadering sluit aan bij de systematiek van het ‘Limburgse kwaliteitsmenu’. Het gemeentelijk kwaliteitsmenu is van toepassing indien het geldende bestemmingsplan niet direct voorziet in de betreffende ontwikkeling en deze middels bijvoorbeeld een bestemmingsplanherziening of omgevingsvergunning mogelijk gemaakt moet worden. Wijzigingsbevoegdheden in de vigerende bestemmingsplannen worden gerespecteerd. De structuurvisie dient als kader waaraan de wijzigingsbevoegdheden worden getoetst.
Locatie
Afbeelding 2. Gemeentelijk kwaliteitsmenu
In het gemeentelijk kwaliteitsmenu is de locatie gelegen in het “4B Zoekgebieden bos- en natuur”. Binnen deze locatie heeft de gemeente een grondhouding ‘ja, mits’ ten opzichte van verblijfsrecreatie. Deze grondhouding betekent dat de gemeente onder voorwaarden de
12
potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert. In de tabel ‘gebiedsindeling nieuwe en bestaande recreatieve en horeca ondernemingen’ staat beschreven dat voor een kleinschalige camping een positieve grondhouding geldt. Het voorliggende initiatief betreft een reeds bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. De belevingswaarde van de omgeving, die als bijzondere kwaliteit wordt gezien voor dit gebiedstype, wijzigt niet door het plan. Er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan het volledig benutten van de aanwezige camperplekken. In combinatie met het als bijlage 1 bijgevoegde landschappelijke inpassing kan het plan gezien worden als een kwaliteitsverbetering.
3.5.2.Bestemmingsplan toetsing
De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas’. De locatie is gelegen binnen de enkelbestemming Agrarisch met waarden en binnen de enkelbestemming Wonen. Verder is de dubbelbestemming waarde-archeologie 4 van toepassing en deels de dubbelbestemming waarde – Zone bronsgroene landschapszone en de gebiedsaanduidingen Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol, overige zone – rivierdal en deels de reconstructiewetzone – extensiveringsgebied.
Afbeelding 3. Uitsnede bestemmingsplan
Het vigerend bestemmingsplan biedt geen binnenplanse mogelijkheden om 50 camperplaatsen te realiseren. Om het beoogde plan te realiseren is een herziening middels een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk, waarbij de complete locatie de enkelbestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie.
3.6.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de gevraagde ontwikkeling voldoet aan het nationaal beleid, provinciaal beleid en tot slot het gemeentelijk beleid voor wat betreft de structuurvisie.
13
4. Omgevingsaspecten 4.1.
Milieuaspecten
4.1.1.Milieu Effect Rapportage
De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r.
staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.- beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden. Dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op bijvoorbeeld: ▪ ▪ ▪ ▪
De inrichting van het landelijk gebied; De aanleg van recreatieve voorzieningen; Een stedelijk ontwikkelingsproject; De aanleg van een industrieterrein.
De voorliggende activiteit, het benutten van 50 reeds bestaande camperplaatsen, is geen activiteit welke in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r. beoordeling is voor situaties onder de drempelwaarden uit kolom 2 waarvoor een m.e.r. beoordeling noodzakelijk is, dus qua omvang relatief kleine activiteiten. Ook in deze situaties zijn er mogelijk toch belangrijke nadelige gevolgen voor milieu te verwachten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingplan ontstaat als in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: ▪ ▪
De activiteit wordt genoemd in kolom 1; Niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2.
De voorliggende activiteit, het benutten van 50 reeds bestaande camperplaatsen, is een niet genoemde activiteit in kolom 1 van onderdeel D. Het perceel blijft in gebruik voor recreatieve doeleinden en wordt niet vergroot.
4.1.2.Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties 14
maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Het voorliggende initiatief betreft een reeds bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. Er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan het volledig benutten van de aanwezige camperplekken. Bovendien vinden binnen het planvoornemen geen grote ingrepen in de bodem plaats. Om beide redenen bestaan er daarom planologisch geen bodemkundige bezwaren tegen het voorgenomen plan.
4.1.3.Bedrijven en milieuzonering Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Afbeelding 4. Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.
Het voorliggende initiatief betreft een reeds bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. Er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan het volledig benutten van de aanwezige camperplekken. Bovendien ontbreken buren in een straal van 800 meter om de locatie. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor realisering van de beoogde plannen.
4.1.4.Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: •
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
15
•
mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechterd. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt.
Hieronder is doorgerekend wat de bijdrage is van het initiatief.
Afbeelding 5. NIBM berekening
In de NIBM tool is een aantal van 16 verkeersbewegingen ingevoerd. Dit is afkomstig van de CROW normen welke in paragraaf 4.2.3 gebruikt zijn. Het betreft een toename van 40 plekken à een norm van 0,4. Feitelijk vertrekken de meeste gasten nu de locatie per fiets of te voet. Er is geen sprake van nadelige effecten voor een goed woon- en leefklimaat. Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de grens voor “Niet In Betekende Mate”. Nader onderzoek op dit punt is dus niet noodzakelijk.
4.1.5.Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).
16
De geluidbelasting van aangevraagde activiteiten op woningen in de omgeving dient normaliter beoordeeld te worden met behulp van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking), uitgebracht door het voormalige ministerie van VROM. De Handreiking beveelt aan om bij vergunningaanvragen voor een bestaande inrichting de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Deze richtwaarden zijn opgenomen in tabel 4 van de Handreiking: aard van de woonomgeving
landelijke omgeving rustige woonwijk, weinig verkeer woonwijk in de stad
aanbevolen richtwaarden in dB(A) dag (7-19 avond (19-23 uur) uur) 40 35 45 40
nacht (23-7 uur) 30 35
50
40
45
Afbeelding 6. Tabel richtwaarden voor woonomgevingen
De omgeving van de inrichting kan op basis van de Handreiking worden getypeerd als landelijke omgeving (rustig buitengebied met veel agrarisch grondgebruik, verspreid liggende bebouwing en bosgebied). Een camperterrein is geen geluidgevoelige bestemming is als bedoeld in de bij het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer gestelde geluidvoorschriften. Wanneer een camperterrein slechts gedurende korte periode (< 6 weken) wordt bewoond is deze op zich niet als geluidgevoelig te beschermen object aan te merken. Echter van belang is hier dat vastgesteld moet worden of op het camperterrein als geheel gedurende langere tijd mensen verblijven, dus langer dan alleen zomerseizoen (6 weken). Ook al zou het verblijf per persoon of kampeermiddel kort zijn (<6 weken per jaar) dan dient wel nog te worden beoordeeld of op het camperterrein als geheel mensen gedurende langere tijd verblijven. Dus niet de kampeermiddelen afzonderlijk maar het camperterrein als geheel wordt dan bepalend voor de vraag of sprake is van geluidgevoeligheid. De afstand tot woningen van derden is groot. Het betreft tevens een bestaande afstand welke niet verkort wordt ter plaatse van het camperterrein. Er vind een intensiever gebruik van de bestaande situatie plaats. De afstanden zijn dermate groot dat geen overlast te verwachten is door het voorliggende initiatief.
Gezien de ligging van het planvoornemen is er geen aanleiding om vanuit de beginselen van goede ruimtelijke ordening te twijfelen aan de aanvaardbaarheid van geluidsniveaus ten aanzien van wegverkeerslawaai. Er is geen noodzaak voor een akoestisch onderzoek.
4.1.6.Spuitzones
Het voorliggende initiatief betreft een reeds bestaande situatie met 50 camperplekken. Het voorliggende plan is om al deze plekken gelijktijdig in gebruik te kunnen nemen. Er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan het volledig benutten van de aanwezige camperplekken. Het planvoornemen heeft dan ook geen consequenties. Er is sprake van een bestaand gebruik op alle 50 camperplaatsen, waarbij de 50 plekken afwisselend in gebruik zijn.
4.2.
Ruimtelijke aspecten
4.2.1.Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen;
17
• •
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovolle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)).
Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 106/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord.
Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 500 m) van het plangebied géén risicovolle inrichting. Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. Nabij het plangebied is dit de Maas, en de provinciale wegen N270 en N271. De afstand tot beide provinciale wegen bedraagt meer dan 1 kilometer en de afstand tot de Maas circa 1 kilometer. Het plangebied ligt hierdoor ver buiten de plaatsgebonden risicocontour en buiten het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico.