CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting bp Bp Langstraat ong.Hegelsom

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Langstraat ong. Hegelsom.17.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2.3 Luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden slechts zes woningen gerealiseerd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het realiseren van de woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer).

Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,3 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (d.d. 28 juli 2021, kenmerk: 21283401N)

Vastgesteld

23

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het realiseren van de woningen. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Goed woon- en leefklimaat In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor woonkernen, waar het plangebied is gelegen, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 10,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting).

De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vast onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) zijn de volgende veehouderijen gelegen: ▪ Een varkenshouderij aan de Langstraat 54, op een afstand van 430 meter van het plangebied; ▪ Een varkenshouderij aan de Langstraat 67, op een afstand van 470 meter van het plangebied; ▪ Een paardenhouderij aan de Heijenstraat 30, op een afstand van 490 meter van het plangebied. De afstand van een veehouderij waar dieren zonder emissiefactoren worden gehouden (paarden), tot het plangebied bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen van de gemeentelijke geurverordening voor wat betreft deze inrichting (Heijnenstraat 30) wordt ruimschoots voldaan. Bij de varkenshouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning”.

Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt

X-coördinaat 200056 200092 200113 200074 200084

Y-coördinaat 383472 383512 383494 383454 383485

Langstraat 54 0,5 0,4 0,4 0,4 0,4

Langstraat 67 0,9 0,7 0,7 0,8 0,8

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 0,9 OU/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 3,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan,

Vastgesteld

24

waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het wonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 2. Rekenresultaten achtergrondbelasting

Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt

X-coördinaat 200056 200092 200113 200074 200084

Y-coördinaat 383472 383512 383494 383454 383485

Berekende waarde 5,1 4,6 4,7 4,9 4,8

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 4,6 en 5,1 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 10,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Vastgesteld

25

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving bevinden zich immers overwegend woningen. Met onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe woningen opgericht. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaken voor de omgeving. Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Tabel 3. Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

SBI-2008

Aan te houden afstanden

Kantoor

Langstraat 20

63, 69-71, 73, 74, 77, 78, 80-82

Detailhandel

Langstraat 25a

47

Bedrijf

Kogelstraat 25

461

Autobedrijf

Langstraat 8

451, 452, 454

Verpakkingsbedrijf

Bosstraat 13

222

Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

0 meter 0 meter 10 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter 0 meter 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 50 meter 30 meter

Afstand tot plangebied 30 meter

50 meter

145 meter

175 meter

185 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied niet overlappen. Er zijn geen hindercontouren die het plangebied overlappen. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering bedrijven geen beperkingen opleveren voor de nieuw te bouwen woningen. Een goed woon- en leefklimaat kan ter plaatse van het plangebied gewaarborgd worden. Anderzijds worden door de nieuwe woningen nabij gevestigde bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt. 5.2.6 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ Inrichtingen; ▪ Transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen;

Vastgesteld

26

▪ ▪

Vuurwerkopslagplaatsen; Opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidssystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelde dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit.

Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's.

Afbeelding 13. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)

Risicovolle bedrijvigheid rond het projectgebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het projectgebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. Conform de provinciale risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichting of activiteiten liggen.

Vastgesteld

27

Transport gevaarlijke stoffen Op grote afstand van het plangebied liggen de N556 en de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Aangezien de weg en spoorweg op meer dan 200 meter afstand zijn gelegen, wordt geconcludeerd dat als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor geen beperkingen gelden voor het plan. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In en rondom het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig, waarvan de invloed reikt tot over het projectgebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen. 5.2.7 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100

Vastgesteld

28

hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van zes woningen. Om de bouw van deze woningen mogelijk te maken wordt ter plaatse de huidige groenbestemming omgezet naar een woonbestemming met twee bouwvlakken waardoor per bouwvlak één blok van drie aaneengesloten woningen gerealiseerd kan worden. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten. Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Vastgesteld

Toets Weiland N.v.t.

Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)

Nee Nee

29

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS

Toets Nee Nee Nee Nee

Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.2.8 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook rekening te worden gehouden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen.

In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een (fruit)boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom (fruit)boomgaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een (fruit)boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. Rondom het plangebied bevinden zich geen (fruit)boomgaarden. Wel bevinden zich rondom het plangebied allerlei landbouwpercelen. Zoals gezegd wordt op deze landbouwpercelen geen (fruit)boomgaard geëxploiteerd. Het is ook niet waarschijnlijk dat in de directe omgeving (fruit)boomgaarden worden opgericht. Spuitzones vormen daarmee geen belemmering voor het initiatief.

Vastgesteld

30

5.3

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de POL2014-kaart ‘Ondergrond’ en ‘Regionaal watersysteem’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Bodemgesteldheid en grondwater Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 200 - 250 cm onder maaiveld is gelegen.

Vastgesteld

31

Afbeelding 14 Uitsnede kaart GHG

Oppervlaktewater Conform de leggerkaarten van Waterschap Limburg is er in het plangebied geen oppervlakte water gelegen. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van 100 meter stroomt de watergang Langstraat, een primaire watergang van het Waterschap. Op deze watergang is de Keur van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Aangezien het plangebied op 100 meter afstand van de watergang is gelegen is een vergunning van het waterschap niet benodigd. Afvalwater / riolering Het vuilwater van de nieuwe woningen wordt geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts zes woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Water in relatie tot ontwikkeling Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van een zes woningen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen dient de initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan deze voorwaarden. Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal andere aspecten om in acht te nemen: ▪ Het af te koppelen dakoppervlak mag niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen.

Vastgesteld

32

▪

5.4

Af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd.

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse en het effect van het bouwen van zes nieuwe woningen te onderzoeken is een flora- en faunainspectie3 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzend locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het rooien van de te verwijderen vegetatie buiten de periode 15 maart -15 juni (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Steenuilen In het (te behouden) stenen schuurtje, op circa 20 meter afstand van het plangebied, is een steenuilennest aanwezig. De paardenweide (waar het plangebied onderdeel van uitmaakt) fungeert als deel van het 3 Flora en faunainspectie, Faunaconsult (d.d. 25 augustus 2021)

Vastgesteld

33

foerageergebied van de steenuil. De voorgenomen nieuwbouw en permanente bewoning kan, zonder aangepaste werkwijze of compensatie, leiden tot verstoringen/vernietiging van steenuilen, hun eieren en nest. Ook leidt het tot vernietiging van een deel van hun foerageergebied. Steenuilennesten, hun roestplaatsen en foerageergebied zijn streng beschermd onder de Wet natuurbescherming. Door de afstand en aangepaste werkwijze kan directe verstoring van het nest voorkomen. Aanvullend steenuilenonderzoek, mitigatie en compensatie Net buiten het plangebied bevindt zich een steenuilennest. Een zeer klein deel van het foerageergebied (weilandvegetatie en omheining) van de steenuil wordt geheel verwijderd. Door de afstand maar ook doormiddel van een aangepaste werkwijze wordt directe verstoring van het nest voorkomen. In dit kader is derhalve een werkprotocool4 opgesteld. Hiermee wordt voorkomen dat het steenuilennest wordt voorkomen en om te waarborgen dat de functionele leefomgeving van de steenuil is gewaarborgd. Door deze werkwijze is een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor de steenuil niet nodig. De Provincie Limburg is van deze aanpak op de hoogte en heeft aangegeven dat er, indien deze werkwijze wordt doorgevoerd, er van en ontheffing op de Wet natuurbescherming kan worden afgezien.

Mitigatie Elders in het steenuilenterritorium zijn op 7 en 10 oktober 2021 twee nieuwe steenuilennestkasten geplaatst. Daarnaast is een bestaande steenuilennestkast, die niet meer geschikt was, opnieuw geschikt gemaakt voor de steenuil. Daarnaast zijn er op 17 januari 2022 nog twee extra steenuilennestkasten nabij het bestaande steenuilennest geplaatst. Met de vijf gemaakte/vrijgestelde steenuilennestkasten zijn er extra schuilplekken binnen het steenuilenterritorium gerealiseerd. Hierdoor blijft de functionaliteit van het steenuilenleefgebied intact. Aangepaste werkwijze Het steenuilennest nabij het plangebied gaat niet verloren. De graaf- en bouwwerkzaamheden kunnen echter leiden tot verstoring van het steenuilennest. In het ergste geval zou dit, in de broedtijd, kunnen leiden tot afsterven van eieren en/of jonge steenuilen doordat ouders vroegtijdig hun nest verlaten. Dit wort voorkomen door het vooraf (voordat de bouwwerkzaamheden beginnen) plaatsen van minstens 1.80 meter hoge bouwhekken die zijn voorzien van ondoorzichtig plastic/doek. Wanneer de woningen gereed zijn, dient er een minstens 1.80 meter hoge tuinafscheiding te worden gerealiseerd die het zicht op het steenuilennest ontneemt. Conclusie Met inachtneming van de bovenstaande maatregelen vormt flora en fauna derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.5.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Deurnsche Peel & Mariapeel ligt op 7 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 7 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. 4 Aanvullend steenuilenonderzoek, mitigatie en compensatie, Faunaconsult (d.d. 17 januari 2022)

Vastgesteld

34

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling.

De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om in de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) de uitstoot van NOx te bepalen. Met onderhavig initiatief de groenbestemming omgezet naar een woonbestemming. Binnen de woonbestemming worden twee bouwvlakken opgenomen voor de bouw van drie woningen per bouwvlak. Derhalve wordt de realisatie van in totaal zes woningen mogelijk. Conform de Bsn wordt enkel voor nieuwe situatie is de uitstoot van NOx bepaald. Uitstoot van NOx vindt plaats door enerzijds de verwarming van de woningen en anderzijds door het verkeer van en naar de woningen. Gebruiksfase Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van de zes woningen (2 tussenwoningen en 4 hoekwoningen) tot een emissie van 10,4 kg/jaar NOx. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Voor het bepalen van het gebiedstype is gebruik gemaakt van de ‘Nota Parkeernormen 2019’ van gemeente Horst aan de Maas. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: koop, huis, tussen/hoek; ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom, weinig stedelijk.

Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 46,8 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 23,4 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 0,3 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Vastgesteld

35

Afbeelding 15 Uitsnede AERIUS Calculator

De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 10,7 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet

Vastgesteld

36

is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarde.

Afbeelding 16 Uitsnede archeologische waardenkaart (rood plangebied)

Binnen een hoge archeologische verwachting zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer bij bodem verstoring archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 50 cm diepte en 500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 500 m² bedraagt. Met het initiatief wordt de bodem dieper dan 50 cm geroerd, derhalve is een archeologische5 onderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat door de diep verstoorde bodem er geen archeologische resten worden verwacht in het plangebied, derhalve wordt verder archeologisch onderzoek niet zinvol c.q. noodzakelijk geacht.

5 Archeologische onderzoek,

Vastgesteld

RAAP (d.d. 18 augustus 2021, kenmerk: HEGLA)

37

5.7

Verkeer en parkeren

Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De nieuwe woningen zullen worden ontsloten via de Langstraat. Deze weg sluit aan op de Kogelstraat welke een directe verbinding verzorgt naar Horst. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken is naar de functie ‘koop, huis, tussen/hoek en naar het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied’. De zes nieuwe woningen zullen, uitgaande van een worst-case benadering, 23,4 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door slechts zes nieuwe woningen goed kunnen verwerken. Parkeren Conform de ‘Nota Parkeernormen 2019’ ligt het plangebied in de rest bebouwde kom van Hegelsom. Ook staat in de nota: ‘Volgens de oad wordt de totale gemeente Horst aan de Maas getypeerd als weinig stedelijk gebied (500-1000 adressen per km2)’. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gekeken naar het type woning ‘woonhuis’. Per woning dienen in dit geval 2,0 parkeerplaatsen te worden aangelegd. In totaal dienen er derhalve 12 parkeerplaatsen te worden aangelegd.

De vier hoekwoningen worden allen voorzien van een parkeerplaats op eigen terrein. Daarnaast zijn er 8 parkeerplaatsen aan de openbare weg beoogd. Derhalve worden er in totaal 12 parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van onderhavige ontwikkeling. Het initiatief sluit dan ook aan bij de gemeentelijke parkeerbeleid.

5.8

Volksgezondheid

Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In Noord-Brabant en Noord-Limburg wonen veel mensen in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Sommige mensen vragen zich af of het ongezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen. Daarom is een grootschalig onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden bij veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.

Endotoxine (pluimvee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.

Vastgesteld

38

In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen op een afstand van minimaal 350 meter. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderijen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geitenhouderijen in de omgeving Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Vastgesteld

39

6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente ontwikkeld zelf deze gronden, de betreffende gronden zijn dan ook in eigendom van de gemeente. Kosten worden terugverdiend door uitgifte van de bouwrijpe grond. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn uitgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.

6.2

Handhaving

Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.

In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren; 4. Servicegericht handelen, en 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden.

Vastgesteld

40

2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteed wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn.

Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. Preventiestrategie; 2. Toezichtstrategie; 3. Sanctiestrategie, en 4. Gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente.

Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.

Vastgesteld

41

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Omgevingsdialoog Initiatiefnemers hebben een gesprekken gevoerd met de omwonende over het realiseren van de nieuwe woningen. Naar aanleiding van de gesprekken met omwonende zijn de plannen aangepast en bijgeschaafd tot de definitieve planontwikkeling. Hierna zijn initiatiefnemers nogmaals in gesprek gegaan met omwonende over de definitieve planontwikkeling. Hieruit bleek dat de buutbewoners blij waren met de aangepaste plannen en ook om betrokken te worden bij de ontwikkeling. Uit dit gesprek zijn geen noemenswaardige opmerkingen of aanpassingen voortgekomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 november 2021 tot 30 december 2021 voor eenieder ter inzage gelegen.

Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.

6.4

Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vastgesteld

42

7.

JURIDISCHE TOELICHTING

7.1

Planstukken

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ Toelichting ▪ Planregels ▪ Verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het bestemmingsplan “Peelkernen” zoals dat reeds voor de kern Hegelsom geldt.

7.2

Toelichting op de verbeelding

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Deze aanduiding is digitaal altijd aan te klikken en zal dan oplichten, waardoor duidelijk is wat de grens van het aanduidingsvlak is. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is hiervoor ‘het verrekijkertje’ voor de opgesomde aanduiding aan te klikken. Het vlak zal dan rood oplichten. Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied de bestemming ‘Wonen’ heeft verkregen en er twee bouwvlakken zijn toegekend. Het is uitsluitend toegestaan om per bouwvlak drie aaneengebouwde woningen te realiseren gezien de aanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden’ en ‘aaneengebouwd’. Daarnaast geldt voor beide bouwvlakken de maatvoering: ‘maximum goothoogte: 5 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 9,5 m’.

Vastgesteld

43

7.3

Toelichting op de planregels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: ▪ Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. ▪ Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. ▪ Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. ▪ Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is er tevens voor gekozen voor het opnemen van flexibiliteitsbepalingen.

Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze flexibliteitsbepalingen medewerking worden verleend voor een alternatieve invulling van het plangebied.

Vastgesteld

44

Gegenereerd op: 22-07-2021 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 22-07-2021 Rekentijd:

16:25:31

0:00:01

Naam van het bedrijf: Langstraat ong. tov langstraat 54

Berekende ruwheid: 0,25 m Meteo station: Eindhoven

Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

Langstraat 54

199 675

383 287

6,0

6,0

0,50

4,00

5 696

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

2

1

200 056

383 472

3,0

0,5

3

2

200 092

383 512

3,0

0,4

4

3

200 113

383 494

3,0

0,4

5

4

200 074

383 454

3,0

0,4

6

Middelpunt

200 084

383 485

3,0

0,4

Gegenereerd op: 22-07-2021 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 22-07-2021 Rekentijd:

16:28:08

0:00:01

Naam van het bedrijf: Langstraat ong. tov langstraat 67

Berekende ruwheid: 0,25 m Meteo station: Eindhoven

Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

Langstraat 67

199 737

383 153

6,0

6,0

0,50

4,00

10 538

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

2

1

200 056

383 472

3,0

0,9

3

2

200 092

383 512

3,0

0,7

4

3

200 113

383 494

3,0

0,7

5

4

200 074

383 454

3,0

0,8

6

Middelpunt

200 084

383 485

3,0

0,8

Gegenereerd op: 22-07-2021 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 200056.0 383472.0

3.000

5.124

2 200092.0 383512.0

3.000

4.675

3 200113.0 383494.0

3.000

4.713

4 200074.0 383454.0

3.000

4.974

5 200084.0 383485.0

3.000

4.879

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RzmoTxG8bGbk (28 juli 2021) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Bureau Leefomgeving

Langstraat ong., 5963NW Hegelsom

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Langstraat ong. Hegelsom

RzmoTxG8bGbk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11184981/1