04c Toelichting bp Bp Langstraat ong.Hegelsom
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan “Bouw 6 woningen Langstraat, Hegelsom” NL.IMRO.1507.HOLANGSTRAATONG-BPV1
Document:
Bestemmingsplan “Langstraat ong. Hegelsom”
IDN:
NL.IMRO.1507.HOLangstraatong-BPV1
Status:
Vastgesteld
Datum:
8 maart 2022
Aanvrager:
Gemeente Horst aan de Maas
Auteur:
Ing. R.M.M.R.G. Keiren
Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
2
3
4.
5.
6
INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5
1.4
Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1
Algemeen ......................................................................................................................................................6
2.2
Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6
2.3
Functionele structuur ...................................................................................................................................7
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7
BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1.
Inleiding .........................................................................................................................................................9
3.2.
Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9
3.3
Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 16
3.5
Conclusie.................................................................................................................................................... 19
PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 20 4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 20
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 20
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 22 5.1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 22
5.2
Milieuaspecten........................................................................................................................................... 22
5.3
Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 31
5.4
Kabels en leidingen................................................................................................................................... 33
5.5
Natuur ......................................................................................................................................................... 33
5.6
Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 36
5.7
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 38
5.8
Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 38
UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 40 6.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 40
6.2
Handhaving................................................................................................................................................ 40
Vastgesteld
1
7.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 42
6.4
Procedure................................................................................................................................................... 42
JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 43 7.1
Planstukken ............................................................................................................................................... 43
7.2
Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 43
7.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 44
BIJLAGEN Bijlage 1: V-Stacks geurberekeningen Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase Separate bijlagen ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (d.d. 28 juli 2021, kenmerk: 21283401N) ▪ Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 20 augustus 2021, kenmerk: 21283402A) ▪ Flora en faunainspectie, Faunaconsult (d.d. 25 augustus 2021) ▪ Aanvullend steenuilenonderzoek, mitigatie en compensatie, Faunaconsult (d.d. 17 januari 2022) ▪ Archeologische onderzoek, RAAP (d.d. 18 augustus 2021, kenmerk: HEGLA) ▪ Verslag omgevingsdialoog
Vastgesteld
2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Het voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van zes rijwoningen (twee blokken van drie woningen) in de kern van Hegelsom, aan de Langstraat. Deze woningen zijn beoogd op het perceel tussen de reeds bestaande woningen aan de Langstraat 22 en 32. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummer 2524 (ged.).
Afbeelding 1 Ligging en omgeving plangebied (rood plangebied)
De locatie waar de nieuwe woningen zijn beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Peelkernen” en is daarin bestemd als ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, paden en beplanting. Het oprichten van woningen is binnen deze groenbestemming niet toegestaan. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze locatie nieuwe woningen op te richten. In de gemeente Horst aan de Maas blijkt echter een grote behoefte aan woningen, zowel voor starters als voor senioren. Ondanks dat het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze locatie zes nieuwe woningen op te richten biedt het gemeentelijke beleid wel mogelijkheden tot het realiseren van dergelijke woningen. Daarnaast is er sprake van een groeiende vraag naar woningen, al dan niet voor starters, in Horst aan de Maas, waaronder dus ook in de kern Hegelsom. De gemeente Horst aan de Maas heeft onlangs de ambitie uit gesproken om 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. Met het oprichten van deze zes bouwkavels c.q. woningen kan een (kleine) bijdrage worden geleverd aan dit dringende woningtekort en wordt tevens aangesloten bij de ambitie van de gemeente Horst aan de Maas.
Onder voorwaarden heeft de gemeente dan ook in principe medewerking kunnen verlenen aan de bouwontwikkeling van de zes rijwoningen op de betreffende locatie.
Vastgesteld
3
Om de nieuwe woningen in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt een woonbestemming met twee bouwvlakken toegekend aan de locatie, waardoor de bouw van zes nieuwe rijwoningen (drie woningen per bouwvlak) ter plaatse mogelijk wordt.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen in de westelijke zijde van de Langstraat, gelegen in het westelijke deel van de kern Hegelsom. Aan de westelijke zijde van de Langstraat bevinden zich vrijstaande woningen, afgewisseld met kleinschalige bedrijvigheid en agrarische gronden. De oostelijke zijde van de Langstraat kenmerkt zich juist door planmatige opgezette woningbouw (tweekappers) uit de jaren ’60 van de vorige eeuw.
Afbeelding 2 Luchtfoto en begrenzing van het plangebied (rood plangebied)
In zuidwestelijke richting gaat de Langstraat verder het buitengebied in, alwaar verspreid diverse woningen aan de weg liggen, afgewisseld met enkele agrarische bedrijven. De onbebouwde gronden tussen de woningen en agrarische bedrijven hebben een agrarisch karakter in de vorm van wei- of akkerlanden. Het plangebied is gelegen tussen de woningen Langstraat 22 en 32. In noordoostelijke richting grenst het plangebied aan agrarische gronden (thans in gebruik als weiland). Aan de overzijde van de Langstraat bevinden zich de woningen Langstraat 37 t/m 45. Het plangebied is thans onbebouwd en in gebruik als weiland.
Vastgesteld
4
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Peelkernen” (vastgesteld d.d. 10 november 2009) en is hierin bestemd als ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, beplantingen, paden, speelvoorzieningen, hondentoiletten, water en waterhuishouding. Binnen de groenbestemming is het niet mogelijk om woningen op te richten. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze locatie de zes nieuwe woningen op te richten.
Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rood plangebied)
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van de woningen wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Vastgesteld
5
2
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen in de westelijke zijde van de kern Hegelsom, aan de Langstraat. Hegelsom maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Bijna 2.000 inwoners bevolken de kern. De kern Hegelsom ligt ten zuiden van Horst, in de oksel van de spoorlijn Venlo-Eindhoven en de provinciale weg N556. Het plangebied betreft een thans onbebouwd perceel gelegen aan de Langstraat. Aan deze zijde van de Langstraat bevinden zich vrijstaande woningen op ruime percelen (overwegend langgerekte bouwmassa’s begeleidt door de weg), afgewisseld met kleinschalige bedrijvigheid en agrarische gronden. De overzijde van de Langstraat heeft een andere karakteristiek. Hier is sprake van de aanwezigheid van dorpse bebouwing door planmatige opgezette woningbouw (tweekappers).
2.2
Ruimtelijke structuur
De Langstraat betrof van oudsher een plattelandsweg van de kern Horst langs de kern van Hegelsom richting de spoorlijn. Verspreid aan de weg lagen diverse agrarische bedrijven. In de loop der jaren is het lint van de Langstraat (het deel tussen de Kruisstraat en de Kogelstraat) verdicht met woningen waarna dit deel van de weg bij de kern is gaan behoren. De weg loopt dan ook vanuit de kern naar het buitengebied.
Afbeelding 4 Luchtfoto en begrenzing van het plangebied (rood plangebied)
Aan de westelijke zijde van de Langstraat is sprake van vrijstaande bebouwing met daartussen open zones, zodat het de karakteristiek heeft van het buitengebied. Achter deze bebouwing ligt ook het daadwerkelijke
Vastgesteld
6
buitengebied. De oostelijke zijde van de Langstraat bestaat uit dorpse bebouwing in de vorm van tweekappers uit de jaren ’60 van de vorige eeuw. Ten zuidwesten van de plangebied kruist de Langstraat de Kruisstraat. Net zoals de Langstraat loopt de Kruisstraat vanuit het buitengebied de kern in. Voorbij dit kruispunt ligt het buitengebied van Hegelsom. Het kruispunt vormt als het ware de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. De Langstraat wordt begeleid door opgaande wegbeplantingen aan beide zijde van de weg. In ruimtelijke opzicht is de ligging van de Langstraat ten opzichte van de Mevrouwbosweg en Bosstraat kenmerkend. Beide wegen liggen op een eenzelfde afstand parallel aan de Langstraat met daartussen parallel lopende watergangen. Aan al deze wegen is sprake van een bebouwingslint.
2.3
Functionele structuur
In de bebouwde kom van Hegelsom en dus ook in de omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. De woningvoorraad in de omgeving bestaat grotendeels uit eengezinswoningen van het type twee-onder-eenkap of vrijstaand. In noordoostelijke richting van het plangebied bevinden zich tussen de woningen in nog enkele bedrijven en een kantoorpand.
Afbeelding 5 Langstraat richting woning Langstraat 32
Afbeelding 6 Langstraat richting woning Langstraat 22
Ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 19 meter, is het buitengebied van Hegelsom gelegen. Het buitengebied van Hegelsom kenmerkt zicht door verspreid liggende agrarische bebouwing. In zuidoostelijke richting, op een afstand van 160 meter bevinden zich de dorpse voorzieningen van Hegelsom. De voorzieningen bestaan uit een kerk, basisschool en café. Voor wat betreft winkelvoorzieningen is de kern voornamelijk aangewezen op Horst of Sevenum.
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
De jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap die zich bij voorkeur in de buurt van (open) water bevonden. Water was een belangrijk gegeven voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst ook een grotere biodiversiteit, wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Het plangebied ligt binnen een golvende dekzandvlakte. Direct ten oosten hiervan ligt een hooggelegen dekzandrug. Deze rug loopt af naar het beekdal van de Groote Molenbeek die verder ten oosten van het plangebied ligt. Jager-
Vastgesteld
7
verzamelaars zullen met name overgangsgebieden van hooggelegen zones (dekzandruggen) naar watervoorzienende locaties hebben uitgekozen als vestigingslocaties. Vanaf het neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode stapt men geleidelijk over naar landbouw en veeteelt en worden jagen en verzamelen steeds minder belangrijk. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Voor de watervoorziening worden waterputten gegraven. Ook worden afvalkuilen gegraven in en nabij de nederzetting. Vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. De relatief hooggelegen dekzandvlakte waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, zal een aantrekkelijke locatie zijn geweest, al zal men eerder de hoger gelegen dekzandgronden ten oosten van het plangebied hebben uitgekozen als bewoningslocatie. In de omgeving en op de dekzandrug zijn in het verleden enkele grafheuvels uit de vroege ijzertijd aangetroffen. Ook werd aardewerk uit de bronstijd-ijzertijd en uit de Romeinse tijd gevonden. Het bewoningspatroon verandert geleidelijk vanaf de late middeleeuwen. In deze periode is een hoge ligging in het landschap niet meer bepalend voor het bewoningspatroon.
Vanaf de (late) middeleeuwen concentreert de bewoning zich in dorpen en steden en kleinere bewoningsclusters. De dorpskern van Hegelsom ligt een stuk verder naar het oosten. Het plangebied lag in een gebied dat lang heide was en pas aan het einde van de 19e eeuw werd ontgonnen. Op historische kaarten is in het plangebied nooit bebouwing aanwezig geweest.
Afbeelding 8 Anno 1925
Vastgesteld
Afbeelding 7 Anno 2000
8
3
BELEID
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2. Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;
Vastgesteld
9
▪ ▪
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de ontwikkeling van de woningen op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.
De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3).
Vastgesteld
10
Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van zes woningen in de bebouwde kom van Hegelsom evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: de ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg’. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 20302050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd medio 2021. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.
De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze
Vastgesteld
11
klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.
Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.
Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het oprichten van zes rijwoningen in de bebouwde kom van Hegelsom. Deze woningen worden in CPO opgericht waardoor het betaalbaarder is voor alle doelgroepen. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 3.3.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden.
Vastgesteld
12
In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2.
Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones
Bebouwd gebied
Landelijk gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Vastgesteld
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
13
Afbeelding 9 Zonering POL2014
Het plangebied is gelegen in de zone ‘Overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Transformatie regionale woningvoorraad; ▪ Bereikbaarheid; ▪ Balans voorzieningen en detailhandel; ▪ Stedelijk groen en water; ▪ Kwaliteit leefomgeving. Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en NoordLimburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.
De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regio specifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 3.3.4. De ontwikkeling van zes nieuwe woningen past binnen de provinciale richtlijnen die zijn gesteld voor het overig bebouwd gebied. Het initiatief past binnen de beleidsregels zoals geschetst in het POL2014.
Vastgesteld
14
3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100; Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland.
Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Hegelsom. Voor het bebouwd gebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 1% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. 3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’.
Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.
Vastgesteld
15
Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.
▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. De woningen zijn beoogd aan een woonstraat in de kern van Hegelsom. De woningen zijn beoogd op een thans onbebouwd perceel omgeven door woningen. De woningen zijn gezien de grootte en ligging uitermate geschikt voor verschillende doelgroepen. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluiten de nieuwe woningen aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.
Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het
Vastgesteld
16
kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkeling- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (GKM) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'.
De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging.
De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6B ‘Woondorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een positieve grondhouding (ja). Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert. Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie.
Vanwege de ligging binnen gebied met een positieve grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd
Vastgesteld
17
met een factor 1. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied. Deze kwaliteitsbijdrage wordt meegenomen in de exploitatie van het plan. Na evaluatie van de structuurvisie is de module ‘Projectmatige woningbouw’ gewijzigd in de module ‘woningbouw in exploitatiegebieden’ Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de raad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de maas de ambities voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente.
De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang.
Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma. Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt.
Vastgesteld
18
▪
Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp.
De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Met onderhavig initiatief wordt de ontwikkeling van zes nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In het Masterplan Wonen is opgenomen dat gebouwd dient te worden naar behoefte. Dat er behoefte is aan deze woningen blijkt uit het gegeven dat de zes woningen al reeds vergeven zijn. De toekomstige bewoners vormen samen een CPO en zullen de woningen dus als een gezamenlijke projectontwikkelaar realiseren. Daarnaast laat het heersende woningkort in de gemeente Horst aan de Maas en dus ook de kern Hegelsom eveneens zien dat de behoefte aan betaalbare woningen zeer groot is. De behoefte aan sociale huurwoningen wordt reeds op twee andere ontwikkellocaties in Hegelsom vervult. Het initiatief tot het oprichten van zes woningen past derhalve binnen het Masterplan Wonen van de gemeente Horst aan de Maas.
3.5
Conclusie
Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de nieuwe woningen. Het oprichten van zes rijwoningen is geen stedelijke ontwikkeling op basis van ladder voor duurzame verstedelijking. De woningen worden opgericht in de bebouwde kom van Hegelsom en sluiten aan bij de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de omgeving. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan de concrete behoefte van betaalbare woningen. Daarbij wordt er gebouwd naar ‘reële’ behoefte aangezien alle bouwkavels reeds vergeven zijn. Op basis van de structuurvisie is sprake van de juiste woning op de juiste plek, daarom is een kwaliteitsverbetering c.q. bijdrage niet benodigd.
Vastgesteld
19
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken zes nieuwe woningen, twee blokken van drie aangesloten woningen op te richten op de locatie Langstraat ong., op het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummer 2524 (ged.). De beoogde woningen zullen opgericht worden in Collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). Dit houdt in dat particulieren samen met de toekomstige buren hun eigen woningen ontwikkelingen en hierbij zelf projectontwikkelaar zijn. Hierdoor kunnen woningen vaak tegen beter betaalbare prijs en volledig naar eigen wens ontwikkeld worden. De zes toekomstige bewoners zullen samen als projectontwikkelaar de woningen realiseren.
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
Bouwtekeningen van de nieuwe woningen zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met woningen, zolang deze voldoen aan de bepalingen uit de planregels. Over architectonische uitstralingen van de nieuwe woningen is momenteel dan ook niets bekend, behoudens dat de nieuwe woningen aangesloten per drie woningen gerealiseerd worden. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woningen qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passend is in het heersende straatbeeld en de woningen ook kwalitatief passen in de omgeving.
Afbeelding 10 Beoogde ontwikkeling (rood plangebied, zwart voorgevel rooilijn)
Per bouwvlak mogen drie aaneengesloten woningen gebouwd worden. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt 5 respectievelijk 9,5 meter. Het is daarnaast mogelijk 150 m² aan bijgebouwen bij de woning op te richten met een maximale goot en nokhoogte van 3,5 respectievelijk 6 meter (mits niet meer dan 50% van het bouwperceel is bebouwd). Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden. Daarnaast komt deze maatvoering overeen met bestaande woningen in de directe omgeving.
Vastgesteld
20
Afbeelding 11 Impressie straatbeeld
De nieuwe woningen betreffen twee blokken van drie aaneengesloten woningen als opvulling van het stedenbouwkundige gat tussen de woningen Langstraat 22 en 32. De voorzijde van de woningen is gericht op de Langstraat. Aan de voorzijde van de woningen zullen parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van de woningen. De afstand tot de weg bedraagt minimaal de afstand zoals aanwezig bij de woning Langstraat 32. Op deze manier is een goede aansluiting gezocht met de kenmerken van het bebouwingslint. Resterende gronden binnen het plangebied worden ingericht als tuin behorende bij de woningen en openbare ruimte.
Afbeelding 12 Impressie
Vastgesteld
21
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1
Inleiding
Voordat de woningen binnen het plangebied kunnen worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In dit kader is voor het plangebied daarom een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat in de bovengrond een lichte verontreiniging van de bodem met cadmium aanwezig is. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënisch bodemkwaliteit vormt geen directe belemmering of beperking voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van woningen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.
Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350
1 Verkennend bodemonderzoek, HMB Group (d.d. 20 augustus 2021, kenmerk: 21283402A)
Vastgesteld
22
3 of 4 1 of 2
400 250
350 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is op voorhand een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd. Uit onderzoek blijkt dat voor alle omliggende zoneplichtige wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Tevens doen de nieuwe beoogde woningen geen inbreuk op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Geconcludeerd wordt dat een goed woon- en leefklimaat in het kader van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd is.