04c Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
31
Afbeelding 15. Resultaat berekening m.b.v. de NIBM-tool 2021.
Luchtkwaliteit ter plaatse Momenteel mogen binnen de inrichting 192 melkkoeien, 114 stuks jongvee, 1 fokstier en 4 paarden worden gehouden. Voor melkvee geldt een fijnstofemissie van 118 g PM1 0/per dier/jaar. Voor jongvee bedraagt dit 38 g PM1 0/per dier/jaar en voor de fokstier 170 g PM1 0/per dier/jaar. Voor paarden is geen fijnstofemissie vastgesteld. Op basis van deze fijnstofemissie bedraagt de jaarlijkse emissie aan PM1 0 omgerekend 27,2 kg per jaar. In de nieuwe situatie is sprake van 120 stuks jongvee met een jaarlijkse emissie van 4,l kg PM1 0 per jaar. Er is derhalve sprake van een forse afname van de fijnstofemissie door vee, zelfs al zouden de paarden wel een vastgestelde emissie voor fijnstof hebben. De luchtkwaliteit als gevolg van de aanwezigheid van vee verslechtert in de nieuwe situatie in ieder geval niet, het wordt er zelfs beter van. Achtergrondwaarden Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen dient deze in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse beoordeeld te worden Van belang hierbij zijn de wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen rondom het plangebied. Rondom het plangebied bevindt zich echter weinig verkeer. De aanwezige bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht.
Op de grootschalige concentratiekaart Nederland wordt de huidige achtergrondconcentraties per km-vak weergegeven. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 8,4 µg/m3 en de concentratie PM10 ter plaatse 14,6 µg/m3 . De concentratie NO2 bedraagt 10,4 µg/m3. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m3 en voor PM1 0 op 40 µg/m3 . Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m3 . Volgens deze waardes mag gesteld worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is voor een goed woon- en leefklimaat Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
32
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
5.2.4 Geur Met de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) wordt aan geurgevoelige objecten bescherming toegekend voor wat betreft de geurbelasting vanuit veehouderijen. Geurhinder dient namelijk zoveel mogelijk beperkt te worden, omdat dit hinder kan veroorzaken voor de leefomgeving. Om geurhinder te voorkomen / binnen aanvaardbare normen te houden, zijn regels gesteld aan de uitstoot van geuremissies van veehouderijen en dienen ook bepaalde afstanden aangehouden te worden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten. De 'Gebiedsvisie Wet Geurhinder en Veehouderij' van de gemeente Horst aan de Maas behorende bij de geurverordening 2020 van de gemeente Horst aan de Maas, heeft betrekking op de het gehele gemeentelijke grondgebied. Daarmee is een actueel inzicht verkregen in de geurbelasting uit stallen van veehouderijen in en nabij de gemeente Horst aan de Maas. Onderdeel van de gebiedsvisie zijn een aantal kaarten die inzicht geven in het aantal en soort agrarische bedrijven binnen, en net buiten, de gemeente en de geurcontouren die bij deze bedrijven behoren. Daarmee kan een snelle eerste beoordeling van de geurbelasting ter plaatse van het plangebied plaatsvinden. In afbeelding 16 is een uitsnede van de kaart 'Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder' weergegeven.
Het plangebied is daarbij gelegen binnen een leefklimaat dat overwegend beoordeeld wordt als 'zeer goed'. Afbeelding 17 geeft een uitsnede van de kaart 'Indicatie geurcontouren 3 ou en 14 ou' of de vaste afstandscontouren. Hieruit blijkt dat het plangebied buiten de 3 ou en 14 ou contouren en de vaste afstandscontouren van omliggende bedrijven is gelegen. Vanwege de ligging in het buitengebied is binnen het plangebied een belasting tot maximaal 14 ou aanvaardbaar. Op basis van deze indicaieve kaarten vormen omliggende veehouderijbedrijven vormen qua geurbelasting dus geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
Afbeelding 16. Uitsnede kaart indicatieve achtergrondbelasting.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
33
Afbeelding 17. Uitsnede kaart indicatieve geurhindercontouren of vaste afstandcontour. Omdat bovenstaand sprake is van indicatieve kaarten die mogelijk geen correct beeld geven van de actuele situatie, is vervolgens ook een cumulatieve geurberekening uitgevoerd op basis van een recent bronnenbestand. De resulaten van deze berekening zijn in onderstaande afbeelding 18 weergegeven. Zie ook Bijlage 3. Het leefklimaat ter plaatse van het plangebied is ook nu nog steeds te beoordelen als 'zeer goed'.
34
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Afbeelding 18. Weergave resultaat cumulatieve geurberekening op basis van actueel bronnenbestand, Voor wat betreft de geurbelasting vanuit het eigen bedrijf, geldt dat deze geen beperking vormt voor onderhavig planvoornemen. De bedrijfswoning Hiepterweg 2, de recreatiewoningen en kampeerplekken worden als niet geurgevoelig aangemerkt en bovendien maakt het houden van jongvee en paarden een onlosmakelijk deel uit van het. geheel. Paarden zijn vaste afstandsdieren en binnen een afstand van 50 meter (afstand dierverblijf tot geurgevoelig object) zijn geen geurgevoelige objecten van derden gelegen, waardoor het houden van meer paarden ook geen belemmering vormt voor onderhavige planontwikkeling. Het aspect geur vanuit veehouderijen vormt dan ook geen beperking op onderhavig planvoornemen. Geurhinder afkomstig uit bedrijven, niet zijnde veehouderijen, wordt behandeld in de volgende paragraaf. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de richtafstanden uit de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als maatgevend beschouwd. Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden.
Enerzijds wordt er gekeken of het project zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het project kwetsbaar is voor hinder. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die een invloed hebben op onderhavig planvoornemen. Onderhavig planvoornemen zorgt daarnaast ook niet voor nieuwe beperkingen van bedrijven in de omgeving. De afstand van de betreffende bedrijven tot het plangebied is namelijk dermate groot (>200 meter) dat het plangebied gelegen is buiten de richtafstanden van de voorkomende bedrijven. Daarbij worden die bedrijven in hun ontwikkelingen beperkt door de meer nabij gelegen woningen in hun omgeving. De woningen in de omgeving van het plangebied liggen bovendien ook buiten de betreffende richtafstanden die van toepassing zijn op onderhavig bedrijf binnen het plangebied (100 meter voor rundvee en 50 meter voor
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
35
kampeerterrein en recreatiewoningen). In onderhavig planvoornemen is overigens sprake van een afname aan milieuactiviteiten/milieuhinder aangezien de melkveetak wordt beëindigd. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 5.2.6 Gezondheid Bij onderhavige planontwikkeling is geen sprake van een intensieve veehouderij of uitbreiding van een veehouderij. In de nabije omgeving zijn ook geen intensieve veehouderijen en geitenhouderijen gelegen welke een invloed zouden kunnen hebben op de ontwikkelingen binnen het plangebied. Van het houden van jongvee en paarden zijn geen effecten bekend welke van invloed zijn op de gezondheid van de mens. Effecten en/of besmettingsgevaar op de volksgezondheid zijn in onderhavige situatie dan ook niet te verwachten. De Wet publieke gezondheid is op 1 december 2008 in werking getreden. Hierin is onder meer vastgelegd dat het bevoegd gezag de taak heeft om gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen te bewaken. Zij zullen zich daarbij moeten baseren op beschikbare onderzoeken. Op vrijdag 6 maart 2015 heeft de Commissie m.e.r. de Handreiking gezondheid en m.e.r. gelanceerd. De Handreiking laat stap voor stap zien hoe je gezondheid meeneemt bij plannen voor bijvoorbeeld snelwegen, woonwijken of intensieve veehouderijen.
Bij het beschrijven van de invloed van onderhavige bedrijfsvoering op de gezondheid van omwonenden worden volgens de Handreiking van de MER-commissie de volgende aspecten beschouwd: geur; fijn stof; geluid; verkeersveiligheid. Uit de conclusies van de toetsing van deze aspecten in onderhavige toelichting kan gesteld worden dat de betreffende aspecten geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Ook de verkeersveiligheid op de toch al rustige buitenwegen zal verder verbeteren aangezien er minder zwaar vrachtverkeer van en naar de locatie zal plaatsvinden. 5.2.7 Externe veiligheid In onderhavig geval is er sprake van het realiseren van zogenaamd beperkt kwetsbare objecten. Er worden 5 recreatiewoningen (waarvan 1 in 1e instantie dienst zal doen als mantelzorgwoning) en 6 kampeerplekken gerealiseerd. Het beleid inzake externe veiligheid is van toepassing. Derhalve is er een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. In onderstaande afbelding (19) is een uitsnede van de Risicokaart Limburg inzake externe veiligheid verwerkt.
36
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Afbeelding 19. Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied. Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico's: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.
Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Plaatsgebonden risico
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
37
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde/richtwaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1miljoen is op overlijden.
Situatie plangebied Binnen het plangebied worden geen activiteiten verricht die een groepsrisico met zich meebrengen. Ook is er geen sprake van een plaatsgebonden risico. De locatie van initiatiefnemer betreft immers geen BEVI inrichting. Het plangebied ligt ook niet in de invloedsfeer van BEVI inrichtingen. Gezien de grote afstand van het plangebied tot de meest nabij gelegen (BEVI)- inrichting (meer dan 900 meter) kan ten aanzien van het groepsen plaatsgebonden risico worden gesteld dat, gezien de aard van het in het planvoornemen, er geen sprake is van een te verantwoorden groepsrisico en/of plaatsgebonden risico. Transportroutes gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Knelpunt hierbij is dat er geen plafond bestaat voor de omvang en samenstelling van dit vervoer. Theoretisch kan het vervoer ongelimiteerd toenemen, met dan eveneens ongelimiteerde gevolgen voor de ruimtelijke ordening. De overheid heeft daarom het Basisnet vastgesteld dat per 1 april 2015 in werking is getreden, met routes die worden aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het beleid achter het landelijke Basisnet is dat een plafond vastgesteld wordt voor dit vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld.
Dit is verwoord in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dat eveneens op 1 april 2015 in werking is getreden. In het Basisnet is aangegeven dat ontwikkelingen op meer dan 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, slecht beperkte invloed uitoefenen op het groepsrisico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Binnen het plangebied is geen transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg gelegen. Op meer dan 6 kilometer van het plangebied ligt de A73. Deze weg is aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Als PR-plafond weg wordt 0 meter vermeld. Ook overige wegen liggen op een afstand van meer dan 1 kilometer. Vorenstaande betekent dat ten aanzien van transportroutes met gevaarlijke stoffen geen rekening hoeft te worden gehouden bij de toetsing en beoordeling van het groepsrisico. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Binnen het plangebied zijn geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor aanwezig. De spoorlijn Venlo - Nijmegen, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, ligt op meer dan 3 km afstand van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee buiten de risicocontouren van deze spoorlijn. Transport gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied is gelegen op meer dan 1 km van de Maas en ligt daarmee buiten de risicocontouren van de Maas.
Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. Binnen 1 km afstand van het plangebied zijn eveneens geen buisleidingen gelegen. Het plangebied ligt buiten de risicocontouren van de op grotere afstand gelegen buisleidingen.
38
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Overige aandachtsgebiedenin het kader van externe veiligheid Kleine kans op overstromingen Volgens de risicokaart is er in het zuidelijk deel van het plangebied een kleine kans op overstromingen., zie onderstaande afbeelding. In dit gedeelte bevinden zich geen verblijfsruimten waarin mensen verbliven en ook geen inrichting waarin dieren verblijven. Het mogelijk onderlopen van paddocks en de paardenbak levert geen gevaar op voor mens en dier.
Afbeelding 20. Uitsnede risicokaart- natuurrampen - overstromingen - kleine kans - met aanduiding plangebied. Natuurbrandvlak Het gaat hier over bos-, heide, of duingebied waar een natuurbrand kan ontstaan. In Nederland komen bos- en heidebranden vaker voor dan duinbranden. De meeste natuurbranden ontstaan door menselijke onvoorzichtigheid en soms door natuurinvloed zoals blikseminslag. Voor registratie io de Risicokaart wordt gekeken naar brandbaar natuurgebied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha (1 km2 ): 1. 2.
Gemengd bos en naaldbosgebied met een aaneengesloten omvang van 100 ha; Heide- , (hoog)veen, gras- of riet- en duingebied met een aangesloten omvang van minstens 100 ha. Dit geldt wanneer een brand in dit gebied een directe bedreiging vormt voor een substantieel bosareaal of bebouwing: vakantieparken of dorpen.
Het plangebied grenst aan de noordzijde, aan de overkant van de Hiepterweg, nagenoeg aan het natuurbrandvlak, type DBS, met een oppervlakte van 1073,7 ha. Het betref de Tienrayse- en Swolgerheide en bestaat uit dichtbegroeid naaldbos. Naaldbos is heel brandbaar. Bij een (mogelijk) natuurbrand is het zaak dit zo snel mogelijk te melden bij de brandweer en dat de gasten tijdig gewaarschuwd worden. Voor zover als mogelijk dienen ook de nodige maatregelen te worden genomen. De aanwezige ventilatievoorzieningen en
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
39
eventuele openstaande deuren en ramen moeten gesloten worden om te voorkomen dat rookgassen binnen dringen en worden ingeademd. Bij ernstige rookoverlast en/of kans op brandoverslag naar de gebouwen dienen de aanwezige personen en dieren geëvacueerd te worden. De locatie biedt hiertoe voldoende vluchtroutes. Een en ander zal in goed overleg met de brandweer gecoördineerd moeten worden. Met betrekking tot het planvoornemen worden sowieso rookmelders en brandveiligheidsvoorziengen aangebracht. Een en ander wordt in de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen opgenomen. De aanwezigheid van een natuurbrandvlak in de nabijheid van het plangebied vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Aardbevingsvlak Op de risicokaart worden gebieden waar mogelijk risico op een aardbeving aanwezig is aangegeven als aardbevingsvlakken. De mogelijke effecten van een aardbeving worden op de risicokaart aangegeven volgens de schaal van Mercalli. Deze schaal loopt van I (niet gevoeld) tot XII (catastrofale schade). Bij de sterkte van aardbevingen denkt men meestal aan de schaal van Richter. Die meet echter alleen de ondergrondse kracht van de beving bij de bron, die diep en ver weg kan liggen. De schaal van Mercalli meet de beving op een specifieke plaats. In Nederland kan een eventuele aardbeving naar verwachting uitkomen op V – VIII op de schaal van Mercalli: V.
vrij sterk: algemeen gevoeld, opgehangen voorwerpen slingeren, klokken blijven stilstaan; VI. sterk: schrikreacties, voorwerpen in huis vallen om, bomen bewegen, weinig solide huizen worden beschadigd; VII. zeer sterk: schade aan vele gebouwen, schoorstenen breken af, golven in vijvers, kerkklokken geven geluid; VIII. vernielend: algemene schade aan gebouwen, zwakke bouwwerken gedeeltelijk vernield. Het plangebied is gelegen in Mercalli-zone VI. De systematiek voor de beoordeling van de externe veiligheidsrisico's kent geen regeling die rekenschap met externe gebeurtenissen zoals aardbevingen en dergelijke voorschrijft. De ligging van het plangebied in de Mercalli-zone levert derhalve geen belemmeringen op voor het planvoornemen. Conclusie externe veiligheid Op basis van bovenstaande overwegingen kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 5.2.8 M.e.r.-beoordeling Het Besluit M.e.r. is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 10) zijn o.a. de oprichting, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen alsook permanente kampeer- en caravanterreinen opgenomen. De drempelwaarden liggen bij 250.000 bezoekers per jaar, een oppervlakte van
40
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Voor wat betreft de opfok van het jongvee is in feite geen sprake van oprichten en/of uitbreiding. De totale rundveestapel krimpt fors en de opfok van de 120 stuks jongvee kan binnen de bestaande stalruimtes en aanwezige plaatsen plaatsvinden. Wat betreft de pensionpaarden is in bijlage D van het Besluit m.e.r. (D14) de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. De drempelwaarden liggen bij 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4). Onderhavig planvoornemen overschrijdt geen van deze drempelwaarden en is daarmee niet rechtstreeks m.e.r-beoordelingsplichtig. Om te bepalen of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden kan men een aanmeldnotitie opstellen om vooraf een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen en procedureel doorlopen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de aanmeldnotitie dient ten minste ingegaan te worden op de volgende selectiecriteria: 1. 2. 3.
De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van de potentiële gevolgen.
Ad 1. Kenmerken van project. In de planlocatie wordt de melkveehouderij beëindigd en binnen de bestaande ligboxenstal worden 5 recreatiewoningen (waarvan 1 in eerste instantie dienst zal doen als mantelzorgwoning), een pensionstal, een sanitaire ruimte en bijbehorende voorziening gerealiseerd. Binnen de bestaande locatie komen verder 6 kampeerplekken, parkeervoorzieningen, een paardenbak, 3 paddocks en een weide met fruitbomen. Enkele gebouwen, een mestsilo en de kuilvoerplaten met sleufsilo worden gesloopt en de opfok van jongvee vindt plaat binnen de aanwezige stalruimten. Daarnaast wordt de bestaande akkerbouwtak voortgezet. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Ad 2. Plaats van het project. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een dergelijk gebied. Ad 3. De kenmerken en de potentiële gevolgen. Met het beoogde planvoornemen wordt binnen een agrarisch bedrijf de melkveehouderij beëindigd en wordt hiervoor in de plaats een recreatiebestemming toegevoegd.
De agrarische activiteiten richten zich op de bestaande akkerbouwtak en de opfok van jongvee binnen de aanwezige stalruimte. De recreatieve bestemming richt zich op ruiters en paardenliefhebbers die in de omgeving willen deelnemen aan nationale of internationale wedstrijden of gewoon met hun paard(en) de omgeving willen verkennen. Daarnaast is er ruimte voor pensionpaarden voor paardenliefhebbers uit de omgeving. De te verwachten milieu- en overige effecten zijn in onderhavig hoofdstuk (hfdst 5) beschouwd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van nadelige milieugevolgen die een belemmering kunnen veroorzaken voor onderhavig planvoornemen. Conclusie Gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van de planlocatie (niet in de buurt van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de beschouwingen van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
41
procedure voor de wijziging van het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
5.3
Waterparagraaf
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 5.3.1 Beleidskader De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van het Nationaal waterplan om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.
Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het Waterschap Limburg. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen.
Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van de 'digitale watertoets' kunnen (ruimtelijke) plannen voor advies worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg. 5.3.2 Situatie plangebied Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Door de sloop van enkele gebouwen, de mestsilo en de kuilplaten met de sleufsilo neemt het verhard oppervlak in de nieuwe situatie af ten opzicht van het verhard oppervlak in de huidige situatie. Aan de afvoer van het hemelwater van de bestaande gebouwen en verharding welke gehandhaafd blijven, wijzgt niets. De oppervlakte van de aanbouw aan de ligboxenstal t.b.v. de recreatiewoningen en de verharding voor de parkeer- en stallingsplaatsen voor auto's en trailers is per saldo kleiner dan de oppervlakten die gesloopt worden. Een wateradvies van het waterschap is derhalve niet noodzakelijk. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet.
42
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Aanpak afvalwater en hemelwater in her projectgebied. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van dit afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater van binnen het plangebied aanwezige onverhard of semi-verhard terrein zal rechtstreeks in de bodem infiltreren. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater van bestaande daken en verharding welke gehandhaafd blijven wordt op dezelfde wijze afgevoerd zoals dat nu ook gebeurt. Hieraan wijzigt niets. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal op eigen bodem infiltreren. In de betreffende omgevingsvergunning t.b.v. de betreffende bouwkundige voorzieningen zal dit worden uitgewerkt. Capaciteit hemelwatervoorziening Het streven is om de nieuwbouw 100% af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 de dynamisch berging-/infiltratievoorzieningen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050.
Voor Noord en Midden-Limburg dient daarbij een bui-duur van 24 uur te worden gehanteerd, zijnde 100 mm (100 liter/m2 verhard oppervlak). In de betreffende omgevingsvergunning t.b.v. de betreffende bouwkundige voorzieningen zal dit worden uitgewerkt. Door afdoende capaciteit van de infiltratievoorziening te realiseren en door bij het bepalen van het hoogste waterniveau hiermee rekening te houden, behoeft voor wateroverlast op eigen en aangrenzende percelen niet te worden gevreesd. Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en verharding niet te lozen op de riolering wordt voldaan aan de norm dat bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. Conclusie waterhuishouding Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect waterhuishouding geen onoverkomelijke belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
5.4
Kabels en leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen met een planologische beschermingszone. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident.
5.5
Natuur
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
43
5.5.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde Staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het projectgebied aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is 'Maasduinen'. Dit betreft een Habitatrichtlijngebied dat ligt op ca.2,7 km. afstand ten zuidoosten van het projectgebied, maar ook een Vogel- en Habitatrichtlijngebied dat ligt op ca.
2,7 km ten noordoosten van het plangebied, zie afbeelding 21.
Afbeelding 21. Ligging plangebied t.o.v. de Maasduinen Binnen het plangebied wordt de melkveehouderij beëindigd en worden hiervoor in de plaats recreatieve voorzieningen toegevoegd. De agrarische activiteiten richten zich op de bestaande akkerbouwtak en de opfok van jongvee binnen de aanwezige stalruimte. De nieuwe recreatieve voorzieningen richten zich op ruiters en paardenliefhebbers die in de omgeving willen deelnemen aan nationale of internationale wedstrijden of gewoon met hun paard(en) de omgeving willen verkennen. Daarnaast is er ruimte voor pensionpaarden voor
44
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
paardenliefhebbers uit de omgeving. Omdat stikstofemissie, welke mogelijk veroorzaakt wordt door de beoogde planontwikkeling, een effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden, dient onderzocht te worden of er een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming nodig is. De sloop-, aanleg- en bouwactiviteiten zijn met ingang van de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), samen met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), d.d. 1 juli 2021, vrijgesteld van de Natura 2000-vergunningplicht en hoeven derhalve niet meer meegenomen in een onderzoek naar mogelijke gevolgen hiervan op Natura 2000-gebieden. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase of voor andere emissies dan stikstof. In onderhavig geval zal met name de stikstofemissie van het verkeer van invloed zijn. Wijziging voertuigbewegingen. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot een toename van het vrachtverkeer en voertuigbewegingen binnen de locatie.
Door het wegvallen van het melkvee vervallen namelijk geheel of gedeeltelijk de volgende tansporten ten behoeve van: het wekelijks ophalen van de melk door een vrachtwagen; afvoer van drijfmest (wordt aanzienlijk minder op jaarbasis); inkuilen van voer; leveren van krachtvoer; leveren specifieke bedrijfsbenodigdheden/materialen voor melkvee zoals melkapparatuur, reinigingsmiddelen, melkbenodigdheden e.d. Door het wegvallen van het melkvee vervalt ook het dagelijks voeren van het melkvee met behulp van landbouwvoertuigen. T.a.v. de akkerbouwtak zal er niets wijzigen met betrekking tot het gebruik en inzet van landbouwvoertuigen. De opfok van het jongvee, de pensionstalling, de recreatiewoningen en de mantelzorgwoning zullen naar verwachting wel leiden tot een toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. In totaal worden voor de huidige en nieuwe situatie worse case de volgende voertuigbewegingen aangehouden: Huidige situatie: eigen vervoer met personenauto: 8 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag; bezoek dierenarts, adviseur, bezoeker bedrijf: 4 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag; transport met eigen tractoren: 4 voertuigbewegingen (zwaar verkeer) per dag; transport voor vee en/of voer/ melkophaaldiens: 4 voertuigbewegingen per dag door een vrachtwagen (zwaar verkeer).
In totaal komen bovenstaande voertuigbewegingen uit op 20 voertuigbewegingen per dag, waarvan ca. 40 % zwaar verkeer. Nieuwe situatie: eigen vervoer met personenauto: 8 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag; transport met eigen tractoren: 4 voertuigbewegingen (zwaar verkeer) per dag; transport voor vee en/of voer: 2 voertuigbewegingen per dag door een vrachtwagen (zwaar verkeer). transport t.b.v. leveren goederen: 2 voertuigbewegingen per dag door een vrachtwagen (zwaar verkeer); klanten pensionstalling: (14 x 4 =) 56 voertuigbewegingen met personenauto (licht verkeer) met of zonder trailer; kampeerplekken: (6 x gem. 3 =) 18 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag; klanten recreatiewoningen: (5 x 3) = 15 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag; personeel: 4 voertuigbewegingen (licht verkeer) per dag. In totaal komen bovenstaande voertuigbewegingen uit op 109 voertuigbewegingen per dag, waarvan ca. 7%
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
45
vrachtverkeer. De voertuigbewegingen voor eigen woning, pensionstalling, kampeerplekken en recreatiewoningen zijn bepaald aan de hand van de CROW kencijfers - verkeersgeneratie 'Buitengebied' - 'Niet stedelijk'. De overige voertuigbewegingen zijn conform opgave initiatiefnemer. Wijziging stalemissies. Het bedrijf beschikt over een vergunning Wet natuurbescherming van 13 december 2012, kenmerk: 2012/60199. Hierin zijn de volgende dieraantallen vergund:
De ammoniakemissie van deze dieren bedraagt met de huidige omrekennormen uit de Rav:
In de nieuwe situatie zullen er 120 stuks jongvee en 20 paarden worden gehuisvest. De totale ammoniakemissie van deze dieren bedraagt dan nog maar:
Door de beoogde planontwikkeling is er een afname van 2933,8 - 628 = 2.305,8 kg NH3/jaar. De ammoniakrechten die in de nieuwe situatie niet meer nodig zijn zullen aangeboden worden aan derden die deze nodig hebben voor hun projectontwikkeling. Een en ander zal volgens de daartoe geeigende procedures
46
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
en voorwaarden uitgevoerd worden. Wijzigingen als gevolg van emissie recreatiewoningen en sanitaire ruimte. De recreatiewoningen en de sanitaire ruimte worden gasloos uitgevoerd, waardoor er dus ook geen NOx-emissie vrijkomt als gevolg van het gebruik van deze ruimtes. Invloed verkeer en stalemissies op Natura 2000-gebieden als gevolg van voornoemde wijzigingen. Om de invloed van de stikstofemissie van het verkeer en de huisvesting van dieren in de gebruiksfase op de Natura 2000-gebieden te bepalen, is door Aelmans ROM B.V. met bovenstaande gegevens een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek inclusief bijlagen is opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. Uit de resultaten van het onderzoek naar de invloed van NOx- en NH3-emissie van de gebruiksfase op Natura 2000-gebieden blijkt dat het planvoornemen geen negatieve effecten veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden. De gebruiksfase leidt niet tot een depositietoename . Het aspect stikstof levert derhalve geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen. Een vergunning Wet natuurbescherming t.b.v. gebruiksfase is niet nodig. 5.5.2 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is eveneens vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming. In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing zal worden verleend. Standaard geldt voor het plangebied de algemene zorgplicht zoals die in Wet natuurbescherming centraal staat (artikel 1.11 Wnb). Dit houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met de ontwikkeling en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. De gronden en gebouwen binnen het plangebied zijn intensief in gebruik. Omdat de aanwezigheid van beschermde soorten niet uitgesloten kan worden, is door NIPA milieutechniek b.v. uit Oss een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting.
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat niet uitgesloten kan worden dat de voorgenomen herontwikkeling een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming.en natuurgebieden. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in de te slopen voormalige varkensstal dient voor aanvang van de sloopwerkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van kraam-, zomer- en/of paarverbljjfplaatsen. Ook is niet uit te sluiten dat de huismus nesten in de voormalige varkensstal en melkveestal heeft. Hier zijn meerdere huismussen waargenomen en ook mogelijke nestlocaties. Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen als de sloopwerkzaamheden beginnen of indien het toch noodzakelijk blijkt om de bestaande hagen en bomen te snoeien/kappen. Dit laatste is echter niet aan de orde. Verder wordt geconcludeerd dat gezien de afstand en de aard van de ingreep als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve effecten worden verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (LNN/Natura
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
47
2000). Door tijdens de ontwerpfase te denken aan 'natuur inclusief' bouwen kan het planvoornemen meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwede nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanplanten van diverse inheemse boomsoorten. Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt (zie Bijlage 1). Hierin zijn inheemse soorten opgenomen. Het inpassingsplan draagt positief bij aan de ecologische kwaliteiten binnen het plangebied. Verder zal ook worden voorzien in enkele nestkasten. 5.5.3 Overige verstoringseffecten Zoals hierboven als is vermeld heeft het planvoornemen gezien de grote afstanden en de aard van de ingreep, geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, geluid, etc.) voor de Natura2000-gebieden. 5.5.4 Wet ammoniak en veehouderij De Wet ammoniak en veehouderij (verder: Wav) biedt een beschermingskader voor de zeer kwetsbare gebieden tegen de verzurende en vermestende werking van ammoniak. De Wav stelt dat alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur, als zeer kwetsbaar kunnen worden aangemerkt.
In deze gebieden en in een beschermingszone van 250 meter daaromheen, geldt een verbod voor nieuwvestiging van veehouderijen en is uitbreiding van bestaande veehouderijen slechts onder beperkingen mogelijk. Deze maatregelen zijn aanvullend op het generieke emissiebeleid op het gebied van ammoniak. Dit is ook opgenomen in het Activiteitenbesluit, paragraaf 3.5.8, artikel 3.113. Ten noordwesten en binnen een afstand van 250 meter van de locatie Hiepterweg 1 ligt het Wav-gebied nr. 364. Uitbreiding van landbouwhuisdieren is niet toegestaan, met uitzondering van o.a.: - Uitzondering t.a.v. paarden. Zowel in de Wav (artikel 7 lid 1 onder c) als onder het Activiteitenbesluit (artikel 3.114 lid 1 onder c) wordt uitbreiding van de paarden wel toegestaan binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied. - Geringe uitbreiding landbouwhuidieren binnen de vergunde ammoniakemisse. Zoals in paragraaf 5.5.1 is te lezen neemt het aantal stuks rundvee behoorlijk af door het beëindigen van de melkveehouderij. Het aantal stuks jongvee neemt met 6 stuks toe tot 120 stuks. Er is echter sprake van een forse afname van de ammoniakemissie.
Conform artikel 7 lid 1 onder a van de Wav en artikel 3.114 lid 1 onder a, is deze uitbreiding van het jongvee toegestaan, omdat de ammoniakemissie na de uitbreiding lager is dan de vergunde ammoniakemissie voorafgaand aan de uitbreiding. Gelet op vorenstaande is de uitbreiding met paarden en jongvee in het kader van de Wav toegestaan. 5.5.5 Conclusie natuur Gelet op vorenstaande uiteenzetting kan gesteld worden dat het aspect natuur onderhavig planvoornemen niet in de weg staat.
48
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1 Archeologie Per 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet in Nederland. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologische waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zijn in dat geval verplicht hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien. 5.6.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 haar eigen archeologisch beleid vastgelegd. Volgens de daarin opgenomen archeologische maatregelenkaart is het locatie waarin het planvoornemen plaatsvindt gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (cat.
3) en met een specifieke archeologische verwachting (beek)dalen en oude Maasgeulen (cat. 6). Deze verwachtingswaarden zijn binnen het vigerende bestemmingsplan en binnen het plangebied opgenomen als dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 6'.
Afbeelding 22. Uitsnede archeologiekaart Horst aan de Maas. Binnen de categorie 3 zijn vrijstellingen opgenomen voor verstoringen tot 500m2 oppervlak en/of niet dieper
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
49
dan 50 cm onder maaiveld. Binnen categorie 6 zijn vrijstellingen opgenomen voor verstoring tot en met 2.500 m2 . en/of niet dieper dan 50 cm onder maaiveld. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in sloop- en bouwactiviteiten die de oppervlakte en/of de diepte aan bodemverstoring binnen de betreffende archeologische waarden overschrijden. Kortom, er kan op basis van bovenstaande worden geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering oplevert voor het planvoornemen. De aanwezige archeologische dubbelbestemmingen blijven gehandhaafd. 5.6.3 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. In een ruimtelijke onderbouwing behorende bij een omgevingsvergunning dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is ten aanzien van onderhavig plangebied geen specifieke vermelding opgenomen van monumenten.
Volgens de kaart is het plangebied gelegen in een mozaiklandschap wat weer gelegen is in een riviergeul. Aan het behoud van deze landschappen wordt veel waarde gehecht. Zoals in hoofdstuk 2 en 4 al is beschreven leidt het planvoornemen niet tot aantasting van het landschap, omdat de ontwikkelingen geheel plaats vinden binnen bestaande gebouwen en binnen de contouren van het huidige bedrijf. Gelet op vorenstaande geldt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 5.6.4 Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Worden er in de toekomst bij eventuele nieuwe werkzaamheden vondsten aangetroffen, dan dient dit, op basis van de wet, gemeld te worden bij bevoegd gezag.
5.7
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavige ontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 5.7.1 Verkeersstructuur In subparagraaf 5.2.3 en paragraaf 5.5 zijn de gevolgen van het verkeer als gevolg van het planvoornemen beschreven. De geringe voertuigbewegingen van en naar de locatie zullen niet tot problemen leiden. Het plangebied blijft via de bestaande ontsluitingen ontsloten via de Hiepterweg. Er bestaat geen noodzaak om nieuwe ontsluitingen aan te leggen. Het plangebied is zowel vanuit zuidelijke richting als oostelijke richting goed bereikbaar; vanuit het zuiden via de Horsterweg, de Roamweg en de Rabattweg en vanuit het oosten via de Genenberg. Ten behoeve van het planvoornemen behoeft de infrastructuur van deze wegen niet aangepast te worden. 5.7.2 Parkeren Parkeren, maar ook laden en lossen geschiedt volledig op eigen terrein. Daarvoor is meer dan voldoende ruimte aanwezig. Op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas gelden voor het gebed buiten de bebouwde kom de volgende eisen: (bedrijfs)woning: 2 plaatsen (privéterrein); recreatiewoning: 10,5 plaatsen, norm is 2,1 per woning;
50
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
manege/paardenhouderij: 6 tot 8 plaatsen, norm is 0,4 per box. Dat betekent een totaal van ca. 18 parkeerplaatsen. Hierin zal worden voorzien en er is ook reeds rekening mee gehouden met de uitwerking van het landschappelijk inpassingsplan. In de 'ligboxenstal' is tevens voorzien in een fietsenstalling waar ook de mogelijkheden aanwezig zijn om elektrische fietsen op te laden. 5.7.3 Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen
5.8
Duurzaamheid
Duurzaamheid speelt een belangrijke rol in onderhavige planontwikkeling. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing, maar bijvoorbeeld ook om: gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare woonruimtes, huizen, gebouwen, wijken en steden; duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); verantwoord watergebruik; voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. De recreatiewoningen worden voorzien van een warmtepomp en zonnepanelen t.b.v. verwarming, warmwatervoorziening en elektriciteit. Ook voor de overige elektriciteitsvoorziening zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van zonnepanelen. Verder zullen de recratiewoningen goed worden geïsoleerd en geventileerd, minimaal volgens de eisen uit het bouwbesluit (nieuwbouw). Tevens wil initiatiefnemen op termijn mogelijk ook investeren in opslagvoorzieningen voor elektriciteit, maar dan moet dit wel voldoende ontwikkeld en betaalbaar zijn. Het streven is om uiteindelijk energieneutraal te worden als de mogelijkheden hiervoor haalbaar en economisch verantwoord zijn.
Daarnaast worden de recreatieve voorzieningen alsook een van de recreatiewoningen toegankelijk gemaakt voor mindervaliden. T.a.v. de realisatie van de recreatiewoningen en bijbehorende voorzieningen zal zoveel mogelijk worden ingezet op het gebruik van duurzame materialen, goed voor het milieu en gezondheid van de gebruikers.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
51
52
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De kosten verbonden aan het bestemmingsplan zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. In een anterieure overeenkomst worden afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, vastgelegd. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.
6.2
Handhaving
6.2.1 Handhavingsbeleid Bij de totstandkoming van onderhavig bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Een aantal factoren is van belang voor een goed handhavingsbeleid. 6.2.2 Kenbaarheid wijzigingsplan Bekendmaking van de plannen voor het gebied aan de omliggende bewoners en waar mogelijk rekening houden met de ingebrachte opmerkingen. 6.2.3 Inzichtelijke en realistische regelgeving Een bestemmingsplan is een juridische regeling die inzichtelijk en realistisch dient te zijn. Het plan moet helder van opzet en niet onnodig beperkend of star zijn. Daarbij zullen de regeling en de bepaling welke hierin zijn opgenomen handhaafbaar moeten zijn. Dit betekent dat de regels duidelijk zijn en er niet meerdere interpretaties kunnen voortvloeien uit de omschrijvingen. Daarom zijn de regels ook inhoudelijk getoetst op de handhaafbaarheid ervan. Het bestemmingsplan 'Hiepterweg 1, Broekhuizen' is onder meer voorzien van een duidelijke verbeelding. 6.2.4 Actief handhavingbeleid Het handhavingsbeleid van de gemeente Horst aan de Maas is vastgelegd in een Handhavingsbeleidsplan Horst aan de Maas-Venray. In deze beleidsvisie en de bijbehorende stukken wordt de totale handhaving van wet en regelgeving welke binnen de gemeente wordt uitgevoerd gereguleerd. Ook de handhaving van bestemmingsplannen is daarin meegenomen.
6.3
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Tussen gemeente en verschillende instanties moet overleg over het plan worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Daartoe dient een omgevingsdialoog gevoerd te worden. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.3.1 Vooroverleg Het plan is in het kader van het wettelijk vooroverleg doorgestuurd naar Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg en het Waterschap Limburg. Gedeputeerde Staten van Limburg heeft kenbaar gemaakt geen opmerkingen te hebben op het voorliggend bestemmingsplan. Van Waterschap Limburg is geen reactie ontvangen, waaruit geconcludeerd mag worden dat ook zij geen opmerkingen hebben op voorliggend bestemmingsplan.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
53
6.3.2 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft in het belang van het planvoornemen de directe omwonenden/belanghebbende hiervan op de hoogte gebracht. Hiertoe is het door de gemeente beschikbare formulier gebruikt. Alle benaderde omwonenden/belanghebbenden hebben kenbaar gemaakt akkoord te gaan met onderhavig planvoornemen. De benaderde omwonenden/belanghebbenden zijn de bewoners van: Roamweg 2 Broekhuizen. Haasendonkerweg 1 Broekhuizen. Genenberg 28 Broekhuizen. Genenberg 21a, 21. Genenberg 23. Hiepterweg 2. De ondertekende formulieren zijn als Bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. 6.3.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 19 september 2022 tot en met 30 september 2022 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.
6.4
Procedure
De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. 6.4.1 Algemeen De wettelijke procedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. 2. 3. 4. 5.
6. 7.
54
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten en belanghebbenden. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische toelichting
Planstukken
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmingsvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen
7.2
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft het nieuwe bouwvlak weer incl. de enkelbestemming en de van toepassing zijnde functieaanduidingen. De dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die gelden voor het plangebied in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas', zijn eveneens opgenomen in de verbeelding,
7.3
Toelichting op de regels
De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.
Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze 'flexibiliteitsbepalingen' medewerking worden verleend.
bestemmingsplanHiepterweg 1 Broekhuizen
55