CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Schiksedijk ongenummerd te America.20.197 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters)woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Alhoewel de behoefte aan de drie nieuwe woningen, welke vallen onder koopwoningen in het hogere prijssegment, niet direct blijkt uit het Masterplan Wonen, is er wel degelijk behoefte aan deze woningen. De toekomstige bewoners zijn voor twee van drie woningen reeds bekend, waardoor “bouwen voor de leegstand” niet aan de orde is. De verwachting is dat ook de laatste woning gretig aftrek zal vinden vanwege de oververhitte woningmarkt en de mogelijkheid om op deze prachtige locatie, net buiten America, in het rustige buitengebied, een woning naar eigen wens te bouwen. De drie woningen worden net buiten de bebouwde kom van America opgericht, in een bestaand bebouwingslint. De woningen zorgen ervoor dat een nieuwbouw kan plaatsvinden met toekomstwaarde en dragen in zin zeker bij aan de algemene woningbehoefte in America c.q. in de gemeente Horst aan de Maas.

Ontwerp

23

4. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer wenst drie nieuwe woningen op te richten aan de Schiksedijk in America. Een van deze woningen is voor initiatiefnemer zelf, een andere woning is voor zijn zoon. De derde woning zal verkocht worden aan een derde partij. De nieuwe woningen betreffen allen vrijstaande woningen, gelegen tussen de woning Schiksedijk 13b en 15. De woningen worden elk gerealiseerd op een bouwkavel van 750 m2 (25 meter breed en 30 meter diep). Tussen de nieuwe woningen en de woning Schiksedijk 13b blijft een onbebouwde zone gehandhaafd zodat hier een verbinding kan worden gecreëerd naar achteren toe, naar de achtergelegen cultuurgrond in eigendom van initiatiefnemer.

Afbeelding 11. Indicatieve situering van de nieuwe woning in bebouwingslint Schiksedijk

Bouwtekeningen voor de nieuwe woningen zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar worden drie bouwrechten aan de locatie toegekend. Deze bouwrechten kunnen elk worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Belangrijk uitgangspunt daarbij is het aan de overzijde van de weg gelegen glastuinbouwbedrijf. De nieuwe woningen dienen minimaal 30 meter uit de grens van dit bouwvlak te worden gesitueerd. Daardoor worden de nieuwe woningen niet exact in de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woningen gerealiseerd, maar iets daarachter.

Ontwerp

24

Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woningen is momenteel nog niets bekend, behoudens dat de nieuwe woningen een landelijke uitstraling zullen krijgen, welke aansluit bij de uitstraling van de huidige woningen rondom het plangebied. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen worden in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag de bouwplannen getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woningen qua vorm, geleding als gevel(uitstraling) passend zijn in het heersende straatbeeld. Elke bouwkavel mag worden ingevuld met een woning met een maximale inhoud van 1.000 m³. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt 6 respectievelijk 10 meter. Het is daarnaast mogelijk 150 m² aan bijgebouwen bij de woningen op te richten met een maximale goot- en nokhoogte van 3,5 respectievelijk 6 meter. Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden. Daarnaast komt deze maatvoering overeen met bestaande woningen aan de Schiksedijk.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken drie nieuwe woningen met bijgebouwen op te richten op de Schiksedijk ong, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummer 489. Bij de opstelling van het bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van drie nieuwe vrijstaande woningen binnen het plangebied; ▪ De (voorgevels van de) nieuwe woningen dienen minimaal 30 meter van het aan de overzijde van de weg gelegen glastuinbouwbedrijf te worden gesitueerd; ▪ Elke bouwkavel heeft een oppervlakte van 750 m2; ▪ De goot- en bouwhoogte van de nieuwe woning dient aan te sluiten bij de goot- en bouwhoogte van woningen in de directe omgeving; ▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de realisatie van de woning pas is toegestaan wanneer de locatie op een passende wijze landschappelijk zal worden ingepast (en als zodanig in stand zal worden gehouden); ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” zoals dat thans voor het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas geldt; ▪ De geldende dubbelbestemmingen en

gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan dienen opnieuw te gelden. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het gehele plangebied bestemd is als ‘Wonen’. Het plangebied is opgedeeld in drie gelijke bouwkavels, elk voorzien van een eigen bestemmings- en bouwvlak. Elk bouwvlak is voorzien van de aanduidingen ‘vrijstaand’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ zodat ter plekke één nieuwe vrijstaande woning is toegestaan. De bouwvlakken liggen elk minimaal 30 meter verwijderd van het bouwvlak van de aan de overzijde van de weg gelegen glastuinbouwbedrijf. Een voorwaardelijke verplichting in de planregels legt de aanleg en instandhouding van de beoogde landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.3) vast. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 6’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’, alsook de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – kampen’ en ‘overige zone – velden’ zijn nog steeds van toepassing voor het plangebied.

Ontwerp

25

4.2

Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

De realisatie van drie nieuwe woningen binnen het plangebied sluit goed aan bij de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving. Een groot gat in de uitloper van woningen vanuit de bebouwde kom van America wordt opgevuld c.q. verdicht zodat de uitloper als bebouwingslint wordt versterkt, maar ook afgerond. Daarnaast worden met de realisatie van de drie woningen landschappelijke maatregelen genomen die de karakteristiek en waarde van het landschap versterken. Ten slotte zijn woningen in functioneel oogpunt hier evenwel zeer goed passend daar aan weerszijden reeds woningen zijn gelegen.

4.3

Landschappelijke inpassing

Om de nieuwe woningen op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. De visie is om het bebouwingslint van de Schiksedijk verder te vervolmaken en het aangrenzende cultuurlandschap te versterken als uitloper van het beekdal van de Kabroeksche Beek. Door de woningen een groen kader te ven met hagen en enkele bomen, past het mooi in de lijn van de bestaande erven en is het plangebied helder omkaderd. Dit vormt het tuingebeuren met het omliggende extensievere landschap er omheen. Met een toegangspaadje met karakteristieke poort wordt het achterliggende cultuurlandschap bereikt. Door dit in te richten als een kleinschalig weitje met op de randen enkele landschapselementen, bomen en een poel langs de watergang ontstaat er een aantrekkelijk geheel, passend binnen de sfeer van het beekdal. Door te werken met singels en bomen worden er doorzichten behouden naar omliggende gebied dat voor de toekomstige bewoners meerwaarde heeft, maar wat vroeger ook zo is geweest; een halfopen omkadering van de weilanden. De juiste situering van de groene elementen geven ook de buurpercelen een groene rand en leuke bosschages bij de poel, dat ecologisch erg waardevol is. Het vormt daarmee een mooie groene luwte, met het juiste beheer vormt het een oase voor vele flora en fauna.

1

Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing, Landschapsplan in het kader van inpassing en integratie van 3 woningen locatie Schiksedijk America, 28 maart 2022

Ontwerp

26

Afbeelding 12. Landschappelijke inpassing van het plangebied

De volgende beplantingen worden aangebracht (zoals gevisualiseerd op bovenstaande afbeelding): A. Aanplant beukenhagen rond de tuinzone B. Aanplant gemengde haag langs grens woonbestemming C. Aanplant solitaire bomen D. Aan te leggen infiltratiewadi per woning E. Aan te planten bosschages en bomen achter plangebied F. Aan te planten transparante bomenrij G. Aan te leggen natuurlijke poel H. Beheer graskruidenweitje I. Plaatsen landschapspoort Het landschappelijk inpassingsplan geeft weer wat aangeplant en verfraaid wordt om vanuit het bestaande er een mooi groen geheel van te maken. Dit vormt een mooi landschappelijk plaatje voor initiatiefnemer, voorbijgangers en omgeving en een versterking voor het beekdal. Maar ook ten behoeve van de biodiversiteit. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling en tevens als zodanig vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente.

Ontwerp

27

5. SECTORALE ASPECTEN 5.1

Inleiding

Voordat de woningen binnen het plangebied kunnen worden opgericht dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 M.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Ontwerp

28

De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project

van

het

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van 3 woningen in een bebouwingslint van bestaande woningen. Het geldende bestemmingsplan staat dit initiatief niet toe. Om het initiatief mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee

Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

Ontwerp

Toets Landbouwperceel N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten 29

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningen komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden ruimschoots niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd in de vorm van deze paragraaf. Uit deze paragraaf blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.2.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie.

Vanwege de bestemmingswijziging is derhalve een verkennend bodemonderzoek2 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met koper, cadmium en hexachloorbenzeen aangetoond. In het grondwater zijn een matige verontreiniging met nikkel en lichte verontreinigingen met barium, koper en zink aangetoond. 2

HMB Groep, verkennend bodemonderzoek Schiksedijk (ong.) America, 28 maart 2022, kenmerk: 22214001A

Ontwerp

30

De lichte verontreiniging met hexachloorbenzeen is mogelijk te relateren aan het voormalige gebruik van bestrijdingsmiddelen. Voor de lichte verontreiniging met koper en cadmium in de bovengrond en de verontreinigingen met barium, nikkel, koper en zink in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Mogelijk betreft het verhoogde achtergrondgehalten. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen woonfunctie. 5.2.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen voor de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Gezien de ligging van het plangebied is zowel een akoestisch onderzoek3 naar weg- als spoorwegverkeerslawaai uitgevoerd, rekening houdend met de maximale planologische bouwmogelijkheden. Uit de conclusies van dit onderzoek blijkt het volgende: Spoorwegverkeer Voor nieuw te realiseren woningen binnen de zone van een spoorweg geldt op grond van art. 4.9 en 4.10 uit het Besluit geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 55 dB en een maximale ontheffingswaarde van 68 dB. De omvang van de zone langs een op de geluidplafondkaart aangegeven spoorweg is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond ter plaatse.

In onderhavige situatie bedraagt het maatgevende geluidproductieplafond 69 dB, waaruit op grond van art. 1.4a lid 1 uit het Besluit geluidhinder een zonebreedte geldt van 600 meter. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wgh. De grenswaarden uit de Wgh zijn gerelateerd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Indien voldaan wordt aan deze grenswaarden kan in het kader van de Wro gesteld worden dat een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat als gevolg van railverkeer gewaarborgd is. Aangezien de geluidbelasting niet hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woningen zijn niet noodzakelijk. Wegverkeer In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden 3

HMB Groep, Akoestisch onderzoek (t.b.v. ruimtelijke onderbouwing) Schiksedijk (ong.) America, 4 februari 2022, kenmerk: 22214101N

Ontwerp

31

procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB. De locatie ligt binnen de geluidzone van de Schiksedijk. Op grond van het Verkeersmodel Noord-Limburg Online heeft deze weg een dusdanig lage verkeersintensiteit dat deze akoestisch gezien niet relevant is. Overige wegen zijn allemaal 30 km/uur en daarmee niet zoneplichtig. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is in het kader van de Wgh dan ook niet aan de orde. 5.2.4 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.

een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het initiatief NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Ontwerp

32

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,4 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,1 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook nauwelijks extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen.

Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het geureffect van de omliggende veehouderijen getoetst aan de gemeentelijke geurverordening en de Wgv. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang:

Ontwerp

33

1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van het initiatief gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich slechts één veehouderij; een melkrundveehouderij op de locatie Slikweg 9.

Een melkrundveehouderij is een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden. Er geldt zodoende een minimale vaste onderlinge afstand van 50 meter. Afstand van het plangebied tot deze veehouderij (grens bouwvlak) bedraagt 135 meter. Aan de minimale vaste onderlinge afstand wordt derhalve ruimschoots voldaan. De melkrundveehouderij heeft daarmee geen negatief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft achtergrondbelasting. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt

X-coördinaat 196500 196472 196444 196472 196474

Y-coördinaat 383589 383605 383542 383528 383567

Berekende waarde 3,2 3,3 3,0 3,1 3,1

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 3,0 en 3,3 OU/m3. Conform de gemeentelijke geurverordening wordt de achtergrondbelasting beoordeeld als ‘voldoende’ < 20 OU/m³). Hierdoor wordt geconcludeerd dat de alle veehouderijen tezamen in de omgeving geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen in de omgeving Andere (bestaande) woningen zijn tussen het plangebied en de meest nabij gelegen veehouderij gelegen. Deze bestaande geurgevoelige objecten zijn de bepalende objecten voor wat eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderij. De nieuwe woningen hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderij. Ontwerp

34

5.2.6 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf op de locatie Schiksedijk 28, afstand tot het plangebied 18 meter; ▪ een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij (niet zijnde een intensieve veehouderij) op de locatie Slikweg 9, afstand tot het plangebied 135 meter; ▪ een agrarisch bedrijf (niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf) op de locatie Schiksedijk 34, afstand tot het plangebied 185 meter; ▪ een hoveniersbedrijf op de locatie Nieuwe Peeldijk 7, afstand tot het plangebied 250 meter. Voor een glastuinbouwbedrijf (Kassen met gasverwarming) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 10 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 30 m Ontwerp

35

▪

gevaar: 10 m

Een agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, boomkwekerij, (melk)rundveehouderij of een paardenhouderij. Voor een akkerbouwbedrijf of boomkwekerij (Akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 10 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 10 m Voor een (melk)rundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 100 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Voor een paardenhouderij (Paardenfokkerijen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 50 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Voor een hoveniersbedrijf (Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. > 500 m2) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 30 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 50 m ▪ gevaar: 10 m Onderzocht is of de risicoafstanden het plangebied overlappen; alleen de richtafstand voor geluid van het glastuinbouwbedrijf aan de overzijde van weg overlapt het plangebied. Het plangebied is echter dusdanig ingericht dat binnen de richtafstand voor geluid geen bouwmogelijkheden zijn voorzien.

Het bouwvlak voor de nieuwe woningen ligt 30 meter verwijderd van het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de woningen. 5.2.7 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Ontwerp

36

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten.

Ontwerp

37

Afbeelding 12. Uitsnede provinciale risicokaart

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het oprichten van de nieuwe woningen. 5.2.8

Spuitzones gewasbescherming

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook rekening te worden gehouden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstandentussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een (fruit)boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom (fruit)boomgaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een (fruit)boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting.

In dit geval zijn er 50 meter rondom het plangebied de volgende locaties aanwezig waar eventueel gewerkt kan worden met gewasbeschermingsmiddelen; ten noorden aan liggen landbouwpercelen, in eigendom van initiatiefnemer, met daarachter andere landbouwpercelen, en aan de overzijde van de weg is een boomkwekerij gelegen (welke is bestemd als glastuinbouwbedrijf). Ontwerp

38

▪

▪

▪

De eigen landbouwpercelen zullen met de realisatie van de nieuwe woningen worden ingericht als kruidengrasweide (zie paragraaf 4.3). Hier zullen dan geen gewasbeschermingsmiddelen (meer) worden toegepast. De andere landbouwpercelen zijn in gebruik als weiland. Afstand van deze landbouwpercelen tot het plangebied bedraagt 40 meter of meer. Voor de nieuwe woningen dient daarom gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen. Aan de overzijde van de weg is een boomkwekerij gevestigd alwaar gewerkt kan worden met gewasbeschermingsmiddelen op de aanwezige (container)velden. Afstand van de boomkwekerij tot het plangebied bedraagt minimaal 14 meter. Voor de nieuwe woningen dient daarom gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op dit bedrijf.

Zoals hiervoor reeds aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per ruimtelijk initiatief te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit onderzoek en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; 3. Wat is de overheersende windrichting. Ad. 1.

De huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden’ van het plangebied wordt gewijzigd in ‘Wonen’. De omliggende landbouwpercelen rond het plangebied en de boomkwekerij zijn eveneens bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor een agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik. Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen woningen en agrarische percelen waarop agrarische bedrijvigheid in planologisch opzicht is toegestaan, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. Het is niet aannemelijk dat op het eigen landbouwperceel boomteelt zal gaan plaatsvinden. Hier dient op basis van de voorwaardelijke verplichting van het landschappelijk inpassingsplan een kruidengrasweide worden gerealiseerd. Om dit te realiseren zal er niet gewerkt worden met gewasbeschermingsmiddelen. De andere landbouwpercelen zijn al lange tijd in gebruik als weiland. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet direct toegestaan om bomen aan te planten (waaronder bomen ten behoeve van de fruit- of boomteelt). Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te worden verleend. Als in de toekomst een dergelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd is onderhavig bestemmingsplan inmiddels leidend.

Een dergelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van fruit- of boomteelt kan dan niet zondermeer verleend worden omdat binnen het plangebied dan woningbouw kan worden gerealiseerd. Fruit- en boomteelt kan door de spuitzones een negatieve impact hebben op de toekomstige bewoners. Op basis daarvan kan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een boomgaard niet meer worden verleend.

Ad. 2.

Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimetheoaat (het middel met het hoogste risico) het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m. Dit komt onder meer omdat in de bomenteelt in een

Ontwerp

39

neerwaartse richting gespoten wordt. Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief, omdat er zo minder spuitvloeistof verloren gaat en de bomen het meest worden geraakt. Bij het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgegaan van bespuiting met een standaard axiaalspuit en een axiaalspuit op een boomhoogte van 0-3 m respectievelijk 3-6 m. Dit zijn standaard spuitmethoden en is in het onderzoek het worst-case scenario. De indicatieve afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse. Drift in de bomenteelt en bij containervelden is door de aard van de bespuiting; met name neerwaartse bespuitingen, lager dan in de fruitteelt waar op- en zijwaarts gericht gespoten wordt. Het plangebied ligt verder dan 10 meter verwijderd dan de andere landbouwpercelen en de aan de overzijde van de weg gelegen boomkwekerij. Zoals beschreven blijkt dat een afstand van 10 meter tussen het spuiten en de woningen toereikend is voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Ad. 3.

In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. De wind waait daarmee vooral van de boomkwekerij naar het plangebied. Om eventuele drift nog extra te voorkomen (aan de afstand van 10 meter wordt voldaan) wordt aan de straatzijde van het plangebied een beukenhaag als windhaag aangeplant. Uit onderzoek is gebleken dat een windhaag als filter kan werken voor de emissie van gewasbeschermingsmiddelen.

Er zijn geen regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij woningen of andere voor driftgevoelige bestemmingen. Evenmin zijn er regels die toezien op bescherming van omstanders, recreanten of omwonenden. Eventuele klachten kunnen daarom niet leiden tot het aanpassen van de bedrijfsvoering van de teler. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belemmeringen vanuit de wet- en regelgeving voor de eigenaar en/of gebruiker van de andere landbouwpercelen c.q. de boomkwekerij tot gevolg.

5.3

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 5.3.1 Beleidskader Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Horst aan de Maas en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan.

Ontwerp

40

5.3.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als Formatie van Boxtel, bestaande uit zeer fijn tot zeer grof zand, lokaal kleiig, grindig of humeus. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75-1,5 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 100-180 cm-mv is gelegen.

Afbeelding 13. Uitsnede kaart GHG

Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied zelf geen oppervlaktewater van betekenis ligt. De Schiksedijk wordt aan de zijde van het plangebied wel begeleidt door een landbouwsloot. Deze sloot vormt de oostelijke grens van het plangebied en blijft in het kader van onderhavig initiatief zoals in de huidige staat aanwezig behouden. Op enige afstand van het plangebied stroomt de Kabroeksche beek, waarop ook de Kerkebosch aansluit. Deze watergangen betreffen primaire watergangen in beheer van het waterschap. De watergangen vormen de fysieke grens van de bebouwde kom van America. De Keur van het waterschap is op deze watergangen van toepassing. Het oprichten van nieuwe woningen binnen het plangebied heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de watergangen, de afstand van het plangebied tot de watergangen is daarvoor voldoende. Ontwerp

41

Afvalwater / riolering Het vuilwater van de nieuwe woningen zal worden geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts drie woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 5.3.3

Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)

Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van woningen, bijgebouwen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het hemelwater dat valt op nieuwe verharding zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van het waterschap dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 100 mm neerslag valt. Per woning zal een infiltratiewadi worden aangelegd met afmetingen van 25 * 2 * 0,6 m, creatief vormgegeven met flauw talud 1 : 1. Elke infiltratiewadi zal 25 m3 water kunnen opvangen en hier laten infiltreren. Bij extreme neerslag kan het water afvloeien naar achterliggende cultuurgrond, eveneens in eigendom van initiatiefnemer. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. 5.3.4

Conclusie

Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.4

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ligt evenwijdig aan de grens van de bebouwde kom een ondergrondse rioolleiding. De nieuwe woningen worden ruimschoots opgericht buiten de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. Het functioneren van de rioolleiding wordt derhalve niet belemmerd door het oprichten van de nieuwe woningen. Blijkens kaarten van Gasunie en TenneT bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Ontwerp

42

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (waaronder Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1

Flora en fauna

Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van het oprichten en het gebruiken van drie woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie4 uitgevoerd. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren.

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. De houtsingel ten westen van het plangebied en de bomenrij aan de Schiksedijk fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. De bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bodem af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. 5.5.2

Natura2000

Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, ligt op 3,4 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 3,4 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. 4 Faunaconsult, Flora- en faunainspectie Schiksedijk ong. (tussen 13b en 15) te America, 14 februari 2022

Ontwerp

43

Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn is een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om in de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) de uitstoot van NOx te bepalen. In de nieuwe situatie neemt de stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden volgens AERIUS Calculator niet toe (zie bijlage 1).

Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000gebieden. Sinds 1 juli 2018 is het voor nieuwe woningen niet meer toegestaan een gasaansluiting te realiseren. Vanuit de nieuwe woningen vindt derhalve geen uitstoot van NOx door het verbranden van gas plaats. De enige wijze van uitstoot in en bij de woningen is met uitstoot van verkeer. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: vrijstaande koopwoning ▪ Gebiedstype: buitengebied in niet stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering voor drie woningen genereert het initiatief dagelijks 25,8 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 12,9 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat verkeer in hoofdzaak door de kern van America rijdt naar de dichtstbijzijnde provinciale weg (Midden Peelweg).

5.6 5.6.1

Archeologie en cultuurhistorie Cultuurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het provinciale beleid is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het provinciale omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het beleid schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee Ontwerp

44

te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ is er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen sprake van de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het oprichten van de nieuwe woningen heeft dan ook geen negatieve consequenties voor de cultuurhistorie. 5.6.2

Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied grotendeels gelegen in een gebied met een lage archeologische waarde. Alleen de uiterste noordoostelijke hoek van het plangebied is gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12399332/1