CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Bp Venrayseweg 89 Toelichting en Regels

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Venrayseweg 89, Horst.20.381 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daar komt bij dat deze sportinrichting qua milieuregulering moet voldoen aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De maximale toegestane geluidhinder vanuit inrichtingen wordt geregeld in artikel 2.17 e.v. van dit besluit. Vooral van belang is hierbij dat stemgeluid van sporters en bezoekers buiten op het sportveld, niet mee genomen hoeft te worden in de geluidsdruk vanwege de inrichting (artikel 2.18 lid 1 onder a en/of b). Verder stelt het Activiteitenbesluit ook regels aan het gebruik van veldverlichting. Zo geeft artikel 3.148 lid 1 duidelijk aan wanneer de verlichting uit moet (!) zijn. Via de werking van de zorgplicht (artikel 2.1 leden 1, 2 onder h. en 4) kan het bevoegd gezag verder maatwerkvoorschriften stellen aan plaatsing, afscherming en gebruik van lichtmasten om onevenredige lichthinder vanwege de sportvelden op de omgeving te voorkomen.

Pagina | 32

5.2.5

Externe veiligheid

Inleiding Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. -6 De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10 ) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare -6 bestemmingen buiten de 10 contour moeten zijn gelegen. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico-contour ook, maar daar geldt de contour als richtwaarde. Dat wil zeggen, in principe moeten ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten buiten de plaatsgebonden risico-contour worden opgericht, maar mits goed gemotiveerd mag hiervan worden afgeweken. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Transport over het water en het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van transport over het water en het spoor vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Transport over de weg Op een afstand van circa 230 meter van het plangebied ligt de rijksweg A73 (trajectnr. L2), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit traject van de A73 is opgenomen in het Basisnet. Volgens de Regeling basisnet (zie de hieronder opgenomen tabel) gelden voor dit traject de volgende PR- en GR-plafonds en een plasbrandaandachtsgebied (PAG, 30 meter):

In de onderstaande tabel zijn de relevante gegevens van het onderzochte traject opgenomen. De gegevens zijn ontleend aan de Regeling basisnet.

Pagina | 33

Voor de autosnelweg wordt een wegbreedte van 25 meter aangehouden en een ongevalsfrequentie -8 van 8,3·10 /vtg km. Conform de Regeling basisnet is als weerstation Eindhoven gekozen. plaatsgebonden risico en PAG -6

De planontwikkelingen vinden plaats ruim buiten de PR 10 -contour (1 meter) en het PAG (30 meter). Het PR en het PAG vormen voor het beoogde plan derhalve geen belemmering. groepsrisico Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART (paragraaf 2.1)) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van bepaalde stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. Voor de stofcategorie GF3 bedraagt het invloedsgebied maximaal 355 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied van de A73.

beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk met betrekking tot de risico’s ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. De verantwoording van het groepsrisico kan beperkt blijven tot de thema’s beheersbaarheid en zelfredzaamheid. Voor een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/veiligheidsregio. Op ….. 2020 heeft de regionale brandweer binnen de veiligheidsregio Limburg-Noord geadviseerd over dit plan en over de opgestelde beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de volledige inhoud wordt verwezen naar de beperkte groepsrisicoverantwoording die als bijlage 4 integraal onderdeel uitmaakt van deze plantoelichting. Het advies van de regionale brandweer van de veiligheidsregio Limburg-Noord is als bijlage 5 toegevoegd. Buisleidingen Op basis van de informatie van o.a. de N.V. Nederland Gasunie en de Risicokaart Limburg blijkt dat er geen ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen of andere leidingen in, dan wel nabij het plangebied liggen die van invloed kunnen zijn op het plan.

Hoogspanningslijnen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het plan. Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van enige risicovolle inrichting. De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Pagina | 34

uitsnede risicokaart Limburg (plangebied zwart omcirkeld)

5.2.6

Milieueffectrapportage

Juridisch kader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.

Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden -aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een informele m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk;

Pagina | 35

2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten Categoriale indeling van het project; stedelijk ontwikkelingsproject In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D 11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.-ontwikkelingsbeoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Toetsing Toets m.e.r.-plicht Binnen het plangebied wordt één woning en een zorggebouw (sport-medisch centrum en centrum voor ouderenrevalidatie) gerealiseerd bestaande uit maximaal 10 units resp. maximaal 20 kamers.

Het realiseren van een dergelijke gebouw komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woning en een zorggebouw binnen stedelijk gebied kan mogelijk worden aangemerkt als de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’ (categorie D11.2). De bij deze categorie genoemde drempelwaarden worden echter bij lange na niet overschreden, waardoor er in ieder geval zeker geen verplichting geldt om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Door zowel de situering als de bebouwde oppervlakte van het zorggebouw vindt er een beperkte uitbreiding plaats van stedelijke bebouwing en stedelijke functies in het stedelijk gebied.

Uit de (uitgebreide) jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de enkele omstandigheid dat een project relevante (negatieve) milieugevolgen heeft niet doorslaggevend is voor het oordeel of zo’n project is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van onderdeel D, kolom I, categorie 11.2 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De concrete aard en omvang van het project zijn veel belangrijkere criteria voor deze beoordeling (zie bijvoorbeeld AbRvS 15 maart 2017 / 201601015/1/R1 ECLI:NL:RVS:2017:694 (bouwmarkt Hornbach)). Belangrijke criteria die in de jurisprudentie over zorgprojecten een rol spelen bij het oordeel of een project een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is, zijn:     

het aantal te huisvesten dan wel anderszins aanwezige personen; de duur van de huisvesting; de schaalgrootte van het project; al dan niet uitbreiding van bebouwde oppervlakte; de aard van het gebied c.q. de omgeving waar het project gerealiseerd wordt.

Pagina | 36

Het aan de orde zijnde project is kleinschalig (zowel wat betreft de uitbreiding van de bebouwde 2 oppervlakte (slechts 325 m ) als wat betreft het aantal aanwezige personen (maximaal 40), de kortstondige duur van het verblijf, benodigde parkeerplaatsen (39) en optredende verkeersbewegingen (663)). Verder is er geen sprake van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. Ook is er geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie voor de inhoudelijke motivering het gestelde in hoofdstuk 5 van deze plantoelichting). Conclusie Gelet op de concrete omvang en de ruimtelijke aard en invloed van dit plan en gezien ook het feit dat dit plan geen (relevante) milieugevolgen heeft, kan worden geconcludeerd dat dit plan niet voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 Besluit milieueffectrapportage. Een vormvrije m,e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

5.3

Waterparagraaf

5.3.1

Beleid en uitgangspunten

Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Het watertoetsproces is één van de instrumenten om dit te bereiken. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Waterbeheerplan Waterschap Limburg De gemeente Horst aan de Maas valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder en de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen. In het waterbeheerplan 2016-2021 is de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en wordt aangegeven hoe het waterschap invulling zal geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe men het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Ook staat hierin welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn:    

het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen; het aanpakken van knelpunten van wateroverlast; herstellen van beken; het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Voor het aan de orde zijnde plan en plangebied kent het Waterbeheerplan geen specifieke uitgangspunten. Legger en Keur Waterschap Limburg Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende Legger als kaart). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Op 1 april 2019 heeft het Waterschap een nieuwe Keur vastgesteld.

Pagina | 37

Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen Het Waterschap Limburg hanteert sinds 1 april 2019 de volgende uitgangspunten voor haar toetsing met betrekking tot de behartiging van waterhuishoudkundige belangen binnen een bestemmingsplan alsmede voor de toetsing van de waterparagraaf van een bestemmingsplan: 1.

2.

3. 4. 5.

6.

7.

8. 9.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur.

Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.

5.3.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn en de wateropgaven die er spelen. De belangrijkste onderdelen van een watersysteem zijn: ecosysteem, oppervlaktewater, hoogwaterproblematiek, grondwater en de verwerking van hemel- en afvalwater. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem in het kader van de Natuurbeschermingswet. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied, op een afstand van ongeveer 140 m, bevindt zich een primaire waterloop (Kabroekse Beek), welke aan de oostzijde van de A73 uitmondt in de Groote Molenbeek. Binnen het plangebied zelf bevindt zich geen oppervlaktewater. Hoogwaterproblematiek Het plangebied ligt buiten in het stroomvoerend en bergend rivierbed van de Maas, een en ander zoals geregeld in de beleidsregels “Grote Rivieren” .

Grondwater Er staan geen peilbuizen in de directe omgeving van het plangebied. Er zijn klachten bekend van grondwateroverlast in de omgeving. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van het freatisch grondwater bedraagt ± 21 m +NAP, waardoor het grondwater zich op 2 m -mv zou bevinden. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

Pagina | 38

Bodemdoorlatendheid (K-waarden) Econsultancy BV heeft een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden binnen het plangebied om hemelwater te bergen en/of te infiltreren. De haalbaarheid van hemelwaterinfiltratie is onder andere afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, de aanwezigheid van stoorlagen (klei en leem). Econsultancy acht bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag geschikt voor infiltratie van hemelwater. Er zijn 3 boringen gezet, verspreid over het plangebied. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als matig tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,3 en 4,7 m/dag zijn aangetoond.

K-waarden plangebied

Op basis van de resultaten uit dit onderzoek zijn de infiltratiemogelijkheden als gevolg van de aanwezige leemlagen en sterk wisselende k-waarden wisselend. Ter plaatse van boringspunten 1 en 2 zijn er meer mogelijkheden om te infiltreren dan ter plaatse van boringspunt 3.

boringspunten plangebied

Pagina | 39

Bij het maken van de keuze voor het type (infiltratie)voorziening (dimensionering) is het daarnaast tevens van belang rekening te houden met het GHG, het afstromend verhard oppervlak en het beleid van het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van circa 1,5 m/dag voor de zandlagen. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. De leemlagen worden niet geschikt geacht voor infiltratie. Voor de volledige inhoud van het geohydrologisch onderzoek wordt verwezen naar het bijgevoegde rapport dat als bijlage 6 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting. Verwerking van hemel- en vuilwaterstromen In de bestaande situatie is het gehele plangebied verhard. Binnen het plangebied is een gebouw aanwezig alsmede erfverharding op het voor-, zij- en achtererf. Het hemelwater vanaf het dak van het gebouw wordt nu nog op het gemeentelijke gemengde riool onder de Venrayseweg geloosd. Het hemelwater op de erfverharding stroomt geleidelijk af naar het omringende openbare gebied van de Venrayseweg dan wel de achterliggende sportvelden van HC Horst. Het hemel- en vuilwater gaat voor verwerking naar de rioolzuiveringsinstallatie in Venray.

5.3.3

Duurzame verwerking hemelwater

Ten behoeve van de bepaling van een te realiseren systeem voor duurzame hemelwaterverwerking zijn op basis van de onderstaande invoerparameters berekeningen uitgevoerd: een gemiddelde K-waarde van 1,5 m/dag; veiligheidsfactor van 0,5; absoluut infiltratiesysteem met een dimensionering voor 100 mm berging/etmaal (neerslaggebeurtenis T=100); 2 100% afkoppeling van het totaal afvoerend verhard dakoppervlak van 800 m ; hemelwater vanaf erfverharding afstromen naar omgeving (straat en sportvelden). Uit de modelberekening volgt dat een bergende – en infiltrerende voorziening gedimensioneerd moet zijn op de volgende hemelwaterkwantiteit:

neerslaggebeurtenis T=100

kwantiteitsberekening 2

800 m x 0,1 m = 80 m

3

Er is gekozen voor de aanleg van infiltratiekratten onder het voor-en/of achtererf (ter plaatse van boringspunten 1 en 2). Deze infiltratiekratten komen op een diepte van ca. 50-60 cm –mv te liggen. Op deze diepte liggen de kratten diep genoeg om ze te beschermen tegen vorst terwijl de kratten wel ruim boven de GHG in de winterperiode van ca. 2 meter – mv liggen zodat ze niet vol kunnen lopen met grondwater. Bij een incidentele (zeer) hoge grondwaterstand zal het hemelwater dat niet geborgen kan worden in de infiltratiekratten via één of meerdere bladvangers bovengronds overstorten naar de openbare ruimte. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning (activiteit: bouwen) zal deze infiltratievoorziening in overleg met de gemeente technisch worden uitgewerkt. Huishoudelijk afvalwater Rondom het plangebied is nu nog een gemengd rioolstelsel in gebruik. Het huishoudelijk afvalwater zal op het vuilwaterriool geloosd worden.

Pagina | 40

Bouwmaterialen De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, zink e.d.). Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de bouwende partij wordt daarom, voor zover relevant, gevraagd geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Juridische borging in het bestemmingsplan Het aanleggen en in stand houden van een systeem van duurzame hemelwaterverwerking op eigen terrein is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels van dit bestemmingsplan (artikel 3.1 onder e. jo artikel 9.2).

5.3.4 Overleg met Waterschap Vooroverleg met en advies van het waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen met een toename van het nieuw 2 afvoerend verhard oppervlak van minder dan 2000 m en waarbij het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, geen wateradvies van het waterschap nodig is. Dan mag de betreffende gemeente de waterparagraaf toetsen. Het plan leidt niet tot enige toename van het afvoerend verhard oppervlak binnen het plangebied. Het plangebied is in de bestaande situatie al volledig verhard en in de nieuwe situatie blijft dat ook zo. Het plangebied is verder niet gelegen in een specifiek aandachtsgebied van het waterschap. Dit betekent dat de gemeente Horst aan de Maas primair verantwoordelijk is voor de regulering van de waterbeheersing en niet het waterschap Limburg. Specifiek wateradvies door het waterschap is derhalve niet noodzakelijk.

5.4

Verstoringsgebieden

Het plangebied ligt buiten de direct gangbare aanvlieg- en opstijgroutes van militaire – en civiele luchtvaartterreinen. Het plangebied ligt tevens buiten het laagvlieggebied rond vliegbasis De Peel. Het plangebied is wel gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel, doch enkel voor het oprichten van windturbines met een tiphoogte van de wieken van meer dan 114 boven NAP. Dit plan voorziet echter niet in de bouw van dergelijke windturbines.

5.5

Natuurbeschermingswet

5.5.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied is gelegen in het bestaande stedelijke gebied van Horst. Het heeft geen specifieke ecologische waarde. Het maakt geen onderdeel uit van de Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden zoals Vogel- en Habitatrichtlijngebieden Binnen het plangebied zelf zijn geen landschapselementen of bomen met een beschermde status aanwezig. Stikstofdepositie Ten behoeve van de verbouw van het bestaande pand tot burgerwoning en zorggebouw (sport-medisch centrum en centrum voor ouderenrevalidatie) aan de Venrayseweg 89 te Horst is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Pagina | 41

Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het programma Aerius Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect van 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde project niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Bij een dergelijke projecteffect is geen vergunning benodigd voor het project. Het geplande project kan potentieel leiden tot verhoogde emissie van stikstof. Om deze reden heeft Stammen ProjectAdvies een analyse uitgevoerd van de door dit plan veroorzaakte extra depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ (op circa 8,8 kilometer afstand) en de ‘Maasduinen’ (op circa 8,6 km afstand). . Berekening Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH 3 in Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS-2019A.

Aanlegfase Ten behoeve van de realisatie van de woning en het zorggebouw ter plaatse van de Venrayseweg 89 te Horst zal gedurende de aanlegfase gebruik worden gemaakt van een stikstof uitstotende graafmachine, mobiele kraan en een betonwagen. Daarnaast vinden er vervoersbewegingen plaats naar de bouwlocatie. Het betreft zowel licht verkeer, middel zwaar vrachtverkeer als zwaar vrachtverkeer. In onderstaande uitsneden zijn de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen met de betreffende uitstoot weergegeven.

Pagina | 42

Uit berekening van de invoerwaardes blijkt dat de gemodelleerde emissies van de aanlegfase niet leiden tot overschrijding van gestelde depositie-norm (zie AERIUS berekening in de bijlage). Gebruiksfase De verkeer aantrekkende werking in de gebruiksfase is gemodelleerd overeenkomstig met het traject van de realisatiefase. De exploitatie van het gebouw voor sport-medische zorg en revalidatiecentrum voor ouderen, genereert een beperkte hoeveelheid autoverkeer. Het nieuwe plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen per gemiddeld weekdagetmaal. Dat is toe te schrijven aan gemotoriseerd verkeer door:   

bezoekers van het zorggebouw; personeel van het zorggebouw; bevoorradingsverkeer.

Voor de bepaling van de verkeersgeneratie sluit de gemeente Horst aan de Maas aan bij de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018). De CROW relateert verkeersgeneratienormen aan de stedelijkheidsgraad van een gebied en aan diverse (stedelijke) zones. In het kader van deze publicatie kan voor de kern Horst uitgegaan worden van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) en drie zones (centrum-rest bebouwde kom-buitengebied).Het hele plangebied kan derhalve verkeerskundig gekwalificeerd worden als: weinig stedelijk gebied; rest bebouwde kom.

Pagina | 43

De CROW-publicatie kent expliciete verkeersgeneratienormen voor gezondheidscentra, maar niet voor verzorgingshuizen of revalidatiecentra. De feitelijke bepaling van de verkeersgeneratie is alleen mogelijk via specifiek verkeerskundig onderzoek. Er wordt echter in het kader van dit plan voor het gehele functionele programma van het zorggebouw (sport-medische functies en revalidatiecentrum) getoetst aan de (hoge) verkeersgeneratienormen van gezondheidscentra. Daardoor wordt derhalve getoetst aan een worst case scenario. Een en ander leidt tot de volgende maximale verkeersgeneratie door dit plan: Functie: zorggebouw Gebieds-en functiekwalificatie: - weinig stedelijk - rest bebouwde kom - 30 units (10 sport-medische units en 20 kamers revalidatie ouderen) Normering: max. 22,1 vbw/ behandelkamer Verkeersgeneratie: max.663 De berekende verkeersgeneratie bedraagt dus maximaal 663 verkeersbewegingen per gemiddeld weekdagetmaal met een aanname van 95 % personenverkeer en 5% vracht-c.q. bevoorradingsverkeer.

Uit berekening van de invoerwaardes blijkt dat de gemodelleerde emissies van de gebruiksfase niet leiden tot overschrijding van gestelde depositie-norm (zie AERIUS berekening in de bijlage).

Conclusie Op basis van bovenstaande uitgangspunten en bijgevoegde AERIUS berekeningen van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase kan geconcludeerd worden dat de geplande activiteiten ten behoeve van de realisatie en het gebruik van een woning, een sport-medisch centrum en revalidatiecentrum voor ouderen aan de Venrayseweg 89 te Horst geen belemmering vormt als gevolg van de stikstofuitstoot op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor de volledige berekening van de stikstofeffecten wordt verwezen naar het stikstofonderzoek dat als bijlage 7 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.5.2

Soortenbescherming

FaunaConsult te Belfeld heeft een inventariserend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren binnen het plangebied. De belangrijkste bevindingen zijn als volgt:

Pagina | 44

De zuidgevel van het gebouw bevat mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Doordat dit deel van het gebouw niet wordt gerenoveerd (of gesloopt), zullen de voorgestane werkzaamheden niet leiden tot verlies of verstoring van vleermuisverblijven. In het plangebied komen verder mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Voor de volledige inhoud van het flora en fauna-onderzoek wordt verwezen naar het bijgevoegde rapport dat als bijlage 8 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

Cultuurhistorische waarden in stedelijk gebied kunnen betrekking hebben op: 1. bebouwde cultuurhistorie (monumenten/historische stedenbouw/molenbiotoop); 2. archeologische waarden. Ad 1. Het bestaande gebouw van de voormalige agrarische school is geen rijks-of gemeentelijk monument, maar is wel een gebouw van cultuurhistorische waarde. Het gebouw is opgenomen op de gemeentelijke inventarisatiekaart waardevolle objecten als ‘karakteristiek pand’. De specifieke cultuurhistorische en architectonische waarde van het pand wordt beschermd door de bestaande buitengevel van het pand geheel te handhaven. Het plangebied is verder niet gelegen in een molenbiotoop van een windmolen. Ad 2. Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg die de Monumentenwet 1988 deels heeft aangepast. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een archeologische verwachting, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden.

De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de ‘Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas’ vastgesteld. Het plangebied valt volgens de Archeologische Maatregelenkaart onder categorie 7 (bebouwde kom-onbekende verwachtingswaarde). Ingrepen met een 2 verstoringsoppervlak van niet meer dan 500 m en een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 cm kunnen doorgang vinden zonder archeologisch (voor)onderzoek.

Pagina | 45

uitsnede AMK Horst aan de Maas (plangebied rood omcirkeld)

2

De bebouwde grondoppervlakte van het nieuwe zorggebouwdeel van het pand bedraagt 605 m . Deze overlapt echter grotendeels met het te slopen deel van de school en het reeds gesloopte 2 bijgebouw. Slechts een klein gedeelte van de nieuwbouw, ruim minder dan 500 m , ligt buiten de reeds verstoorde gronden. Bovendien is ook van het resterende terreingedeelte onaannemelijk dat de bodem hier geheel of grotendeels ongeroerd zou zijn. Hierdoor is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1

Ontsluiting

Verkeerskundig gezien heeft de Venrayseweg een functie als doorgaande weg welke het centrum van Horst verbindt met noordelijk gelegen kernen (Tienray, en Castenray) en de op-/afrit 10 van de A73. De Venrayseweg is een gemeentelijke weg en – ter hoogte van het plangebied - gelegen in de verkeerskundige bebouwde kom waar een maximale snelheid van 50 km/uur is toegestaan. Het profiel deze weg is toegesneden op haar (boven-)lokale verkeersfunctie. In de omgeving van het plangebied zijn ook openbaar vervoersmogelijkheden. De dichtstbij gelegen bushalte (lijn 80 en 87) bevinden zich tegenover het plangebied. Verder kan gebruik worden gemaakt van het treinstation Horst-Sevenum (treinverkeer Venlo-Eindhoven), dat vanaf het plangebied op een afstand van circa 4,5 km ligt.

Pagina | 46

Zoals in paragraaf 5.2.3 van deze plantoelichting al is gemotiveerd, is de extra verkeersgeneratie vanwege de beoogde woning en het beoogde zorggebouw beperkt en gaat op in de bestaande autonome verkeersintensiteiten en –verkeersontwikkeling op de Venrayseweg. De Venrayseweg beschikt over een wegprofiel dat geschikt is om het beperkte extra verkeersaanbod als gevolg van dit plan veilig te verwerken. Het plan heeft dan ook geen consequenties voor de wegenstructuur, wegprofielen en de verkeersveiligheid op deze weg en aansluitende wegen. 5.7.2

Parkeren

Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, hanteert de gemeente Horst aan de Maas de normering uit de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas (2019).Op basis van deze Nota hanteert de gemeente Horst aan de Maas de volgende parkeernormen: gezondheidscentrum: 2,5 parkeerplaatsen per behandelkamer op eigen terrein; verpleeg- en verzorgingstehuis: 0,6 per wooneenheid; (burger)woning:2 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein.

Uitsnede parkeerkencijfers Nota Parkeernormen HadM 2019

Aan deze eis is invulling gegeven door de aanleg van 39 parkeerplaatsen (max.10 behandelkamers x 2,5 pp (25 pp), max. 20 kamers voor revalidatie ouderen x 0,6 pp (12 pp) en 1 woning x 2 pp) op eigen terrein.

Pagina | 47

ontsluiting en ligging parkeerplaatsen op eigen terrein

5.8

Duurzaamheid

In de gemeente Horst aan de Maas wordt gestreefd naar duurzame nieuwbouw, waarbij het energieverbruik zoveel mogelijk wordt teruggedrongen en zoveel mogelijk duurzame bouwmaterialen worden gebruikt. De te realiseren woning en zorggebouw dient minimaal te voldoen aan de eisen op grond van het Bouwbesluit, Bouwverordening en aan alle verplichte maatregelen van de basislijst Duurzaam Bouwen-woningbouw.

5.9

Niet Gesprongen Explosieven (NGE’s)

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven (CE’s) uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ook het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas heeft in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE’s). Met behulp van een explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Horst aan de Maas adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

Pagina | 48

HOOFDSTUK 6 - UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer zal een anterieure exploitatieovereenkomst worden afgesloten. Tenslotte zal een planschadeverhaalsovereenkomst zoals bedoeld in art. 6.4a Wro worden afgesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2

Handhaving

De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst een de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een ,gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavinqsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.

Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/ zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. Preventie gaat boven repressie. Draagvlak creëren. Klantgericht handelen. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.

Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. ln een jaarlijks op te stellen handhavinqsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

Pagina | 49

6.3 6.3.1

Maatschappelijk uitvoerbaarheid Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening zal het bestemmingsplan ‘Venrayseweg 89, Horst’ voor reactie voorgelegd worden aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de Provincie Limburg, het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

6.3.2

Procedure

Na afronding van het vooroverleg doorloopt het bestemmingsplan - conform het bepaalde in artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening - de volgende procedure: a.

Ontwerp: • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro • een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad;

b.

Vaststelling: • vaststelling door de raad • mogelijkheid reactieve aanwijzing • publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn;

c.

Beroep: • beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ;

d.

Inwerkingtreding: • na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)

6.3.3

Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen met ingang van 30 oktober 2020. De periode waarbinnen zienswijzen konden worden ingediend eindigde op 10 december 2020. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Pagina | 50

HOOFDSTUK 7 - JURIDISCHE TOELICHTING 7.1

Planstukken

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. Dit wijzigingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting; planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet – onder meer - aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

7.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

7.3

Toelichting op de regels

In het kader van de SVBP 2012 dient een vaste volgorde en indeling van het plan aangehouden te worden. Deze is hieronder aangegeven. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels waarin de op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn geregeld; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels, alsmede overige regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven.

Pagina | 51

7.3.1

Inleidende regels

Begrippen (art. 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Wabo/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig uit de SVBP 2012. Wijze van meten (art. 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij het SVBP 2012.

7.3.2

Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien nodig worden vervolgens de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Dit bestemmingsplan kent twee bestemmingen. Er gelden de enkelbestemmingen ‘Maatschappelijk’ (artikel 3) en ‘Wonen’ (artikel 4). Maatschappelijk Met de bouw- en gebruiksregels van de bestemming ‘Maatschappelijk’ wordt planologisch-juridisch maatwerk geleverd.

Dat wil zeggen dat deze regels specifiek gericht zijn om het beoogde project te kunnen realiseren. Dat wordt - functioneel - vormgegeven door een specifieke functie-aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk-zorg-en revalidatiecentrum’. Verder wordt het bouwvlak specifiek aangegeven zodat de bouwlocatie en de bouwbegrenzing (voorgevelrooilijn) zijn bepaald. Een en ander geldt tevens voor de locatie waar het hoofdgebouw moet komen. Deze is via een ‘specifieke bouwaanduiding-hoofgebouw’ bepaald. Wonen In artikel 4 is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Binnen deze bestemming is het toegestaan om maximaal 1 grondgebonden halfvrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken te realiseren en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Voor beide bestemmingen is van belang dat de planegels een aantal duidelijke voorwaardelijke verplichtingen bevatten die de initiatiefnemer dwingen om:

Pagina | 52

 

7.3.3

voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen en te behouden; waterbergende en – infiltrerende voorzieningen op eigen terrein aan te leggen en te behouden. Algemene regels

In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een bouwvergunning waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn de overschrijdingen ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen opgenomen, alsmede regels ten aanzien van parkeernormen. De Algemene gebruiksregels geven weer welk gebruik in ieder geval als strijdig gebruik met het bestemmingsplan worden gezien. In de algemene regels zijn ook de Algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. 7.3.4

Overgangs-en slotregels

In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Pagina | 53

BIJLAGEN PLANTOELICHTING

Bijlage 1: Vooronderzoek bodemonderzoek Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Beperkte groepsrisicoverantwoording Bijlage 5: Advies Regionale brandweer Bijlage 6: Geohydrologisch onderzoek Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Soortenonderzoek flora en fauna

Pagina | 54

REGELS

Pagina | 55

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 1.1

Begrippen

plan

Het bestemmingsplan 'Venrayseweg 89 Horst' met identificatienummer NL.IMRO.1507.HOVENRAYSEWEG89-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas. 1.2

bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3

aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

arbeidsmigrant

Tijdelijke arbeider die het hoofdverblijf elders heeft. 1.6

bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7

bestaand bouwwerk

Een bouwwerk dat op het moment van vaststelling van dit plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van vaststelling is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald en met dien verstande dat onder het voorgaande niet worden begrepen bouwwerken die zijn gebouwd zonder vergunning en/of in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan of de voorheen geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan c.q. die verordening. 1.8

bestaand gebruik

Het gebruik dat op het moment van de vaststelling van dit plan bestaat, met uitzondering van gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de voorheen geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan c.q. die verordening. 1.9

bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.10

bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

Pagina | 56

1.11

bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.12

bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.13

bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.14

bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15

bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.16

bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17

bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.18

detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.19

erfafscheiding

Een ander bouwwerk dat door zijn situering aan de randen van het bouwperceel bedoeld is om dat bouwperceel af te bakenen. 1.20

gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.21

halfvrijstaande woning

Een woning waarvan het hoofdgebouw aan één zijde verbonden is met het hoofdgebouw van één ander gebouw, geen woning zijnde.

Pagina | 57

1.22

hoofdgebouw

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.23

horeca I

Een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, niet zijnde horeca II. 1.24

horeca II

Elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die (nagenoeg) geheel is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Daarnaast een inrichting waarin een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend. 1.25

horeca

Een bedrijf waar dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie. 1.26

huishouden

Een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning (bijvoorbeeld een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep). 1.27

huisvesting arbeidsmigranten

Tijdelijke dan wel structurele voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten, die hun hoofdverblijf elders hebben, niet bedoeld voor recreatieve doeleinden. 1.28

kampeermiddel

a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een tourcaravan; b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover de onder a. en b. bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.29

maaiveld

De bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw. 1.30

maatschappelijke voorzieningen

Educatieve, sociaal-medische, sport-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca uitsluitend ten dienste van deze voorzieningen.

Pagina | 58

1.31

nevenactiviteit

Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. 1.32

nutsvoorziening

Voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.33

ouderenrevalidatiecentrum

Een gebouw dat bestemd is voor het verlenen van tijdelijke (para)medische nazorg en ondersteuning aan ouderen (55+) die vanwege hun leeftijd, gezondheid en beperkingen - nadat zij een medische ingreep hebben ondergaan – tijdelijk aangewezen zijn op deze zorg en ondersteuning. 1.34

overkapping

Een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebruik van het gebouw of de standplaats, en dat, voor zover gebouwd vóór de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en voor zover gebouwd achter de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren. 1.35

peil

a. voor gebouwen: de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer en/of de hoofdtoegang van het gebouw; b. voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter plaatse van het bouwperceel. 1.36

permanente bewoning

Bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf. 1.37

prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.38

recreatiewoning

Een gebouw dat bedoeld is als tijdelijk recreatieverblijf voor gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.39

seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

Pagina | 59

1.40

voorgevel

De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt. 1.41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822202/1