04c Bp Venrayseweg 89 Toelichting en Regels
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan “Venrayseweg 89, Horst” NL.IMRO.1507.HOVENRAYSEWEG89-BPV1
bestemmingsplan Venrayseweg 89, Horst vastgesteld 23 maart 2021 NL.IMRO.1507.HOVENRAYSEWEG89-BPV1
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
8 8 9 9 10
11 11 15 17 17 19
PLANBESCHRIJVING
SECTORALE
5 5 6 7
11
ASPECTEN
Inleiding Milieuaspecten 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6
5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
BELEID
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Stedenbouw, architectuur, bouwkundige maatvoering en duurzaamheid Brand- en sociale veiligheid
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
5
Algemeen Ruimtelijke structuur plangebied e.o. Functionele structuur plangebied e.o. Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
INLEIDING
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4
4
Bodem- en grondwaterkwaliteit Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Milieueffectrapportage
20 20 20 25
26 26 26 26 27 28 30 32 34
Waterparagraaf Verstoringsgebieden Natuurbeschermingswet Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid Niet Gesprongen Explosieven (NGE’s)
36 40 40 44 45 47 47
HOOFDSTUK 6 - UITVOERBAARHEID
48
6.1 6.2 6.3
48 48 49
Economische uitvoerbaarheid Handhaving Maatschappelijk uitvoerbaarheid
HOOFDSTUK 7 - JURIDISCHE TOELICHTING
50
7.1 7.2 7.3
50 50 50
Planstukken Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels
Pagina | 3
BIJLAGEN PLANTOELICHTING
53
Bijlage 1: Vooronderzoek bodemonderzoek Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Beperkte groepsrisicoverantwoording Bijlage 5: Advies Regionale brandweer Bijlage 6: Geohydrologisch onderzoek Bijlage 7: Stikstofonderzoek Bijlage 8: Soortenonderzoek flora en fauna
REGELS
54
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
55
Artikel 1 Artikel 2
55 60
Begrippen Wijze van meten
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS
61
Artikel 3 Artikel 4
61 63
Maatschappelijk Wonen
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
65
Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
65 66 67 68 69
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
71
Artikel 10 Artikel 11
71 72
Overgangsrecht Slotregel
Pagina | 4
TOELICHTING
Pagina | 5
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
P&C Innovatieve Projecten BV te Venray (hierna ook te noemen: initiatiefnemer) heeft het voornemen om het bestaande gebouw aan de Venrayseweg 89 te Horst te herontwikkelen. Dit gebouw staat bekend als de voormalige agrarische school. De initiatiefnemer heeft het voornemen om dit gebouw met behoud, herstel c.q. versterking van de karakteristieke architectonische uitstraling - te verbouwen en uit te breiden tot maximaal 10 -flexibel in te delen - units ten behoeve van de (sport)medische sector en maximaal 20 kamers ten behoeve van een revalidatiecentrum voor ouderen. Daar kunnen kwetsbare ouderen tijdelijk verblijven in het kader van een revalidatieproces. Tevens beoogt de initiatiefnemer om het gedeelte met de voormalige directie-, administratie- en vergaderruimten te wijzigen in een separate (burger)woning. Het perceel Venrayseweg 89 te Horst is gelegen in het bestemmingsplan 'Peelkernen' en heeft de bestemming 'Bedrijf’. Er is volgens de planregels geen (bedrijfs)woning toegestaan. Het beoogde project is in strijd met de geldende planregels. De gemeente Horst aan de Maas heeft echter op 12 november 2018 besloten om – onder een aantal voorwaarden - medewerking te verlenen aan dit plan en om de onderliggende bestemming ‘Bedrijf’ te wijzigen naar ‘Maatschappelijk-zorg-en revalidatiecentrum’ en ‘Wonen’ d.m.v. een bestemmingsplanherziening voor de locatie Venrayseweg 89 te Horst.
Het voorliggende bestemmingsplan ‘Venrayseweg 89, Horst’ voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling waarmee de beoogde verbouw mogelijk wordt gemaakt. Het bestemmingsplan ‘Venrayseweg 89, Horst’ bestaat uit een digitale en analoge verbeelding met de daarbij behorende regels waaraan een toelichting is toegevoegd. Naast de digitale versie is er tevens een versie op papier van het bestemmingsplan beschikbaar.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt binnen het bestaande stedelijk gebied van de kern Horst, binnen de stedelijk zone die om het centrumgebied ligt. Het plangebied ligt in het noorden van de kern Horst. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie N, nrs. 2705 t/m 2711 en nr. 1649. Het plangebied is plaatselijk bekend als Venrayseweg 89, 5961 AE te Horst (gemeente Horst aan de Maas). De totale oppervlakte van het 2 plangebied bedraagt 3133 m . l ligging plangebied (bron: Google maps)
Pagina | 6
De kadastrale situatie is op de onderstaande afbeelding weergegeven. Tevens is de grens van het plangebied ingetekend.
begrenzing plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het perceel Venrayseweg 89 te Horst is gelegen in het bestemmingsplan 'Peelkernen' zoals vastgesteld op 10 november 2009 en heeft de bestemming 'Bedrijf’. Er is volgens de planregels geen (bedrijfs)woning toegestaan. Er zijn verder uitsluitend bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zoals opgenomen in een bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. In deze bedrijvenstaat komen echter geen specifieke (sport)medische bedrijven, zorginstellingen, revalidatiecentra of daarmee gelijk te stellen bedrijven c.q. inrichtingen voor. Het beoogde project is derhalve in strijd met de geldende planregels. Het geldende bestemmingsplan kent verder ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om de beoogde verbouwing mogelijk te maken.
uitsnede verbeelding BP ‘Peelkernen’
Pagina | 7
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het geldende rijks-, provinciale - en gemeentelijke ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling zelf (het plan) alsmede de ruimtelijke (waaronder stedenbouwkundige, verkeerskundige en landschappelijke) inpassing. In hoofdstuk 5 worden de relevante milieu - en ruimtelijk sectorale aspecten beschreven en worden alle onderzoeksresultaten behandeld. De uitvoerbaarheid is beschreven in hoofdstuk 6. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan wordt beschreven in hoofdstuk 7.
Pagina | 8
HOOFDSTUK 2 2.1
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
Algemeen
Het plangebied is nagenoeg geheel verhard en bestaat uit een gebouw met erfverharding (zowel voor- als achtererf). In het gebouw was tot 1995 de zogenaamde agrarische school gehuisvest. Nu staat het hele gebouw leeg. Op de randen van het plangebied/percelen bevinden zich kleine groenelementen zoals een paar bomen en een haag. Het plangebied grenst aan de voorzijde aan de Venrayseweg die ter plaatse bestaat uit 2 rijbanen, met in beide richtingen separate fietspaden en trottoirs. Direct tegenover plangebied bevindt zich een bushalte. Aan de achterzijde grenst het plangebied aan de sportvelden van HC Horst.
luchtfoto huidige staat plangebied
voorzijde gebouw (1)
Pagina | 9
voorzijde gebouw (2)
2.2
Ruimtelijke structuur plangebied e.o.
De hoofdstructuur van Horst wordt bepaald door de belangrijkste ontsluitingswegen: de Meterikseweg; de Americaanseweg; de Venloseweg; de Venrayseweg; de ring rond het centrum (binnenring). De binnenring vormt zowel ruimtelijk als functioneel de begrenzing van het centrum van Horst. Aan de oostzijde wordt Horst begrensd door de A73. In alle woonwijken is deze oorspronkelijke ontsluitingsstructuur met lintbebouwing nog zichtbaar en functioneel aanwezig, en is daarmee een helder structurerend element en herkenningspunt, evenals de binnenring. De Kabroekse beek loopt – deels zichtbaar, deels overkluisd - dwars door Horst, van het westen naar het noordoosten, richting de ruïne van een kasteel. In het noordoosten van Horst ligt een “Groene Wig”. Dit open gebied is gedeeltelijk nog in gebruik als akkerbouwgebied. Door de ligging van het plangebied langs de Venrayseweg maakt het plangebied deel uit van het ‘entreegebied’ van Horst (vanuit het noorden) en bevindt zich doordoor op een belangrijke locatie.
2.3
Functionele structuur plangebied e.o.
Het plangebied ligt in een gebied met een menging van diverse functies. Het plangebied zelf kent geen specifieke functie op dit moment. Het gebouw staat leeg. In de directe omgeving van het plangebied echter bevinden zich maatschappelijke functies zoals de sportvelden van HC Horst, een middelbare school (Dendron College) en Afslag 10. Daarnaast zijn er naast en tegenover het plangebied woningen aanwezig en in de directe nabijheid ook bedrijven zoals een restaurant en een fitnesscentrum. Het plangebied is gelegen langs de Venrayseweg; verkeerskundig gezien een zeer belangrijke en drukke ontsluitingsweg van de kern Horst (vanuit het noorden). Voor het plangebied bevindt zich dan nog een openbaar vervoerfunctie in de vorm van een bushalte.
Pagina | 10
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
Horst is ontstaan langs de belangrijke doorgaande weg van Venray naar Venlo. Er is sprake van een centraal gelegen kerk, uit de 14e eeuw, met linten van bebouwing langs de wegen die naar de omliggende dorpen lopen. Tussen die linten zijn planmatige nieuwbouwwijken aangelegd. Deze nieuwe woongebieden zijn in verschillende periodes gebouwd, wat goed is af te lezen uit de stedenbouwkundige structuur en de architectuur. Het bestaande gebouw van de voormalige agrarische school is geen rijks-of gemeentelijk monument, maar is wel een gebouw van cultuurhistorische waarde. Het gebouw is opgenomen op de gemeentelijke inventarisatiekaart waardevolle objecten als ‘karakteristiek pand’. De specifieke cultuurhistorische en architectonische waarde van het pand wordt beschermd door de bestaande buitengevel van het pand geheel te handhaven. Hierdoor blijft de bestaande structuur gehandhaafd en de historie leesbaar. Voor meer informatie, wordt verwezen naar de toelichting en tekeningen die zijn opgenomen in paragraaf 4.2 van deze plantoelichting.
Pagina | 11
HOOFDSTUK 3 3.1
BELEID
Inleiding
In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal-, regionaal - en gemeentelijk ruimtelijk en planologisch beleid op de van belang zijnde beleidsthema’s. Ook de toetsing van het project aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is in dit hoofdstuk opgenomen.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is het nieuwe kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Verstedelijkingsbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten.
Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten betekent dat nieuwe bebouwing voor deze functies grotendeels geconcentreerd wordt gelokaliseerd, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. Daarbij wordt aangesloten op bestaande ruimtelijke structuren. Met de onderhavige planontwikkeling zijn geen nationale belangen gemoeid. Het project behelst de realisatie van een woning, een sportmedisch centrum en revalidatiecentrum voor ouderen, deels binnen een bestaand (leegstaand) gebouw alsmede op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied.
3.2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat: a. een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, b. indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
Pagina | 12
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 (dorpskern Annen)). Voor 'andere stedelijke voorzieningen' (naast wonen) wordt in een overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017:ECLI:NL:RVS:2017:1724) gesteld, dat voor deze stedelijke functies als bedoeld in artikel 1.1.1 artikel 1 onder i van het Bro in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag 2 minder dan 500 m bedraagt.
Bestaat de andere stedelijke voorziening uit de toevoeging van een 2 gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m . De volgende vraag is of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling vormt. Bij de beantwoording van deze vraag moet worden beoordeeld welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe planologisch-juridische regime mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande planologisch-juridische regime en in hoeverre het plan - in vergelijking met het voorgaande planologisch-juridische regime - voorziet in een functiewijziging. Voortoetsing Ladderplichtigheid Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van één burgerwoning en een zorggebouw (sport-medische centrum en centrum voor ouderenrevalidatie). Zowel woningbouw als de bouw van een zorggebouw/gezondheids-of revalidatiecentrum e.d. zijn – zowel ruimtelijk als planologische gezien – te beschouwen als ‘stedelijke ontwikkeling’. 2
2
Het bestaande gebouw kent een BVO van 594 m . De nieuwbouw kent een BVO van 1210 m (d.w.z 2 2 een toename van 616 m ). Daarmee wordt de jurisprudentiële 500 m -grens overschreden. De genoemde enkele woning, vormt geen te ontwikkelen ‘woningbouwlocatie’ en hoeft niet getoetst te worden aan de LDV. Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan 'Peelkernen' en heeft de bestemming 'Bedrijf’. Er is volgens de planregels geen (bedrijfs)woning toegestaan. Er zijn verder uitsluitend bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 - zoals opgenomen in een bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - toegestaan. In deze bedrijvenstaat komen echter geen specifieke (sport)medische bedrijven, zorginstellingen of daarmee gelijk te stellen bedrijven c.q. inrichtingen voor. Het beoogde project is derhalve in strijd met de geldende planregels en vormt hiermee een nieuwe stedelijke ontwikkeling op deze plaats. Deze dient getoetst te worden aan de LDV. Toetsing Ladder voor duurzame verstedelijking Ad a. De komende jaren neemt het aantal ouderen snel toe, hiermee groeit ook het aantal kwetsbare ouderen. Ondanks het feit dat het beeld van de ouderen verandert: ouderen zijn vitaler, fitter en mondiger dan vroeger, zal met name de zorgvraag in de eerstelijnszorg toenemen. • • •
Van de mensen van 65 jaar en ouder heeft 70 procent een chronische ziekte. Van de mensen van 75 jaar en ouder heeft de helft meer dan één chronische ziekte. Van de mensen van 75 jaar en ouder met een chronische ziekte heeft 63 procent twee of meer chronische ziekten (multimorbiditeit) en 32 procent drie of meer.
Pagina | 13
Dit betekent dat in de komende jaren de druk op de eerstelijnsprofessionals nog verder zal toenemen. De zorgorganisatie zal zich moeten aanpassen aan deze veranderingen wil zij de toenemende zorg zowel inhoudelijk als qua kosten kunnen uitvoeren. Er is sprake van toenemende druk en gebrek aan samenwerking in het huidig medisch model. Dit model hanteert vooral de stoornis/het tekort/het probleem als uitgangspunt bij de behandeling van en zorg voor cliënten. Vaak is het registreren en protocolleren belangrijker dan de vraag van de cliënt. Met andere woorden: de cliënt moet passen in het systeem in plaats van dat het systeem zich aanpast aan de vraag en/of behoefte van de cliënt. Het zal duidelijk zijn dat dit ten koste gaat van de zelfregie en daarmee van de autonomie van de ouder wordende mens. Hulpvragen worden beantwoord met oneigenlijke acties welke de gezondheidszorg onnodig duur maken. Mede hierdoor voelen vele ouderen zich niet gehoord en ervaren ze een gebrek aan welzijn en zingeving. Ouderen geven aan dat zij meer gebaat zijn bij een visie waarbij alle aspecten van de mens betrokken worden: zingeving, omgeving, stijl van leven, voeding etc., de zogenaamde holistische visie. Dan wordt er meer recht gedaan aan de daadwerkelijke problemen, die zich overigens meestal afspelen op functioneel niveau en vaak niet kunnen worden opgelost met medicamenteuze interventies.
De oplossing zal juist gezocht moeten worden in het aanpassen van de leef– en/of woonomgeving, het vergroten van de functionele reserves door paramedische interventies of het (re-)organiseren van het mantelzorgsysteem. Herstel is mede afhankelijk van de draagkracht en de ondersteuning vanuit het eigen gezin en het sociale netwerk. Mensen drukken zelf een belangrijke stempel op de stappen die genomen moeten worden en kunnen ondanks hun beperkingen weer de regie over hun leven en gezondheid nemen. Goede en adequate zorg is belangrijk. Hierbij geldt dat de mensen op een professionele en menselijke wijze geholpen worden. De initiatiefnemer wil met het revalidatiecentrum voor ouderen (hierna ook: RCVO) op beide fronten zorg bieden die zowel qua inhoud, afstemming en samenwerking maar ook qua kosten toekomstbestendig is. De initiatiefnemer stelt als doel: Het bieden van adequate en passende medische hulp, begeleiding en advisering aan kwetsbare ouderen. Leidraad is de zelfregie van de cliënt gericht op het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor de zorg van het eigen lichaam en welzijn en de stimulering om dit te verankeren in hun levensstijl. De focus ligt onder andere op: •
Preventie: door meer nadruk te leggen op welbevinden en veerkracht dan op ziekte, bijvoorbeeld door aandacht te geven aan gezond eten en genoeg bewegen.
•
Aandacht en de juiste ondersteuning: Het goed naar boven halen van wensen en behoeften van de cliënt. Goede begeleiding is essentieel binnen de zorg: in gesprek gaan, luisteren, verdiepen, onderzoeken en motiveren en overtuigen.
•
De eigen regie bevorderen: De regie ligt meer bij de cliënt. Dat betekent een verschuiving van 'zorgen voor' naar 'zorgen dat'.
Uitgangspunten:
Het doel is om bij kwetsbare ouderen, die tijdelijk niet thuis kunnen verblijven , de zelfredzaamheid te vergroten. Na de revalidatieperiode in het RCVO kunnen ze (met ondersteuning) langer zelfstandig thuis blijven wonen en hun algemene dagelijkse levensverrichtingen weer zoveel mogelijk zelf verrichten.
Ouderen die na een ziekenhuisopname (bv. operatie) nog niet naar huis kunnen, worden eveneens opgevangen. Ook hen begeleiden we naar en in een thuissituatie waarin ze zichzelf weer kunnen redden.
Pagina | 14
Perspectief heeft de rechtsvorm ‘Stichting zonder winstoogmerk’ (een ANBI: Algemeen Nut Beogende Instelling). Het rendement dat Stichting RCVO Perspectief behaalt, wordt geïnvesteerd in verbeteringen en vernieuwingen in de ouderenzorg en in het uitbreiden van het aantal Revalidatie Centra voor Ouderen.
Het eerstelijnsverblijf biedt medisch noodzakelijke zorg. Hierbij zijn ingegrepen de huisvestingskosten, inventaris, eten en drinken afgestemd op de behoeften van de cliënt, schoonmaak, linnengoed, outillagemiddelen etc.
De initiatiefnemer legt veel nadruk op gezonde voeding als medicijn en stimuleren meer bewegen tijdens het verblijf van de cliënten in het revalidatiecentrum.
Het revalidatiecentrum werkt nauw samen met het lokale zorgnetwerk en is gelieerd aan onze praktijk Ouderengeneeskunde.
De geneeskundige zorg wordt geleverd door onze: - Specialisten Ouderengeneeskunde - Huisartsen met en zonder specialisatie - Verpleegkundigen met en zonder specialisatie - Verzorgenden - Verzorgenden in opleiding (intern)
De paramedische zorg omvat fysiotherapie, oefentherapie Mensendieck/Cesar, logopedie, diëtetiek en ergotherapie, passende bij de eerstelijns verblijfsindicatie.
Ook een tandarts en een medisch voetpedicure behoort tot het team.
De initiatiefnemer biedt ook psychologische zorg. Deze (ingehuurde) gedragsdeskundigen worden als medebehandelaar gezien, naast onze eigen specialisten en huisartsen.
Ons eerstelijnsverblijf kent één toegankelijk tarief, namelijk € 330,00 per verblijfsdag all-in.
Ad b. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
3.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ((Barro) voorheen ook genoemd: AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB’s) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Met de onderhavige planontwikkeling zijn geen nationale belangen gemoeid waarbij geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks doorwerken in dit bestemmingsplan. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn.
Pagina | 15
3.3
Provinciaal beleid
Op 12 december 2014 zijn door Provinciale Staten het POL2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeer en- Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Zowel het POL 2014 als de Omgevingsverordening als het PVVP zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. 3.3.1
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014
Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), provinciaal verkeer- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL 2014 formuleert de provincie een aantal zogenoemde ‘Limburgse principes’ welke de komende jaren richtinggevend zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 3. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het POL 2014 geeft aan dat het plangebied getypeerd kan worden als 'overig bebouwd gebied'.
Dit zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorpskarakter.
uitsnede POL-kaart zonering Limburg
Binnen dit gebiedstype liggen de accenten op: Transformatie van de regionale woningvoorraad; Bereikbaarheid; Balans voorzieningen en detailhandel; Stedelijk groen en water; Kwaliteit van de leefomgeving. Eén van de principes die in het POL 2014 is verwoord is dat kwaliteit centraal staat. Kwaliteit centraal betekent dat we zorgvuldig moeten omgaan met onze voorraden: onze ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), onze voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), onze natuurlijke hulpbronnen, onze milieuruimte en onze ondergrond. In het POL wordt dit vertaald in een aantal principes, die als uitgangspunt gelden bij de te maken keuzes. Eén van deze principes is dat leegstaande (cultuurhistorische en beeldbepalende) gebouwen zoveel mogelijk worden herbenut.
Pagina | 16
Er moet gekeken worden of er een leegstaand rijksmonument, gemeentelijk monument, beschermd stads- of dorpsgezicht of ander leegstaand gebouw geschikt (te maken) is om nieuwe stedelijke functies te huisvesten. Het plan behelst de realisatie van een woning en een sport-medisch centrum en revalidatiecentrum voor ouderen, deels binnen een bestaand leegstaand cultuurhistorisch waardevol pand, met behoud van de waardevolle karakteristieke buitengevel, e.e.a op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd moet worden dat dit project op deze plek past binnen de beleidsambities zoals gesteld in het POL. 3.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De Omgevingsverordening Limburg 2011 was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de Verordening: 1. Het hoofdstuk bevat geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. 2. Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wet ruimtelijke ordening slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte.
Reikwijdte verordening Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (LDV) 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Dit plan is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze LDV-toetsing is in paragraaf 3.2.2 van deze plantoelichting opgenomen. Verder is aangetoond in dit bestemmingsplan dat het bestaande gebouw van de voormalige agrarische school - geen rijks-of gemeentelijke monument, maar wel een cultuurhistorisch waardevol gebouw - deel uitmaakt van het beoogde nieuwe woon-zorggebouw. Het bestaande karakteristieke pand zal deels herbenut worden en een nieuwe functie krijgen als woning, zorg- en revalidatiecentrum. Verwezen wordt hier naar paragraaf 4.2 van deze plantoelichting.
Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening stelt verder dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
Pagina | 17
De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat verder een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De paragrafen 3.4.1 en 3.5.2 van deze plantoelichting bevat de resultaten van de toetsing van het plan aan de Regionale structuurvisie Wonen en het gemeentelijke Masterplan Wonen. Hieruit blijkt dat het plan in overeenstemming is met het regionale en gemeentelijke woonbeleid. Verwezen wordt hier naar beide paragrafen.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Structuurvisie Wonen Noord-Limburg
De nieuwe Regionale Structuurvisie Wonen Limburg-Noord is een visie waarmee de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Samen met alle woonpartners zijn een vijftal inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van deze visie. De pijlers rusten op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. Ze zijn samen te vatten in: 1. 2. 3. 4. 5.
Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor specifieke groepen; Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; Een levensloopvriendelijke en duurzame regio.
Samen wil de regio een breed palet aan woonmilieus bieden dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van deze regio. De vergroting van huurwoningen in de regio is hierbij een belangrijk speerpunt. Verder beoogt de Structuurvisie een dynamisch beheer van de woningvoorraad te bevorderen. Onderdeel hiervan is het voortdurend werken aan de kwaliteit en de geschiktheid van de bestaande voorraad. Vooral in de meer stedelijke wijken vraagt dit aandacht. Maar ook de leefomgeving in de kernen staat op sommige plekken onder druk. Leegkomende en leegblijvende panden kunnen versneld een spiraal naar beneden inzetten. Vandaar dat hergebruik en herbestemming van leegstaande panden belangrijk is. De Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is op gemeentelijk niveau uitgewerkt in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Integrale structuurvisie Horst aan de Maas
Op 9 april 2013 is de Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Het betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen staat voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd.
Pagina | 18
Het grondprincipe van het gemeentelijk (en provinciaal) kwaliteitsmenu (GKM) is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als buiten de ‘rode contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Het GKM is van toepassing op ontwikkelingen die niet rechtstreeks of via een flexibiliteitbepaling (zoals wijzigings- of afwijkingsregels) zijn toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Veel kleinere ontwikkelingen kunnen dan ook vaak zonder toepassing van het GKM doorgang vinden. Het perceel Venrayseweg 89 te Horst ligt - volgens de bij de structuurvisie behorende gebiedsindeling binnen het gebied 6A ‘centrumdorpen’. Ten aanzien van nieuwe, solitaire woningen hanteert de structuurvisie hier een zogenoemde 'ja, mits' benadering (meedenkende grondhouding). Voor overige stedelijke functies geldt een ‘ja-benadering (positieve grondhouding). Volgens de Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas (Evaluatie 2015) kunnen woningen in 'overig bestaand vastgoed' binnen de kern worden toegestaan voor zover sprake is van 'behoudenswaardig vastgoed'.
Het pand Venrayseweg 89 te Horst staat op de gemeentelijke Inventarisatiekaart waardevolle objecten als 'karakteristiek pand'. Er is geen afdracht nodig of oplossing van een knelpunt, omdat met de nieuwe invulling een karakteristiek, cultuurhistorisch waardevol pand deels behouden blijft. Een voorwaarde is dan ook dat met respect wordt omgegaan met de bestaande bebouwing.
evaluatie structuurvisie/tabel woningbouw
3.5.2
Masterplan Wonen Horst aan de Maas
Het Masterplan Wonen Horst aan de Maas, goed wonen voor iedereen, zoals op 14 juni 2016 door de raad vastgesteld, is de lokale uitwerking van de regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In het Masterplan Wonen zijn drie beleidsopgaven geformuleerd, namelijk: 1. 2. 3.
Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde; Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en bestaande wijken door verduurzaming in brede zin.
Pagina | 19
De beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het masterplan Wonen (2016-2021), waaronder: •
Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw.
•
Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt in het programma wonen extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren.
•
Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven.
•
In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.
•
Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden.
•
Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen.
Het plan behelst de realisatie van een koopwoning, een sport-medisch centrum en revalidatiecentrum voor ouderen, deels binnen een bestaand leegstaand cultuurhistorisch waardevol pand, met behoud van de waardevolle karakteristieke buitengevel. Dit plan past binnen het Masterplan Wonen omdat met de woning een bijdrage wordt geleverd aan de beleidsambitie om meer duurzame, energiezuinige en levensloopbestendig woningen te realiseren. Verder wordt de woning gerealiseerd binnen een bestaand – leegstaand – cultuurhistorisch waardevol gebouw binnen bestaand stedelijk gebied .
3.6
Conclusie
Nu het plan in overeenstemming is met het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk ruimtelijke beleid en de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan het enige probleem is, heeft de gemeente Horst aan de Maas besloten om medewerking te verlenen aan een herziening van het vigerende bestemmingsplan.
Pagina | 20
HOOFDSTUK 4
4.1
PLANBESCHRIJVING
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
P&C Innovatieve Projecten BV is een bedrijf dat zich bezig houdt met het realiseren van nieuwe innovatieve projecten op het gebied van zorg en gezondheid. De initiatiefnemer beoogt de dit plan het bestaande gebouw aan de Venrayseweg 89 te verbouwen tot een multidisciplinair gezondheidscentrum en een revalidatiecentrum waar kwetsbare ouderen tijdens een revalidatieproces tijdelijk kunnen verblijven. De ambitie is om een groot aantal (para)medische disciplines onder één dak te brengen zodat patiënten/cliënten zowel op fysiek-, psychisch- en gedragsmatig gebied geholpen kunnen worden. . De initiatiefnemer heeft al meerdere van dergelijke gezondheidscentra gerealiseerd. In de regio Noord-Limburg heeft men gezondheidscentrum ‘Zorg de Keizer’ in Venray gerealiseerd. Voor meer info zie: www.zorgdekeizer.nl Langs de noordelijke invalsweg van Horst, aan de Venrayseweg 89 te Horst is in de jaren vijftig van de vorige eeuw dit beeldbepalende karakteristieke schoolgebouw ten behoeve van de huisvesting van de toenmalige landbouwschool gerealiseerd; na vertrek van de landbouwschool naar een andere locatie is het vrijwel in originele staat behouden pand lange tijd in gebruik geweest als kleinschalig bedrijvencentrum.
4.2
Stedenbouw, architectuur, bouwkundige maatvoering en duurzaamheid
4.2.1
Stedenbouw, architectuur en landschappelijk inpassing
Uitgangspunt bij het ontwerp was behoud van zoveel mogelijk karakteristieke architectonische elementen van het voormalige schoolgebouw zoals de beeldbepalende kop met centrale entree en de lange muur parallel aan de Venrayseweg. De constructieve opzet en indeling van het bestaande gebouw laten een economisch verantwoorde herindeling tot sport-medisch gezondheidscentrum en voor kortdurend verblijf van kwetsbare ouderen in een revalidatiecentrum niet zonder meer toe. Zonder noemenswaardige constructieve en architectonische ingrepen is de karakteristieke kop van het gebouw echter wel goed om te bouwen en geschikt te maken voor bewoning. Het parallel aan de Venrayseweg gelegen bouwdeel met de klaslokalen is met uitzondering van de karakteristieke beeldbepalende lange gevel gelet op voornoemde constructieve opzet en indeling niet te behouden en aan te passen, derhalve is voor dit deel gekozen voor het met behoud van de gevel slopen en het achter de oude te behouden gemetselde gevel waarin de gaten ter plaatse van de raamopeningen verwijzen naar de voormalige functie, plegen van vervangende nieuwbouw in een efficiënte en sobere vormgeving zodat deze in architectonische zin de aandacht niet van de oorspronkelijke gevel afleidt.
De constructieve opzet van het qua bouwhoogte in stedenbouwkundige zin in het straatbeeld ingepaste gebouw en de gevelindeling met de doorlopende bandramen maken daarbij meerdere indelingen van ruimten mogelijk zonder dat dit in het gevelbeeld afleesbaar is. Qua landschappelijke inpassing wordt er naar gestreefd het parkeren rondom het gebouw met de nodige aandacht voor infiltratie van hemelwater zoveel mogelijk in het groen in te passen; de ruimte tussen de voormalige gevel en de daarachter gelegen vervangende nieuwbouw zal daartoe en met het oog op preventie van criminaliteit als vijver worden ingericht.
Pagina | 21
Het ontwerp is door de commissie ruimtelijke kwaliteit akkoord bevonden.
4.2.2
Bouwkundige maatvoering
woning 3
De woning bestaat uit de (bestaande) bruto inhoud van dat betreffende gebouwdeel (880 m , exclusief de kelder). De woning kent een frontbreedte van 11,6 meter en een diepte van 13 meter. De woning wordt afgedekt door middel van een kapconstructie (uitgezonderd een aangebouwd bijgebouw (dat een plat dak kent)). De goot- en bouwhoogte bedragen maximaal 5 resp. 9,4 meter.
Pagina | 22
Sport-medisch- en revalidatiecentrum 3
Het gebouw kent een bruto inhoud van 4363 m . Het gebouw kent een frontbreedte van 32,8 meter en een diepte van 18,5 meter. Het gebouw wordt afgedekt door middel van een plat dak. De gootc.q. bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter.
Pagina | 23
Het gebouw is in te delen in maximaal 10 –flexibel in te delen - units voor sport-medische activiteiten en maximaal 20 kamers voor de revalidatie van ouderen.
Pagina | 24
Pagina | 25
4.2.3. Duurzaamheid De te kiezen materialen zullen zo duurzaam als mogelijk worden toegepast. Verder wordt voorzien in goede isolatie zodat de energiebehoefte zo laag mogelijk zal zijn en volstaan kan worden met een beperkte verwarmingsinstallatie (warmtepomp). Tevens zullen er pv panelen (zonnepanelen) worden toegepast die zowel voorzien in opwekken van elektra maar ook zullen bijdragen aan het opwarmen van tapwater.
4.3
Brand- en sociale veiligheid
Brandveiligheid Het bouwplan zal uiteraard volledig voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit zal worden getoetst door een brandveiligheidsadviesbureau. Op deze manier zal er sowieso een minimaal veiligheidsnivo worden behaald maar het zal ook verder worden uitgewerkt naar een hoger nivo zodat gebruikers op een veilige manier in het pand kunnen verblijven. Sociale veiligheid De gemeente Horst aan de Maas bevordert verder veiligheid, vooral in en om woningen, scholen en zorginstellingen. Hiermee wordt getracht de kleine criminaliteit terug te dringen en de sociale veiligheid in de (semi)openbare ruimten en de directe (woon)omgeving te verbeteren. De sociale veiligheid om de beoogde woning en het beoogde zorggebouw wordt gegarandeerd doordat de ontsluiting van het gebouw plaatsvindt via een openbare weg. Rondom het plangebied is voldoende openbare straatverlichting aanwezig.
Pagina | 26
HOOFDSTUK 5
5.1
SECTORALE
ASPECTEN
Inleiding
In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan de sectorale aspecten. Per sectoraal aspect zijn aandachtspunten en een toets/afweging weergegeven.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van het onderhavige plan worden binnen het plangebied nieuwe bodemgevoelige functies toegelaten in de vorm van een woning en een zorggebouw (sport-medisch- en revalidatiecentrum). Voordat door middel van dit bestemmingsplan deze nieuwe functies mogelijk worden gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Vooronderzoek bodem Econsultancy BV heeft een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er sprake is van langdurige bebouwing (minstens 120 jaar), parkeerplaatsen op het terrein en asfaltverharding, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de mogelijke bijmenging van verhardingsmateriaal. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden.
Pagina | 27
Verkennend bodemonderzoek In september 2020 is het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In onderstaande tabel zijn de uitvoering en de resultaten van het onderzoek schematisch weergegeven.
Tabel: Onderzoeksopzet, resultaten voor- en bodemonderzoek
Eindconclusie Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” stand houdt. In de grond zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK aangetoond. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de bestemmingsplanwijziging en / of de uitbreiding van het bedrijfspand. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Voor de volledige inhoud van de beide bodemonderzoeken wordt verwezen naar de bijgevoegde rapporten die als bijlage 1 en 2 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.
5.2.2
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) beschermt de volgende geluidsgevoelige objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen); geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). De Wgh stelt grenzen aan de toegelaten geluidsbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten als gevolg van wegen (wegverkeer), spoorwegen (railverkeer) en industrieterreinen (industrielawaai). In casu speelt hier alleen wegverkeerslawaai.
Pagina | 28
Wegverkeerslawaai Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt voor een nieuw geluidsgevoelig gebouw binnen stedelijk gebied 63 dB (art.83 lid 2 Wgh). De gemeente Horst aan de Maas heeft geen eigen geluidbeleid. Het plangebied ligt zowel binnen de geluidzone van de Venrayseweg, de A73 en de Wittebrugweg. Op basis van de Wgh is het derhalve noodzakelijk om een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te laten verrichten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Paulus Potterstraat en de Vermeerstraat) in het onderzoek betrokken. Econsultancy BV heeft een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht. Hierin is het volgende geconstateerd. Voor het te verbouwen deel is reeds een tekening opgesteld met de indeling van de woning.
Voor elke zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 5.21. De geluidsbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemming bedraagt ten hoogste 53 dB ten gevolge van de A73. De geluidsbelasting voldoet aan de maximaal te ontheffen waarde 53 dB. De geluidsbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemming bedraagt ten hoogste 59 dB ten gevolge van de Venrayseweg. Er wordt voldaan aan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. vaststelling hogere grenswaarden Voor de A73 en de Venrayseweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Ten gevolge van de A73 en de Venrayseweg wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. Voor het plan dienen hogere waarden te worden aangevraagd. Het pand staat op de gemeentelijke Inventarisatiekaart waardevolle objecten als een ‘karakteristiek pand’. Een voorwaarde is dat met respect wordt omgegaan met de bestaande bebouwing. Het plan betreft een transformatie van een bestaand pand, waarbij conform het Bouwbesluit het van rechtens verkregen niveau geldt. Derhalve is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels voor het pand niet gewenst.
Voor de volledige inhoud van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het bijgevoegde rapport dat als bijlage 3 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
5.2.3
Luchtkwaliteit
De normering met betrekking tot luchtkwaliteit is geregeld in hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer (‘Wet Luchtkwaliteit’). Hierin wordt de programma-aanpak geïntroduceerd. Alle projecten binnen een programmagebied kunnen hierdoor doorgang vinden mits de Nederlandse overheden voldoende maatregelen nemen om overal in het gebied aan de grenswaarden te voldoen. De programma-aanpak is gekoppeld aan inwerkingtreding van de nieuwe Europese richtlijn voor luchtkwaliteit. De programma-aanpak uit de Wet krijgt vorm in gebieden waar de luchtkwaliteit de Europese normen overschrijdt (overschrijdingsgebieden). Gezamenlijk wordt gewerkt door gemeenten, WGR+-regio's, provincies en Rijk, aan dit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.
Pagina | 29
Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) bevat de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: inrichtingen infrastructuur kantoorlocaties woningbouwlocaties Stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10)vanwege de woning Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het plan voorziet in de realisatie van slechts 1 woning. Het project is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit.
Stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) vanwege de verkeersaantrekkende werking De exploitatie van het zorggebouw genereert een beperkte hoeveelheid autoverkeer. Het nieuwe plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen per gemiddeld weekdagetmaal. Dat is toe te schrijven aan gemotoriseerd verkeer door: bezoekers van het zorggebouw; personeel van het zorggebouw; bevoorradingsverkeer. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie sluit de gemeente Horst aan de Maas aan bij de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018). De CROW relateert verkeersgeneratienormen aan de stedelijkheidsgraad van een gebied en aan diverse (stedelijke) zones. In het kader van deze publicatie kan voor de kern Horst uitgegaan worden van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) en drie zones (centrum-rest bebouwde kom-buitengebied). Het hele plangebied kan derhalve verkeerskundig gekwalificeerd worden als: weinig stedelijk gebied; rest bebouwde kom. De CROW-publicatie kent expliciete verkeersgeneratienormen voor gezondheidscentra, maar niet voor verzorgingshuizen of revalidatiecentra. De feitelijke bepaling van de verkeersgeneratie is alleen mogelijk via specifiek verkeerskundig onderzoek.
Er wordt echter in het kader van dit plan voor het gehele functionele programma van het zorggebouw (sport-medische functies en revalidatiecentrum) getoetst aan de (hoge) verkeersgeneratienormen van gezondheidscentra. Daardoor wordt derhalve getoetst aan een worst case scenario. Een en ander leidt tot de volgende maximale verkeersgeneratie door dit plan: functie zorggebouw
gebieds-en functiekwalificatie - weinig stedelijk - rest bebouwde kom - 30 units (10 sport-medische units en 20 kamers revalidatie ouderen)
*gemiddeld aantal verkeersbewegingen (vbw) per weekdagetmaal
normering max. 22,1 vbw/ behandelkamer
Verkeersgeneratie * 663
Pagina | 30
De berekende verkeersgeneratie bedraagt dus maximaal 663 verkeersbewegingen per gemiddeld weekdagetmaal met een aanname van 95 % personenverkeer en 5% vracht-c.q. bevoorradingsverkeer. Met behulp van de NIBM-tool (versie: 15 mei 2018) is de maximale toename van fijnstof en stikstofdioxide bepaald door de verkeersaantrekkende werking vanwege dit plan.
NIBM-tool
Conclusie Uit de tool volgt dat de maximale bijdrage van de verkeersaantrekkende werking aan de luchtkwaliteit 3 3 1,05 μg/m stikstofdioxide (NO2) en 0,15 μg/m fijn stof (PM10) bedraagt. De verkeersaantrekkende 3 werking valt hiermee ruimschoots binnen de ‘niet in betekende mate’ grens van 1,2 μg/m .
5.2.4
Bedrijven en milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies of gebieden. Om deze milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. Vooruitlopend op de komst van de nieuwe Omgevingswet in 2021 heeft de VNG echter ook een nieuwe publicatie opgesteld (‘Rapport Milieuzonering nieuwe stijl’ (mei 2019)). De nieuwe Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is ‘ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit’. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder worden geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Een belangrijke vraag bij de integratie van ruimte en milieu is hoe om kan worden gegaan met bedrijvigheid. Binnen het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ is hiervoor door de VNG de staalkaart ‘bedrijfsmatige activiteiten’ voor het omgevingsplan opgesteld.
De staalkaart bevat een aantal mogelijkheden (niet uitputtend) voor de wijze van regulering van bedrijfsmatige activiteiten. De VNG ziet goede kansen om onderdelen van de staalkaart nu al toe te passen. Dit heeft geleid tot een nieuwe publicatie: het met een ‘milieuzonering nieuwe stijl’ reguleren van bedrijven in omgevingsplannen en – vooruitlopend daarop – nu al in bestemmingsplan verbrede reikwijdte in het kader van de Crisis-en herstelwet. Voor de reguliere bestemmingsplannen en buitenplanse omgevingsvergunningen blijft de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ bruikbaar. De nieuwe VNG-publicatie is dan ook een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.
Pagina | 31
In het kader van het onderhavige plan wordt gekozen om de afwegingen rondom milieuzonering te doen plaatsvinden met behulp van de toepassing van de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Invloed milieuhinder op en vanaf het plangebied Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk gebied van Horst met in en om het plangebied een brede diversiteit aan stedelijke functie zoals woningen, bedrijven, horeca, onderwijs-en sportvoorzieningen en verkeer. Dit betekent dat het plangebied e.o. gekwalificeerd moet worden als omgevingstype 'gemengd gebied'. De belangrijkste milieubelastende functies in en om het plangebied betreffen: het beoogde gezondheidscentrum; SBI-code (2008):8621-8622-8623; artsenpraktijken, klinieken, dagverblijven; milieucategorie 1 (aanbevolen afstand 10 meter (en 0 meter gecorrigeerd)); sportvelden HC Horst; SBI-code (2008): 931-G; veldsportcomplex (met verlichting); milieucategorie 3.1 (aanbevolen afstand 50 meter (en 30 meter gecorrigeerd)). De dichtstbij gelegen gevoelige functies zijn de beoogde extra woning binnen het plangebied en de bestaande woningen aan de Venrayseweg 87 en 91. De afstand tussen het beoogde gezondheidscentrum en deze woningen bedragen resp. 0, 27 en 15 meter. Hiermee wordt voldaan aan de aanbevolen en acceptabele afstanden tussen beide functies. De afstand tussen de nieuwe woning en het dichtst bijgelegen sport(hockey)veld van HC Horst bedraagt ca. 30 meter. Hiermee wordt ook voldaan aan de aanbevolen en acceptabele afstanden tussen beide functies.