04c Bijlage 1 Conceptstudie CB5 d.d. 29-10-2025
Tekst van het document
Samenvattingstabel
Omgevingsverkenner Steeg te Sevenum projectnummer 0502302.100 19 mei 2025
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Er worden wettelijke grenswaarden gesteld aan de concentratie van verschillende verontreinigende stoffen in de lucht. Van deze diverse verontreinigende stoffen zijn over het algemeen stikstofdioxide (NO2) en zogenoemd fijnstof (PM10) maatgevend. Toetsing aan de omgevingswaarden is niet aan de orde als het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zoals bepaald in artikel 5.53 Bkl, dat dezelfde werking heeft als artikel 5.16 lid1 sub c in de huidige Wet milieubeheer. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Naast toetsing aan de omgevingswaarden geldt dat in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hiertoe zal moeten worden beoordeeld of de luchtkwaliteit binnen het onderzoeksgebied aanvaardbaar is.
Beoordeling De ontsluiting van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bepaalt in grote mate of er luchtkwaliteitsknelpunten zullen optreden. De huidige luchtkwaliteit van de onderzoekslocatie is relatief goed. Als gevolg van het planvoornemen neemt het aantal verkeersbewegingen naar verwachting toe. Een nadere beschouwing in de vorm van een NIBM-toets kan uitsluitsel geven.
Samenvattingstabel
Omgevingsverkenner Steeg te Sevenum projectnummer 0502302.100 19 mei 2025
Wateroverlast Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Door klimaatverandering neemt het aantal extreme buien toe, zowel in aantal als intensiteit. Het zal dus steeds vaker, steeds harder regenen in Nederland. Bovendien wordt open grond in steeds meer verhard door stenen en gebouwen. Dit brengt risico's met zich mee. Het overtollige regenwater kan niet verwerkt worden, waardoor de kans op wateroverlast stijgt. Dit bedreigt ons comfort en onze veiligheid en leidt tot materiële en immateriële schade. Om de kwetsbaarheid en risico’s voor wateroverlast van de beoogde situatie te beoordelen, zijn de waterdiepte bij kort heftige buien met een kans van 1 in de 100 jaar én met een kans van 1 in de 1.000 jaar inzichtelijk gebracht. De informatie is gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het onderzoeksgebied is momenteel landbouwgrond. Ten gevolge van het voornemen zal het aandeel verharding toenemen in het onderzoeksgebied. Deze verharding dient te worden gecompenseerd. Om een indicatie te geven van kwetsbaarheid en risico's voor wateroverlast is de waterdiepte bij kort heftige buien eens in de 100 jaar in beeld gebracht. Ter plaatse van het onderzoeksgebied blijft er vrijwel geen water staan in het onderzoeksgebied. Bij heftige buien die eens in de 1.000 jaar voorkomen kan de waterdiepte op enkele plekken tot 20 cm komen te staan. Geadviseerd wordt om bij de planontwikkeling hiermee rekening te houden. Een voorbeeld hiervan zou zijn om wadi’s of (extra) groenstroken aan te brengen, of door te werken met half-verharding in het onderzoeksgebied.
Samenvattingstabel
Omgevingsverkenner Steeg te Sevenum projectnummer 0502302.100 19 mei 2025
Hittestress Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Het wordt warmer in Nederland. Het aantal tropische dagen en nachten, met een maximumtemperaturen van boven de 30 respectievelijk 20 graden, neemt toe. Bovendien warmt stedelijk gebied sneller op dan de omgeving, vanwege de hoeveelheid verhard oppervlak. Dit maakt dat het stedelijk gebied op een tropische dag tot 7 graden warmer kan zijn dan het buitengebied. Dit heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid, de arbeidsproductiviteit en het comfort van mensen. Tevens hebben hete dagen negatieve effecten op de infrastructuur zoals bruggen, spoorrails en elektriciteitshuisjes en de drinkwaterlevering. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar het aantal tropische dagen en het stedelijk hitte eiland effect om een inschatting te maken van de (mogelijk) hittestress binnen het onderzoeksgebied. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Het onderzoeksgebied wordt momenteel als landbouwgrond gebruikt. Op dit moment is het aantal tropische dagen aan de lage kant (6 – 9 dagen). Het stedelijk hitte eiland effect is relatief laag (tot 0,4 graden Celsius). Ten gevolge van het voornemen neemt het aandeel verharding toe in het onderzoeksgebied. Als gevolg hiervan zal het aantal tropische dagen en het stedelijke hitte eiland effect enigszins verslechteren. Er wordt geadviseerd dit aspect mee te nemen in de planontwikkeling. Bijvoorbeeld door het gebruik van lichte kleuren, groen en water om de gevolgen te verminderen.
Samenvattingstabel
Omgevingsverkenner Steeg te Sevenum projectnummer 0502302.100 19 mei 2025
Droogtestress Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. Door het veranderde klimaat neemt de kans op langdurige droge periodes doe. Dit neerslagtekort heeft gevolgen voor de landbouw, het openbaar groen en de bodemgesteldheid. Naast de hoeveelheid water neemt ook de waterkwaliteit af. Dit uit zich in productieverlies, sterfte van bomen en een vergrote kans op natuurbranden. Bovendien neemt door de lage grondwaterstanden de kans op zettingen van de bodem toe. Met name bij ongelijkmatige zettingen kan dit grote gevolgen hebben voor de fundering van gebouwen en de infrastructuur, zoals wegen en riolen. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar bodemdaling van heden tot 2050 en naar grondwaterstand bij extreem droge zomers om een inschatting te maken van de (mogelijk) droogte binnen het onderzoeksgebied. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde van grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Van bodemdaling is geen sprake op of rondom het onderzoeksgebied. De grondwaterstand bij een extreem droge zomer kan wel oplopen tot dieper dan 2 meter onder het maaiveld. Geadviseerd wordt om deze aspecten mee te nemen in de planontwikkeling. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan waterretentie om water vast te houden of groene daken om water vertraagd door een regenpijp af te laten voeren.
Samenvattingstabel
Omgevingsverkenner Steeg te Sevenum projectnummer 0502302.100 19 mei 2025
Overstromingsrisico Wettelijk kader Klimaatadaptatiemaatregelen vallen onder het brede criterium van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies volgens de Omgevingswet. In het Deltaplan Waterveiligheid staan alle onderzoeken, maatregelen en voorzieningen om Nederland te beschermen tegen overstromingen. In specifieke situaties, bijvoorbeeld waar dijkversterking heel duur of maatschappelijk zeer ingrijpend is, zijn ‘slimme combinaties’ met ruimtelijke inrichting en/of rampenbestrijding mogelijk om het beschermingsniveau te behalen. In dit programma werken gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en de betrokken ministeries in Veiligheidsregio’s samen om te komen tot plannen voor het beheersen van een crisis als gevolg van een overstroming, waaronder ook de inzet en beschikbaarheid van wegen. Voor onderhavig onderzoek is de informatie gebaseerd op open source gegevens vanuit de klimaateffectatlas.nl. Daarbij wordt gekeken naar overstromingsdiepte ten gevolge van primaire of regionale keringen en de plaatsgebonden overstromingskans in 2050 dat water circa 20 cm hoog komt te staan. De kaarten uit de atlas zijn bedoeld om een gevoel te krijgen bij de orde grootte van klimaateffecten. Voor een diepere en uitgebreidere analyse dient nader onderzoek gedaan te worden.
Beoordeling Er is geen kans op overstroming ten gevolge van het falen van een waterkering. Daarnaast is voor het onderzoeksgebied de plaatsgebonden overstromingskans met water tot 20 cm beschouwd. Dit is de kans dat een overstroming zich voordoet én vervolgens water in het onderzoeksgebied tot 20 cm hoog staat. Voor het project is er ook geen significante overstromingskans. Een nadere beschouwing is waarschijnlijk niet nodig.
Samenvattingstabel
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1800 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Zutphenseweg 31D 7418 AH Deventer Postbus 321 7400 AH Deventer
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl
BIJLAGEN 3. NATUURTOETS
Natuurtoets Kindcentrum te Sevenum
projectnummer 0501573.100 definitief revisie 00 2 mei 2025
www.anteagroup.nl
Natuurtoets
Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 definitief revisie 00 2 juni 2025
Auteur M.A.W. Koman
Opdrachtgever Gemeente Horst aan de Maas Wilhelminaplein 6 5960 AA Horst
Gecontroleerd R.T. Vermoolen
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 2 juni 2025
beschrijving Definitief revisie 00
vrijgave R.C. van den Hoven
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 5 5
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
6
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Insecten Zaadplanten, varens en bladmossen Zorgplicht Natura 2000 NNL Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
6 7 7 7 7 11 12 13 14 14 14 15 16 17 18 18 18
3.
Conclusie & advies
19
3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.4
Soortbescherming Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNL Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
19 20 21 21 21 22 22 22
Literatuurlijst
23
Bijlage 1 Wettelijk kader
25
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
34
Bijlage 3 Rode lijst soorten uit NDFF
37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen Gemeente Horst aan de Maas is voornemens een nieuw Kindcentrum (KC) te realiseren in Sevenum, bestaande uit basisscholen de Krullevaar en De Ezelsbrug, Kinderopvang ’t Nest en een sportpark met diverse sportfaciliteiten. Het kindcentrum dient gerealiseerd te worden op een terrein wat momenteel een agrarische bestemming heeft. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7 hectare. De start en de duur van de werkzaamheden zijn nog niet vastgesteld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden (Omgevingswet (hierna Ow), Natuurnetwerk Limburg (NNL) en overig provinciaal beleid (Groenblauwe mantel). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd. In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving. Kaart gemaakt met QGIS.
blad 4 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied. Kaart gemaakt met QGIS.
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of op de - in het kader van de Ow beschermde natuurwaarden - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden aan de omgevingswet en overige beleidskaders; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van bekende waarnemingen van rode lijst soorten in het plangebied.
blad 5 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan beschermde soorten onder de Ow, Natura 2000-gebieden, NNL, overig provinciaal beleid van de provincie Limburg (Groenblauwe mantel) en beschermde houtopstanden onder de Ow. In paragraaf 2.8 worden kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in het plangebied uiteengezet. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Ow (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 5 mei 2025 is vanaf circa 11:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij onbewolkt weer met een temperatuur van circa 11 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd. De aangrenzende en/of omliggende bomen(rijen), huizen en daken zijn met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied.
Algemeen beeld plangebied met agrarisch gebruik
Bosschage ten zuidwesten van plangebied
Sloot c.q. waterloop aangrenzend aan zuidoostelijk deel plangebied
Zuidoostelijk deel plangebied
Zuidwestelijk deel plangebied
Noordwestelijk deel plangebied
blad 6 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Algemeen beeld gebouwen parallel aan weg Steeg te Sevenum (noordwestzijde plangebied)
Bosschage grenzend aan zuidoostelijk deel plangebied
Figuur 2.1. Impressie van het plangebied. Bron: foto’s veldbezoek Antea Group, 05-05-2025.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Er wordt verharding aangebracht waaronder bouw van diverse gebouwen en infrastructuur; Er zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden waarbij (graaf)machines worden ingezet; Er wordt gras- en kruidvegetatie verwijderd; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring gedurende de werkzaamheden; In de gebruiksfase is er sprake van een toename van menselijke aanwezigheid en verkeersbewegingen binnen het plangebied.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van meerdere soortgroepen worden uitgesloten. Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied, waardoor vanuit de werkzaamheden geen negatieve effecten optreden voor vissen, kreeftachtigen en weekdieren. Voornoemde soorten kunnen ter plaatse van het plangebied worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 3) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1 Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km)(NDFF, 2020-2025). Soort Categorie Boerenzwaluw 3 Boomvalk 3 Bosuil 2 Gierzwaluw 2 Huismus 2
blad 7 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Soort Huiszwaluw Ooievaar Ransuil Steenuil Torenvalk
Categorie 2 2 3 1 3
Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten Categorie 2: Zeer plaatstrouwe broedvogel of afhankelijk bebouwing Categorie 3: Zeer plaatstrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd een omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals boomvalk, bosuil, ransuil en torenvalk), gebouwbroedende soorten (zoals boerenzwaluw, huismus, huiszwaluw en gierzwaluw) en overige soorten (zoals ooievaar en steenuil). Tijdens het terreinbezoek zijn huismussen waargenomen ter plaatse en rondom de gebouwen en groenelementen/vegetatiestructuren parallel aan rijbanen Steeg, Den Eigen, Schoutstraat en Luttelseweg. Overige soorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet waargenomen tijdens het terreinbezoek. Boombroedende soorten Tijdens het terreinbezoek zijn in de directe omgeving van het plangebied geen nesten aangetroffen die mogelijk kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. Vanwege de bladgroei was de inspectie op nesten in de bomenrijen c.q. bosschages rondom het plangebied echter niet volledig uitvoerbaar. De bosschages bieden fysiek mogelijke nestgelegenheid voor bijvoorbeeld boomvalk en ransuil.
Indien er een nestplaats van voornoemde soorten aanwezig is, kan deze verstoord worden indien werkzaamheden als gevolg van de voorgenomen activiteit gedurende het broedseizoen plaatsvinden. Er is dan sprake van een schadelijke handeling onder de Ow. Werken buiten het broedseizoen wordt aanbevolen (maartjuli). Om overtreding van de Ow te voorkomen bij geplande werkzaamheden gedurende het broedseizoen, dient een aanvullende nestcheck te worden uitgevoerd tijdens de bladloze periode (circa november tot eind maart, zie kader vervolgstappen). Het plangebied kan mogelijk onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die in de (wijde) omgeving broeden, zoals de boomvalk en ransuil. Voor deze en overige boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest maakt het plangebied gezien de beperkte (mogelijkheid aan) aanwezige voedselbronnen geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving.
Vervolgstappen boombroedende soorten Werken buiten broedseizoen (maart-juli); Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is: Uitvoeren nestencheck tijdens de bladloze periode (circa november tot eind maart); Als er sprake is van een potentieel geschikt jaarrond beschermd nest dan dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd met ten minste vier gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot en met 15 mei (BIJ12, 2023). Gebouwbroedende soorten In de directe omgeving van het plangebied is plaatselijk bebouwing, in combinatie met groenstructuren (o.a. hagen), aanwezig met geschikte pannendaken welke nestgelegenheid en foerageergebied bieden aan bijvoorbeeld de huismus. Tijdens het terreinbezoek zijn roepende huismussen waargenomen ter plaatse en rondom de woningen en (voormalige) boerderijen, parallel aan de bovenste helft van het plangebied. In de bosschage ten zuiden van het plangebied zijn geen huismussen waargenomen. Nestplaatsen van de huismus in de omgeving van het plangebied, zullen niet fysiek verloren gaan. Met het voornemen wordt namelijk geen bebouwing gesloopt en worden tevens geen groenelementen verwijderd. Het plangebied kan niet als essentieel foerageergebied worden beschouwd aangezien er te weinig dekking is door het intensieve gebruik van de akker.
Er kunnen enkel effecten optreden bij de uitvoering van graafwerkzaamheden nabij bijvoorbeeld een haag (rand plangebied) dat onderdeel is van het leefgebied van de huismus. In dat geval bieden de aanwezige overige blad 8 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
hagen en groenstructuren in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden voor de huismus. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Voor de huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw biedt het plangebied te weinig voedselmogelijkheden door het intensieve gebruik van het land. Overige soorten Geschikte broedlocaties voor de ooievaar (nestpalen of andere hoge elementen) en steenuil (natuurlijke holtes in oude bomen, in rustige hoekjes of nissen van gebouwen of schuren en in speciale nestkasten) zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De erven en (voormalige) boerderijgebouwen ten noorden van het plangebied bieden wel geschikte nestmogelijkheden voor de steenuil. Dit blijkt ook uit het aantal waarnemingen. Op onderstaande afbeelding is een kleine schuur afgebeeld, welke op circa 100 meter ten noorden van het plangebied is gesitueerd, waar diverse waarnemingen zijn gedaan.
Figuur 2.2. Kleine schuur met diverse steenuil waarnemingen op 100 meter afstand ten noorden van plangebied (2020-2025). Bron: foto veldbezoek Antea Group, 05-05-2025.
Gezien de afstand tot de mogelijke broedlocatie behoort het plangebied vermoedelijk tot het foerageergebied van de steenuil. Op basis van luchtfoto’s van diverse jaartallen blijkt dat delen van het plangebied ook periodiek in gebruik zijn als grasland. Voor de steenuil biedt dit extra voedselmogelijkheden door de plaatselijke toename van bodemfauna (regenwormen). Wanneer er sprake is van een broedgeval binnen circa 300 meter ten opzichte van het plangebied in combinatie met aanwezig geschikt foerageerbiotoop dan kan een deel van het plangebied als essentieel leefgebied worden beschouwd. Om de aanwezigheid van essentieel leefgebied voor de steenuil aan te tonen is het noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren naar de aan- of afwezigheid van broedende steenuil en in de directe omgeving van het plangebied vast te stellen (zie kader vervolgstappen). Hierbij kan contact opgenomen worden met de lokale steenuilen-/vogelwerkgroep, die mogelijk meer informatie heeft over recente broedgevallen.
blad 9 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Vervolgstappen overige soorten met jaarrond beschermd nest (steenuil) Aanvullend informatie opvragen bij (lokale) steenuilen-/vogelwerkgroep; Er dient nader onderzoek plaats te vinden om aan te kunnen tonen of het plangebied wel/niet tot het essentiële leefgebied van de steenuil hoort. Dit nader onderzoek is gebaseerd op het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017) en de inventarisatierichtlijnen van Sovon en bestaat uit drie gerichte veldbezoeken binnen de periode 1 februari tot en met 30 april waarbij er minimaal één maand zit tussen het eerste en laatste bezoek. Soorten waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven (categorie 4, provincie Limburg) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels die jaarlijks terugkeren naar hun specifieke nest, maar de flexibiliteit hebben om elders een nieuw nest te bouwen. Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Buizerd Draaihals Kramsvogel
Categorie 4 4 4
Categorie 4: Vogel dat jaarlijks terugkeert naar specifiek nest, maar voldoende flexibel om elders nieuw nest te bouwen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat functionaliteit van leefgebied niet in het geding mag komen.
Tijdens het terreinbezoek zijn geen categorie 4-vogelsoorten waargenomen. Nesten van de categorie 4vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 4 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 4-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens het terreinbezoek zijn diverse algemene broedvogels waargenomen (o.a. ekster, groenling, gekraagde roodstaart, houtduif, kauw, merel, putter, spreeuw, tjiftjaf, vink, winterkoning, zwarte kraai). De plaatselijke aanwezige bomen en opgaande vegetatie rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Ow (artikel 11.37 Bal). Indien nesten aanwezig zijn (bijvoorbeeld ter plaatse van de bosschages ten noordoosten van het plangebied), mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door werkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Omgevingswet aan de orde. De aard van de werkzaamheden brengt verstoring met zich mee waardoor de werkzaamheden effect zullen hebben op (eventueel) broedende vogels. Werken buiten het broedseizoen wordt aanbevolen (maart-juli). Om overtreding van de Ow te voorkomen bij geplande werkzaamheden gedurende het broedseizoen, dient een aanvullende nestcheck te worden uitgevoerd enkele dagen voorafgaand aan de werkzaamheden. Als er sprake is van een broedgeval van een algemene broedvogel(s) dan dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden (maart-juli) of men dient rekening te houden met een verstoringsafstand van 25 meter.
1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 10 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
Vervolgstappen algemene broedvogels Werken buiten het broedseizoen (maart-juli); Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, is een broedvogelcontrole noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden (enkele dagen voorafgaand start werkzaamheden); Als er sprake is van een broedgeval van een algemene broedvogel(s) dan dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden (maart-juli) of men dient rekening te houden met een verstoringsafstand van minimaal 25 meter.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Beschermingsregime Artikel 11.46 Bal Gewone dwergvleermuis X Gewone grootoorvleermuis X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger) verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen (o.a. rosse vleermuis, watervleermuis, franjestaart) verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. Gebouwbewonende soorten In de directe omgeving van het plangebied is bebouwing aanwezig met in- en uitvliegmogelijkheden (hoofdzakelijk woningen en voormalige boerderijen/schuren), waardoor verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten, in de directe nabijheid van het plangebied niet kunnen worden uitgesloten.
Bijvoorbeeld aan de kopse kanten van de gebouwen ten noorden van het plangebied en parallel aan Steeg, Den Eigen, Schoutstraat en Luttelseweg) welke overstekende dakpannen hebben waar vleermuizen onder kunnen kruipen. Daarnaast hebben diverse gebouwen stootvoegen die toegang geven tot de spouwmuren van gebouwen. De verblijfplaatsen van de vleermuizen worden niet fysiek aangetast, maar kunnen mogelijk wel verstoord worden door verlichting. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in de actieve periode van vleermuizen (april – november (BIJ12, 2024)), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij geen uitstraling plaatsvindt naar gebouwen en opgaande beplanting in de directe omgeving van het plangebied (zie kader vervolgstappen). Boombewonende soorten Parallel aan het plangebied zijn zeer plaatselijk geschikte bomen aanwezig met mogelijke verblijfplaatsen voor boombewonende soorten (o.a. rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis). Tijdens het terreinbezoek zijn holten in bomen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Mogelijke verblijfplaatsen van deze vleermuissoorten zullen gedurende de werkzaamheden fysiek niet worden aangetast, maar kunnen mogelijk wel verstoord worden door verlichting.
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in de actieve periode van vleermuizen (april – november (BIJ12, 2024)), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en blad 11 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij geen uitstraling plaatsvindt naar gebouwen en opgaande beplanting in de directe omgeving van het plangebied (zie kader vervolgstappen). Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. Parallel aan de tracé en in de directe omgeving zijn lijnvormige elementen aanwezig, zoals bomenrijen, huizenblokken en wegen (zie figuur 2.1). Deze kunnen als essentiële vliegroutes voor de vleermuizen fungeren. Deze elementen zullen intact blijven maar kunnen wel verstoord worden door verlichting. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in de actieve periode van vleermuizen (april – november (BIJ12, 2024)), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij geen uitstraling plaatsvindt naar gebouwen en opgaande beplanting in de directe omgeving van het plangebied (zie kader vervolgstappen). Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreffen locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn.
De elementen met name rondom het plangebied bieden foerageermogelijkheden voor vleermuizen (bomenrijen, bosschages en sloot). Deze elementen zullen intact blijven maar kunnen echter wel verstoord worden door verlichting. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in de actieve periode van vleermuizen (april – november (BIJ12, 2024)), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij geen uitstraling plaatsvindt naar gebouwen en opgaande beplanting in de directe omgeving van het plangebied, zie beschrijving in het onderstaande tekstkader. Vervolgstappen vleermuizen Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in de actieve periode van vleermuizen (april – november (BIJ12, 2024)), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij geen uitstraling plaatsvindt naar gebouwen en opgaande beplanting in de directe omgeving van het plangebied.
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Art. 11.46 Bal Bever Das Eekhoorn Haas Konijn
Beschermingsregime Art. 11.54 Bal en Art. 11.54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde zoogdieren
X X X2 X3 X4
Bever De bever komt voor in overgangsgebieden tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De voorkeur gaat uit naar meren en rivieren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populieren. De soort is in provincie Limburg vrijgesteld in de periode maart, april en juli tot en met november De soort is in provincie Limburg vrijgesteld 4 De soort is in provincie Limburg vrijgesteld 2 3
blad 12 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, oevers zonder bos worden ook gebruikt. Een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste (Zoogdiervereniging, z.d.). Het voorkomen van de bever kan worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop in het plangebied en de directe omgeving. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Das De das leeft bij voorkeur in kleinschalige akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Ook vallen open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen onder geschikt leefgebied. Onder gebouwen en in afgravingen worden zelfs soms verblijfplaatsen van de das aangetroffen. De bodem moet goed geschikt zijn om in te graven voor de burcht, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld. De das is tijdens de schemer en ’s nachts actief (Zoogdiervereniging, z.d.). Het plangebied ligt in een deels bewoond gebied waar geen indicatie is voor dassenburchten of foerageergebied. Daarnaast zijn ook geen sporen van de das aangetroffen en is het plangebied niet geschikt vanwege het intensieve, agrarische gebruik en de beperkte schutting. Op basis van de bureaustudie blijkt dat er één waarneming van de das is gedaan op circa 700 meter ten zuidwesten van het plangebied. Nabij die waarneming is ten opzichte van het plangebied wel sprake van aanwezig geschikt biotoop.
Het voorkomen van de das kan worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop in het plangebied en de directe omgeving. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ze komen ook voor in bebouwd gebied, mits er voldoende voedsel beschikbaar is. De voorkeur gaat uit naar oud bos door meer voedsel- en nestgelegenheden (Zoogdiervereniging, z.d.). Tijdens het terreinbezoek zijn geen sporen, nesten en/of verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Het plangebied biedt geen beschutting voor de eekhoorn en zal zich hoogstens zeer sporadisch aan de randen van het plangebied vertonen. De eekhoorn wordt uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop in het plangebied en de directe omgeving. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Resumé grondgebonden zoogdieren Vanwege het intensieve, agrarische gebruik van het plangebied en het ontbreken van landschappelijk afwisseling en beschutting kan het plangebied als ongeschikt leefgebied worden beschouwd voor grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt. Concluderend kunnen negatieve effecten worden uitgesloten, vervolgstappen zijn niet aan de orde.
Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied (zeer) beperkt biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als egel, huisspitsmuis, haas en konijn. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Limburg geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkómen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 20202025). Soort Beschermingsregime Art. 11.46 Bal Art. 11.54 Bal en Art. 11.54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde amfibieën Alpenwatersalamander X Boomkikker X
Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander is niet kritisch wat betreft het voortplantingsbiotoop en komt in allerlei soorten blad 13 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
water voor zolang deze niet te snel stromend of rijk aan vis is. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in Noord-Brabant en Limburg en de soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden. De alpenwatersalamander komt voor in heidegebieden, agrarisch gebied, op ruderale terreinen en dringt ook door tot in steden en dorpen. Overwintering gebeurt op het land, waarbij de soort schuilt onder strooisel, hout, stenen, mos en afval (bron: Ravon, z.d.). Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen van alpenwatersalamander uitgesloten binnen het plangebied. Mogelijk dat in de omgeving voortplantingsplaatsen aanwezig zijn waardoor overwinteringsplaatsen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn echter geen geschikte overwinteringsplaatsen onder strooisel (liggend en staand), hout en stenen aanwezig. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Boomkikker Boomkikkers planten zich voort in poelen of in daarop lijkende geïsoleerd liggende wateren. Soms ook in sloten. Een zonnige, beschutte ligging is van belang. Het water is helder met meestal veel plantengroei en er zijn geen vissen aanwezig. Zomer- en winterbiotoop zijn hetzelfde. In de directe omgeving van het voortplantingsbiotoop of in kleinschalig agrarisch gebied tot maximaal 1 kilometer hier omheen.
In zonbeschenen bosranden en braamstruwelen met een structuurrijke, zonbeschenen vegetatie. Ook in structuurrijke randen langs watergangen, graslanden en wegen. De overwintering vindt op het land op vorstvrije plekken plaats, meestal onder de grond of in de strooisellaag in bosjes en onder struwelen. De overwintering kan ook in kelders plaatsvinden (NGB, 2023). Er is één waarneming gedaan ter plaatse van een poel op circa 900 meter ten noorden van het plangebied. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen van de boomkikker uitgesloten binnen het plangebied. Binnen 1 kilometer in de omgeving is een gekende voortplantingsplaats aanwezig waardoor overwinteringsplaatsen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn echter geen geschikte overwinteringsplaatsen onder strooisel en (liggend en staand) hout aanwezig. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Binnen het plangebied zijn zwervende individuen van algemeen voorkomende soorten als gewone pad niet uitgesloten (vanwege de aangrenzende sloot ten zuiden van het plangebied). Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op zwervende individuen optreden.
Binnen de provincie Limburg geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soort de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.6
Reptielen Er zijn in de afgelopen vijf geen waarnemingen van reptielen gedaan. Vanwege het intensieve, agrarische gebruik van de grond binnen het plangebied ontbreken er landschappelijke elementen/kenmerken geschikt voor reptielen als leefgebied. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde.
2.3.7
Insecten Er zijn in de afgelopen vijf jaar binnen één kilometer geen waarnemingen gedaan van beschermde insectensoorten. Tijdens het terreinbezoek zijn geen beschermde insecten aangetroffen (vlinders, libellen). Vanwege het intensieve, agrarische gebruik van de grond binnen de invloedsfeer van het plangebied, het ontbreken van geschikt water en de afwezigheid van nabije populaties (o.a. vlinders, libellen) kan het plangebied als ongeschikt biotoop voor insecten worden beschouwd. Effecten zijn uitgesloten, er zijn geen vervolgstappen aan de orde.
2.3.8
Zaadplanten, varens en bladmossen Er zijn in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen gedaan van beschermde zaadplanten, varens en bladmossen. Tijdens het terreinbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Vanwege het intensieve, agrarische gebruik van de grond binnen het plangebied worden er geen beschermde soorten verwacht. Effecten zijn uitgesloten, vervolgstappen worden niet noodzakelijk geacht. blad 14 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
2.3.9
Zorgplicht Ter plaatse en nabij het plangebied kunnen zeer plaatselijk vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn zoals egel, huisspitsmuis, haas, konijn en gewone pad. Deze soorten zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht voor de Omgevingswet (Ow) in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. Tabel 2.7 Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Grondgebonden zoogdieren (alle soorten) en amfibieën
Maatregel • Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort maaien (onverharde wegbermen). • Stapvoets rijden tijdens het maaien. • In één richting maaien zodat dieren tijdig kunnen vluchten, in de richting van een vluchtmogelijkheid. Bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een ruigte of bosschage. • Overdag werken en geen gebruik maken van kunstmatige verlichting. • Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen verblijven. • Voorkom het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april tot en met augustus).
De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen is weergegeven in tabel 2.7.
blad 15 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
2.4
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 2.3). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Deurnsche Peel & Mariapeel en ligt op circa 7 kilometer ten westen van het plangebied. In een straal van 25 kilometer zijn de Natura 2000-gebieden; Boschhuizerbergen, Groote Peel, Leudal, Maasduinen, Roerdal, Sarsven en De Banen, Swalmdal en Weerter- en Budelerbergen & Ringelsven gelegen.
Figuur 2.3. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (in oranje weergegeven). Bron: QGIS, PDOK, 2024.
Bij voorliggend planvoornemen is sprake van een aanlegfase en gebruiksfase. Er is daardoor sprake van structurele effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van de storingsfactoren, zoals verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Geadviseerd wordt dan ook om een dergelijke berekening uit te voeren. Indien uit de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van het voornemen een verhoogde stikstofdepositie plaats vindt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden, dient dit ecologisch te worden beschouwd door middel van een ecologische Voortoets Stikstof. Er dient een AERIUS-berekening voor de aanlegfase en gebruiksfase te worden opgesteld. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, dient een ecologische Voortoets Stikstof te worden opgesteld.
blad 16 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
2.5
NNL Ter plaatse van het plangebied is geen NNL-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNL-gebied bevindt zich op circa 1,5 kilometer ten westen van het plangebied (zie figuur 2.4). Op grond van de provinciale verordening in de provincie Limburg hoeft niet getoetst hoeft te worden op externe werking en zijn vervolgstappen niet aan de orde.
Figuur 2.4. Ligging van het plangebied ten opzichte van NNL-gebied (in groen weergegeven). Bron: Atlas Limburg, Provincie Limburg.
blad 17 van 37
Natuurtoets – Kindcentrum te Sevenum projectnummer 0501573.100 juni 2025 revisie 00 Gemeente Horst aan de Maas
2.6
Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Groenblauwe mantelgebied gesitueerd (zie figuur 2.5). Het dichtstbijzijnde Groenblauwe mantelgebied is op circa 700 meter ten zuidoosten van het plangebied gelegen. Effecten zijn niet aan de orde, vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Figuur 2.5. Ligging van het plangebied ten opzichte van de Groenblauwe mantel (in blauw weergegeven). Bron: Atlas Limburg, Provincie Limburg.
2.7
Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden daarom geen houtopstanden gekapt. Ook staan er geen houtopstanden in de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden waardoor negatieve effecten kunnen optreden. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom niet nodig.
2.8
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het meenemen van biodiversiteit, door het behouden van aanwezige natuurwaarden en deze te vergroten, verbeteren of verbinden, kan van grote meerwaarde zijn binnen een project. Het kan zorgen voor een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving en levert integrale kansen ten aanzien van duurzaamheids- en klimaatadaptatie doelen, zoals waterretentie, hittestress-beperking, luchtzuivering, etc. Daarnaast kan het bijdragen aan acceptatie van het plan door de omgeving/omwonenden. Binnen het plan zijn er diverse mogelijkheden voor het toevoegen van natuurwaarden en daarmee biodiversiteit. Hierbij kan gedacht worden het versterken van de aanwezige groenstructuren rondom door aanplant van inheemse bomen en struiken of de ontwikkeling van kruidenrijke- en bloemrijke vegetaties, de aanleg van natuurvriendelijke oevers, het plaatsen van verblijfplaatsen/nestplaatsen voor soorten. Indien gewenst kunnen deze mogelijkheden verder worden uitgewerkt in een biodiversiteitsadvies.
blad 18 van 37