CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04A.c Toelichting

Gemeenteraad 22 november 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan De Hees ongenummerd te Kronenberg.18.525 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten.

3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (d.d. 6-12-2021, kenmerk: 21283601N)

Vastgesteld

24

De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,3 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het realiseren van de woningen. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld.

Goed woon- en leefklimaat In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat het buitengebied, waar het plangebied is gelegen, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vast onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen.

In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) zijn de volgende veehouderijen gelegen: ▪ Een varkenshouderij aan de Simonsstraat 23, op een afstand van 280 meter van het plangebied; ▪ Een vleesveehouderij aan de Simonsstraat 27, op een afstand van 290 meter van het plangebied; ▪ Een vleesveehouderij aan de Torrestraat 26, op een afstand van 375 van het plangebied; ▪ Een paardenhouderij aan de Peelstraat 30, op een afstand van 400 van het plangebied. De afstand van een veehouderij waar dieren zonder emissiefactoren worden gehouden (paarden), tot het plangebied bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen van de gemeentelijke geurverordening voor wat betreft deze inrichting (Peelstraat 30) wordt ruimschoots voldaan. Bij de varkenshouderij en de vleesveehouderijen worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderijen is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning”. Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak.

Vastgesteld

25

Nummer

X-coördinaat

Y-coördinaat

Simonsstraat 23

Simonsstraat 27

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Middelpunt

197730 197743 197794 197800 197743 197761

380788 380834 380818 380795 380764 380800

4,2 3,5 3,7 4,0 4,8 4,1

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Torrestraat 26 1,4 1,6 1,4 1,3 1,3 1,4

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 4,8 OU/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m³. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 1. Rekenresultaten achtergrondbelasting

Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Middelpunt

X-coördinaat 197730 197743 197794 197800 197743 197761

Y-coördinaat 380788 380834 380818 380795 380764 380800

Berekende waarde 5,5 4,9 5,3 5,6 6,0 5,4

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 4,9 en 6,0 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen in de omgeving Naast het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen dient eveneens te worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van de veehouderijen niet wordt belemmerd door het initiatief. In de directe omgeving rond het plangebied bevinden zich drie veehouderijen op de locaties Simonsstraat 23, Simonsstraat 27 en Torrestraat 26. De afstand tot de nieuwe woonbestemming tot de bouwvlakken van deze veehouderijen bedragen respectievelijk 280, 290 en 375 meter. Door de ruime afstand tussen de veehouderijen en het plangebied is er geen sprake van eventuele belemmering voor de bedrijfsvoering van deze veehouderijen. Daarnaast bevinden er zich tussen het plangebied en deze veehouderijen andere woningen welke daarmee bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen.

Vastgesteld

26

5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’, aangezien de locatie is gelegen in een bebouwingslint in het buitengebied met onder ander agrarische bedrijven en burgerwoningen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verkleind. Met onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe woningen opgericht. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaken voor de omgeving. Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.

Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Tabel 2. Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

SBI-2008

Café

De Hees 108

563

Maatschappelijk centrum/basisschool

Meerweg 11

852, 8531

Vastgesteld

Aan te houden afstanden Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter

Afstand tot plangebied 60 meter

75 meter

27

Kerk

Meerweg 8

9491

Agrarisch bedrijf *

Timmerbedrijf

Simonsstraat 9 Simonsstraat 25 Simonsstraat 11 De Hees 70

1621

Fruit/groente winkel

De Hees 69

47

Vleesveehouderij

Simonsstraat 27

0141, 0142

Varkenshouderij

Simonsstraat 23

Snackbar

Americaanseweg 20

561

Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Grootste richtafstand: 50 meter Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

0 meter 10 meter 30 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 50 meter 10 meter 10 meter 0 meter 100 meter 10 meter 30 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter

80 meter

125 meter 215 meter 230 meter 125 meter

140 meter

265 meter

270 meter

280 meter

* Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkveehouderij of een paardenhouderij. Derhalve is er gekeken naar de grootste richtafstand.

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied niet overlappen. Er zijn geen hindercontouren die het plangebied overlappen. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering bedrijven geen beperkingen opleveren voor de nieuw te bouwen woningen. Een goed woon- en leefklimaat kan ter plaatse van het plangebied gewaarborgd worden. Anderzijds worden door de nieuwe woningen nabij gevestigde bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt, mede omdat bestaande woningen dichterbij deze bedrijven zijn gelegen. 5.2.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Vastgesteld

28

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 3. Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg liggen in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of activiteiten. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen.

Vastgesteld

29

Afbeelding 14. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)

5.2.7 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Vastgesteld

30

Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Toets Omvang van het Het project heeft betrekking op het realiseren van acht woningen.

De woningen zijn project beoogd in twee bouwblokken in de vorm van een carré boerderij. Om de bouw van deze woningen mogelijk te maken wordt ter plaatse de huidige agrarische bestemming omgezet naar een woonbestemming waarmee acht woningen gerealiseerd kunnen worden. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten. Cumulatie met Nee andere projecten Gebruik van Nee natuurlijke grondstoffen Productie van Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers afvalstoffen opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Verontreiniging en Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het hinder milieu Risico van Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is ongevallen geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:

Vastgesteld

Toets Landbouwgrond N.v.t.

Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante

31

▪

gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)

Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS

Toets Nee Nee Nee Nee

Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.2.8 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook rekening te worden gehouden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen.

In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een (fruit)boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom (fruit)boomgaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van

Vastgesteld

32

deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een (fruit)boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. In dit geval grenst het plangebied ten zuidoosten aan landbouwpercelen. De percelen hebben allen eenzelfde bestemming, te weten ‘Agrarisch met waarden’. ▪ Op perceel 639 is in gebruik voor de teelt van akkerbouwgewassen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet toegestaan zonder omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden boomteelt te realiseren. Dit perceel ligt tegen het plangebied aan waardoor de onderlinge afstand 0 meter bedraagt. Voor dit perceel dient gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op de te realiseren woningen. ▪ Perceel 123 is in gebruik als appelboomgaard. De afstand tussen dit perceel en het plangebied bedraagt circa 140 meter. Aangezien de afstand tussen dit perceel he plangebied beduidend meer bedraagt dan 50 meter hoeft niet gekeken te worden naar de spuitzones van dit perceel. Zoals hiervoor reeds aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief.

Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per ruimtelijk initiatief te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit onderzoek en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; 3. Wat is de overheersende windrichting.

0 meter

140 meter

Afbeelding 15 Afstand tussen de landbouwpercelen en het plangebied

Vastgesteld

33

Ad. 1.

De bestaande bestemming ‘Agrarisch met waarden’ wordt gewijzigd in ‘Wonen’. Zoals reeds aangegeven zijn de agrarische percelen ten zuidoosten van het plangebied bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik; b. agrarisch hobbymatig grondgebruik; c. grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen; Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen woningen en agrarische percelen waarop agrarische bedrijvigheid in planologisch opzicht is toegestaan, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. Het agrarische perceel wat tegen het plangebied aan ligt is momenteel in gebruik ten behoeve van de teelt van akkerbouwgewassen.

Ad. 2.

Er wordt uitgegaan van gebruik van de stof Captan, aangezien deze stof in de fruitteelt het meest toxisch is en daarom de grootste afstand tot een gevoelige functie aangehouden dient te worden. Van belang is tevens wanneer deze middelen gebruikt mogen worden: gedurende het hele jaar of gedurende een seizoen, dus zowel op volblad als op kale bomen. De stof Captan mag gedurende het gehele jaar worden gebruikt, dus zowel op kale bomen als bomen met blad.

Ad. 3.

In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting.

Beoordeling Bij uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in hoeverre rekening moet houden met de maximale gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op agrarische percelen. In betreffend geval sloot het bestemmingsplan ter plaatse de teelt van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen mochten worden gebruikt niet uit. De vraag was nu, of de raad met die mogelijkheid rekening had moeten houden bij de vaststelling van het plan, dat woningbouw mogelijk maakte. De Afdeling nam daartoe in aanmerking dat geen enkel concreet voornemen kenbaar was gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen. Bovendien had appellant ook niet gesteld dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode voorzienbaar was. De Afdeling kwam tot de conclusie dat verandering van het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk is, dat de raad in redelijkheid geen rekening had hoeven te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden.

Uit deze uitspraak volgt dus – kortgezegd – dat voor het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het gebruik van de agrarische gronden wordt gewijzigd naar boomteelt, bezien moet worden of deze wijziging binnen de planperiode voorzienbaar is. Indien deze wijziging zodanig onwaarschijnlijk is, behoeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening te houden met spuitzones. Het landbouwperceel ten zuidoosten (perceel nummer 639) is al lange tijd in gebruik voor de teelt van mais en andere reguliere akkerbouwgewassen. Op het perceel heeft tot 2016 een appelteelt plaatsgevonden. Echter is het perceel nu al 5 jaar in gebruik voor de teelt van mais en andere reguliere akkerbouwgewassen. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet direct toegestaan om bomen aan te planten (waaronder bomen ten behoeve van de fruit- of boomteelt). Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te worden verleend. Als in de toekomst een dergelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd is onderhavig bestemmingsplan inmiddels leidend. Een dergelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van fruit- of boomteelt kan dan niet meer verleend worden omdat binnen het plangebied dan woningbouw kan worden gerealiseerd.

Fruit- en boomteelt kan door de spuitzones een negatieve impact hebben op de toekomstige bewoners. Op basis daarvan kan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een boomgaard niet meer worden verleend.

Vastgesteld

34

Ontwikkelingsmogelijkheden en bedrijfsvoering teler Er zijn geen regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij woningen of andere voor driftgevoelige bestemmingen. Evenmin zijn er regels die toezien op bescherming van omstanders, recreanten of omwonenden. Eventuele klachten kunnen daarom niet leiden tot het aanpassen van de bedrijfsvoering van de teler. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belemmeringen vanuit de wet- en regelgeving voor de eigenaar en/of gebruiker van het aangrenzende agrarische perceel tot gevolg.

5.3

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Bodemgesteldheid en grondwater Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 100 - 120 cm onder maaiveld is gelegen. Oppervlaktewater Conform de leggerkaarten van Waterschap Limburg is er in het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. Ten noordwesten van het plangebied, op een afstand van 5 meter stroomt de Blakterbeek en verder ten

Vastgesteld

35

noorden van het plangebied, op een afstand 15 meter stroomt de Kronenberg. Beide betreffen primaire watergangen van het waterschap. Op deze watergangen is de Keur van toepassing. Ter plaatse van de Blakterbeek is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – profiel van vrije ruimte’ toegekend. Hiermee wordt het beheer en onderhoud van de waterloop, alsmede de ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarde van de waterloop planologisch geborgd. Deze dubbelbestemming zal in onderhavig bestemmingsplan overgenomen worden.

Afbeelding 16 Uitsnede kaart GHG

Afvalwater / riolering Het vuilwater van de nieuwe woningen wordt geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts acht woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is voor een klein gedeelte, aan de oostelijke zijde, in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’. Deze gronden zijn mede aangewezen voor het hydrologisch beschermen van de verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Deze gebiedsaanduiding zal in onderhavig bestemmingsplan overgenomen worden Water in relatie tot ontwikkeling Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van een acht woningen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Er wordt gestreefd naar afkoppeling van regenwater en infiltratie op eigen terrein (eis 100 mm per 24 uur). Volgens de k-waarden kaart van het waterschap geldt voor het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid. De gronden zijn derhalve geschikt voor infiltratie van hemelwater, mits de grondwaterstand voldoende laag is (> 1,0 meter).

Het feit dat de GHG hier ligt op 1,20 – mv (beoordeling in het veld) zijn er afdoende infiltratiemogelijkheden om het hemelwater op eigen terrein op te vangen.

Vastgesteld

36

Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Bij de aanleg van een infiltratievoorziening is het tevens van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater. Deze wordt bepaald aan de hand van de waterbergingsopgave gerekend over het nieuw verhard oppervlak. Het exacte oppervlakte aan bebouwing ligt nog niet vast. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen dient de initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan deze voorwaarden. Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal andere aspecten om in acht te nemen: ▪ Het af te koppelen dakoppervlak mag niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. ▪ Af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd. Tevens bestaat het voornemen om de loop van de Blakterbeek iets te verleggen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling, hiervoor is een leggerwijziging noodzakelijk. Hiervoor zal een separate procedure doorlopen worden.

Indien het hemelwater van de, nader te bepalen, infiltratievoorziening voorzien wordt van een overloop op de Blakterbeek dient een watervergunning aangevraagd te worden.

5.4

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse en het effect van het bouwen van acht nieuwe woningen te onderzoeken is een flora- en faunainspectie4 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden 4 Flora en faunainspectie, Faunaconsult (d.d. 3 augustus 2021)

Vastgesteld

37

voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.5.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Deurnsche Peel & Mariapeel ligt op 5 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3.

In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermede Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om in de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) de uitstoot van NOx te bepalen. Met onderhavig initiatief wordt het bestaande bestemmingsvlak ‘Agrarisch met waarden’ omgezet naar een woonbestemming daarmee wordt de realisatie van de acht woningen mogelijk. Conform de Bsn hoeft enkel voor nieuwe situatie de uitstoot van NOx te worden bepaald. Uitstoot van NOx vindt plaats door enerzijds de verwarming van de woningen en anderzijds door het verkeer van en naar de woningen.

Vastgesteld

38

Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van acht woningen (4 hoekwoningen en 4 tussenwoningen) tot een emissie NOx van 13,5 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Voor het bepalen van het gebiedstype is gebruik gemaakt van de ‘Nota Parkeernormen 2019’ van gemeente Horst aan de Maas. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: huur, huis, vrije sector; ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom, weinig stedelijk. Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,0 en maximaal 7,8 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 62,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 31,2 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 11,0 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie. Vanwege de centrale locatie van het plangebied is het aannemelijk dat het verkeer zowel in oostelijke als in westelijke richting het plangebied zal verlaten. In de westelijke richting is het verkeer tot aan de Provinciale weg (N277) meegenomen.

Derhalve zijn beide scenario’s meegenomen in de AERIUS calculator.

Afbeelding 17 Uitsnede AERIUS Calculator

Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

Vastgesteld

39

5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in de Provinciale Omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. De Provinciale Omgevingsvisie schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten maar zijn er wel één cultuurhistorische elementen in de nabijheid van het plangebied gelegen: ▪ De boerderij aan De Hees 73; De boerderij aan De Hees 73 is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Limburg.

De uit 1900 stammende boerderij is daarin beschreven als een project in de bouwstijl traditionalisme dat van belang is omdat het een specimen van de bouwtraditie betreft. In de huidige situatie is de boerderij in gebruik als woonhuis. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over een gemeentelijke Inventarisatiekaart waardevolle objecten waarin alle karakteristieke en waardevolle objecten binnen de gemeente zijn opgenomen. Op basis van deze inventarisatiekaart liggen er binnen het plangebied geen waardevolle objecten maar zijn er wel enkele karakteristieke objecten in de nabijheid van het plangebied gelegen: ▪ Het woonhuis met stal (1875) aan De Hees 75; ▪ De boerderij aan De Hees 73; ▪ Het woonhuis aan De Hees 102. De realisatie van de woningen heeft geen nadelige gevolgen op de (belevings-) waarde van de omgeving. Met de landschappelijke inapssing van de locatie wordt aangesloten bij de landschappelijke kenmerken van de omgeving. Daarnaast worden met de realisatie van de woningen de bestaande zichtlijnen naar naastgelegen karakteristieke boerderij De Hees 75 niet doorbroken maar waar mogelijk juist versterkt. Met de bouw van de woningen zullen dan ook geen landschappelijke of cultuurhistorische elementen verloren gaan. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarde.

Vastgesteld

40

Binnen een hoge archeologische verwachting zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer bij bodem verstoring archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 50 cm diepte en 500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 500 m² bedraagt.

Afbeelding 18 Uitsnede archeologische waardenkaart (rood plangebied)

Met het initiatief wordt de bodem dieper dan 50 cm geroerd, derhalve is een archeologisch5 onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. In geval van bodemingrepen dieper dan 40 cm wordt een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient er een, door het bevoegd gezag goedgekeurd, Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. PM

5.7

Verkeer en parkeren

Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5 Archeologische onderzoek, RAAP (d.d. 18 augustus 2021, kenmerk: KROHE)

Vastgesteld

41

Verkeer De nieuwe woningen zullen worden ontsloten via De Hees. Deze weg loopt in oostelijke richting naar de kern Sevenum en in westelijke richting naar de bebouwde kom van Kronenberg. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken is naar de functie ‘huur, huis, vrije sector en naar het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied’. De acht nieuwe woningen zullen, uitgaande van een worst-case benadering, 31,4 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door slechts acht nieuwe woningen goed kunnen verwerken. Parkeren Conform de ‘Nota Parkeernormen 2019’ ligt het plangebied in de rest bebouwde kom van Kronenberg. Ook staat in de nota: ‘Volgens de oad wordt de totale gemeente Horst aan de Maas getypeerd als weinig stedelijk gebied (500-1000 adressen per km2)’. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gekeken naar het type woning ‘woonhuis’. Per woning dienen in dit geval 2,0 parkeerplaatsen te worden aangelegd. In totaal dienen er derhalve 16 parkeerplaatsen te worden aangelegd. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte, er worden 16 parkeerplaatsen op de binnenplaats gerealiseerd. Het initiatief sluit dan ook aan bij de gemeentelijke parkeerbeleid.

5.8

Volksgezondheid

Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In Noord-Brabant en Noord-Limburg wonen veel mensen in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Sommige mensen vragen zich af of het ongezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen. Daarom is een grootschalig onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden bij veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.

Endotoxine (pluimvee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen op een afstand van minimaal 280 meter. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderijen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geitenhouderijen in de omgeving

Vastgesteld

42

Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Vastgesteld

43

6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van de acht nieuwe woningen geschiedt volledig initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding.

voor

rekening

van

de

Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst. Na ondertekening van de anterieure overeenkomst door beide partijen is het gemeentelijk kostenverhaal afdoende verzekerd. Hierdoor is dit plan economisch uitvoerbaar. Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2

Handhaving

Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.

In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren; 4. Servicegericht handelen, en 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden.

Vastgesteld

44

2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteed wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn.

Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. Preventiestrategie; 2. Toezichtstrategie; 3. Sanctiestrategie, en 4. Gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente.

Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.

Vastgesteld

45

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 6 mei tot en met 17 juni voor eenieder ter visie gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen zijn beoordeeld en de belangen van reclamanten zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend. De zienswijze heeft daarbij geleid tot een inhoudelijke wijziging c.q. aanvulling van het bestemmingsplan. Dit betrof slechts een aanvulling van de waterparagraaf.

6.4

Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12028606/1