CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04A.c Toelichting

Gemeenteraad 22 november 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan De Hees ongenummerd te Kronenberg.18.525 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan ‘De Hees ongenummerd, Kronenberg’ NL.IMRO.1507.KRDEHEESONG-BPV1

Document:

Bestemmingsplan “De Hees ong. Kronenberg”

IDN:

NL.IMRO.1507.KRDEHEESONG-BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

13 juli 2022

Aanvrager:

Hertoghave Projectontwikkeling

Auteur:

Ing. R.M.M.R.G. Keiren

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2

3

4.

5.

6

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4

1.4

Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1

Algemeen ......................................................................................................................................................6

2.2

Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6

2.3

Functionele structuur ...................................................................................................................................7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................8

BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1.

Inleiding .........................................................................................................................................................9

3.2.

Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9

3.3

Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 16

3.5

Conclusie.................................................................................................................................................... 17

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 19 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 19

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 19

4.3

Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 21

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 23 5.1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 23

5.2

Milieuaspecten........................................................................................................................................... 23

5.3

Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 35

5.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................... 37

5.5

Natuur ......................................................................................................................................................... 37

5.6

Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 39

5.7

Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 41

5.8

Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 42

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 44 6.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 44

Vastgesteld

1

7.

6.2

Handhaving................................................................................................................................................ 44

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 46

6.4

Procedure................................................................................................................................................... 46

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 47 7.1

Planstukken ............................................................................................................................................... 47

7.2

Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 47

7.3

Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 48

BIJLAGEN Bijlage 1: V-Stacks geurberekeningen Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase SEPARATE BIJLAGEN ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (d.d. 6-12-2021, kenmerk: 21283601N) ▪ Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 15 september 2021, kenmerk: 21283602A) ▪ Flora en faunainspectie, Faunaconsult (d.d. 3 augustus 2021) ▪ Archeologisch onderzoek, RAAP (d.d. 18 augustus 2021, kenmerk: KROHE) ▪ Landschappelijk inpassingsplan, Herman Vaessen (d.d. 27 januari 2022, kenmerk: WL22004)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

In Horst aan de Maas is sprake van een urgent woningtekort. De woningmarkt is flink aangetrokken waardoor de woningbehoefte hoger is dan het woningaanbod. Om een bijdrage te leveren aan het heersende woningtekort is initiatiefnemer voornemens om acht levensloopbestendige huurwoningen in Kronenberg op te richten. De woningen zijn beoogd aan de Hees, net buiten de kern. Het betreft een thans onbebouwd perceel gelegen tussen de Blakterbeek en de woning De Hees 75. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie R, nummer 116 en 639 (ged.) en heeft een oppervlakte van circa 2.850 m².

Afbeelding 1 Ligging en omgeving plangebied (rood plangebied)

De locatie waar de nieuwe woningen zijn beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en is daarin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden daarnaast ontbreekt de mogelijkheid tot het oprichten van gebouwen. Derhalve is het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk om op deze locatie de acht nieuwe woningen te realiseren. In de gemeente Horst aan de Maas blijkt echter een grote behoefte aan zowel huurwoningen als levensloopbestendige woningen. Ondanks dat het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze locatie acht nieuwe woningen op te richten biedt het gemeentelijke beleid wel mogelijkheden tot het realiseren van dergelijke woningen. Daarnaast is er sprake van een groeiende vraag naar passende woningen voor met name senioren in Horst aan de Maas, waaronder de kern Kronenberg. De gemeente Horst aan de Maas heeft onlangs de ambitie uit gesproken om 1.000 woningen te bouwen tussen nu en 2023. Met het oprichten van deze woningen kan een (kleine) bijdrage worden geleverd aan dit dringende woningtekort en wordt tevens aangesloten bij de ambitie van de gemeente Horst aan de Maas. Onder

Vastgesteld

3

voorwaarden heeft de gemeente dan ook in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van de nieuwe woningen op de betreffende locatie. Om de nieuwe woningen in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt een woonbestemming toegekend aan de locatie, waardoor de bouw van acht nieuwe levensloopbestendige woningen ter plaatse mogelijk wordt.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan De Hees, net buiten de kern van Kronenberg. De woningen zijn beoogd op een thans onbebouwd perceel tussen de westelijke gelegen Blakterbeek en de oostelijk gelegen woning De Hees 75. De Hees is de verbindingsweg van Kronenberg naar Sevenum waarlangs sprake is van een bebouwingslint. Van oudsher betrof dit een lint van boerderijen, gelegen aan de randen van de akkercomplexen Grootveld en het Rouweelse Veld. In de loop der tijd zijn echter veel van de boerderijen verbouwd tot burgerwoning of tot een andersoortig bedrijf. De randen van het Grootveld en het Rouweelse Veld zijn door de jaren heen steeds verder verdicht, zo ook ter plaatse van De Hees. De kenmerkende openheid en grootschaligheid van de aangrenzende akkercomplexen is echter altijd behouden gebleven.

Ten oosten van het plangebied is de karakteristieke woning De Hees 75 gelegen. Ten westen van de woning grenst het plangebied aan de Blakterbeek, deze stroomt van de kern van Kronenberg tot de kern van Sevenum. Aan de overzijde van De Hees bevinden de woningen De Hees 96, 98 en 100. Ten zuiden van het plangebied zijn landbouwgronden gelegen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Daarnaast is de locatie voorzien van de

Vastgesteld

4

dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’, ‘Waterstaat – profiel van vrije ruimte’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone - velden’ en ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor een agrarisch hobbymatig of bedrijfsmatig grondgebruik. Bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf kan uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, welke ter plaatse niet aanwezig is. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk op om de locatie nieuwe woningen te realiseren. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden en er ontbreekt de mogelijkheid tot het oprichten van gebouwen.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rood plangebied)

Tevens heeft het ontwerpbestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Parkeren Horst aan de Maas” ter inzage gelegen en is het bestemmingsplan “Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021” vastgesteld op 21 september 2021. Alhoewel deze bestemmingsplannen geen specifieke wijzigingen voor betreffende locatie regelen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan, zijn noodzakelijke deelaspecten, indien van toepassing, meegenomen in de afweging van de beoogde ontwikkeling van de locatie.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van de woningen wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

5

2

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Kronenberg, aan De Hees. Kronenberg maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Ruim 1.300 inwoners bevolken de kern. Ten westen van het plangebied, direct aangrenzend, stroomt de Blakterbeek. De Blakterbeek vormt ter plaatse de planologische scheiding tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Het plangebied ligt dan ook tegen de kern van Kronenberg aan.

Afbeelding 3 Luchtfoto en begrenzing van het plangebied (rood plangebied)

2.2

Ruimtelijke structuur

De kern Kronenberg wordt doorsneden door de doorgaande weg Peelstraat – De Hees, die de verbinding vormt tussen de kern Sevenum en de N277 (Midden Peelweg). Aan weerszijden van deze weg ligt bebouwing, die voornamelijk bestaat uit woonbebouwing. Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint van De Hees, aan de rand van de open akkercomplexen Grootveld en het Rouweelse veld. Vanuit Sevenum vormde De Hees de belangrijkste verbinding naar het buurtschap en het later ontstane dorp Kronenberg. Aan De Hees bevonden zich de boerderijen die achter op het akkercomplex hun landbouwgronden hadden. Deze karakteristiek is nog steeds duidelijk herkenbaar, al is het historische lint door de jaren heen steeds verder verdicht. Ondanks de verdere verdichting hebben de akkercomplexen hun historische ruimtelijke karakteristiek behouden. Aan de Hees is dan ook nog steeds

Vastgesteld

6

sprake van grootschalige en open akkercomplexen. Dit maakt de akkercomplexen tot waardevolle landschapselementen.

Afbeelding 4 De Hees richting het buitengebied

2.3

Afbeelding 5 De Hees richting de kern Kronenberg

Functionele structuur

Het bebouwingslint van De Hees kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan functies. In het buitengebied kenmerkt het bebouwingslint zich door burgerwoningen met daartussen (agrarische) bedrijven en onbebouwde grond. De onbebouwde gronden tussen deze (agrarische) bedrijven en burgerwoningen in zijn in agrarisch gebruik als zijnde akkergrond. In de omgeving zijn ook veel bos- en natuurgebieden gelegen waardoor de natuurfunctie prominent aanwezig is. In noordoostelijke richting is natuurgebied de Heesbeemden gelegen, in de volksmond “De Bengd” genoemd. Daarnaast zijn in westelijke en zuidwestelijke richting de Heesberg en de Steegberg gelegen. Deze gebieden vormen samen met de Kronenbergerheide en Schatberg een uitgestrekt bosgebied van 500 ha.

Afbeelding 7 De Hees t.h.v. plangebied

Afbeelding 6 Huidige situatie plangebied

Ten noorden en westen van het plangebied ligt de bebouwde kom van Kronenberg. In de bebouwde kom overheerst de woonfunctie. Aan de Meerweg en Peelstraat is sprake van een cluster van maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast zijn in de kern nog een horecavoorziening en enkele winkels gelegen. Voor wat betreft winkelvoorzieningen is de kern voornamelijk aangewezen op Horst of Sevenum.

Vastgesteld

7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Kronenberg is ontstaan als een ontginningsdorp. Bij de ontginning werden woeste gronden geschikt gemaakt voor de landbouw. De ontginningen gingen vaak gepaard met de aanleg van een weg, watergang of spoorweg. Aan de wegen vestigden zich de boeren die het achtergelegen landbouwgrond bewerkten. In de loop der tijd ontstonden zo bebouwingslinten aan de randen van het landbouwveld. De Hees betrof een dergelijk bebouwingslint aan de rand van landbouwveld ‘Grootveld’ en verbond Sevenum met het buurtschap Kronenberg. De naam Kronenberg wordt, voor zo ver bekend, voor het eerst vermeld in 1499. Het dorp ontstond pas echter in 1930, toen de bewoners van het buurtschap een eigen school en vervolgens een eigen kerk kregen. Het plangebied heeft altijd deel uitgemaakt van het bebouwingslint van De Hees, als zijnde landbouwgrond.

Afbeelding 8 Anno 1900

Vastgesteld

Afbeelding 9 Anno 1990

8

3

BELEID

3.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2. Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Vastgesteld

9

▪ ▪

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de ontwikkeling van de woningen op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3).

Vastgesteld

10

Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van acht levensloopbestendige woningen in Kronenberg evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De POVI is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven voor de ontwikkeling van de provincie Limburg. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en

Vastgesteld

11

veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol.

De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt.

Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het oprichten van acht levensloopbestendige c.q. seniorenwoningen in Kronenberg. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen het POVI.

Vastgesteld

12

3.3.2 Omgevingsverordening 2021 In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Groenblauwe mantel; ▪ Beekdal; Groenblauwe mantel Een van de wijzigingen in de Omgevingsverordening 2021 ten opzichte van de Omgevingsverordening 2014 betreft het samenvoegen van de zilvergroene en bronsgroene landschapszone tot de groenblauwe mantel. De regels voor beide typen gebieden komen sterk overeen, net als het feitelijke gebruik. Het plangebied is aangeduid als ‘groenblauwe mantel’. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen vormen samen de groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden. Dergelijke stad-landzones vormen samen een soort mantel tussen en bij het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar we goede combinatiemogelijkheden zien voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen.

Binnen dit gebiedstype ligt de focus op het versterken van het klimaatadaptieve karakter, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel geldt een motiveringsplicht om aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteit in de betreffende gebieden wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, het reliëf en de ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart is het landschap te typeren als ‘Kampen en oude graslanden’. De kampontginningen zijn ontstaan door individuele boeren die zich op een geschikte plek vestigden en vervolgens de plek hebben ontgonnen. Qua patroon en bodemeigenschappen lijkten velden en kampen veel op elkaar. Het belangrijkste verschil is de schaal en maat. De kampen zijn veel kleinschaliger. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen maar deze ruimtelijke kenmerken zijn niet altijd meer prominent aanwezig. De kampen en oude graslanden worden gekenmerkt door het bol liggende landschap met houtwallen rondom en/of bomenrijen langs de wegen. Het wegenpatroon is kronkeling door de vaak onregelmatige blokverkaveling.

De bebouwing bestaat veelal uit een enkele boerderij met bijgebouwen en plaatselijk is de bebouwing verdicht tot een lint. De karakteristiek van de kampen en oude graslanden dient zoveel mogelijk behouden, versterkt ofwel herstelt te worden voor de toekomst. Ruimte voor nieuwe bebouwing kan binnen de linten worden gevonden waarbij gekeken moet worden naar een bij kampenlandschap passende karakteristiek. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van acht woningen in de vorm van een carré boerderij, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de karakteristieke bebouwing van het kampenlandschap. Het plangebied maakt onderdeel uit van het reeds bestaande bebouwingslint aan De Hees. Het initiatief sluit dan ook aan op de karakteristiek en ontwikkelingsvisie van het kampenlandschap. Daarnaast wordt de locatie voorzien van een

Vastgesteld

13

landschappelijk inpassingsplan, waarmee karakteristieke landschapselementen van het kampenlandschap worden toegevoegd aan de locatie. Karakteristieke landschapselementen van het kampenlandschap die terugkomen in de inrichting en inpassing van het plangebied zijn onder andere het omzoomen van het perceel met houtwallen c.q. hagen. Verdeel over het perceel zullen solitaire bomen geplaatst worden. Op dit moment geldt nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) is een nieuwe verordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hierna is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Tot het moment dat de Omgevingsverordening Limburg in werking treedt (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. In de Omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd.

De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2014 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Bronsgroene landschapszone; ▪ Toevoegen van woningen; Bronsgroene landschapszone 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden (kernkwaliteit “Groene karakter”) stelt de Gedeputeerde Staten de wijze vast waarop de compensatie dient de worden uitgevoerd. 2. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Het projectgebied is gelegen in de zone ‘Bronsgroene landschapszone’.

Deze gebieden zijn veelal geconcentreerd langs beekdalen en langs steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem; ▪ Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving; ▪ Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie; ▪ Recreatief medegebruik. Bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen de bronsgroene landschapszone dienen de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten beschreven te worden, alsmede een motivering hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijke karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg.

Vastgesteld

14

Bovenstaande paragraaf voorziet reeds in de verantwoording van het landschapstype. De bronsgroene landschapszone is in de Omgevingsverordening 2021 samengevoegd met de zilvergroene landschapszone tot de groenblauwe mantel. Op basis van bovenstaande verantwoording en conclusie kan gesteld worden dat dat er rekening is gehouden met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten bij de inrichting en inpassing van het plangebied. 3.3.4 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020.

Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. De beoogde woningen vormen een toevoeging aan het reeds bestaande bebouwingslint aan De Hees. De woningen zijn beoogd op een thans onbebouwd perceel omgeven door woningen aan de rand van de bebouwde kom. De woningen worden levensloopbestendig opgericht waardoor deze uitermate geschikt zijn voor senioren. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar passende woningen binnen de dorpen sluiten

Vastgesteld

15

de nieuwe woningen aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 3A ‘Agrarisch gebied tussen Horst en Park de Peelbergen’. Hier geldt voor het toevoegen van woningen een meedenkende grondhouding (ja, mits). Dit betekent dat onder voorwaarden medewerking voorstelbaar is. Onderhavige ontwikkeling betreft een uitbreiding van de kern waarop de GKM bijdrage van een exploitatiegebied van toepassing is. Conform de structuurvisie volgt dan € 5,- per m² plangebied verhoogd met een factor 1,2 vanwege de ligging buiten de contour.

Dit komt neer op €6,- per m² plangebied. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten waarin de GKM bijdrage opgenomen zal worden. 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de raad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de maas de ambities voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds.

Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen.

Vastgesteld

16

De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma. Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave.

Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. ▪ Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp. De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). In onderhavig initiatief betreft het vrije sector huurwoningen. Conform de nieuwbouwopgave dienen er tussen nu en 2025 300 vrije sector huurwoningen vergund te worden. Met onderhavig initiatief wordt een (kleine) bijdrage hieraan geleverd. Met onderhavig initiatief wordt de ontwikkeling van acht nieuwe vrije sector huurwoningen voor senioren mogelijk gemaakt.

De woningen worden allen levensloopbestendig uitgevoerd en zijn daarmee bij uitstek geschikt voor senioren. Hiermee wordt voorzien in de nieuwbouwopgave en de vraag naar huurwoningen van de gemeente Horst aan de Maas. Daarnaast laat het heersende woningkort in de gemeente Horst aan de Maas en dus ook de kern Kronenberg eveneens zien dat de behoefte aan betaalbare en passende woningen zeer groot is. Het initiatief draagt bij aan een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod in Kronenberg, mede in samenhang de woningbouwontwikkeling Kronenberg Zuid-West. Het initiatief tot het oprichten van acht seniorenwoningen past derhalve binnen het Masterplan Wonen van de gemeente Horst aan de Maas.

3.5

Conclusie

Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de nieuwe woningen. Het oprichten van acht woningen is geen stedelijke ontwikkeling op basis van ladder voor duurzame verstedelijking. De woningen worden opgericht aan de rand van de bebouwde kom van Kronenberg en sluit aan bij de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de omgeving. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan de concrete behoefte van betaalbare en passende woningen. Daarbij wordt er gebouwd naar ‘reële’ behoefte aan levensloopbestendige huur woningen.

Vastgesteld

17

Vastgesteld

18

4.

PLANBESCHRIJVING

De nieuwe beoogde woningen worden in de vorm van een carréboerderij gerealiseerd waarmee aansluiting gezocht wordt bij de omliggende bebouwing. Het geheel zal qua uitstraling, materiaalgebruik en vorm volledig passen in het heersende straatbeeld. Het gehele ensemble bestaat uit twee bouwvolumes, enerzijds het ‘boerderij’ gedeelte waarin 5 woningen gerealiseerd worden en anderzijds het ‘schuur’ gedeelte waarin 3 woningen gerealiseerd worden. De binnenplaats zal worden ingericht als openbare ruimte met parkeerplaatsen welke ingekaderd zullen worden in een groen kader. Alle woningen zijn bereikbaar vanaf deze binnenplaats. Tevens zullen alle woningen worden voorzien van een tuin aan de achterzijde waardoor rust en privacy gewaarborgd kan worden.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van acht nieuwe woningen binnen het plangebied; ▪ Er mogen uitsluitend acht aaneengebouwde (blok van vijf en blok van drie) woningen gerealiseerd worden; ▪ De binnenplaats dient bestemd te worden als ‘Verkeer’; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” zoals dat thans voor het plangebied geldt; ▪ De reeds aanwezige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’ en ‘Waterstaat – profiel van vrije ruimte’ en gebiedsaanduidingen ‘overige zone - velden’ en ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ blijven gehandhaafd. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken acht nieuwe woningen op de locatie De Hees ong. op het perceel kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie R, nummers 116 en 639 (ged.). De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Wonen’ en ‘Verkeer’.

Het plangebied is voorzien van twee bouwvlakken met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 5’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ zodat de bouw van, in totaliteit acht woningen mogelijk wordt gemaakt. Het is uitsluitend toegestaan aaneengebouwde woningen te realiseren gezien de aanduiding ‘aaneengebouwd’. Het plangebied is daarnaast voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’ en ‘Waterstaat – profiel van vrije ruimte’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone - velden’ en ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’.

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten

Door het realiseren van de woningen in de vorm van een carré boerderij wordt er een geborgen en rustgevend locatie gecreëerd nabij de kern van Kronenberg. Door de binnenplaats wordt gestimuleerd in contact met elkaar te komen maar op een ongedwongen manier. Bewoners kunnen ervoor kiezen om samen van de binnenplaats te genieten of zichzelf terug te trekken in hun eigen privé tuin. Alle woningen worden levensloopbestendig

Vastgesteld

19

opgericht. Dit betekent dat alle voorzieningen zoals badkamer, keuken en slaapkamer op de begane grond aanwezig zijn.

Afbeelding 10 Beoogde situatie

Afbeelding 11 Impressie beoogde woningen

Vastgesteld

20

Afbeelding 12 Impressie beoogde woningen

4.3

Landschappelijke inpassing

Om het plangebied in het kader van de beoogde ontwikkeling op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. De visie is om het bestaande groene karakter van het plangebied zoveel mogelijk rondom de woningen terug te laten komen. Het geheel wordt ingekaderd met een mooie groene haag. Alle woningen beschikken over een eigen tuin, deze tuinen zullen worden inkadert door borders met lage (wintergroene) heesterbeplanting. De overige gronden rondom de boerderij zullen ingezaaid worden met gras en verdeeld over het perceel zijn diverse fruitbomen beoogd. Hierdoor ontstaat er een duidelijk onderscheid tussen de privé tuinen en de omliggende gronden. De parkeerplaatsen op het erf worden omkaderd met blokhagen waarmee enerzijds de parkeerplaatsen duidelijk ingekaderd worden en anderzijds het zicht op de auto’s gedeeltelijk wordt weggehaald. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om, in een later stadium, samen met de toekomstige bewoners en de dorpsraad in gesprek te gaan over het toevoegen van landschappelijke kwaliteit.

1 Landschappelijke inpassingsplan, Herman Vaessen (d.d. 27 januari 2022, kenmerk: WL22004)

Vastgesteld

21

Afbeelding 13 Landschappelijk inpassingsplan

Vastgesteld

22

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Inleiding

Voordat de woningen binnen het plangebied kunnen worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In dit kader is voor het plangebied daarom een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging met OCB. Het verkennend bodenonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 waarbij de onderzoeksstrategie voor een verdachte heterogene niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL) is gecombineerd met de onderzoekstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONVNL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen met OCB aangetoond. Wel is een lichte verontreiniging met cadmium aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en xylenen aangetoond. De lichte verontreiniging met cadmium kam mogelijk gerelateerd worden aan het (voormalige) agrarische gebruik van de onderzoekslocatie.

Voor de lichte verontreinigingen met barium en xylenen in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreft. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke 2 Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 15 september 2021, kenmerk: 21283602A)

Vastgesteld

23

ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek3 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat voor alle omliggende zoneplichtige wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd wordt dat een goed woon- en leefklimaat in het kader van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd is. 5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit.

Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden slechts acht woningen gerealiseerd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het realiseren van de woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12028606/1