03d Regels vastgesteld
Tekst van het document
Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het LaatGlaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket 8
Schutte en Mientjes, 2019.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 3 van 24
van Wierden genoemd, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa’s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door de verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden wat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, behorend tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Horst afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal is het dal van de Groote Molenbeek dat ongeveer 400 meter ten oosten van het onderzoeksgebied. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het onderzoeksgebied op een Dekzandrug of -kopje (3L5) (zie figuur 5). Volgens de Bodemkaart (zie figuur 6) van Nederland (1:50.000) is het onderzoeksgebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (dit wordt bevestigd door de resultaten van het booronderzoek.
Regionale archeologische context (zie figuur 9) Het plangebied ligt op de IKAW deels in een zone met een hoge archeologische verwachting en deels zonder verwachting vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. Volgens de Archeologische Maatregelenkaart ligt het plangebied deels in de bebouwde komen met een onbekende verwachting (categorie 7) en deels in een zone met een hoge archeologische verwachting (categorie 3). Het onderzoeksgebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen een straal van 500 meter rondom het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein, de nederzetting Horst. Binnen een straal van 500 meter rondom het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden IJzertijd tot en met Late-Middeleeuwen. Ongeveer 215 meter ten noordwesten van het plangebied is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij twee vindplaatsen zijn aangetroffen die later zijn opgegraven. De oudste bewoning dateert uit de Midden-Bronstijd, uit deze periode zijn tien paalkuilen blootgelegd.
Vermoedelijk representeren de kuilen tenminste twee bewoningsfasen, waarbij steeds drie van de kuilen op één lijn in de zijbeuk van een huis zijn gelegen. Vondstmateriaal uit deze kuilen blijft beperkt tot een elftal scherven, die op grond van de grove minerale verschraling duidelijk uit de Midden-Bronstijd dateren, maar verder geen daterende kenmerken vertonen en een drietal fragmenten natuursteen, waarvan één gebruikt is als slijpsteen. Daarnaast is een cluster sporen aangetroffen die in de lJzertijd te dateren valt. De cluster bestaat uit de mogelijke structuur, spieker, vierpalige structuur met kuil en een zevental kuilen, waarvan vijf grote hoeveelheden aardewerk bevatten. De kuilen met veel aardewerk wijzen alle op een datering in de tweede helft van de Vroege-lJzertijd of het begin van de Midden-IJzertijd. Daarnaast zijn nog een tweetal spiekers aangetroffen waarbij uit beide structuren is één scherf Romeins aardewerk afkomstig is. Aardewerk uit spiekers is echter meestal eerder opspit uit dan dat het direct aan de structuur te koppelen is. De datering ‘Romeins’ is daarom vooral een datering postquem. Gezien het gehele aardewerkcomplex dat tijdens de onderzoeken is verzameld is een datering mogelijk vanaf de Midden-Romeinse tijd tot en met de Volle-Middeleeuwen.
Ongeveer 305 meter ten noordwesten van het plangebied (aansluitend op bovenstaand onderzoek) is een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd. Hierbij is een nieuwe vindplaats aangetroffen. Het betrof de restanten van een huisplattegrond uit de Midden-Bronstijd. Een haardplaats, die binnen het huis lag en hier mogelijk verband mee hield, bevatte aardewerk dat ook dateert in de Midden-Bronstijd. Er werden ook een aantal greppels aangetroffen. waarvan de datering onduidelijk blijft. Eén scherf in de greppel die de huisplattegrond mogelijk doorsneed, dateert uit de periode Late Bronstijd -Romeinse tijd.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 4 van 24
Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken De eerste bewoningssporen van de gemeente Horst aan de Maas stammen uit de vroege prehistorie. Vanaf de Middeleeuwen bestond het landschap van dit gebied uit esdorpen en heideontginningen. Horst heette in de Middeleeuwen van oorsprong Berckele (1219). Waarom dit later veranderd is in Horst, is onbekend. De naam (de) Horst is mogelijk oorspronkelijk de naam van het voormalige kasteel dat direct ten noorden van de dorpskern heeft gelegen. Tegenwoordig is hiervan alleen een ruïne overgebleven. Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het e onderzoeksgebied vanaf de eerste kwart van de 19 eeuw tot heden in agrarisch gebruik is. Het plangebied wordt doorsneden door wegen die in de loop der tijd verlegd zijn. De omgeving van het e p[langebied is in de eerste kwart van de 19 eeuw grotendeels in agrarisch gebruik, bouwland en weiland, doorsneden door wegen met verspreid aan die wegen bebou-wing. Ten zuiden van het one derzoeksgebied staat een Oude Molen. In de jaren ’60 van de 20 eeuw breidt deze bebouwing uit totdat de huidige situatie ontstaat. 4.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en hoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. 4.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied 2
Idem, met een maximum van 7.150 m (totale omvang onderzoeksgebied). 4.4
Structuren en sporen
Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in het Paleolithicum. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, grafvelden en rituele plaatsen De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/ of waterputten, afvalkuilen en perceelsscheidingen. 4.5
Anorganische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 5 van 24
4.6
Organische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 cm -Mv en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 cm -Mv, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwatertrap VII, is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.7
Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan ca. 30 cm beneden het maaiveld. 4.9
Gaafheid en conservering
Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten- niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw ligt verstoord is
PvE 9654.002 versie D
Pagina 6 van 24
(een E- en B-horizsont ontbreekt). Archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum zullen verstoord zijn, evenals een deel van de sporen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
5
DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING
5.1
Doelstelling
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2
Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders
Het in dit PvE omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandge9 bied. Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties Uit het Paleolithicum en Mesolithicum kunnen in het onderzoeksgebied sporen van jagersverzamelaars worden aangetroffen. Het gaat hier om tijdelijke kampementen. Het landschap wordt vanaf het Neolithicum door de mens op diverse wijzen ingericht en gebruikt. De nalatenschap van deze inrichting en het gebruik daarvan geeft ons de mogelijkheid inzicht te krijgen in het leef- en denkpatroon van de bewoners gedurende de Late Prehistorie en de Middeleeuwen. De vraagstellingen bij dit thema beslaan een breed geheel.
De aandacht bij het onderzoek naar het natuurlijke landschap is vooral gericht op de niet door de mens beïnvloede omgeving c.q. die aspecten van de natuur die uiteindelijk het menselijk handelen hebben beïnvloed. Bij dit onderzoeksthema staat de ontstaanswijze van het gebied centraal. Er kan namelijk naast de landschappelijke ligging van de vindplaatsen ook een beeld van de ruimere regio verkregen worden.
9
http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20
PvE 9654.002 versie D
Pagina 7 van 24
5.3
Vraagstelling
De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. 5.4
Onderzoeksvragen
5.4.1 Algemeen Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuvenonderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen een rol te spelen: 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 5. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 6. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en)? Zo ja, wat is de aard, omvang en datering daarvan? 7. Zijn de aangetroffen vindplaatsen behoudenswaardig? Zo ja, op basis van welke criteria (verwijs zo nodig naar de uitgevoerde waardering)? 8. Hoe dienen deze vindplaatsen bij een eventueel vervolgonderzoek gedocumenteerd te worden? 9. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit.
5.4.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 10. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 11. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) o Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie o wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 5.4.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 12. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied?
PvE 9654.002 versie D
Pagina 8 van 24
13. Waar bevindt zich binnen het plangebied het eerddek? Als eerddek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 14. Indien er een eerddek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit eerddek aangelegd? 15. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 16. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 17. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 10
Beleidsplatform Erfgoed Limburg De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn in 2017 drie rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. De syntheserapporten (https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie-0/archeologie/) beslaan de Vroege-Prehistorie, Late prehistorie en Romeinse tijd. Het rapport over de Middeleeuwen/Nieuwe tijd volgt op een later moment. De komende jaren wensen Provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader worden de syntheserapporten verbonden aan elk gravend archeologisch onderzoek in de provincie Limburg. In ieder daarvoor bestemd Programma van Eisen (PvE) dient deze relatie gelegd te worden middels onderstaande gearceerde tekst. Deze tekst dient in ieder PvE opgenomen te worden in de paragraaf ‘Relatie NOaA en/of andere onderzoekskaders’. Gemeenten en Provincie zullen er in hun rol als bevoegde overheid op toezien dat de bedoelde relatie in PvE’s en onderzoeksrapporten wordt gelegd.
In een aparte paragraaf in de synthese dienen de volgende vragen beantwoord te worden. Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017? Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richtten op het eventuele vervolgonderzoek van de genomen monsters, het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt is voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antroplogisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. Monsters worden gewaardeerd voor zover ze relevant of kansrijk zijn bij het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Uitwerking van de monsters vindt plaats na een besluit hierover op basis van het evasluatieverslag 5.5
Aanbeveling
Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: behoud in situ; 10
http://www.erfgoedbeleidlimburg.nl/
PvE 9654.002 versie D
Pagina 9 van 24
definitieve opgraving; vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.
6 6.1
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie
In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied, of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek van landelijke nederzettingen onder plaggendekken en bodemtypes waarin verbruining een rol speelt. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door een KNA Archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied, of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek van landelijke nederzettingen onder plaggendekken en bodemtypes waarin verbruining een rol speelt. DE KNA Archeoloog wordt bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/archeoloog. De aanleg van alle vlakken gebeurt in aanwezigheid van de Senior KNA Archeoloog.
Indien blijkt dat kritische beslissingen in het veld zijn of worden genomen door ondeskundig personeel wordt hiervan direct melding gemaakt bij de erfgoedinspectie In het onderzoeksgebied worden 7 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 meter (zie figuur 9). Hiermee 2 wordt 700 m , ongeveer 10 % van het plangebied onderzocht. Indien noodzakelijk voor een goede waardering van de vindplaats of voor de definitieve afronding van het onderzoek als blijkt dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats, of als het slechts een deel van het onderzoeksge2 bied beslaat kan er, na overleg met het bevoegd gezag, maximaal 200 m extra sleuven worden aangelegd. 6.2
Methoden en technieken
Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1. Voorwerk Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem door het aanvragen van een OMNR. De gemeente en diens archeologisch adviseur Vestigia dient minimaal 5 dagen van te voren op de hoogte te worden gesteld van de aanvang van het onderzoek. Het door de gemeente goedgekeurde en ondertekende PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 10 van 24
Veldwerk Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. Verspreid over het terrein worden 7 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 meter. Hiermee wordt circa 10 % van het plangebied onderzocht. Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ruime ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist vooraf geïnstrueerd te worden door de Senior KNA-Archeoloog aangaande de specifieke eisen van archeologisch graafwerk. Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, ex-situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd.
Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 x 4 meter per bodemlaag verzameld. Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld. Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening.
Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. Tijdens de werkzaamheden wordt het vlak vanaf het maaiveld af met een metaaldetector steeds gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 11 van 24
Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context in een vak van 4 x 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet, diameter 15 cm. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen. Het betreffende deel van de proefsleuf wordt niet verder afgewerkt totdat de resultaten van de megaboringen bekend zijn. Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. 6.3
Omgang kwetsbare vondsten en monsters
Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal.” 6.4
Structuren en grondsporen Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op de geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1. Aangetroffen sporen ouder van voor 1945 worden gecoupeerd en afgewerkt voor zover nodig voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Bij sporen die evident toebehoren aan activiteiten gedurende de Tweede wereldoorlog dient wel rekening te worden gehouden met OCE-risico’s. Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven.
De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA versie 4.1. Baksteengrootte, metselverband en tienlaagsmaat dient genoteerd te worden, indien aanwezig. Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. Kansrijke sporen die door hun specifieke organische of anorganische inhoud kunnen bijdragen aan de reconstructie van het verleden, worden bemonsterd. Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met (opdrachtgever) en bevoegd gezag over eventuele aanpassingen in de veldstrategie voordat met de afwerking wordt begonnen.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 12 van 24
6.5
Lichten
Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.6
Aardwetenschappelijk onderzoek
Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengteprofiel te worden onderzocht op mogelijke verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is opgenomen in de enkeerdgrond/de bouwvoor. Van het lengteprofiel wordt aan het begin en einde van iedere sleuf een profielkolom van een 1 meter breed tot 20 centimeter in de schone C aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. Er dienen minimaal 2 profielopnames per proefsleuf te worden gedocumenteerd. 6.7
Anorganische artefacten
Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1. Bij de vondst van bijzondere artefacten of grote hoeveelheden dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectiedeselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid.
Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 13 van 24
6.8
6.9
Organische artefacten Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1. De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. Archeozoölogische en -botanische resten Uit relevante, kansrijke contexten (bijvoorbeeld sporen of vondststrooingen met veel verkoold materiaal en andere paleo-ecologische resten) dienen monsters genomen te worden ten behoeve van analyse door specialisten (archeobotanisch onderzoek). Monstername ten behoeve van absolute dateringsmethoden gebeurt uitsluitend indien de aangetroffen archeologische sporen en materialen niet op andere wijze te dateren zijn. De monsters worden nog niet gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. Deze werkzaamheden dienen als verrekenbare post te worden opgenomen in de offerte.
6.10 Overige resten Ter beantwoording van de onderzoeksvragen dienen monsters genomen te worden voor onder meer micromorfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch, onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNA archeoloog indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist. 6.11 Dateringstechieken Belangrijke sporen, die niet met behulp van vondsten kunnen worden gedateerd, kunnen, indien zij 14 organisch materiaal bevatten, met behulp van een C-datering worden gedateerd. Daartoe dienen monsters van kansrijke lagen of materialen te worden genomen. Een andere mogelijkheid om de ouderdom vast te stellen, is door middel van Optical Stimulated Luminescence (OSL-datering). 6.12 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing).
Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 14 van 24
6.13 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. 6.14 Beperkingen Geen.
7
UITWERKING EN CONSERVERING
Na einde veldwerk wordt er een evaluatierapport opgesteld met de eerste bevindingen om vast te kunnen stellen of het terrein kan worden vrijgegeven of dat er vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit verslag bevat eveneens een voorstel voor de inrichting van de uitwerking en rapportage. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport kan de uitwerking aanvangen. 7.1
Structuren, grondsporen en vondstspreidingen
De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. De allesporenkaart is leesbaar voorzien van alle uitgedeelde spoor- en laagnummers. 7.2
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
De aardwetenschappelijke analyse dient te worden uitgevoerd door de fysisch geograaf/senior prospector of een Senior KNA-Archeoloog met voldoende ter zake doende landschappelijke kennis en worden vermeld in de rapportage. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA versie 4.1. De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen. 7.3
Anorganische artefacten
De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 15 van 24
De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, indien mogelijk op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten en vondsten die indicatief kunnen zijn voor een (verstoorde) vindplaats nader beschreven en geanalyseerd. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (evaluatierapport). Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.4
Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het PvE te beantwoorden. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het ABR. Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (evaluatierapport).
7.5
Organische artefacten
Archeozoölogische en -botanische resten Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.1. In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters geno14 men voor botanisch, C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de KNA-archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 16 van 24
7.6
Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)
De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: Uitsnede topografische kaart met de onderzoekslocatie. Kaarten met de ligging van het plangebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. Alle Sporen Kaart (ASK), weergegeven per periode. Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). Toevoegen indien relevant: Een afbeelding van het plangebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.
8 8.1
RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport
Direct na afronding van het veldwerk, of uiterlijk 2 weken daarna, dient een kort evaluatierapport of briefverslag over de eerste bevindingen ter beoordeling aan de bevoegde overheid te worden aangeleverd. In dit rapport wordt ingegaan op de voorlopige resultaten, de aantallen vondsten en is voorzien van een allesporenkaart. Indien het aan de orde is dat een beslissing nodig is over een eventuele doorstart naar DO dan dient dit evaluatieverslag in het veld tijdens het overleg tussen betrokkenen te worden aangeleverd. Indien besluiten dienen te worden genomen over de inrichting en omvang de uitwerking van bijvoorbeeld monsters en vondstcategorieën dan dient het evaluatieverslag hiervoor een duidelijk voorstel te omvatten. Er kan niet met de doorstart DO of uitwerking worden begonnen zonder goedkeuring van de gemeente op het evaluatieverslag. Binnen 12 weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het uitwerkingsplan dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt. 8.2
Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid
Opdrachtgever en de bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3
Inhoud standaard-/evaluatierapport
Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het plangebied (minimaal 1:25.000).
PvE 9654.002 versie D
Pagina 17 van 24
Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. Een kaart van het plangebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing) o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het plangebied staat aangegeven (indien van toepassing) Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied. Een paragraaf over de fysische-geografie van het plangebied. De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. Relevante coupetekeningen en/of foto’s. De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2.
de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, et cetera), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn. Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA versie 4.1. Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. 8.4
Kwaliteit
De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage. Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. Aanbevelingen en waardeoordelen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging en indien het rapport niet voldoet aan de eisen en voorwaarden en het PvE en/of niet voldoet aan de eisen en richtlijnen uit de vingerende KNA. Dit
PvE 9654.002 versie D
Pagina 18 van 24
geldt ook indien blijkt dat de auteur voldoende in staat blijkt de waarderingscriteria uit de KNA toe te passen. Wanneer toetsende overheid en auteur tot verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. 8.5
Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport
Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en aan de bevoegde overheid. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE en de KNA 4.1. Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport aan de opdrachtgever opgeleverd. De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de opdrachtgever, de Gemeente, de adviseur van de gemeente, het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg, de Provincie Limburg, en het RCE.
9
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING
9.1
Selectie materiaal voor uitwerking
De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De senior KNAarcheoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden. Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). 9.3
Selectie materiaal voor conservering
In overleg met het provinciaal depot wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen. Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Limburg.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 19 van 24
10
DEPONERING
10.1 Eisen betreffende depot
Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider kan in de evaluatie fase het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie. Dit dient wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist te gebeuren. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het evaluatierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd.
De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Limburg, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1. De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS. 10.2 Te leveren product Een Standaard-/conceptrapport, dat een rapport is, dat volgens de vigerende versie van de KNA en volgens de bepalingen van dit PvE wordt opgesteld. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA 4.1 wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer.
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN
11.1 Personele randvoorwaarden Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van een Senior KNA archeoloog Landbodems. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert, staat onder leiding van een Senior KNAarcheoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek van landelijke nederzettingen onder plaggendekken en bodemtypes waarin verbruining een rol speelt. DE Senior KNA archeoloog is aanwezig bij de aanleg van alle vlakken. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een medewerker met ervaring.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 20 van 24
De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Projectleider, KNAarcheoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring bij archeologisch onderzoek. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist vooraf grondig geinstrueerd te worden door de Senior KNA-Archeoloog. De veldploeg dient qua samenstelling te voldoen aan de KNA versie 4.1. Dit is minimaal een KNAArcheoloog Ma en een KNA-Archeoloog Ba, Senior veldtechnicus. Een fysisch geograaf of een Senior KNA archeoloog met relevante fysisch-geografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA-archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist.
Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaal- en diachrone-specialisten (zoals fysisch-geograaf, fysisch-antropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie. 11.2 Overlegmomenten Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er vindt dan op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. Er zal ook overleg in het veld worden ingepland met de opdrachtgever en de bevoegde overheid en diens adviseur indien een doorstart naar opgraving aan de orde is. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA versie 4.1 van toepassing. Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA-archeoloog. Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden.
De Senior KNA-archeoloog is het aanspreekpunt voor de bevoegde overheid en neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is. Indien de resultaten van het veldwerk niet van dien aard zijn dat er reden is voor het opstellen van een evaluatierapport kan dit na afstemming met de bevoegde overheid achterwege blijven. Bij de evaluatiefase wordt in een evaluatierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten. De depothouder van de provincie Limburg wordt het evaluatierapport tijdens de evaluatiefase ter goedkeuring voorgelegd. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door de depothouder kunnen vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de opdrachtgever over de resultaten.
PvE 9654.002 versie D
Pagina 21 van 24
11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologische uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn. Indien het wenselijk wordt geacht dat er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt.
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE
12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk Indien tijdens het veldwerk bijzondere vondsten worden gedaan of (complexe) sporen of structuren worden aangetroffen die niet in het onderzoeksvoorstel zijn voorzien, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. In overleg zal dan eventueel kunnen worden gekozen voor een andere aanpak. Indien het gaat om belangrijke wijzigingen, zullen deze te allen tijde aantoonbaar voorgelegd worden aan de bevoegde overheid en de depothouder. Belangrijke wijzigingen zijn: o Significante afwijkingen van verwachte vondstmateriaal/vondsten (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering). o Wijzigingen die (de)selectie en conservering vondsten beïnvloeden. o Wanneer er door de bevoegde overheid besloten wordt tot een doorstart naar DO. Wijzigingen op het PvE worden overlegd met de bevoegde overheid. Ook in geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk, wordt eerst overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Mutaties op het PvE worden altijd schriftelijk vastgelegd, evenals afspraken voortvloeiend uit evaluatievergaderingen en andere bijeenkomsten. Bij ingrijpende wijzigingen is altijd toestemming van de bevoegde overheid nodig.