CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c1 Bijlagen bij toelichting

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Gebr. van Doornelaan 63, Horst.15.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting/Complextype

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag/tijdelijke kampementen

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag/tijdelijke kampementen

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog/nederzettingen en grafvelden

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog/nederzettingen en grafvelden

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, me-

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

38

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 14 van 22

taalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen IJzertijd

Hoog/nederzettingen en grafvelden

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog/nederzettingen en grafvelden

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog/nederzettingen en grafvelden

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal¬resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer¬pen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog/nederzettingen

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog/nederzettingen

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug of -kopje redelijk ver verwijderd van oppervlakte water, blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum en Mesolithicum geen gunstig vestigingslocatie is geweest voor jagers-verzamelaars maar vanaf het Neolithicum wel voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Bronstijd tot en met Late-Middeleeuwen. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor agrarische samenlevingen. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan ca. 30 cm beneden het maaiveld.

Organische resten en metaal zullen slecht zijn geconserveerd door de relatief droge en zure bodemomstandigheden boven het hoogste grondwaterpeil (1 m -mv). Andere type indicatoren (aardewerk) zijn waarschijnlijk matig goed geconserveerd. Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 15 van 22

Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weiland (met in de noordoosthoek een poel), bouwland, boomgaard en is bebouwd en verhard. Door ploegen, aanleg van de poel, rooiwerkzaamheden en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor de perioden Neolithicum - Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum - Mesolithicum. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (4.1, 24 mei 2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24 mei 2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 12 april 2019 door drs. A.H. Schutte (Senior KNA-archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het plangebied was vrij toegankelijk (zie figuur 19). Wel diende een aantal boringen verplaatst te worden als gevolg van oppervlakteverharding, zoals stelconplaten (Boring nr. 2 en 5). De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) elf boringen tot maximaal 1,8 m -mv gezet (zie Figuur 10). De diepte van het merendeel van de boringen varieerde rond de 1,2 m -mv. De boringen zijn lithologisch conform de

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 16 van 22

39

Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van een GPS-systeem. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. De hoofdlijnen van de opbouw van de bodem kunnen als volgt worden weergegeven: Tabel VI. Diepte

Hoofdlijn bodemopbouw Samenstelling

Interpretatie

0 - 20 cm -mv

zand, zeer fijn, zwak siltig, donkergrijs, plastic fragmenten

bouwvoor/(sub)recent opgebracht

20 - 70 cm -mv

zand, zeer fijn, zwak siltig, bruin

plaggendek

70 - 80 cm -mv

zand, zeer fijn, zwak siltig, donkergeel, bioturbatie/geroerd, met roestvlekken

C-horizont (dekzand)

80 - 110 cm -mv

zand, zeer fijn, zwak siltig, donkergeel

C-horizont (dekzand)

Tijdens het booronderzoek is een relatief uniforme bodemopbouw aangetroffen. In de regel bestaat de bovengrond uit een bouwvoor en een plaggendek tot een diepte van tussen de 70 cm en 1,5 m mv. De bouwvoor onderscheidt zich van het plaggendek door een donkerbruine kleur. De kleur van het plaggendek varieert over het algemeen tussen lichtgrijs en (licht)bruin. De bovengrond lijkt in sommige boringen aanzienlijk te zijn geroerd, waarbij fragmenten plastic en baksteen werden aangetroffen, en de textuur sterk gevlekt (gele zandvlekken) was. De geroerde bodemopbouw is met name aangetroffen nabij de bestaande schoolgebouwen van de MBO-opleiding “Bouwmensen”. Daarnaast valt echter ook op dat de hoogtes van het maaiveld binnen het plangebied met een oppervlakte van circa 1,9 hectare variëren tussen de circa 24,48 en 24,94 m +NAP. Het maximale verschil van circa 46 cm geeft aan dat het terrein relatief vlak is, zeker voor een gebied dat geomorfologisch als dekzandrug of -kopje is gekarteerd. Mogelijk is het terrein in het recente verleden geëgaliseerd, hetgeen ook als een verklaring beschouwd kan worden voor het gegeven dat in een deel van de boringen de bovengrond geroerd is. Beneden de (geroerde) bouwvoor en plaggendek ligt de C-horizont van het dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zand, zeer fijn, zwak siltig met een (donker)gele kleur.

Tevens zijn roestvlekken aanwezig. De top van het dekzand vertoont over een dikte van globaal 10 cm bioturbatie of is geroerd door landbouwwerkzaamheden in het verleden. Buiten de C-horizont zijn geen andere bodemhorizonten in de verkennende boringen waargenomen, kenmerkend voor een podzolprofiel.

39

Bosch, 2005.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 17 van 22

Het aangetroffen bodemprofiel komt overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5). Volgens het bureauonderzoek zouden dekzandafzettingen (dekzandrug of -kopje) met hierop een hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn ter plekken van het plangebied. Hierbij is geen informatie beschikbaar over het mogelijk aanwezige type podzolprofiel. Het verkennend booronderzoek lijkt er op te wijzen dat alleen nog de C-horizont aanwezig is in het dekzand, en als gevolg een duidelijk ontwikkeld podzolprofiel ontbreekt. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Tijdens het verkennend booronderzoek is een bodemopbouw waargenomen van bouwvoor en plaggendek op dekzand (C-horizont). In een aantal boringen was de bovengrond (sub)recent verstoord mogelijk als gevolg van de aanleg van het scholencomplex (gebouwen) en/of egalisatiewerkzaamheden. Beneden de antropogene bodemlagen is het dekzand (C-horizont) aangetroffen, waarvan de top sporen van bioturbatie vertoonde of was geroerd door landbouwwerkzaamheden in het verleden. In de top van het dekzand is geen (deels) intact podzolprofiel waargenomen.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 18 van 22

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond (esdek) de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van verkennende boringen (elf grondboringen) uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor, op plaggendek, op dekzand (C-horizont) behorende tot het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel. Een deel van de bouwvoor en het plaggendek in het plangebied is (sub)recent geroerd waarschijnlijk door een combinatie van bouw- en egalisatiewerkzaamheden. De top van het dekzand (C-horizont) vertoont sporen van bioturbatie en is mogelijk licht geroerd door vroegere landbouwwerkzaamheden. Geconcludeerd kan worden dat een AC-profiel binnen het dekzandlandschap ter plekke van het plangebied aanwezig is. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek gehandhaafd worden. Dit betekent dat er een lage verwachting van toepassing is op de perioden (Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum en een hoge verwachting op de perioden lopende vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd.

Op basis van het behoud van een hoge trefkans op resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting en de resultaten van het verkennend booronderzoek is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen vóór uitvoering van eventueel bodemverstorende civieltechnische graafwerkzaamheden. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, protocol opgraven), karterende en waarderende fase. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), die vervolgens een besluit neemt.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 19 van 22

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bink, M, e.a.: Horst-Schengweg 5-7, gemeente Horst aan de Maas. Een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven en een opgraving. ZAN 310. Amsterdam. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., 2004: Horst Dendron College. Inventariserend archeologisch veldonderzoek Karterende fase. BAAC-rapport 04.121. ’s-Hertogenbosch. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Exaltus R. & J. Orbons, 2016: Veld Oostenrijk 13, Horst aan de Maas. Gemeente Horst aan de Maas. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 15096. Eijsden. Feest, N.J.W. van der, Archeologisch bureau- en karterend veldonderzoek, door middel van boringen Molenveldweg 5 te Horst, AM12345, Roermond. Heeringen, R.M., van, en R. Schrijvers. 2010. “Toelichting op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas”. Vestigia rapport V587. Amersfoort: Vestigia BV. Heeringen, R.M., van, en R.

Schrijvers. 2014. “Actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas”. Vestigia rapport V1188. Amersfoort: Vestigia BV. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Loopik, J., 2014: Gemeente Horst aan de Maas – Schengweg 5a-7. Een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven en een archeologische opgraving. ADC Rapport 3677. Amersfoort. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 Oost.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 20 van 22

Stiekema, M., 2017: Rapportage Archeologisch Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek. Veld-Oostenrijk te Horst. Econsultancy Archeologisch Rapport 4228.002. Amersfoort. Vossen, I., 2005: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek Lindweg-Tienrayseweg te Horst (L.). Archeologisch Rapporten Oranjewoud 2005/44, Heerenveen Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 21 van 22

BRONNEN AHN; internetsite, april 2019. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2019. https://archis.cultureelerfgoed.nl

Bodemloket, internetsite, april 2019. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, april 2019. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1

Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, april 2019 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, april 2019. http://www.dinoloket.nl/

Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2019. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2019. http://www.topotijdreis.nl/ Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg; internetsite, april 2019. https://www.limburg.nl/publish/.../archeologische_aandachtsgebieden_a4_kaart_2.pdf Provincie Limburg, internetsite, april 2019. https://www.limburg.nl/onderwerpen/milieu/bodem/ Ruimingskaart; internetsite, april 2019. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, april 2019. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, april 2019. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 22 van 22

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas Legenda Plangebied

40

Van Heeringen en Schrijvers, 2010,

Rapport 9654.001 versie 1

40

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

41

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

41

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

42

AHN

Rapport 9654.001 versie 1

42

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart

43

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

43

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied

44

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

44

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1816-1820 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)

Situatie 1895 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1958 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1979 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1999 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 9654.001 versie 1

Figuur 10. Boorpuntenkaart

Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer

Rapport 9654.001 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 9654.001 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 2650

815

IVb Subboreaal koeler droger

2000

IVa

5000

3755 4900

5300

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

7020

8240

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 9654.001 versie 1

Bijlage 2 AMK nr. 16275

Situering t.o.v. plangebied 420 meter ten zuiden

Rapport 9654.001 versie 1

AMK-terreinen Datering

Waarde en omschrijving

Middeleeuwen laat - Nieuwe tijd

Toponiem: Horst Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Horst/Middelijk. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen e e liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19 -eeuwse en vroeg 20 -eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.

Bijlage 3

Onderzoeksmeldingen

Zaaknummer (OMnummer) 2387413100 (54370)

Situering t.o.v. plangebied Direct ten westen

2053588100 (7744)

95 meter ten oosten

2094403100 (13741)

100 meter ten noordoosten

2301771100 (43006)

215 meter ten noordwesten

2350728100 (49611)

215 meter ten noordwesten

Rapport 9654.001 versie 1

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Molenveldweg 5 Horst Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 9-11-2012 Resultaat: In verband met de voorgenomen ontwikkeling van de locatie is een archeologisch booronderzoek voorgenomen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven geadviseerd. Er is nog geen besluit bekend. Onder het huidige ploegdek komen twee afzonderlijke akkerlagen voor. Deze lagen hebben vondstmateriaal opgeleverd (hoewel dit niet het doel van het onderzoek was). Dit vondstmateriaal kan gedateerd worden in de periode 750-900. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Dendron College Horst Uitvoerder: BAAC BV Datum: 25-10-2004 Resultaat: Het inventariserend Veldonderzoek wordt uitgevoerd i.v.m. een aanvraag voor wijziging van het bestemmingsplan voor de bouw van een sporthal ter plaatse. Op basis van de aanwezigheid van een intact esdek en de aanwezigheid van vondstmateriaal uit twee periodes (Late-IJzertijd tot Vroege-Middeleeuwen) en Volle-Middeleeuwen, wordt aanbevolen tot vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuf. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Lindweg Horst Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 2-8-2005 Resultaat: Archeologisch vervolgonderzoek of wijzigingen in de plannen wordt niet noodzakelijk geacht.

Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Schengweg 5-7 Horst Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 25-10-2010 Resultaat: De onderzoekslocatie ligt in het buitengebied van Horst, in een gebied met dekzandruggen, waarop hoge zwarte enkeerdgronden worden verwacht. Hierdoor heeft de onderzoekslocatie een hoge trefkans op intacte archeologische sporen en/of resten uit de periode LaatPaleolithicum - Nieuwe tijd. Deze verwachting wordt bevestigd door de verschillende waarnemingen uit de omgeving. In 1832 was de onderzoekslocatie onbebouwd en in gebruik als bouwland. In 1900 was dit nog steeds het geval. De huidige kassen en de bebouwing ten noorden daarvan zijn tussen 1979 en 1987 gerealiseerd. De loods ten westen van de huidige kassen is tussen 1987 en 1991 gerealiseerd. Tijdens het verkennende booronderzoek zijn dekzandruggen met hoge enkeerdgronden aangetroffen. Het eerddek is 25 tot 130 cm dik; ter plaatse van de boringen in de voren tussen de hoge aspergebedden is het eerddek dunner dan 50 cm. In drie boringen is onder het eerddek (een restant van) een veldpodzol aangetroffen. In het oosten van de onderzoekslocatie is de bodem onder het eerddek tot 40 à 85 cm -mv vergraven. Aan het maaiveld zijn op drie locaties aardewerkfragmenten aangetroffen. Deze fragmenten stammen uit de IJzertijd, Late-Middeleeuwen, Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd en Nieuwe tijd.

De aardewerkfragmenten zijn waarschijnlijk afkomstig van een aangeploegde of verploegde vondstlaag. Doordat het oosten van de onderzoekslocatie ten behoeve van de aspergeteelt tot onder het eerddek vergraven is, kan worden geconcludeerd dat hier de vondslaag waarschijnlijk is verdwenen. Onder het verstoorde pakket kunnen echter nog wel diepe grondsporen zoals waterputten en paalsporen worden verwacht; de hoge archeologische trefkans blijft dan ook van kracht. Ook op de rest van de onderzoekslocatie blijft door de aanwezigheid van hoge enkeerdgronden de hoge archeologische trefkans van kracht. Hier kunnen direct onder het eerddek archeologische resten en/of grondsporen worden verwacht. Gezien de hoge archeologische trefkans wordt geadviseerd een vervolgonderzoek plaats te laten vinden. Gezien de aard en de ouderdom van de aangetroffen vondsten kan dit vervolgonderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend/ waarderend ploefsleuvenonderzoek (IVO-P). Bij de oriëntatie van de proefsleuven dient rekening gehouden te worden met de Groote Molenbeek en aandacht besteed te worden aan de opbouw en ouderdom van het plaggendek. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat voor aanvang van de werkzaamheden is goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Horst aan de Maas.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient plaats te vinden. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Schengweg Horst Uitvoerder: VUhbs archeologie

2376981100 (53002)

215 meter ten noordwesten

2416192100 (58103)

305 meter ten noordwesten

4553401100

380 meter ten noorden

3974196100

380 meter ten noordwesten

2042117100 (5371)

355 meter ten oosten

Rapport 9654.001 versie 1

Datum: 1-12-2011 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: opgraving Toponiem: Horst Uitvoerder: VUhbs archeologie Datum: 6-8-2012 Resultaat: Deelgebied B bevat een behoudenswaardige vindplaats (1) en een niet-behoudenswaardige vindplaats (2). Deelgebied C is compleet verstoord. Beide vindplaatsen moeten door middel van een opgraving worden onderzocht. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Schengweg 5A-7 Horst Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 3-9-2013 Resultaat: Vrijgeven. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Horst Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 7-7-2017 Resultaat: Econsultancy adviseert om bij een bodemverstoring van 50 cm of dieper een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek op de locatie waar de grondstrook zal worden ontgraven, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Tevens is het inventariserend veldonderzoek bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook dient het booronderzoek om een betrouwbaar beeld te krijgen van de mate van intactheid van het bodemprofiel.

Binnen de delen van het plangebied binnen de watergang waar het bodemprofiel is verstoord (ter plaatse van de al aanwezige duiker en de aan te leggen knijpduiker) en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Horst aan de Maas Uitvoerder: Archeopro Datum: 28-9-2015 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: veldkartering Toponiem: Rijksweg 73 Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 23-2-1989 Resultaat: Voor een aantal vindplaatsen wordt een opgraving/proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Een deel is ook door RAAP uitgevoerd.

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2387413100 (440635)

Locatie t.o.v. plangebied

Omschrijving

60 meter ten westen

2778100100 (15318)

60 meter ten noordwesten

Romeinse tijd – Late-Middeleeuwen : - fragment van gedraaid aardewerk IJzertijd : - handgevormd aardewerk IJzertijd – Late-Middeleeuwen : - tefriet brok Romeinse tijd : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk Vroege-Middeleeuwen : - 3 fragmenten van gedraaid aardewerk Vroege-Middeleeuwen – Late-Middeleeuwen : - fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk

2387413100 (440633)

70 meter ten westen

2416192100 (424976)

450 meter ten noordwesten

Late-Middeleeuwen : - fragmenten van gedraaid aardewerk Vroege-Middeleeuwen – Late-Middeleeuwen : - fragment van gedraaid aardewerk Bronstijd : - huisplattegrond Bronstijd - IJzertijd : - handgevormd aardewerk Bronstijd - Romeinse tijd : - greppel/sloot

Rapport 9654.001 versie 1

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 9654.001 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 9654.001 versie 1

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.

Rapport 9654.001 versie 1

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 9654.001 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.

Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 9654.001 versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577912/1