CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c1 Bijlagen bij toelichting

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Gebr. van Doornelaan 63, Horst.15.621 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gebr. v. Doornelaan 63, Horst

Inhoudsopgave

Bijlagen bij T oelichting

3

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing

4

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

6

Bijlage 3

archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek

50

Bijlage 4

Programma van eisen Proefsleuvenonderzoek

106

Bijlage 5

AERIUS-berekening

150

Bijlage 6

Ladderonderbouwing

163

2

Bestemmingsplan "Gebr. v. Doornelaan 63, Horst" (vastgesteld)

Bijlagen bij T oelichting

Bestemmingsplan "Gebr. v. Doornelaan 63, Horst" (vastgesteld)

3

Bijlage 1 Landschappelijke inpassing

4

Bestemmingsplan "Gebr. v. Doornelaan 63, Horst" (vastgesteld)

71

weg

Conform “structuurvisie Horst aan de Maas”

veld

n Mole

- Overgang Kern-Buitengebied - lijnvormige beplantingselement - behouden openheid landschap - aanbrengen houtsingel (erfbeplanting)

69

Aanbrengen houtsingel (6m)

- Cultuurhistorie - terugbrengen gesloten karakter

(inheems bosplantsoen)

Bestaande houtwal Terugbrengen (historische) gesloten karakter van kavel

tijk ark afp a tig ms b.v. gr den o k e . Toe ceel t aamh r z pe rk we

(lijnvormige beplantingselement)

p

ornelaan

cha

ds lan

Gebr. van Do

Bestaande bebouwing

Aanbrengen beukenhaag (1,5m)

len

63

(lijnvormige beplantingselement)+

Sta

smo pper

en

oud

Beh

d

hei

n ope

Nieuwe constructie en praktijk ruimte

Aanbrengen beukenhaag (1,5m)

ltweg

4

ho Wester

6

8

Schetsontwerp Landschappelijke inpassing 10 Gebroeders van Doornelaan 63 te Horst Gemeente Horst aan de Maas

2

Boxtel

Datum:

Schaal:

Bosscheweg 107

8 maart 2019

1:500

Getekend:

Formaat:

LV

A3

Tekeningnr.:

Projectnr.:

1/1

P01440

5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 www.bro.nl info@bro.nl

N

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

6

Bestemmingsplan "Gebr. v. Doornelaan 63, Horst" (vastgesteld)

Bijlage 3 archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek

50

Bestemmingsplan "Gebr. v. Doornelaan 63, Horst" (vastgesteld)

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK GEBROEDERS VAN DOORNELAAN 63 TE HORST GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

Archeologisch Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst Opdrachtgever

BRO Boxtel Postbus 4 5280 AA Boxtel

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

9654.001 1 26 april 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. A.H. Schutte en dr. A.C. Mientjes

Paraaf

Kwaliteitscontrole

dr. Patrick M.M.A. Bringmans

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

9654.001

Toponiem

Gebroeders Van Doornelaan 63

Opdrachtgever

BRO Boxtel

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Horst

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Horst Sectie O, nummers 24 (ged.), 917 (ged.), 1408 (ged.), 1410 (ged.), 1412, 1323 (ged.) en 1661 (ged.)

Omvang plangebied

circa 1.9 hectare

Kaartblad

52 G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 200.855/Y: 386.380

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas Wilhelminaplein 6 5961 ES Horst Postbus 6005 5960 AA Horst

T: 077-4779538 Dhr. D. Bolhuis

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4697583100

Booronderzoek 469760710

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, drs. A.H. Schutte en dr. A.C. Mientjes

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van BRO Boxtel in april 2019 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende/karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw. Het plangebied is gelegen aan de Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst in de gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor de perioden Neolithicum - Nieuwe tijd en laag voor de perioden Paleolithicum - Mesolithicum. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het verkennend booronderzoek is een bodemopbouw waargenomen van bouwvoor en plaggendek op dekzand (C-horizont). In een aantal boringen was de bovengrond (sub)recent verstoord mogelijk als gevolg van de aanleg van het scholencomplex (gebouwen) en/of egalisatiewerkzaamheden.

Beneden de antropogene bodemlagen is het dekzand (C-horizont) aangetroffen, waarvan de top sporen van bioturbatie vertoonde of was geroerd door landbouwwerkzaamheden in het verleden. In de top van het dekzand is geen (deels) intact podzolprofiel waargenomen. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek gehandhaafd worden. Dit betekent dat er een lage verwachting van toepassing is op de perioden (Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum en een hoge verwachting op de perioden lopende vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd.

Rapport 9654.001 versie 1

Op basis van het behoud van een hoge trefkans op resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting en de resultaten van het verkennend booronderzoek is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen vóór uitvoering van eventueel bodemverstorende civieltechnische graafwerkzaamheden. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, protocol opgraven), karterende en waarderende fase. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 9654.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 16 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 14 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 16

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 16 Methoden ........................................................................................................................ 16 Resultaten ....................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 19

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 22

Rapport 9654.001 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 9654.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van BRO Boxtel een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Gebroeders Van Doornelaan 63 te Horst in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1). Dit in het kader van de intentie om een constructie en praktijkruimte te realiseren. om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in april 2019 door drs. A.H. Schutte (Senior KNAarcheoloog) en dr. A.C. Mientjes (Senior KNA-archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door dr. Patrick M.M.A. Bringmans (Senior KNA-archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24 mei 2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24 mei 2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:      2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 1 van 22

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. De onderzoekslocatie, circa 1.9 hectare, ligt aan de Gebroeders Van Doornelaan 63, ongeveer 1 kilometer ten noorden van de kern van Horst in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 24,8 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Horst Sectie O, nummers 24 (ged.), 917 (ged.), 1408 (ged.), 1410 (ged.), 1412, 1323 (ged.) en 1661 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 52 G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X: 200.855/Y:. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens (waaronder een veldinspectie).

Het plangebied is momenteel deels bebouwd, deels verhard, deels in gebruik als plantsoen en deels in gebruik als grasland (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker zijn onbekend. 4

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4

Van Heeringen en Schrijvers, 2010, Van Heeringen en Schrijvers, 2014

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 2 van 22

een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie 3. Volgens de bijbe2 horende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m en dieper dan 50 cm –mv. Volgens de beleidskaart (Figuur 4) ligt het plangebied deels in de bebouwde komen met een onbekende verwachting (categorie 7) en deels in een zone met een hoge archeologische verwachting (categorie 3). Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd.

Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied een 5 verrwijzing opgeleverd naar een website van de provincie Limburg. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen de website van de provincie Limburg geen milieuhygiënische onderzoeken uit6 gevoerd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is men voornemens om een constructie en praktijkruimte te realiseren. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De toekomstige gebruikers worden medewerkers en leerlingen van de onderwijsinstelling. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (Bx5)

Geomorfologie8 Bodemkunde

5 6 7 8 9

9

Dekzandrug of –kopje (3L5) Hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23)

www.bodemloket.nl. https://www.limburg.nl/onderwerpen/milieu/bodem/ Mulder et al., 2003. Alterra, 2003. Stichting voor Bodemkartering, 1975.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 3 van 22

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een uitgestrekt gebied dat wordt gedomineerd door afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel. Deze afzettingen zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen 10 de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd 11 een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wier12 den genoemd, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa’s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door de verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden wat voornamelijk plaatsvond in de 13 Nieuwe tijd.

De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, behorend tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Horst afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal is het dal van de Groote Molenbeek dat ongeveer 360 meter ten oosten van het plangebied. 14

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond ten oosten van het plangebied vanaf het maaiveld bestaat uit een pakket van fijn zand van 1,60 m dik, op leem (bovenin sterk zandig) tot 2 m onder maaiveld, op een 70 cm dik pakket matig fijn zand. Van 2,70 tot 3 m -mv ligt een sterk zandig leempakket op matig fijn zand (tot einde boring op 3,70 m – 15 mv). Ten westen van het plangebied bestaat de ondergrond vanaf het maaiveld uit een pakket van fijn zand van 2,40 m dik, op een 30 cm dik pakket matig fijn zand, op een 20 cm dik pakket leem. Van 2,90 tot 3,20 m -mv ligt weer een pakket van fijn zand, met hieronder matig fijn zand (tot einde boring 16 op 3,70 m –mv).

10 11 12 13 14 15 16

De Mulder et al., 2003. Berendsen, 2008 De Mulder et al., 2003. Berendsen, 2008 www.dinoloket.nl. DINO boornummers B52G2740. DINO boornummers B52G2735.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 4 van 22

Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied op een Dekzandrug of -kopje (3L5) (zie figuur 5). 17

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied een hoger gelegen dekzandrug met in het oosten naar een lager gelegen beekdal (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied grotendeels gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de e jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.

In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de e e dorpen die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkheid aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden 18 over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 17 18

www.ahn.nl. Doesburg et al., 2007.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 5 van 22

19

Tabel II.

Grondwatertrappenindeling

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf20 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden.

De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang

19 20

Locher & Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 6 van 22

zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het 21 plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 22

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 8). Het AMK-terrein betreft de nederzetting Horst en deze ligt ongeveer 420 m ten zuiden van het plangebied. 23

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal tien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), een veldkartering, twee proefsleufonderzoeken en een opgravingen (zie bijlage 3 en figuur 8). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat op één terein deze uiteindelijk geleid hebben tot een opgraving, bij vier onderzoeken wordt vervolgonderzoek geadviseerd wat (nog) niet is uitgevoerd. Een proefleuvenonderzoek en een booronderzoek hebben geleid tot volledige vrijgave. Bij één onderzoek staan de resulaten niet in Archis. 24

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden IJzertijd tot en met Late-Middeleeuwen. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn de beschikbare publicaties van de archeologische onderzoeken in het onderzoeksgebied geraadpleegd, deze worden hieronder behandeld. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Direct ten westen van het plangebied heeft Aeres Milieu in 2012 een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en geografische ligging moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied een lage verwachting geldt voor archeologische resten uit de periode tot het Neolithicum.

In deze periode was het gebied door de grote invloed van de vlechtende Maas minder aantrekkelijk voor bewoning dan de nabij (ten noorden) gelegen hogere dekzandruggen. Voor de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd geldt een middelhoge archeologische verwachting. Beekdalen, met name de flanken ervan, waren bij uitstek geschikte woongronden door hun grote biodiversiteit en gradiënt. Deze zijn op enige af21 22 23 24

Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 7 van 22

stand naar het zuiden en oosten te vinden waardoor dit vermoedelijk eerder voorkeurslocaties zijn. In de omgeving van het plangebied zijn op verschillende plekken bewoning aangetroffen uit de VroegeMiddeleeuwen evenals vondstmateriaal van het oppervlakte van het plangebied. Derhalve geldt voor de Romeinse tijd – Vroege-Middeleeuwen een hoge verwachting. In de loop van de LateMiddeleeuwen neemt het belang van Horst toe, hierdoor ontwikkeld de kern zich ook gestaag. Echter heeft het plangebied altijd in de perifere zone van de ontwikkeling gelegen. Hierdoor zal naar verwachting ook geen intensief gebruik zijn gemaakt van het plangebied. De aanwezigheid van een enkeerdgrond duidt op agrarische activiteiten in en om het plangebied. Deze gronden dienen vaak als beschermende deken voor de onderliggende sporen waardoor er mogelijkerwijs goed bewaarde resten in en onder dit cultuurdek aanwezig kunnen zijn. Daarnaast zijn er tijdens eerder onderzoek fragmenten keramiek aangetroffen uit deze periode, hierbij moet wel rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat ze van elders zijn aangevoerd. Op basis van deze gegevens geldt voor de periode Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd een middelhoge verwachting. Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied grotendeels intact is.

In het plangebied komen oude akkerlagen voor waarin een fragment aardewerk is aangetroffen dat gedateerd kan worden als 750-900 n. Chr. De onverstoorde aard en de hoge potentie van het gebied voor het aantreffen van archeologische resten leidt tot het advies dat vervolgonderzoek ter plaatse wenselijk is. Dit vervolgonderzoek dient bij voorkeur uitgevoerd te worden in de vorm van proefsleuven ter plaatse van de 25 onverstoorde boringen. Ongeveer 95 meter ten westen van het plangebied heeft BAAC in 2004 een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek kan een specifiek archeologisch verwachtingsmodel worden opgesteld. Het onderzoeksgebied, gelegen binnen de bebouwde kom van Horst, ligt in een gebied met dekzandruggen, mogelijk afgedekt met een esdek. In gebieden met een dergelijke bodemopbouw is de kans op het aantreffen van archeologische resten groot. Om die reden heeft het gebied een hoge indicatieve archeologische waarde. Er zijn geen archeologische vondsten bekend binnen het plangebied. In de directe omgeving is een archeologische waarneming bekend daterend van IJzertijd tot Late-Middeleeuwen. Hieruit kan dan ook worden geconcludeerd dat de archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied hoog is.

Het gebied was in principe bewoonbaar vanaf het Laat-Paleolithicum en er zijn vanuit de literatuur geen aanwijzingen voor erosie van oudere bodemlagen. Er kunnen dus resten uit alle archeologische periodes vanaf het LaatPaleolithicum worden verwacht. Dergelijke resten zijn hierbij te verwachten vanaf het maaiveld tot in de top van de C-horizont van de dekzandafzettingen. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen verricht met een edelmanboor met diameter van 15 cm. De tijdens het bureauonderzoek opgestelde hoge verwachtingswaarde is tijdens het veldonderzoek getoetst. De bodem van het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden, rustend op dekzand. In alle boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen, namelijk aardewerk daterend uit de Late-IJzertijd tot en met de Vroegee e e Middeleeuwen (8 eeuw) en 10 tot 12 eeuw. Het aardewerk komt zowel in als onder het esdek voor. Hiermee kan worden bevestigd dat het onderzoeksgebied een hoge archeologische verwachtings26 waarde heeft. Ongeveer 100 meter ten noordoosten van het plangebied heeft Oranjewoud in 2005 een archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Het bureauonderzoek heeft laten zien dat er onder het esdek binnen het plangebied bewoningssporen van voor de Late-Middeleeuwen zijn te verwachten. De kans op verstoring werd echter ook groot geacht.

Hierom is geadviseerd eerst een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) d.m.v. boringen te verrichten om in de eerste plaats de verstoring - naast uiteraard eventuele archeologische indicatoren - in kaart te brengen. Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen. Belangrijker nog is 25 26

Feest, 2012. Boshoven, 2004.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 8 van 22

dat de bodem binnen het plangebied ernstig verstoord bleek. De kans op het aantreffen van archeologische waarden en dus de verstoring ervan als gevolg van de geplande werkzaamheden is erg 27 klein. Een archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ongeveer 215 meter ten noordwesten van het plangebied heeft ARC in 2010 een archeologisch bu28 reauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek werd een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten uit de periode LaatPaleolithicum tot en met Nieuwe tijd opgesteld. De reden voor deze verwachting was de ligging in een gebied met dekzandruggen waarop hoge zwarte enkeerdgronden worden verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen gedaan en onderzoeken uitgevoerd. Om deze verwachting te toetsen zijn negentien boringen gezet tot een minimale diepte van 120 cm -mv. De boringen hebben geen archeologische indicatoren opgeleverd, met uitzondering van baksteen in de bouwvoor. Ter hoogte van de boringen zijn aan het maaiveld 13 fragmenten aardewerk gevonden. Het aardewerk dateert uit de IJzertijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het eerddek heeft een dikte van 25 tot 130 cm. In het oostelijke deel is de bodem ten behoeve van de aspergeteelt vergraven tot 40 á 85 cm onder het eerddek.

Het advies luidde dat gezien de hoge archeologische trefkans een vervolgonderzoek diende uitgevoerd te worden. In 2011 heeft VU-HBS een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek heeft de gemeente Horst aan de Maas het oostelijke deel van het plangebied vrijgegeven en de westelijke helft van het centrale deel, waar archeologische resten werden aangetroffen, behoudenswaardig verklaard. Het westelijke deel van het plangebied was nog niet beschikbaar voor onderzoek en behield op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek de archeologische dubbelbestemming. Door de gemeente is het selectiebesluit genomen dat er tussen 2 2 de 300 m en 2.500 m zal worden opgegraven in voorgenoemde plangebied. Deze opgraving is in 2012 uitgevoerd door VU-HBS en de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn in de rapportage van de archeologische opgraving opgenomen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen in het plangebied. Beide vindplaatsen bevinden zich in het centrale deelgebied B. Tijdens de opgraving zijn de vindplaatsen in deelgebied B beiden onderzocht. De oudste bewoning binnen het plangebied dateert uit de MiddenBronstijd. In totaal zijn tien kuilen aan deze periode toegeschreven. Alle kuilen bevinden zich binnen een straal van 10 m.

Vermoedelijk representeren de kuilen tenminste twee bewoningsfasen, waarbij steeds drie van de kuilen op één lijn in de zijbeuk van een huis zijn gelegen. Vondstmateriaal uit deze kuilen blijft beperkt tot een elftal scherven, die op grond van de grove minerale verschraling duidelijk uit de Midden-Bronstijd dateren, maar verder geen daterende kenmerken vertonen en een drietal fragmenten natuursteen, waarvan één gebruikt is als slijpsteen. Vier van de kuilen bevatten een grote hoeveelheid verbrande granen en eikels. Naast deze veelvoorkomende zaden zijn in twee monsters nog drie zaden van huttentut aangetroffen. Deze zaden zijn uit Bronstijdcontexten in Nederland nauwelijks bekend. Uit de tussen de monsters aanwezige onkruiden kan worden opgemaakt dat de aangetroffen gewassen werden verbouwd als zomergewas. Enkele vochtminnende resten geven aan dat 14 tussen de akkers ook sprake was van nattere plekken. Drie C-dateringen van de cluster bevestigen de datering van de sporen in de Midden Bronstijd B. In het centrale deel van het deelgebied is een cluster sporen aangetroffen die in de lJzertijd te dateren valt. De cluster bestaat uit de mogelijke structuur, spieker, vierpalige structuur met kuil en een zevental kuilen, waarvan vijf grote hoeveelheden aardewerk bevatten.

De kuilen met veel aardewerk wijzen alle op een datering in de tweede helft 14 van de Vroege-lJzertijd of het begin van de Midden-IJzertijd. Eén van de C-dateringen van mogelijke structuur is hiermee in overeenstemming. De tweede datering wijkt echter sterkt af. Deze wijst e eenduidig op een datering aan het einde van de Late-Bronstijd in de 9 eeuw voor Chr. Hoewel er ook aardewerk is aangetroffen dat uit de Late-Bronstijd kan dateren is er geen aardewerk dat niet zeker27 28

Vossen, 2005. Bink e.a., 2014.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 9 van 22

heid uit deze periode dateert. De bemonsterde kuilen uit deze cluster bevatten gerst, emmertarwe, pluimgierst en spelttarwe. Daarnaast bevatte een kuil een zeer grote hoeveelheid huttentut. Voor de IJzertijd is het verbouwen van huttentut wel gebruikelijk. De aangetroffen akkeronkruiden wijzen, evenals die uit de Bronstijd op het verbouwen van zomergewassen. Wel is de variatie aan akkeronkruiden in de lJzertijd groter dan in de Bronstijd. Het vondstmateriaal van deze sporen wordt voor het grootste deel gevormd door aardewerk uit een viertal kuilen. Onder dit aardewerk is een aantal scherven zoutaardewerk, dat in het kustgebied is vervaardigd en met inhoud (zeezout) naar Horst is getransporteerd. Het natuursteen uit de kuilen omvat een groot deel van een zandstenen zadelkweern. Daarnaast zijn nog twee fragmenten van een tweede maalsteen van zandsteen aangetroffen naast een aantal slijpstenen. In het noordelijk deel van het deelgebied is nog een tweetal spiekers aangetroffen. Uit beide structuren is één scherf Romeins aardewerk afkomstig. Aardewerk uit spiekers is echter meestal eerder opspit uit dan dat het direct aan de structuur te koppelen is. De datering ‘Romeins’ is daarom vooral een datering postquem. Gezien het gehele aardewerkcomplex dat tijdens de onderzoeken is verzameld is een datering mogelijk vanaf de Midden-Romeinse tijd tot en met de Volle-Middeleeuwen.

Ongeveer 305 meter ten noordwesten van het plangebied heeft het ADC in 2013 een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd. In 2012 is het terrein direct ten oosten van het plangebied opgegraven. Hierbij kwamen twee vindplaatsen aan het licht, welke waarschijnlijk doorliepen naar het westen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek en de aansluitende opgraving is geconstateerd dat van deze twee vindplaatsen alleen de meest zuidelijke doorliep binnen het plangebied. De aangetroffen sporen waren echter zodanig weinig in aantal dat kan worden gesteld dat zich hier de periferie van deze vindplaats bevond. Er werd een derde, nieuwe vindplaats aangetroffen, aan de westkant van het plangebied. Het betrof de restanten van een huisplattegrond uit de Midden-Bronstijd. Een haardplaats, die binnen het huis lag en hier mogelijk verband mee hield, bevatte aardewerk dat ook dateert in de Midden-Bronstijd. Tevens is een houtskoolmonster geanalyseerd, dat een aansluitende datering geeft. van 1509-1404 v. Chr. Er werden ook een aantal greppels aangetroffen. waarvan de datering onduidelijk blijft. Eén scherf in de greppel die de huisplattegrond mogelijk doorsneed, dateert 29 uit de periode Late Bronstijd -Romeinse tijd. Ongeveer 380 meter ten noorden van het plangebied heeft Econsultancy in 2017 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.

Uit de landschappelijke ligging op de flank van een dekzandrug, op een gradiëntsituatie naar een beekdal ten oosten van het plangebied blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum en Mesolithicum een geschikte vestigingslocatie was voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum een geschikte locatie is geweest voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied de waarnemingen vooral dateren uit de perioden Bronstijd tot Nieuwe tijd en in mindere mate ook van oudere perioden. Vanwege de ligging op de gradiënt naar een beekdal en de bekende vondsten in de omgeving van het kunnen er archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle perioden van het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Econsultancy adviseert om bij een bodemverstoring van 50 cm of dieper een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek op de locatie waar de grondstrook zal worden ontgraven, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Tevens is het inventariserend veldonderzoek bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten.

Ook dient het booronderzoek om een betrouwbaar beeld te krijgen van de mate van intactheid van het bodemprofiel. Gezien de kleine omvang van het plangebied, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te 29

Lopik, 2014.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 10 van 22

krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel dient de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd te worden met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Binnen de delen van het plangebied binnen de watergang waar het bodemprofiel is verstoord (ter plaatse van de al aanwezige duiker en de aan te leggen knijpduiker) en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen 30 vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Op 28 september 2015 is door ArcheoPro een bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd op een terrein 280 meter ten noordwesten van het plangebied. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum.

Tevens geldt een hoge verwachting voor nederzettingen en grafvelden uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd en de Romeinse tijd. Ditzelfde geldt voor e resten uit de Vroege-Middeleeuwen. In verband met de ligging tot aan het einde van de 20 eeuw op akkerland, is de verwachting voor bewoningsresten uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, middelhoog. Om na te gaan in hoeverre en vanaf welk niveau binnen het plangebied nog behoudenswaardige resten uit deze perioden aanwezig kunnen zijn, zijn 18 verkennende boringen gezet met behulp van een zandguts. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het plangebied oorspronkelijk heeft bestaan uit een terrein dat voor het grootste deel ongeveer een meter lager lag dan tegenwoordig het geval is. Op dit terrein vond plaatselijk podzolvorming plaats en lijkt ook enige veenbedekking te hebben bestaan. De oorspronkelijke bodem ligt binnen het plangebied rond 24 meter boven NAP en is op de meeste delen van het plangebied weliswaar verloren gegaan, maar niet tot diep in de C-horizont verstoord. Dit blijkt uit de vergelijking van de diepteligging van de top van de Chorizont in de boringen met een nog deels intacte bodemopbouw met die in de overige boringen.

Dit betekent dat onder de pakketten gewoelde en opgebrachte bovengrond, nog rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Dergelijke resten (uit de Bronstijd tot en met de Late-Middeleeuwen) zijn immers ook op het terrein direct ten zuiden van het plangebied aangetroffen. De voorgenomen ingreep bestaat uit de bouw van een kassencomplex dat gefundeerd zal worden op poeren. Hiertoe zal het huidige maaiveld niet verlaagd worden. Indien echter binnen het plangebied bodemingrepen zullen plaatsvinden die de huidige verstoringsdiepte overschrijden en daarbij meer dan vijf procent van de bodem zullen aantasten, wordt aanbevolen om op de betreffende terreindelen vervolgonderzoek te laten verrichten. Dit kan zowel bestaan uit karterend booronderzoek als uit proefsleuvenonderzoek. Dergelijk onderzoek is nergens binnen het plangebied nodig bij bodemingrepen die niet diepere reiken dan een halve meter beneden het huidige maaiveld. Aangezien in de huidige plannen geen verstoring plaatsvindt van meer dan 5% onder de huidige verstoringsdiepte 31 wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Aanvullende informatie Lokale Amateur Archeologen Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Kring ter Horst, maar dit heeft binnen het tijds32 bestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

30 31 32

Stiekema, 2017. Exaltus en Orbons, 2016. Contactpersoon: dhr. J. Vissers

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 11 van 22

2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Horst In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5 De eerste bewoningssporen van de gemeente Horst aan de Maas stammen uit de vroege prehistorie. Vanaf de Middeleeuwen bestond het landschap van dit gebied uit esdorpen en heideontginningen. Horst heette in de Middeleeuwen van oorsprong Berckele (1219). Waarom dit later veranderd is in Horst, is onbekend. De naam (de) Horst is mogelijk oorspronkelijk de naam van het voormalige kasteel dat direct ten noorden van de dorpskern heeft gelegen. Tegenwoordig is hiervan alleen een ruïne 33,34 overgebleven.

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling

1816-1820

25 Horst

1:20.000

Bouwland, doorsneden door één weg in het noorden en één in het zuiden

Grotendeels agrarisch gebruik, bouwland en weiland, doorsneden door wegen (o.a. voorloper Gebroeders Van Doornelaan) met verspreid aan die wegen bebouwing. Ten zuiden staat de Oude Molen.

1821

Gemeente Horst, Sectie A, Blad 03

1:2.500

Volgens OAT grotendeels bouwland, noordoostzijde schaapswijde met waterpoel.

-

1850-1864

52

1:50.000

-

-

1895

674

1:50.000

Geheel in gebruik als bouwland (twee percelen ) doorsneden door een weg. Door het plangebied loopt een natuurlijke helling.

-

kaart

35

Kadastrale minuut

36

Militaire topografische kaart (nettekening)

37

Militaire topografische kaart (veldminuut)

33 34 35 36 37

Heeringen & Schrijvers, 2010. Renes, 1999 Beeldbank Vrije Universiteit Beeldbank Cultureelerfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 12 van 22

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1915

674

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1927

674

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1936

674

1:50.000

-

-

Topografische kaart

1954

52G

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1958

52G

1:25.000

Zuidelijke weg eindigt in een weiland, noordoostelijk deel ligt in een boomgaard.

Topografische kaart

1967

52G

1:25.000

Straten lijken iets verschoven te zijn, ze liggen niet meer in het plangebied maar er vlak onder of boven op de huidige locatie. Plangebied grotendeels bouwland alleen zuidoosthoek weiland.

Uitbreiding bebouwing rondom het plangebied.

Topografische kaart

1979

52G

1:25.000

Plangebied is deels bebouwd en verhard deels in gebruik als bouwland en grasland.

Uitbreiding bebouwing rondom het plangebied.

Topografische kaart

1987

52G

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1999

52G

1:25.000

Huidige situatie

-

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf e e de eerste kwart van de 19 eeuw tot in de jaren ’70 van de 20 eeuw in agrarisch gebruik is, bouwland, grasland (met tijdelijk een poel aan de noordoostzijde) en boomgaard (zie figuur 9). Het plangebied wordt doorsneden door twee wegen die in de loop der tijd verlegd zijn. In de jaren ’70 zijn de eerste gebouwen in het plangebied verschenen wat in de jaren ’90 is uitgebreid totdat de huidige situatie is ontstaan. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Horst aan de Maas is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon mevrouw Jenniskens). Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor de onderzoekslocatie. Tabel IV.

Verleende bouwvergunningen

Naam aanvrager

Jaartal

Omschrijving

Het bestuur van het centrum voor champignonteeltonderwijs

1968

Oprichten centrum voor champignonteeltonderwijs. Muren gefundeerd op poeren tot 1,3-1,4 m onder peil (maaiveld?), in één gebouw een gierkelder tot 180 cm diep in een ander gebouw een kelder van 14 m2 (diepte onbekend). Andere bodemverstoringen bestaan uit riolering en andere kabels en leidingen.

Bestuur C.C.O. Horst

1987

Veranderen van centrum voor champignonteeltonderwijs. Muren gefundeerd op poeren. Andere bodemverstoringen bestaan uit riolering en andere kabels en leidingen.

Rapport 9654.001 versie 1

Pagina 13 van 22

Stichting Beheer Bouwopleidingscentrum

2002

Oprichten onderwijs en praktijkgebouw. Muren gefundeerd op poeren tot 1 m onder peil, In één van de gebouwen ligt een bezinkput. Andere bodemverstoringen bestaan uit riolering en andere kabels en leidingen.

Bouw Centrum

Opleidings

2003

Het oprichten van een bouwwerk (reclame gevel en zuil). Geplaatst op een fundering van beton (10 cm dik) met daaronder bouwzand.

Bouw Centrum

Opleidings

2004

Het oprichten van een opslagruimte. Fundering op staal op bouwzand.

Stichting Beheer Bouw Opleidingscentrum

2006

Het oprichten van een bouwwerk (rijwielstalling). Diepte verstoring t.o.v. maaiveld onbekend.

Stichting Beheer Bouw Opleidingscentrum

2009

Het uitbreiden van een schoolgebouw met drie leslokalen. Fundering op poeren (90 – 100 cm onder peil)op de vaste grondslag (mogelijk na grondverbetering).

Uit de bouwdossiers blijkt dat er in delen van het plangebied t.b.v. de huidige bebouwing al een groot aantal bodemverstorende zijn uitgevoerd, dit bestaat grotendeels uit funderingssleuven voor de poeren die zijn gegraven tot op het gele zand en sleuven voor kabels en leidingen, bij een gebouw is er gebouwd op staal waardoor onder het gehele bouwwerk waarschijnlijk is ontgraven tot op het gele zand. Eventuele archeologische sporen onder de gebouwen kunnen zijn aangetast door de grafwerkzaamheden maar het is niet uit te sluiten dat er nog archeologische waarden onder de gebouwen te verwachtten zijn, alleen bij de twee kelders lijken we dit te kunnen uitsluiten. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange38 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577912/1