03c Toelichting vastgesteld
Tekst van het document
5
Oa. ABRS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694/ 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348/ 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1297
Hoofdstuk 5
28
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in POL2014 en is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL2014 en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.
Hoofdstuk 5
29
Beekdalen zijn belangrijk zowel voor het vasthouden en bergen van wateroverschot als voor het bereiken van de ecologische doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Ze fungeren als ecologische verbinding tussen natuurkernen en vormen het landschappelijk raamwerk. Ze zijn daarmee belangrijk voor de toeristische en recreatieve aantrekkelijkheid van Limburg. Beekdalen zijn lager gelegen gebieden (beekdal- en droogdalbodems, bron- en kwelgebieden en laagten) waar het neerslagoverschot en vaak ook het uittredende grondwater (kwelzones en bronnen) via beken wordt afgevoerd. De beekdalen zijn onderdeel van de Bronsgroene landschapszone, voor zover geen onderdeel van Goudgroene of Zilvergroene natuurzone. In de provinciale omgevingsverordening is de functie strategische waterberging voor de beekdalen aangeduid. Aan de natuurbeken inclusief hun natuurzones (herinrichtings- en meanderzones) is de natuurfunctie toegekend en deze maken deel uit van het natuurnetwerk. Ze zijn mede vanwege de eisen van de Kaderrichtlijn Water grotendeels gelegen binnen de Goudgroene, Zilvergroene en Bronsgroene natuurzones. De (grond)waterafhankelijke natuurgebieden, zoals vennen, hoogvenen, moerassen, bronnen en kwelgebieden vormen onderdeel van de Goudgroene en Zilvergroene natuur. Hiervoor geldt het beschermingsregime vanuit het natuurbeleid.
Voor ondiepe grondwateronttrekkingen met mogelijke invloed op deze natuurgebieden is samen met de waterschappen een vergunningenkader ontwikkeld dat overgedragen wordt aan het waterschap. In het POL2014 worden 48 natte natuurparels onderscheiden, die vanwege de aanwezige en potentiële natuurwaarden de hoogste prioriteit bij het hydrologisch herstel krijgen. Daarvan zijn er 21 tevens Natura 2000-gebied, waarvoor specifieke doelstellingen gelden, die worden uitgewerkt in de beheerplannen Natura 2000. Het hydrologisch herstel is erop gericht om een zo natuurlijk mogelijk grondwaterpeil te realiseren met een (grond)waterkwaliteit die voldoet aan de eisen die de natuur stelt. Daarvoor zijn er rond 42 natte natuurparels hydrologische bufferzones aangewezen, waarvoor regelgeving in de waterschapskeur is opgenomen ten aanzien van industriële grondwateronttrekkingen in de provinciale verordening en ten aanzien van beregening in de vorm van een ‘stand-still’-beginsel. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. De provincie stelt de ambitie en de normen voor de regionale watersystemen vast.
Doel is om de wateroverlast en de watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. In de toekomst gaan in het regionale watersysteem vaker en langer droogteperiodes ontstaan, met gevolgen voor het ruimtegebruik, als daar niet tijdig op wordt ingespeeld door maatregelen te treffen. Daarbij worden zoveel mogelijk kansen benut om combinaties te maken met doelen op het gebied van economie, ecologie, waterkwaliteit, natuur, landschap en recreatie, teneinde een maximale maatschappelijke winst te behalen. De huidige ecologische en fysisch-chemische toestand van de (natuur)beken is over het algemeen matig
Hoofdstuk 5
30
tot ontoereikend, terwijl de opgave is om tot een goede toestand te komen (zie verder het Provinciaal Waterplan 2016-2021). De kwaliteit van ongeveer 37% van de natte natuurparels voldoet aan de gestelde eisen. Schoon oppervlakte- en grondwater is van vitaal belang voor de drinkwatervoorziening, volksgezondheid, natuur, landbouw, recreatie, industrie en visserij en een belangrijke randvoorwaarde voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. In het Bestuursakkoord Water zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van de doelmatigheid in de waterketen in de vorm van taakstellingen voor de partners. Daarbij zullen de sectoren inzetten op cultuurverandering, bundeling van kennis en capaciteit, professionalisering van operationele taken, innovatie, etc. Waterschap Limburg Het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Water in beweging’ van Waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2014 en het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap gedurende de planperiode 2016-2021. Met dit waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Concreet voor dit plangebied geldt dat in de omgeving aanwezige oppervlaktewater op voldoende afstand is gelegen en hierop geen invloed wordt uitgeoefend. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoonwaterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater).
De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het gebied wordt vastgehouden.
Hoofdstuk 5
31
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater en bodem Volgens de bodemkaart (bron: www.pdokviewer.pdok.nl) ligt het plangebied gedeeltelijk op een dekzandwelving, welke hoofdzakelijk is ontstaan door eolische processen. Volgens de kaart ‘Ondergrond’ (kaart 12) van het POL2014 is het plangebied gelegen binnen een boringsvrije zone. Het plangebied is gelegen op de Venloschol, waardoor de strategische grondwatervoorraden gereserveerd zijn voor menselijke consumptie. Voor de gehele Venloschol zijn dan ook boringsvrije zones opgenomen ter bescherming van de diepe grondwatervoorraden. Het doorboren of roeren van de kleilaag in deze gronden is hierdoor verboden. Binnen het plangebied zijn geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien, waardoor er vanuit de bescherming voor de diepe grondwatervoorraden geen belemmering bestaat. Oppervlaktewater In het plangebied en in de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Hierin wordt in de toekomst ook niet voorzien.
Hemel- en afvalwater Uitgangspunt Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/ of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad, of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. De gemeente heeft in haar beleid aangegeven dat de wateropgave van een planontwikkeling in principe op het terrein zelf dient te worden opgevangen, middels infiltratie van hemelwater ter plaatse. Hemelwaterafvoer/ hemelwaterberging In verband met de verplichting om de wateropgave van de ontwikkeling op het terrein zelf op te vangen middels infiltratie wordt aangegeven waar toekomstige infiltratievoorzieningen aan dienen te voldoen.
Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. In het hele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van het Heuvelland, wordt uitgegaan van een bui van 100 mm in 24 uur. Dit betekent dat een berging/infiltratie moet worden gerealiseerd die van een zodanige omvang is dat de hoeveelheid hemelwater die op het watersysteem wordt aangeboden niet groter is dan in de onverharde situatie. Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur.
Hoofdstuk 5
32
Het plangebied is in de bestaande situatie reeds deels bebouwd en verhard. De mogelijkheden voor het toevoegen van bebouwing wijzigen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling voorziet dan ook in een geringe toename binnen de afvoer van hemelwater in het plangebied. Er is echter voldoende ruimte binnen het plangebied beschikbaar om deze toename in hemelwater te kunnen verwerken middels berging of infiltratie. Een concrete uitwerking van de infiltratievoorzieningen vindt plaats in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen. Overleg waterbeheerder Het plangebied is niet gelegen in een speciaal aandachtsgebied. Omdat de hoeveelheid verhard oppervlak niet met meer dan 2.000 m 2 zal toenemen, vergeleken met de huidige planologische mogelijkheden, is overleg met het Waterschap Limburg niet noodzakelijk. Conclusie Er bestaan geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij het initiatief belemmeren. De dichtstbijzijnde leiding is een aardgasleiding die op 1,9 kilometer is gelegen van het plangebied. De beschermingszone van deze leiding reikt hierdoor niet tot het plangebied.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Hoofdstuk 5
33
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming is het van belang dat geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen kunnen veroorzaken. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’ op circa 8,4 kilometer afstand ten westen van het plangebied zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Daarnaast dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator.
De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanlegfase en gebruiksfase6. Hieruit is gebleken dat binnen alle twee de fases geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in de omliggende natuurgebieden.
6
BRO, AERIUS-berekening (versie 2019A) Onderwijsinstelling Bouwmensen Gemeente Horst aan de Maas, projectnummer.: P01440 (NL), d.d. 23 januari 2020
Hoofdstuk 5
34
De meest dichtbij gelegen gebieden die behoren tot het Nationaal Natuurnetwerk (goudgroene natuurzones) liggen op meer dan 700 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkelingen in het plangebied, is er geen sprake van negatieve effecten op deze provinciaal beschermde natuurgebieden. Op circa 550 meter ten oosten van het plangebied liggen daarnaast enkele gebieden die deel uitmaken van de bronsgroene landschapszone. Gezien de aard van het initiatief en deze afstand worden ook geen negatieve effecten uitgeoefend op deze gebieden. Soortenbescherming Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als onderwijsinstelling met aan de oostwestzijde bedrijfsbebouwing. Rondom deze bedrijfsbebouwing is grotendeels verharding aanwezig. De beoogde locatie binnen het plangebied voor de realisatie van de constructie- en praktijkruimte bestaat momenteel uit braakliggend terrein, waarop geen beplanting voorkomt. In het westelijk gedeelte van het plangebied komt een dassenbucht voor die al langer dan 5 jaar niet meer in gebruik is en hierdoor als onbewoond wordt aangemerkt. Dit betekent dat in het kader van dit bestemmingsplan dat een onderzoek naar eventueel aanwezige flora en fauna daarom niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is in overeenstemming met natuurwetgeving.
Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en een onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten wordt in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Vanuit het aspect ecologie zijn er hiermee geen belemmeringen.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de op 26 mei 2015 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas vastgestelde Archeologische maatregelenkaart is het plangebied gedeeltelijk gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Het plangebied is volgens de archeologische maatregelenkaart gelegen binnen categorie 3 en 7. Voor categorie 3 gebieden geldt een hoge archeologische verwachting. De categorie 7 gebieden behoren tot de bebouwde kom, waarbinnen de archeologische verwachting onbekend is. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 3’ en ‘waarde – archeologie 7’. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen diepen dan 50 cm en bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m 2.
Hoofdstuk 5
35
Figuur 13 Uitsnede Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Aangezien de beoogde constructie- en praktijkruimte zorgt voor een overschrijding van de oppervlakte grens uit het vigerend bestemmingsplan (artikel 33.2. sub c), is een archeologisch onderzoek vereist. Econsultancy heeft daarom een archeologisch bureau en verkennend booronderzoek7 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in de bijlage. Volledigheidshalve is dit onderzoek uitgevoerd voor het gehele grondgebied van de onderwijsinstelling. Conclusie bureau- en booronderzoek De archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek gehandhaafd worden. Dit betekent dat er een lage verwachting van toepassing is op de perioden (Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum en een hoge verwachting voor de perioden lopende vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans op resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen/Nieuwe tijd blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Gezien de archeologische verwachting en de resultaten van het verkennend booronderzoek is er binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk.
Reeds is er een programma van eisen voor het proefsleuven onderzoek opgesteld 8. Het vervolgonderzoek dient plaats te vinden middels een proefsluivenonderzoek, karterende en waarderende fase. De waarborging van de uitvoering van het noodzakelijke proefsluivenonderzoek vindt plaats binnen de planregels middels de algemene aanduidingsregel ‘overige zone – proefsleuven’. Derhalve blijven de huidige dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologie vooralsnog gehandhaafd. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gelegen. Ten 7
Econsultancy, archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek, rapportnr.: 9654.001, d.d. 26 april 2019 Econsultancy, Programma van eisen Proefsleuvenonderzoek Gebroeders van Doornelaan 63 te Horst gemeente Horst aan de Maas, rapportnr.: 9654.002, d.d. 24 januari 2020 8
Hoofdstuk 5
36
noordoosten van het plangebied op een afstand van circa 110 meter is wel een historische boerderij gelegen. De realisatie van de beoogde constructie- en praktijkruimte zal echter geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden van deze boerderij. Conclusie Uit een oogpunt van cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor de realisering van het onderhavige bestemmingsplan.
5.7 Verkeer en parkeren Het plangebied blijft ontsloten via de Gebr. van Doornelaan. Ondanks dat er sprake is van een vergroting van de bestaande bedrijfsbebouwing zorgt dit niet voor een toename in de verkeersaantrekkende werking. Er vinden al praktijklessen plaats binnen het plangebied. Middels realisatie van de constructie- en praktijkruimte kunnen deze activiteiten in de toekomst op een vaste overdekte locatie plaatsvinden. Omdat de constructie- en praktijkruimte voor het overige passend is binnen de kaders van het vigerend bestemmingplan, mag ervan uit worden gegaan dat het aspect verkeer in het kader van dit vigerend bestemmingsplan voldoende adequaat is onderzocht en dat de omliggende wegen het verkeer van en naar de onderwijsinstelling kunnen opvangen. Wat betreft het parkeren beschikt de onderwijsinstelling momenteel over twee parkeerplaats op eigen terrein ten noorden en noordoosten van de bestaande bedrijfsbebouwing. De ruimtelijke ontwikkeling gaat expliciet niet zorgen voor een toename van het aantal leerlingen. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft op 3 juli 2019 de Nota parkeernormen gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Conform bijlage ‘B1 Parkeernormen Horst aan de Maas’ uit de ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’ geldt dat de parkeerbehoefte voor onderwijsinstelling Bouwemensen wordt berekend op basis van het aantal leerlingen (per 100 leerlingen).
De parkeerbehoefte wordt dan ook niet berekend op basis van het aantal m 2 bebouwing (bvo). Gezien voorgaande ontwikkeling niet zorgt voor een toename in het aantal leerlingen wordt niet voorzien in een toename in de parkeerbehoefte. De reeds bestaande parkeerplaatsen hebben hierdoor voldoende capaciteit om de bestaande parkeerbehoefte te ondervangen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er hiermee geen belemmeringen voor het voorliggende plan.
5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:
Hoofdstuk 5
37
Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken.
Bij de voorgenomen realisatie van de constructie- en praktijkruimte zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft BRO een Ladder voor duurzame verstedelijking9 opgesteld. De rapportage omtrent de Ladder voor duurzame verstedelijking is terug te vinden in de separate bijlage. Het beoogde initiatief omvat de realisatie van een constructie- en praktijkruimte van circa 1.000 m² bvo. De behoefte aan de beoogde ontwikkeling komt allereerst voort uit de doorontwikkeling de reeds bestaande onderwijsactiviteiten van de onderwijsinstelling op die locatie. Het is met name het doel om de onderwijsactiviteiten, die momenteel in de buitenlucht plaatsvinden, ook overdekt te kunnen uitvoeren. Daarnaast biedt constructie- en praktijkruimte ook de ruimte om instructies te geven met nieuwe producten en nieuwe werkwijzen en andere innovaties. Op een groter schaalniveau komt de behoefte aan moderne onderwijsfaciliteiten voort uit personeelsschaarste in de bouw en achterblijvende instroom in de bouwvakopleidingen. In de bouwsector is sprake van blijvende personeelstekorten, ook in de komende jaren. Dit speelt ook in Noord-Limburg. Er is met name een tekort aan (gespecialiseerde) vakmensen, zoals metselaar, loodgieter en timmerman. Van daaruit is er een behoefte aan meer instroom van leerlingen in bouwplaatsopleidingen (specifiek de gespecialiseerde vakopleidingen), en daarmee aan aantrekkelijke onderwijs.
Daarnaast speelt het up-to-date houden en bieden van flexibele onderwijshuisvesting een rol in het bieden van een goede en aantrekkelijke leeromgeving en het faciliteren van het praktijkonderwijs van morgen en, om zo in te spelen op de behoefte van mboleerlingen en bedrijven. De realisatie van een nieuwe, moderne, overdekte praktijkruimte kan daarom helpen om de opleiding nog aantrekkelijker te maken en daarnaast de benodigde ruimte te bieden voor innovatie. Tot slot dient is het vanuit efficiëntie-overwegingen niet zinvol de uitbreiding elders te realiseren dan bij de bestaande vestiging van Bouwmensen Limburg in Horst of om elders een leegstaande ruimte te betrekken. Bovendien is de locatie al ingericht als ‘Bouwcampus’, waar meerdere (bouwgerelateerde) trainingen en cursussen verzorgd worden en kan de nieuwe praktijkruimte ook extra flexibiliteit bieden in het faciliteren van de diverse andere opleidingsactiviteiten op de campus. Met de beoogde ontwikkeling is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. 9
BRO, Ladderonderbouwing Gebr. Van Doornelaan Horst, projectnr.: P01440, d.d. 18 oktober 2019.
Hoofdstuk 5
38
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.
6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.
De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen.
Hoofdstuk 6
39
5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk, de provincie Limburg of het Waterschap Limburg in het geding. Overleg met deze partijen is dan ook niet noodzakelijk. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen in het kader van het ontwerp bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
40
7.
JURIDISCHE TOELICHTING
7.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan ‘Onderwijsinstelling Bouwmensen, Gebr. van Doornelaan 63 te Horst’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De enkelbestemming ‘Maatschappelijk, dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 7’ zijn weergeven met daarnaast de functieaanduiding ‘onderwijs’. Tevens zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’, ‘overige zone – velden’, ‘overige zone – proefsleuven’ en ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw weergegeven. Tot slot is de maatvoering maximum bouwhoogte 9 meter en maximum goothoogte 9 meter zichtbaar en de maatvoering ‘maximum oppervlakte (m2)’.
7.3 Toelichting op de planregels 7.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de gemeentelijke notitie ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgangspunten voor bureaus’. De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, dat werkelijk noodzakelijk is. Het kan in een concrete situatie voorkomen dat afwijking van de gestelde normen gewenst is. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen.
Hoofdstuk 7
41
De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Inleidende regels In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Bestemmingsregels In deze artikelen worden de op de kaart aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Algemene regels Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Overgangs- en slotregels Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien. Hoofdstuk regel toelichting
Hoofdstuk Inleidende regels
regel 1. Begrippen (Art. 1)
2. Wijze van meten (Art. 2) Bestemmingsregels
Hoofdstuk 7
3. Maatschappelijk (Art. 3)
toelichting De in de planregels gebezigde begrippen worden hierin omschreven. Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. Artikelen 3 is de hoofdbestemming. Deze is opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. Het betreft in dit bestemmingsplan uitsluitend gedetailleerde bestemmingen. De opzet voor onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving Bouwregels
42
Algemene regels
Hoofdstuk 7
Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid 4. Waarde – Archeologie Artikel 4 bevat de dubbelbestem3 (Art. 4) ming ‘Waarde – Archeologie 3’. 5. Waarde – Archeologie Artikel 5 bevat de dubbelbestem7 (Art. 5) ming ‘Waarde – Archeologie 7’. 6. Antidubbeltelregel (Art. De algemene bouwregels (art. 7) 6) bevatten regels omtrent be7. Algemene bouwregels staande afmetingen en afstanden, (Art. 7) ondergeschikte bouwdelen, on8. Algemene gebruiksre- dergronds bouwen, bouwwerken gels (Art. 8) ten behoeve van de onderwijsin9. Algemene aanduistelling Bouwmensen. dingsregels (Art. 9) In de algemene gebruiksregels 10. Algemene afwijkings- (art. 8) is vastgelegd wat in ieder regels (Art. 10) geval wordt verstaan onder strij11. Algemene wijzigings- dig gebruik. Daarnaast is een regels (Art. 11) voorwaardelijke verplichting opge12. Overige regels (Art. nomen met betrekking tot de uit12) breiding van het oppervlakte bedrijfsgebouwen. De algemene aanduidingsregels (art. 9) regelen de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’, ‘overige zone – velden’, ‘overige zone – proefsleuven’ en ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’.
In de algemene afwijkingsregels (art. 10) zijn algemene regels opgenomen in het geval het gaat om geringe afwijkingen. In de algemene wijzigingsregels (art. 11) is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verschuiven van bestemmingsgrenzen.
43
Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 7
13. Overgangsrecht (Art. 13) 14. Slotregel (Art. 14)
De overige regels (art. 12) bevatten een regeling omtrent parkeren en laden en lossen. Artikel 13 bevat de overgangsbepalingen met betrekking tot bebouwing respectievelijk het gebruik van gronden en bouwwerken. De slotregel in artikel 14 geeft de titel van de planregels aan.
44
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 8
45
SEPARATE BIJLAGEN:
Bijlage 1: BRO, Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek Bijlage 4: Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek Bijlage 5: AERIUS-berekening Bijlage 6: Ladderonderbouwing
Hoofdstuk 8
46
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl
Hoofdstuk 8
47