CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting vastgesteld

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Gebr. van Doornelaan 63, Horst.14.654 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Gebr. v. Doornelaan 63, Horst NL.IMRO.1507.HOGVDOORNE63-BVP1

Bestemmingsplan ‘Gebr. v. Doornelaan 63, Horst’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Rapportnummer:

P01440

Idn nr.

NL.IMRO.1507.HOGVDOORNE63-BPV1

Datum:

16 november 2020

Contactpersoon opdrachtgever:

RM

Projectteam BRO:

LNi

Trefwoorden:

Bouwmensen, onderwijsinstelling, Horst, gemeente Horst aan de Maas, constructie- en praktijkruimte.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 3

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van onderwijsinstelling Bouwmensen, gelegen aan de Gebr. van Doornelaan 63 te Horst. De beoogde realisatie van een constructie- en praktijkruimte wordt middels dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE

1

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

1 1 1 3 4

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

5 5 6 7

3.

BELEID 3.1 Inleiding 3.2 (Europees) en Rijksbeleid

10 10 10

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid

10 11 11 12 12 13

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.3 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu 3.4 Gemeentelijk beleid

13 14 14 15

3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ 3.5 Conclusie

15 16 17

4.

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

18 18 19

5.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

21 21 21

Inhoudsopgave

1

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking

21 22 22 23 24 25 28 29 33 33 35 37 37 38

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

39 39 39 40

7.

JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planonderdelen 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de planregels

41 41 41 41

8.

7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels

41 42

PROCEDURE

45

SEPARATE BIJLAGEN  BRO, Landschappelijke inpassing, projectnummer.: P01440, d.d.8 maart 2019  Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Molenveldweg (ong.) te Horst, projectnr.: 09011032, d.d. 18 maart 2009  Econsultancy, archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek, rapportnr.: 9654.001, d.d. 26 april 2019  Econsultancy, Programma van eisen Proefsleuvenonderzoek Gebroeders van Doornelaan 63 te Horst gemeente Horst aan de Maas, rapportnr.: 9654.002, d.d. 24 januari 2020  BRO, AERIUS-berekening (versie 2019A) Onderwijsinstelling Bouwmensen Gemeente Horst aan de Maas, projectnummer.: P01440 (NL), d.d. 23 januari 2020  BRO, Ladderonderbouwing Gebr. Van Doornelaan Horst, projectnr.: P01440, d.d. 18 oktober 2019

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De onderwijsinstelling Bouwmensen aan de Gebr. van Doornelaan 63 in Horst wil de bestaande onderwijsinstelling efficiënt gaan gebruiken. Dit efficiënt gebruiken bestaat uit de realisatie van een constructie- en praktijkruimte die gebruikt wordt om praktijklessen te kunnen geven aan haar leerlingen. De praktijklessen kunnen daarmee in een meer passende onderwijsomgeving worden gegeven. Het is hierbij expliciet niet de bedoeling dat, als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkeling, het leerlingen aantal wordt vergroot. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ mag slechts het bestaand oppervlak aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid hiervan af te wijken en 10% extra aan oppervlakte bedrijfsgebouwen toe te staan. De gewenste uitbreiding bestaat uit meer dan 10% van de bestaande oppervlakte bedrijfsgebouwen. De beoogde ontwikkeling past hierdoor niet binnen het geldende bestemmingsplan. Middels een bestemmingsplanprocedure kan door de gemeente Horst aan de Maas wel medewerking worden verleend aan het initiatief. Op 23 april 2018 heeft de gemeente Horst aan de Maas een principeverzoek ontvangen (WABO-2018-0289), waarin de oprichting van de constructie- en praktijkruimte is toegelicht.

De gemeente heeft in respons op dit principeverzoek aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het plan om een constructie- en praktijkruimte op te richten. Het doel van dit bestemmingsplan is tevens een correctie uit te voeren met betrekking tot het perceel, kadastraal bekend als Horst, sectie O, nummer 1412. Dit perceel krijgt een nieuwe enkelbestemming, zodat het huidige functionele gebruik overeenkomt met de bestemming. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom de beoogde realisatie van de constructie- en praktijkruimte en correctie juridisch-planologisch geregeld. Daarnaast wordt er voorgesorteerd op het functioneel en gebouwelijk gebruik in de toekomst. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Gebr. van Doornelaan 63 ten noorden van de kern Horst in de gemeente Horst aan de Maas. Op de locatie is de onderwijsinstelling Bouwmensen gevestigd. Het plangebied bestaat grotendeels uit bestaande bebouwing met aan de noordoostzijde een parkeerplaats. De realisatie van de beoogde praktijk en constructieruimte vindt plaats op twee percelen, kadastraal bekend als Horst, sectie O, nummer 1408 en 1410 (gedeeltelijk). Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 9.115 m2. Daarnaast bestaat het plangebied nog uit de percelen, kadastraal bekend als Horst, sectie O, nummer 917, 1323 (gedeeltelijk) en 1412.

Hoofdstuk 1

1

Figuur 1 Luchtfoto plangebied rood omlijnd

Figuur 2 Topografische kaart globale ligging plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 1

2

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, zoals dit is vastgesteld door de gemeenteraad Horst aan de Maas op 19 december 2017. In dit bestemmingsplan is het plangebied aan de Gebr. van Doornelaan 63 bestemd tot ‘Maatschappelijk’. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 7’ . Het gebied kent ook een aantal gebiedsaanduidingen in de vorm van ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied venloschol’, ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ en ‘overige zone – velden’. Tot slot is er nog een functieaanduiding aanwezig in de vorm van ‘onderwijs’ en een maximum bouwhoogte van 8 meter en maximum goothoogte van 5,5 meter.

Figuur 1 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' (plangebied rood omlijnd)

Binnen de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan met daarbij bijbehorende tuinen, erven, terreinen, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en natuur en landschapselementen. De maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de vermelde aanduidingen uitsluitend de daarbij vermelde maatschappelijke functie(s) zijn toegestaan. Binnen het plangebied betekent dit dat alleen de maatschappelijke functie ‘onderwijs’ is toegestaan. In paragraaf 3.4.2 wordt nader ingegaan op dit vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

3

1.4 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ontwikkeling en de ruimtelijke en stedenbouwkundige hiervan. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.

Hoofdstuk 1

4

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke structuur De locatie aan de Gebr. van Doornelaan 63 ligt ten noorden van de kern van Horst. Het plangebied omvat de bestaande bebouwing van de onderwijsinstelling Bouwmensen en bijbehorende parkeerplaats. Ten noorden van het plangebied ligt een agrarisch hulpbedrijf met de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Ten oosten grenst het plangebied direct aan de Gebr. van Doornelaan. Deze weg vormt de verbinding tussen het noordelijk gedeelte van de kern van Horst en het buitengebied. De Gebr. van Doornelaan is de voornaamste ontsluitingsweg voor de onderwijsinstelling Bouwmensen. Ten zuiden van het plangebied zijn een aantal burgerwoningen gelegen. Tot slot liggen aan de westzijde een aantal percelen bestaande uit grasland. Wanneer verder wordt gekeken naar het omliggende gebied zijn in noordelijke richting verschillende glastuinbouwbedrijven te vinden. In zuidelijke richting is voornamelijk bebouwing aanwezig in de vorm van burgerwoningen die gezamenlijk de kern van Horst vormen.

Figuur 2 Luchtfoto ligging besluitgebied (plangebied rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

5

2.2 Functionele structuur Binnen het plangebied is de onderwijsinstelling Bouwmensen gelegen. Het zuidoostelijk gedeelte van de locatie is grotendeels bebouwd met bebouwing ten dienste van de onderwijsinstelling. In het noordelijk en noordoostelijk gedeelte van het plangebied is een parkeerplaats gelegen, welke in de toekomst behouden blijft. Binnen het westelijk gedeelte van het plangebied zijn enkele bijgebouwen aanwezig die worden gebruikt voor de opslag van materialen. Daarnaast is er een braakliggend stuk grond aanwezig, welk wordt gebruikt voor praktijklessen in de buitenlucht. Het westelijk gedeelte bestaat voor het overige voornamelijk uit verharding.

Figuur 3 Huidige situatie beoogde locatie constructie- en praktijkruimte

Figuur 4 Huidige vormgeving praktijklessen in de buitenlucht (westelijk gedeelte van het plangebied)

In de directe omgeving ligt ten oosten van het plangebied een sporthal, het Dendron college en enkele hockeyvelden. Aan de voorzijde van de sporthal bevindt zich een relatief grote parkeerplaats. Ten noorden van het plangebied is een perceel gelegen met de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Op dit perceel is een gespecialiseerd bedrijf in bergingstechnieken voor tuin- en landbouw gelegen. Aan de westzijde van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen en enkele burgerwoningen. In westelijke richting bevindt zich een bedrijf in grondwerken en transport. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied grenst aan de Stappersmolen, waaraan een aantal burgerwoningen zijn gelegen.

Hoofdstuk 2

6

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Om het voormalig gebruik van het plangebied vast te stellen, is gebruik gemaakt van historische kaarten op http://topotijdreis.nl/.

Figuur 5 Plangebied omstreeks 1850

Figuur 6 Plangebied omstreeks 1900

Hoofdstuk 2

7

Figuur 7 Plangebied omstreeks 1967

Figuur 8 Plangebied omstreeks 1979

Hoofdstuk 2

8

Figuur 9 Plangebied omstreeks 1999

De Gebr. van Doornelaan is al sinds 1850 zichtbaar binnen de historische kaarten. Ten zuiden van het plangebied ligt al sinds 1850 de kern Horst. Ten noorden en noordwesten van het plangebied hebben altijd agrarische bedrijven gelegen. Uit de bovenstaande kaarten blijkt dat het plangebied en omgeving tot het eind van de jaren ’60 van de vorige eeuw voornamelijk een agrarisch gebruik kende. In de omgeving van het plangebied waren eveneens agrarische percelen aanwezig. In 1967 wordt pas de eerste bebouwing opgericht rond het plangebied. Binnen het plangebied zelf wordt pas in 1979 bebouwing opgericht. Het hoofdgebouw van de onderwijsinstelling is eind jaren ’90 gebouwd.

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEID

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3 en § 3.4). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de gemeentelijke structuurvisie en het geldende bestemmingsplan.

3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Relevante nationale belangen voor onderhavig plangebied zijn als volgt:  Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;  Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;  Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van floraen faunasoorten. Afweging Er geldt op grond van de SVIR uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij ruimtelijke plannen.

Hoofdstuk 3

10

De voorgenomen verruiming van de bouwmogelijkheden binnen het plangebied is in overeenstemming met de nationale belangen. Bij deze ontwikkeling is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie direct in het geding zijn. Uit deze toelichting blijkt bovendien dat de kwaliteit van de bodem, water en lucht voldoet aan de eisen daaromtrent en dat er geen sprake is van negatieve milieueffecten waardoor de gezondheid van burgers wordt geschaad. Zoals elders uit deze toelichting blijkt, bestaan er verder ook vanuit milieuhygiënisch oogpunt, zoals geluid en externe veiligheid, geen belemmeringen in het gebied. De nationale belangen zijn dan ook niet in het geding als gevolg van onderhavig nieuw bestemmingsplan. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het Barro. 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. In artikel 2.6.9 van het Barro is bepaald dat in een bestemmingsplan geen bestemmingen mogen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Voor bouwwerken met een hogere hoogte dient een beoordeling te worden gemaakt van de mate waarin het radarbeeld door deze bouwwerken wordt verstoord. Ter hoogte van het plangebied zijn bouwwerken van maximaal

Hoofdstuk 3

11

114 meter boven NAP toegestaan volgens bijlage 8.4 bij de Rarro. Aangezien het bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende initiatief omvat verruiming van de bouwmogelijkheden binnen het plangebied gelegen aan de Gebr. van Doornelaan 63. Hoewel de gronden reeds bestemd zijn als ‘Maatschappelijk’ zijn er ter plaatse van de beoogde constructie- en praktijkruimte geen bouwmogelijkheden aanwezig. Daarnaast heeft de constructie- en praktijkruimte een oppervlakte die groter is dan 500 m2. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Zodoende dient de behoefte aan de beoogde ontwikkeling aangetoond te worden. In paragraaf 5.9 vindt een behoefte onderbouwing plaats ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.

3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)

Hoofdstuk 3

12

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg als onderdeel van een integrale omgevingsvisie het POL2014 ‘Voor de kwaliteit van Limburg’ vastgesteld. In dit op 16 januari 2015 in werking getreden POL is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden:  Stedelijk centrum,  Bedrijventerrein,  Overig bebouwd gebied. In het landelijk gebied gaat het om de zones:  Goudgroene natuurzone,  Zilvergroene natuurzone,  Bronsgroene landschapszone en  Buitengebied. Volgens de POL2014 kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied geheel binnen de zone ‘overige bedrijventerreinen’. Deze zone omvat specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Volgens het POL2014 liggen de accenten in deze zone op:  Ruimte voor bedrijvigheid;  Optimale bereikbaarheid;  Duurzame inrichting en gebruik. Afweging POL2014 Dit bestemmingsplan maakt een verruiming van de bouwmogelijkheden aan de Gebr. van Doornelaan 63 mogelijk. Dit is nodig in het kader van de beoogde realisatie van een constructie- en praktijkruimte voor de onderwijsinstelling Bouwmensen.

Hoofdstuk 3

13

Het initiatief is passend binnen de zone ‘overig bebouwd gebied’ en ‘buitengebied’. Daarmee past de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen van het POL2014.

Figuur 10 Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met ligging plangebied (rood omlijnd)

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Deze beschermingszone is echter niet van invloed op de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. Beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap komen niet voor in het plangebied. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. 3.3.3 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd.

Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM ‘vertaald’ naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen.

Hoofdstuk 3

14

Voor plannen die niet rechtstreeks passen in het bestemmingsplan is een kwaliteitsverbeterende maatregel verplicht. In de praktijk betekent dit dat oude gebouwen in het buitengebied worden gesloopt, dan wel financiële afdracht wordt gedaan om het kwaliteitsverlies te compenseren. In de Structuurvisie Horst aan de Maas zijn voor het bepalen van het af te dragen bedrag verschillende modules uitgewerkt. Het beoogde initiatief valt onder de module “overig (gebouwde) functies”. De structuurvisie stelt dat voor commerciële voorzieningen de kwaliteitsbijdrage door middel van maatwerk bepaald wordt, er is dan ook geen specifieke module voor ontwikkeld. Voor het voorgenomen initiatief wordt daarom aansluiting gezocht bij de module voor het uitbreiden van solitaire bedrijven. Voor deze module geldt dat er een afdracht dient plaats te vinden voor iedere m2 die wijzigt van bestemming. Bij het voorgenomen initiatief blijft de bestemming ongewijzigd, omdat er enkel sprake is van een uitbreiding van gebouwen. Aangezien het initiatief in dienst van een maatschappelijke instelling plaats vindt en het grenst aan een tuinbouwontwikkelingsgebied is de ruimtelijke uitstraling van de nieuwe bebouwing minimaal. Er hoeft dan ook geen financiële bijdrage geleverd te worden.

Er is echter wel een landschappelijke inpassing voor de ruimtelijke ontwikkeling noodzakelijk om bij te dragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De landschappelijke inpassing2 voor onderhavig project is terug te vinden in de separate bijlage.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ vastgesteld. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. Binnen de integrale beleidsvisiekaart uit de Structuurvisie Horst aan de Maas wordt het plangebied aangeduid als ‘Kern’ en ‘Concentratiegebied glastuinbouw’. Horst aan de Maas herbergt, als onderdeel van Greenport Venlo, belangrijke onderwijsen onderzoeksvoorzieningen en innovatieve en beeldbepalende ondernemingen. Agribusiness, boomteelt, glastuinbouw, maakindustrie, detailhandel en recreatie en toerisme zijn de belangrijkste sectoren binnen de plaatselijke economie.

2

BRO, Landschappelijke inpassing, projectnummer.: P01440, d.d.8 maart 2019

Hoofdstuk 3

15

Figuur 11 Integrale beleidsvisiekaart Structuurvisie Horst aan de Maas globale ligging van het plangebied rood omlijnd

De beoogde ontwikkeling gaat deels plaatsvinden binnen een gebied dat momenteel aangewezen is als concentratiegebied voor glastuinbouw. De ontwikkeling heeft echter geen enkele connectie met glastuinbouw of daaraan gerelateerde activiteiten. Het plangebied beslaat ook deels de aanduiding ‘Centrumdorpen ’, waaraan de voorgenomen ontwikkeling nauwer gerelateerd kan worden. Binnen de kernen in de centrumdorpen, waarvan het plangebied deel uit maakt, staat men positief tegenover de uitbreiding van solitaire bedrijven. Hierdoor is er een positieve grondhouding voor overige gebouwde functies binnen het plangebied. Een van de uitgangspunten binnen de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ is duurzaamheid. Dit heeft voornamelijk betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik bij nieuwe ontwikkelingen en passende beeldkwaliteit, om zo een hoge ‘quality of life’ te behouden. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat een reeds bestaand perceel bestemd als ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘onderwijs’ gebruikt wordt voor de ontwikkeling van nieuwe onderwijsfaciliteiten.

3.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ Op 19 december 2017 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ vastgesteld. In dit bestemmingsplan is de bestaande onderwijsinstelling Bouwmensen bestemd tot ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘onderwijs’. De drie percelen, kadastraal bekend als Horst, sectie O, nummer 917 en 1408 (gedeeltelijk) en hebben daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De beoogde realisatie van de constructie- en praktijkruimte gaat plaats vinden op de twee percelen, kadastraal bekend als Horst, sectie O, nummer 1408 (gedeeltelijk) en 1410. Deze twee percelen kennen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’.

Hoofdstuk 3

16

Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van archeologisch waardevolle informatie. Ter plaatse geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen dieper dan 50 cm en met een oppervlakte groter dan 500 m². In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. Binnen het gehele plangebied zijn twee maatvoeringen opgenomen in de vorm van een maximum bouwhoogte van 8 meter en een maximum goothoogte van 5,5 meter. Daarnaast mag binnen het plangebied slechts het bestaand oppervlak aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden. Er bestaat echter de mogelijkheid om hiervan af te wijken en 10% extra aan bedrijfsgebouwen te realiseren. De beoogde ontwikkeling bestaat echter uit een toename van meer dan 10%, waardoor er niet wordt voldaan aan de algemene afwijkingsregels. Voor het overige is realisatie van de constructie- en praktijkruimte passend binnen de geldende juridisch-planologische kaders. Binnen het plangebied mogen wel nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. Dit betekent dat erf- en terreinafscheidingen maximaal 1 meter voor en 2 meter achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd mogen worden. Daarnaast mogen de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal een bouwhoogte van 6 meter hebben.

3.5 Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat het initiatief past binnen beleid en regelgeving van rijk, provincie en gemeente. Enkel ten aanzien van het vigerend bestemmingsplan is sprake van strijdigheid, omdat de beoogde ontwikkeling voorziet in een toename van meer dan 10% aan bedrijfsbebouwing. Hierdoor wordt niet voldaan aan de algemene afwijkingsregels. In relatie tot deze afwijking is onderhavig bestemmingsplan opgesteld om hier een nieuw passend juridisch-planologisch kader voor te regelen.

Hoofdstuk 3

17

4.

PLANBESCHRIJVING

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Aan de Gebr. van Doornelaan 63 in Horst is de onderwijsinstelling Bouwmensen gevestigd. De locatie is momenteel deels bebouwd met bedrijfsbebouwing en enkele bijgebouwen. Daarnaast is de locatie grotendeels verhard en is er in het oostelijk deel van het plangebied een parkeerplaats gelegen. Het plangebied wordt ontsloten door de Gebr. van Doornelaan in het oosten en de Molenveldweg in het noordwesten. Het voornemen bestaat om een constructie- en praktijkruimte te realiseren ten noordoosten van de bestaande bedrijfsbebouwing. Deze projectlocatie bestaat momenteel grotendeels uit grasland, maar kent wel de functieaanduiding ‘onderwijs’ en de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. Het dak van de constructie- en praktijkruimte zal bestaan uit baanvormige dakbedekking, isolatieplaten, stalen dakplaten en stalen spanten en dakliggers. De muren van de bebouwing zullen bestaan uit stalen sandwichpanelen met aan de onderzijde prefab betonplinten. De fundering van de constructie komt de staan op de vaste grondslag door middel van een grondverbetering. De bebouwing zal een hoogte omvatten van circa 9 meter. Binnen de bestemming mag volgens de bouwregels slechts het bestaand oppervlak aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden (artikel 11.2.2).

Hiervoor bestaat echter de mogelijkheid om af te wijken, waardoor 10% extra aan bedrijfsgebouwen wordt toegestaan. De gewenste constructie- en praktijkruimte bestaat echter uit meer dan 10%, waardoor de ontwikkeling niet mogelijk is binnen het vigerend bestemmingsplan. Middels een bestemmingsplanprocedure kan door de gemeente Horst aan de Maas medewerking worden verleend aan de realisatie van de constructie- en praktijkruimte. Voor plannen die niet rechtstreeks passen binnen het bestemmingsplan is een kwaliteitsverbeterende maatregel verplicht. Dit betekent dat oude gebouwen in het buitengebied worden gesloopt, danwel financiële afdracht wordt gedaan om het kwaliteitsverlies te compenseren. Aangezien de ontwikkeling een maatschappelijke instelling betreft en grenzend is aan een tuinbouwontwikkelingsgebied is de ruimtelijke uitstraling van de constructie- en praktijkruimte echter minimaal. Er hoeft dan ook geen financiële bijdrage geleverd te worden. De gemeente Horst aan de Maas vereist wel dat er een landschappelijke inpassing van de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, waardoor er wordt bijgedragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Hoofdstuk 4

18

4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten In functioneel en stedenbouwkundig opzicht is de realisatie van de constructie- en praktijkruimte passend in de omgeving. Er is namelijk al sprake van een bestaande onderwijsinstelling, die is gelegen binnen het plangebied. De maatschappelijke functie binnen het plangebied wijzigt dan ook niet als gevolg van de ontwikkeling. De bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het plangebied blijven daarnaast grotendeels gelijk aan de mogelijkheden volgens het geldende bestemmingsplan. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de bouw van een constructie- en praktijkruimte mogelijk gemaakt die groter is dan 10% van het bestaand oppervlak aan bedrijfsgebouwen. Dit grotere oppervlak aan bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om in een betere onderwijsomgeving praktijklessen te kunnen geven. De constructie- en praktijkruimte is van groot belang om leerlingen de mogelijkheden te bieden om leerervaring op te doen met betrekking tot bouwwerkzaamheden. Binnen het plangebied is er niet de mogelijkheid om in een overdekte omgeving werkzaamheden uit te voeren. Er bevinden zich reeds binnen het plangebied wel een aantal bijgebouwen, maar deze worden gebruikt voor de opslag van materialen. De beoogde locatie voor de realisatie van de constructie en praktijk ruimte bestaat nu uit een grasveld.

De locatie van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied zorgt ervoor dat de constructie- en praktijkruimte vanuit de straatzijde beperkt zichtbaar is. Het bouwen op korte afstand van de noordelijke perceelgrens is niet bezwaarlijk, omdat de bomen ten noordoosten de zichtbaarheid van de constructie- en praktijkruimte vanuit het aangrenzend bedrijf beperkt. De beoogde bouwhoogte van circa 9 meter is noodzakelijk vanwege de praktijklessen. De hoogte van de bebouwing is namelijk bepalend voor de gebruiksmogelijkheden met betrekking tot de bouw van constructies. De beoogde bouwhoogte sluit aan op de reeds bestaande bedrijfsbebouwing in oostwestelijke richting. Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd met diverse gebouwen, die verschillen qua vormgeving, maatvoering , situering en dakopbouw. De beoogde bebouwing sluit hierdoor aan op de diversiteit van de bestaande bebouwing. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt in de nabijheid van de bestaande bedrijfsbebouwing wordt ook het open karakter van het noordwestelijk gelegen perceel gewaarborgd. De gemeente Horst aan de Maas vereist dat er een landschappelijke inpassing plaats vindt. Deze inpassing moet bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is dan ook een landschappelijk inpassingsplan3 opgesteld.

De ingrepen in het landschappelijke inpassingsplan zijn gebaseerd op de structuurvisie Horst aan de Maas (specifiek overgang kern-buitengebied en glastuinbouwconcentratie). De bestaande groene elementen binnen het plangebied blijven behouden. Er wordt een nieuwe houtsingel aangeplant in het noordwestelijk gedeelte van het plangebied. Daarnaast worden er twee beukhangen aangeplant in het westelijk gedeelte van het plangebied. De realisatie van deze groene elementen sluit aan op het historische gesloten karakter van het gebied. Middels een voorwaardelijke verplichting is in het voorliggende bestemmingsplan geborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

3

BRO, Landschappelijke inpassing, projectnummer.: P01440, d.d.8 maart 2019

Hoofdstuk 4

19

Concluderend kan gesteld worden dat de ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.

Hoofdstuk 4

20

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, geurhinder, duurzaam bouwen), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels en leidingen en ecologie.

5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik van de gronden. In het voorliggende geval is er sprake van de realisatie van een constructie- en praktijkruimte binnen het plangebied. De bestemming van de grond is momenteel ‘Maatschappelijk’. Er is geen sprake van een wijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt daarom uit planologisch oogpunt niet noodzakelijk geacht.

Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat er reeds in 2009 door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek4 is uitgevoerd ter plaatse van de onderwijsinstelling Bouwmensen. Het rapport is 10 jaar oud. In het relevante perceel zijn 2/3 boringen gezet. Uit deze boringen is gebleken dat de grond ter plaatse chemisch en zintuigelijk schoon is. Er van uitgaande dat er op het betreffende perceeldeel sinds 2009 geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden bestaan er geen belemmering ten aanzien van de beoogde realisatie van de constructie- en praktijkruimte. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4

Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Molenveldweg (ong.) te Horst, projectnr.: 09011032, d.d. 18 maart 2009.

Hoofdstuk 5

21

5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De constructie- en praktijkruimte is geen geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wgh. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Daarnaast zal er geen sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking als gevolg van de realisatie van de constructie- en praktijkruimte, waardoor geluidhinder op omliggende geluidgevoelige objecten zou kunnen ontstaan. Het is namelijk expliciet niet de bedoeling dat, als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling, het leerlingen aantal wordt vergroot. In paragraaf 5.7 wordt het aspect verkeer toegelicht.

Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. In dit geval is geen sprake van de ontwikkeling bij een spoorweg, waardoor spoorwegverkeerlawaai niet van belang is. Industrielawaai Bij het voorliggende initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast geen gezoneerde industrieterreinen gelegen. Het plangebied is daarmee niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, waardoor een onderzoek naar industrielawaai vanuit de Wgh niet noodzakelijk is. In paragraaf 5.2.5 wordt nader ingegaan op de eventuele geluidseffecten van het initiatief op omliggende gevoelige functies (zogeheten indirecte hinder). 5.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.

Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

Hoofdstuk 5

22

d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekenende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Zoals in paragraaf 5.7 wordt toegelicht, is bij dit initiatief geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen, die niet ook al mogelijk was op basis van het geldende bestemmingsplan. Hierdoor heeft de beoogde realisatie van de constructie- en praktijkruimte geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving was de concentratie fijn stof (PM10) in 2017 ter plaatse gelegen tussen 18 en 20 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een constructie- en praktijkruimte mogelijk binnen de locatie van de onderwijsinstelling Bouwmensen aan de Gebr. van Doornelaan 63 gelegen in Horst. Dit initiatief draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit ter plaatse is voldoende om een goed woon- en leefmilieu te waarborgen. 5.2.4 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf).

Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De

Hoofdstuk 5

23

normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente:  De norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;  De norm van 14 ouE/m 3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied;  Een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;  Een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Toetsing De constructie- en praktijkruimte betreft een geurgevoelig object. De gemeente Horst aan de Maas heeft in het kader van de gemeentelijke structuurvisie onderzoek gedaan naar het leefklimaat van verschillende kernen. Naar aanleiding daarvan zijn in de structuurvisie voor de intensieve veehouderij vaste afstanden opgenomen ten opzichte van de dorpskernen.

Voor de kern van Horst is daarom een geurcontour van 250 meter opgenomen. Dit betekent dat intensieve veehouderij zich niet binnen een afstand van 250 meter ten opzichte van de kernrand mag vestigen. Het woon- en leefklimaat wordt met betrekking tot geurhinder aangemerkt als goed tot zeer goed in de kern Horst. Dit zorgt ervoor dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor de realisatie van de constructie- en praktijkruimte. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1.

Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;

Hoofdstuk 5

24

2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De omgeving van het plangebied dient te worden gekwalificeerd als gemengd gebied, aangezien sprake is van een gebied met diverse agrarisch- en niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag met richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.

Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Bedrijven in de nabijheid van het plangebied worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkelingen. Er worden namelijk geen nieuwe milieugevoelige functies gerealiseerd in het plangebied. De beoogde realisatie van de constructie- en praktijkruimte komt niet direct voor in de indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie. De activiteit sluit het best aan op ‘Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs’ met de sbi-code 803-804. Hiervoor wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd. De meest dichtbij gelegen woningen liggen op circa 50 meter afstand. Hiermee wordt voldaan aan deze richtafstand. In de omgeving zal hiermee sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit wordt niet verslechterd als gevolg van de ontwikkeling. 5.2.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen.

De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 5

25

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). De realisatie van de constructie- en praktijkruimte zorgt niet meer een toename in het aantal personen (leerlingen) binnen het plangebied. In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Middels het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, die op basis van het vigerende bestemming niet al mogelijk waren. Er is immers binnen het plangebied al sprake van een bestaande onderwijsinstelling, waarbij uitsluitend een nieuwe constructie- en praktijkruimte wordt gerealiseerd die afwijkt van het vastgesteld maximaal toelaatbare oppervlak aan bedrijfsbebouwing. De voorliggende ontwikkeling betreft daarnaast geen risicovolle inrichting. Verdere toetsing aan externe veiligheid is in principe dus niet vereist.

Volledigheidshalve wordt hiernavolgend wel beknopt ingegaan op eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen of transportroutes in de omgeving het plangebied. Inrichtingen Ten oosten van het plangebied ligt op circa 410 meter een LPG-station aan de Venrayseweg 97. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt op 35 meter en vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In westelijke richting ligt op circa 650 meter het bedrijf Mts. Cox met een bovengrondse propaantank aan de Molengatweg 4. De plaatsgevonden risicocontour 10-6 ligt op 25 meter ook deze inrichting vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied gelegen.

Hoofdstuk 5

26

Figuur 12 Uitsnede Risicokaart Nederland met de globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Buisleidingen Ten westen van het plangebied is op circa 1,9 kilometer een aardgasleiding gelegen. De leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Gezien de aanzienlijke afstand tussen het plangebied en de aardgasleiding vormt deze geen belemmering. Spoorlijnen In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gelegen, waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Wegen Tot slot vindt er over de Gebr. van Doornelaan, direct ten oosten van het plangebied geen risicovol transport plaats. Op een afstand van circa 610 meter ten oosten van het plangebied is tevens de A73 Venlo - Vierlingsbeek gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze snelweg is 1 meter. Daarnaast is er een plasbrandaandachtsgebied aanwezig rondom deze snelweg. Gezien de afstand tot het plangebied zijn bovenstaande factoren echter niet van invloed op de voorgenomen ontwikkeling. De liggen van het plangebied ten opzichte van de Gebr. Doornelaan en A73 vormt dan ook geen belemmering. Advies veiligheidsregio Limburg-Noord Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van risicobronnen die vallen onder de regelgeving voor Externe Veiligheid. Externe Veiligheid is derhalve niet relevant voor dit bestemmingsplan. Ten aanzien van de beoogde constructie- en praktijkruimte wordt 5 meter tot de perceelgrenzen vrijgehouden van bebouwing.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt in het kader van onderhavig bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

27

5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r-plicht In het plangebied wordt een groter oppervlak aan bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt voor de bestaande onderwijsinstelling Bouwmensen. Deze ontwikkeling omvat geen activiteiten die voorkomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. In onderdeel D is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer, of een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen (categorie D11.2). Een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ dient niet vergeleken te worden met een ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van de Ladder (artikel 3.1.6, Bro).

Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dient te worden gekeken naar de volgende zaken:  de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van het project van belang zijn;  het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden;  de uitbreiding van de bebouwing (indien sprake is van een bestaand gebouw);  

de mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan; de milieugevolgen.

Deze beoordelingscriteria zijn gebaseerd op verschillende recente uitspraken 5, waarbij het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ centraal staat. Aangezien het plangebied reeds is bestemd als ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘onderwijs’ is de nieuwe ontwikkeling passend binnen de mogelijkheden die op grond van het huidige bestemmingsplan worden toegestaan. Daarnaast betreft het een kleinschalige ontwikkeling, waarbij de omvang en aard van de ontwikkeling niet overeenkomt met de beschrijvingen binnen categorie D11.2. Er zijn daarnaast geen negatieve milieugevolgen voorzien, zoals reeds besproken in de uitwerking van de voorgaande milieuaspecten. Gezien het huidige bestemmingsplan het functionele gebruik van de constructie- en praktijkruimte toestaat, het een kleinschalige ontwikkeling betreft en er geen negatieve milieugevolgen zijn wordt de ontwikkeling niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is dan ook geen sprake van een verplichting om een m.e.r. beoordelingsprocedure te doorlopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577908/1