03c Toelichting en Regels
Tekst van het document
NIBM-tool
Uit de berekeningen blijkt dat extra verkeersgeneratie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 0,07 en 0,01 μg/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10 voldoen ruim aan de NIBM grenswaarde van 1.2 μg/m3. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor het plan is niet noodzakelijk.
Pagina | 34
Achtergrondluchtkwaliteit Op basis van de NSL Monitoringstool1 en de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) blijkt dat de achtergrondconcentratie in 2020 ter plaatse van het plangebied e.o. ten hoogste: • 12,93 μg/m3 stikstofdioxide (NO2); • 15,42 μg/m3 fijn stof (PM10); • < 10 μg/ m3 fijn stof (PM2,5) betreft. De grenswaarden voor de luchtkwaliteitseisen voor PM10, PM2,5 en NO2 zoals opgenomen in de Wet milieubeheer zijn in navolgende tabel weergegeven.
De totale concentratie ter plaatse van de nieuwe woning voldoet ruimschoots aan de geldende normstelling. Conclusie Aangezien ter plaatse van het plangebied sprake is van een woonfunctie die niet in betekenende mate bijdraagt en de achtergrondconcentraties ruimschoots voldoen aan de wettelijke normstelling, is voor het aspect luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat.
5.2.4
Geur
Voor het realiseren van een aanvaardbare woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied en om te voorkomen dat agrarische bedrijven in hun ontwikkeling belemmerd worden, is het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij van belang. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woning en praktijkruimte is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk VStacksvergunning (versie 2020) en gebied (versie 2010.1). De voorgrondbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object is de geurbelasting die wordt veroorzaakt door de voor dat geurgevoelig object dominante veehouderij. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig object veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object.
Voorgrondbelasting Met behulp van het programma V-stacks vergunning is de voorgrondbelasting berekend op het plangebied. In onderstaande tabel is de maximale geurbelasting binnen het plangebied opgenomen ten gevolge van de relevante veehouderijen.
1
https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
Pagina | 35
tabel voorgrondbelasting
Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 14 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de veehouderijen. De maximale geurbelasting bedraagt 2,1 ouE/m³ voor het plangebied ten gevolge van de veehouderij aan de Ulfterhoek 20. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 6,5%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen goed zal zijn.
Achtergrondbelasting Behalve de voorgrondbelasting kan voor de milieukwaliteit ook de achtergrondbelasting van alle veehouderijen gezamenlijk van belang zijn. Met behulp van het programma V-stacks gebied is de achtergrondbelasting berekend. In onderstaande tabel is de achtergrondbelasting op de ingevoerde rekenpunten weergegeven.
tabel achtergrondbelasting
Voor de directe omgeving van het plan zijn op basis van de berekende geurbelastingen contouren vastgesteld. Op nevenstaande afbeelding zijn de 98percentiel contouren van de achtergrondbelasting ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen weergegeven.
Pagina | 36
De achtergrondbelasting varieert ter plaatse van het plan van 2,9 tot 3,2 ouE/m³. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 5,2%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen goed zal zijn.
Vaste afstanden Op een afstand van circa 90 meter vanaf de perceelsgrens van de nieuwe woonbestemming aan de Groothorstweg in Sevenum is de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen. Het gaat om de rundveehouderij aan de Grubbenvorsterweg 34 te Sevenum. Met het plan wordt derhalve voldaan aan de afstandseisen van 50 meter uit de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens zal het plan, door de ligging van andere geurgevoelige objecten, niet leiden tot een verkleining van de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Voor het volledige geuronderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 5 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
5.2.5
Gezondheid
Als gevolg van de ligging ten opzichte van veehouderijen kan sprake zijn van een verhoogd gezondheidsrisico als gevolg van endotoxinen. Dit is vooral aan de orde bij pluimvee- en varkenshouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen pluimvee- en varkenshouderijen aanwezig, waardoor het aspect endotoxine geen belemmering vormt voor het initiatief. De woning is bovendien in de huidige situatie reeds aanwezig en toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Er is hiermee dus geen sprake van de toevoeging van nieuw gevoelige objecten. Ook de functiewijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning is geen toevoeging van een nieuwe gevoelige functie. Er is dan ook geen sprake van gewijzigde gezondheidseffecten op de woning. Daarnaast is uit het VGO-2 onderzoek gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. conclusie Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
5.2.6
Bedrijven en milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies of gebieden. Om deze milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Pagina | 37
het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent.
In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied maakt deel uit van een rustig buitengebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse burgerwoningen aanwezig alsmede een (voormalig) bedrijf (voormalige oliehandel (Groothorstweg 2)). Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ zijn alleen beroepen aan huis, bedrijven aan huis en kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van B&B’s toegestaan. Het betreft hier activiteiten die naar aard, omvang en invloed zodanig zijn dat deze in een woning en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend waarbij de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd (milieucategorie 1). Dergelijke lichte en kleinschalige beroeps-en bedrijfsmatige activiteiten zijn dus qua ruimtelijke gevolgen en milieubelasting aanvaardbaar binnen een woonomgeving. Bedrijf Daarnaast is er op ca. 43 meter van het plangebied een voormalige oliehandel gelegen aan de Groothorstweg 2. Hoewel er op dit moment feitelijk een burgerwoning aanwezig is, kent het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ aan dit perceel nog altijd een bestemming ‘Bedrijf’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf-oliehandel’ toe.
Dit betekent dat formeel gezien – op basis van de planregels van deze bedrijfsbestemming – er zich ter plaatse bedrijven tot maximaal milieucategorie 2 mogen vestigen alsmede een (kleinschalige) oliehandel aan particulieren (hetgeen ook een milieucategorie 2-bedrijvigheid vormt). Binnen een rustig buitengebied geldt er een richtafstand tussen woningen en milieucategorie 2-bedrijven van minimaal 30 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. Er behoeft derhalve redelijkerwijs niet gevreesd te worden dat door de milieu-invloed van deze activiteiten een goed woon-en leefklimaat in de toekomstige woningen niet gegarandeerd kan worden.
Pagina | 38
5.2.6
Externe veiligheid
Juridisch kader Het juridisch kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico (GR).
kaart risicobronnen (nrs 1 t/m 5) externe veiligheid (locatie woning blauw gemarkeerd)
Er is een onderzoek naar externe veiligheidsaspecten op het deelplangebied Groothorstweg 3 uitgevoerd. Voor de andere deelgebieden speelt het aspect externe veiligheid niet omdat daar geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd worden. In het bovenbedoelde onderzoek zijn de volgende risicobronnen beoordeeld:
Risicovolle inrichtingen (bevi) Op ruim 740 meter en verder zijn twee inrichtingen gelegen. Het betreft een inrichting (bron 4) met een bovengrondse propaantank (8000 liter) en een benzineservicestation met vulpunt (bron 5). Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Voor beide inrichtingen geldt dat er geen sprake is van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd.
Pagina | 39
Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen is in casu de spoorlijn Venlo-Eindhoven van belang. De afstand vanaf het midden van het spoor (bron 3) tot de grens van het plangebied bedraagt circa 235 meter. Het plan ligt hiermee buiten het plasaandachtsgebied (PAG) van het spoor. Maatregelen om de effecten van de plasbrand te beperken is niet nodig. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In de onderstaande tabel is het invloedsgebied en aantallen transporten van stofcategorie A weergegeven.
Het deelplangebied Groothorstweg 3 ligt buiten 200 meter van de spoorlijn Venlo – Eindhoven. Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden, omdat het deelplangebied binnen het invloedsgebied ligt van stofcategorie A.
Beperkte verantwoording van het groepsrisico Analyse scenario’s Voor stofcategorie A moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. Onderstaand wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord.
Zelfredzaamheid Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Zowel bij een koude of warme BLEVE dienen overlevenden te vluchten in de oostelijke richting van de bron af. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: •
op tijd ter plaatse te zijn;
•
voldoende opstelplaatsen te hebben;
•
voldoende blusmiddelen te hebben.
Leidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.
Pagina | 40
Ten noordoosten van het plangebied zijn K1-leidingen (bronnen 1 en 2) gelegen. De relevante gegevens zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Nieuwe kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen de plaatsgebonden risicocontouren van 106/jr van de buisleidingen. De omvang van het invloedsgebied strekt zich maximaal enkele meters buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6/jr als gevolg van het scenario plasbrand. Gezien de afstand van het plan tot de leidingen gelden er geen belemmeringen.
Hoogspanningslijnen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het plan. Voor het volledige onderzoek (inclusief de beperkte verantwoording van het groepsrisico) wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 6 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
5.2.7
Milieueffectrapportage
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20092. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.
2
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)
Pagina | 41
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt één extra woning opgericht. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.3 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.
Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op de bouw van slechts één woning valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij.
Uit de beoordeling van de relevante milieuhygiënische-, ecologische en wateraspecten (inhoudelijk uitgewerkt in de milieuparagrafen 5.2, 5.5 en 5.6 en in de waterparagraaf 5.3 van deze plantoelichting) blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van
3
Staatsblad 2011, nr. 102
Pagina | 42
risico op ongevallen. Uit deze plantoelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld. 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden. 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd. 4. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling van alle relevante milieuhygiënische-, ecologische - en wateraspecten (inhoudelijk uitgewerkt in de milieuparagrafen 5.2, 5.5 en 5.6 en in de waterparagraaf 5.3 van deze plantoelichting) is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3
Waterparagraaf
Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Het watertoetsproces is één van de instrumenten om dit te bereiken. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. 5.3.1
Regelgeving, beleid en uitgangspunten
Waterbeheerplan Waterschap Limburg De gemeente Horst aan de Maas valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder en de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen. In het waterbeheerplan 2016-2021 is de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en wordt aangegeven hoe het waterschap invulling zal geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe men het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Ook staat hierin welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: 1. het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen; 2. het aanpakken van knelpunten van wateroverlast; 3. herstellen van beken; 4. het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor het aan de orde zijnde plan en plangebied kent het Waterbeheerplan geen specifieke uitgangspunten.
Pagina | 43
Legger en Keur Waterschap Limburg Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende Legger als kaart). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Op 1 april 2019 heeft het Waterschap een nieuwe Keur vastgesteld.
Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen Het Waterschap Limburg hanteert sinds 1 april 2019 de volgende uitgangspunten voor haar toetsing met betrekking tot de behartiging van waterhuishoudkundige belangen binnen een bestemmingsplan alsmede voor de toetsing van de waterparagraaf van een bestemmingsplan: Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepteinfiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.
5.3.2
Waterhuishoudkundige situatie plangebied
Afvoerend verhard oppervlak en riolering Het plangebied heeft een oppervlakte van 1433 m2. Het gehele plangebied in nu nog onverhard. In de nieuwe situatie zal het nieuwe afvoerend verhard oppervlak maximaal 330 m2 (275 m2 dakoppervlak hoofdgebouw en 55 m2 voor de carport) gaan bedragen. De aan te leggen erfverharding en verharding ter plaatse van de 3 zakelijke parkeerplaatsen, zal worden uitgevoerd als open halfverharding (merk: Nobre Cál). Het betreft hier gebroken lichtgele halfverharding afkomstig van de gele kalksteen Yellow Sun. Onder invloed van water verhard de oppervlakte zodanig dat deze ondergrond geschikt is voor parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden en terrassen, terwijl de ondergrond tegelijk open genoeg blijft om het hemelwater ter plaatse in de bodem te laten infiltreren. Ter plaatse van de Groothorstweg ligt een gemengd rioolstelsel.
Pagina | 44
Bodem en grondwater De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een veldpodzolgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 24,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordoostelijke richting. Uit informatie van grondwatertools.nl blijkt dat op een afstand van circa 650 ten westen van de locatie een grondwatermeetpunt aanwezig is (Putlocatie: B52G0968). Middels deze gegevens is de GHG binnen het plangebied geschat op 1,0 m -mv. Er liggen geen pompstations in de buurt van het plangebied die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
Geohydrologie De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied e.o. bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. Onderstaande tabel geeft de classificatie van de waterdoorlatendheid van bodemlagen weer:
bodemdoorlatendheid plangebied e.o.
De onderhavige gronden zijn derhalve 'vrij goed doorlatend' en daarmee geschikt voor hemelwaterinfiltratie.
Pagina | 45
Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt buiten in het stroomvoerend en bergend rivierbed van de Maas, een en ander zoals geregeld in de beleidsregels "Grote Rivieren". Het plangebied ligt verder ook op grote afstand ( van primaire en secundaire watergangen en oppervlaktewaterlichamen van het waterschap. Gelet op deze afstand en gelet op het feit dat de initiatiefnemers binnen het eigen plangebied al hun regenwater (in T=100-situatie) zelf opvangen en verwerken, heeft dit plan geen nadelige effecten op deze watergangen en de belangen van het waterschap. 5.3.3
Duurzame verwerking van regenwater
Ten behoeve van de bepaling van een te realiseren systeem voor duurzame hemelwaterverwerking zijn op basis van de onderstaande invoerparameters berekeningen uitgevoerd: een K-waarde van 0,45 m/dag; veiligheidsfactor van 0,5; absoluut infiltratiesysteem met een dimensionering voor 100 mm berging/etmaal (neerslaggebeurtenis T=100); 100% afkoppeling van het totaal afvoerend verhard oppervlak van de bebouwing van 330 m2; hemelwater vanaf erfverharding en parkeerplaatsen kan via Nobre Cál halfverharding ter plaatse infiltreren. Uit de modelberekening volgt dat een bergende – en infiltrerende voorziening gedimensioneerd moet zijn op de volgende regenwaterkwantiteit:
neerslaggebeurtenis (T)
kwantiteitsberekening
T=100
330 m2 x 0,1 m= 33 m3
De voorzieningen die - op basis van de locatiespecifieke kenmerken en de beslismethodiek – geschikt zijn voor de onderhavige situatie zijn: 1. wadi, greppel, infiltratievijver; 2. infiltratiekratten, -koffers, -sleuf, -riool; 3. infiltratie door waterpasserende verharding; 4. diepte-infiltratie. De voorkeur van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap Limburg gaat uit naar een open bovengrondse infiltratievoorziening. In deze voorzieningen worden eventuele verontreinigingen in de bovengrond gebonden. Door de toplaag periodiek te vervangen wordt de kans op het ontstaan van een bodem- of grondwaterverontreiniging en het dichtslibben van de voorziening tot een minimum beperkt. Een voorbeeld van zo’n voorziening is een wadi, infiltratiesloot of infiltratievijver. De initiatiefnemers hebben gekozen om gebruik te maken van een bestaande zaksloot/infiltratiesloot langs de Groothorstweg. De HWA's zullen - via één of twee ondergrondse hoofdleidingen - al het regenwater vanaf de daken van de woning en het bijgebouw op deze sloot lozen, waar het geleidelijk in de bodem infiltreert. Een dergelijk open infiltratiesysteem is goed in te passen in een landelijke tuinontwerp en kan ook goed en gemakkelijk schoongehouden worden. Deze sloot is eigendom van de gemeente Horst aan de Maas.
De initiatiefnemers hebben de gemeente toestemming gevraagd om deze sloot voor waterberging en -infiltratie te mogen gebruiken. huishoudelijk afvalwater Onder de Groothorstweg ligt een gemengd rioolstelsel. Het huishoudelijk afvalwater vanaf de woning zal op het vuilwaterriool geloosd worden.
Pagina | 46
bouwmaterialen De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, zink e.d.). Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de bouwende partij wordt daarom, voorzover relevant, gevraagd geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen.
5.3.4
Juridische borging in het bestemmingsplan
Het aanleggen en in stand houden van een systeem van duurzame hemelwaterverwerking op eigen terrein is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan (artikel 4.1 onder g. jo artikel 19.3).
5.3.5
Overleg met waterschap
Vooroverleg met en advies van het waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets.
5.4
Verstoringsgebieden
Het plangebied ligt buiten de direct gangbare aanvlieg- en opstijgroutes van militaire – en civiele luchtvaartterreinen. Het plangebied ligt tevens buiten het laagvlieggebied rond vliegbasis De Peel. Het plangebied is wel gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel, doch enkel voor het oprichten van windturbines met een tiphoogte van de wieken van meer dan 114 boven NAP. Dit plan voorziet echter niet in de bouw van dergelijke windturbines.
5.5
Natuurbeschermingswet
5.5.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en zeer kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Het plangebied omvat geen landschapselementen of bomen met een beschermde status. Er is geen sprake van lichtvervuiling of het inbrengen van vervuil water in de bodem en het grondwater. Tevens worden er geen bomen gekapt. Ook voor plannen buiten Natura 2000-gebieden die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied moet alvorens het plan wordt vastgesteld een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen, tenzij de gevolgen kunnen worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Maasduinen’. Het plangebied is op ca. 8 km afstand van dit Natura 2000-gebied gelegen. Verder heeft het plan slechts betrekking op de realisatie van 1 woning. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied, de kleinschaligheid van het project en de ruimtelijk beperkte aard, omvang en invloed van de ontwikkeling heeft dit plan geen nadelige consequenties voor de natuur- en landschappelijke waarden en de instandhoudingsdoelstellingen van de ‘Maasduinen’. 5.5.2
Stikstof
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Pagina | 47
Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden Het plangebied is circa 8 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ gelegen. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect van 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde project niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Bij een dergelijke projecteffect is geen vergunning benodigd voor het project.
Berekening Met het programma AERIUS Calculator (versie 2022) wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt.
Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de bouw. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling en zal minder dan één jaar duren. De werkzaamheden zullen in 2023 worden uitgevoerd. Deze gegevens zijn in het stikstofonderzoek ingevoerd. Gebruiksfase Met het plan wordt de bouw van één energie neutrale woning met praktijkruimte mogelijk gemaakt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied. De benodigde gegevens voor de gebruiksfase zijn in overleg met de opdrachtgever bepaald en aangevuld op basis van de in AERIUS Calculator opgenomen kentallen. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van peiljaar 2022. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie en aangevuld met input van de initiatiefnemers. De gemeente Horst aan de Maas is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een weinig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘buitengebied’.
De verkeersbewegingen toebehorend bij de praktijkruimte zijn bepaald aan de hand van het aantal bezoekers. De praktijk zal gebruikt worden voor osteopatische behandelingen en coaching en analytische therapie. Maximaal kunnen 10 bezoekers per etmaal worden verwacht voor de osteopatische behandelingen en 15 bezoekers wekelijks voor de coaching en analytische therapie. Uitgaande van een worstcasescenario wordt gerekend met 25 bezoekers per etmaalperiode. Daarnaast wordt als uitgangspunt genomen dat alle 25 bezoekers met de auto komen. Dit resulteert 50 extra verkeersbewegingen per dag ten gevolge van de praktijkruimte. In werkelijkheid zal de verkeersgeneratie lager zijn. In onderstaande tabel is de volledige berekening van de verkeersgeneratie opgenomen.
verkeersgeneratie plan
Pagina | 48
Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 58,6 verkeersbewegingen per weekdag, hiervan is 2% opgenomen als middelzwaar vrachtverkeer. De ontsluiting van het verkeer kan in verschillende richtingen plaatsvinden. In het verrichte stikstofonderzoek is een volledige ontsluiting in westelijke richting, richting de N556 gehanteerd. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie4 namelijk: ‘op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.’ De verkeersintensiteit op de N556 ligt met circa 8.000 motorvoertuigen per etmaal5 vele malen hoger dan de maximale verkeersgeneratie van het plan (weekdaggemiddeld). Het verkeer ten gevolge van de aanlegfase zal derhalve ter hoogte van de N556 volledig zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In de berekening voor de gebruiksfase wordt zowel de reguliere ‘wegverkeer’ bron als de ‘anders’ bron meegenomen voor de modelering van het verkeer.
Op onderstaande afbeeldingen zijn de emissiebronnen tijdens het toekomstig gebruik weergegeven. Bron 1 betreft de emissies van het verkeer, gemodelleerd als ‘wegverkeer’ bron en bron 2 en 3 de emissies van het verkeer gemodelleerd als ‘anders’ bron.
Emissiebronnen gebruiksfase
4
Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020, Versie 2020 3.0
5
NSL monitoringskaart 2020, peiljaar 2020, verkregen van https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
Pagina | 49
Conclusie Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Voor de volledige berekening van de stikstofeffecten wordt verwezen naar het stikstofonderzoek en de AERIUS berekening die als bijlage 7 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.
5.6
Flora en fauna
Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in het kader van deze bestemmingsplanwijziging met als doel om in te schatten of er binnen het plangebied planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen
Tabel beschermde soorten
Pagina | 50
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming is overtreding aangaande de Wet natuurbescherming niet aan de orde. De aanwezige waardplanten voor teunisbloempijlstaart (teunisbloem en wilgenroosje) dienen voor de aanvang van de werkzaamheden verplaatst te worden naar een locatie buiten de invloedsfeer van de verstorende werkzaamheden. Tevens worden er als extra compenserende maatregel nieuwe waardplanten (teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik, kattenstaart) aangeplant buiten de invloedsfeer van de verstorende werkzaamheden op de planlocatie. Ten behoeve van zowel de (wijze van) verplaatsing van de teunisbloem en het wilgenroosje als de nieuwe, extra aanplant, is inmiddels een ecologisch werkprotocol opgesteld. Dit protocol is geaccordeerd door de gemeente Horst aan de Maas. Voor overige beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten behoeve van grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dat houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van dieren te voorkomen.
Tevens dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen bij de uitvoering van werkzaamheden. Het verwijderen van groen, takkenhopen en het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient plaats te vinden buiten het broedseizoen. Globaal kan hiervoor de periode maart tot en met half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen planten of struwelen verwijderd dienen te worden, dient voorafgaand aan deze werkzaamheden een broedvogelinspectie door een ter zake kundige ecoloog plaats te vinden. Voor de volledige inhoud van het flora en fauna-onderzoek en het ecologisch werkprotocol wordt verwezen naar de bijgevoegde rapporten die als bijlagen 8 en 9 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.
5.7
Archeologie en cultuurhistorie
Cultuurhistorische waarden in stedelijk gebied kunnen betrekking hebben op: 1. bebouwde cultuurhistorie (monumenten/historische stedenbouw/molenbiotoop); 2. archeologische waarden. Ad 1. Binnen het plangebied is geen rijks-of gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevol pand aanwezig. Het plangebied is verder niet gelegen in een molenbiotoop van een windmolen. Ad 2. Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën.
Per categorie maakt het gemeentelijk archeologiebeleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke onderzoekseisen en ontheffingen daarbij gelden.
Pagina | 51
Archeologische Maatregelenkaart
Uit bovenstaande uitsnede van de maatregelenkaart blijkt dat het plangebied is gelegen in het gebied aangeduid als 'categorie 3: hoge archeologische verwachting'. Ingrepen met een verstoringsoppervlak van niet meer dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 cm kunnen doorgang vinden zonder archeologisch (voor)onderzoek.
tabel met maatregelen per categorie
Bij de onderzoeksplicht wordt aanvullend onderscheid gemaakt tussen initiatieven voor nieuwe en voor bestaande locaties conform onderstaande tabel.
Pagina | 52
Aangezien het onderhavige plan een nieuwe bouwkavel c.q. een nieuw woonperceel betreft met een omvang van meer dan 500 m2 (namelijk 750 m 2) en met een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm mv, is nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennend en karterend booronderzoek) door middel van boringen uitgevoerd. Doel van het bureauonderzoek was een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) had tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan dan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Vroege-Middeleeuwen en een lage verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor tot circa 0,2 à 0,4 m -mv, met hieronder een dunne, verstoorde laag waarin de bouwvoor met de C-horizont vermengd is. Vanaf 0,4 à 0,5 m mv bevindt zich dekzand, waarin alleen een C-horizont aanwezig is. Het is waarschijnlijk dat vondststrooiingen van vuursteen uit de Steentijden zijn verstoord en niet goed zijn bewaard. Wel is het mogelijk dat grondsporen vanaf het Neolithicum tot in de Volle-Middeleeuwen aanwezig zijn. Met het booronderzoek is niet aangetoond dat zeker geen archeologische resten in het geding zijn wanneer het bouwplan zal worden uitgevoerd.
Advies Op grond van de resultaten van het genoemde bureau- en veldonderzoek is geadviseerd een archeologische veldverkenning uit te voeren (een IVO-O). Doordat de bouwvoor ondiep is, is het te verwachten dat wanneer archeologische vondsten aanwezig zijn deze aan het maaiveld kunnen worden aangetroffen. Nadat het terrein is geploegd en er een aantal regenbuien overheen zijn gegaan dient het plangebied systematisch afgelopen te worden in raaien met een tussenafstand van 10 meter. Hierbij worden aan het maaiveld voorkomende archeologische indicatoren ingemeten en verzameld. Door middel van de oppervlaktekartering dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Wanneer tijdens deze archeologische veldverkenning geen archeologische vondsten worden verzameld, dan kan het perceel worden vrijgegeven voor de woonontwikkeling.
Pagina | 53
Archeologische veldverkenning Op 24 augustus 2022 is een veldkartering aan de Groothorstweg te Sevenum uitgevoerd. Er zijn in totaal van 34 vondsten gedaan, deze bestaan uit fragmenten vensterglas, fragmenten baksteen en diverse metaaltjes. Volgens het voorgeschreven PvA dient alleen het bouwvlak afgezocht te worden op eventuele archeologische vondsten. Het bouwvlak is keurig geploegd, geëgd en beregend volgens afspraak.
Conclusie Na aanleiding van de vondsten die gedaan zijn kan geconcludeerd worden dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Voor de volledige inhoud van het archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek en de archeologische veldverkenning wordt verwezen naar de bijgevoegde rapporten die als bijlagen 10 en 11 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.
Pagina | 54
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemers. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn inmiddels hun eigendom. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemers af te sluiten anterieure overeenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure overeenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd, alsmede het gebruik van enkele parkeerplaatsen. Tenslotte wordt ook een planschadeverhaalsovereenkomst zoals bedoeld in art. 6.4a Wro gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemers.
6.2
Handhaving
De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijze hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt, volgt daadwerkelijk handhavend optreden (repressieve inzet).
De uit deze visie voortvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat men, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie.
Pagina | 55
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Omgevingsdialoog Als onderdeel van een goede ruimtelijke ordening verzoekt de gemeente Horst aan de Maas aan de initiatiefnemer met betrekking tot dit project een zorgvuldige omgevingsdialoog te voeren met omwonenden en andere belanghebbenden. Hierbij geldt dat de uitkomst van de omgevingsdialoog geen toetsingsgrond vormt voor het wel of niet meewerken aan de verlening van de omgevingsvergunning. De gemeente beoordeelt uitsluitend of de omgevingsdialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd. De initiatiefnemers hebben een omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden. Het verslag is als bijlage 12 bij deze plantoelichting gevoegd.
6.3.2
Vooroverleg
In het kader van het wettelijk overleg zal onder meer overleg plaatsvinden met Waterschap Limburg en provincie Limburg. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd hieronder opgenomen worden. 6.3.3
Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken hebben met ingang van 14 oktober 2022 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn beoordeeld en geven geen aanleiding om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
Pagina | 56
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE TOELICHTING
7.1
Planstukken
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.
7.2
Toelichting op de verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.
7.3
Toelichting op de regels
De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: • • • •
Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.
Dit plan kent 9 bestemmingen: • • • • • • • •
Agrarisch met waarden; Wonen; Natuur; Waarde-Archeologie 3; Waarde-Archeologie 4; Waarde-Archeologie 6; Waarde-Zone bronsgroene landschapszone; Waarde-Zone zilvergroene natuurzone
Pagina | 57
De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.
Pagina | 58
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
bijlage 1: Landschappelijk Inpassingsplan/tuinontwerp bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek bijlage 3: Akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai bijlage 4: Akoestisch onderzoek gevelwering bijlage 5: Geurhinderonderzoek veehouderijen bijlage 6: Quickscan externe veiligheid bijlage 7: Stikstofonderzoek bijlage 8: Quickscan Wet natuurbescherming bijlage 9: Ecologisch werkprotocol bijlage 10: Archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek bijlage 11: Nadere archeologische veldverkenning bijlage 12: Verslag omgevingsdialoog
Pagina | 59
REGELS
Pagina | 60
HOOFDSTUK 1
Artikel 1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Groothorstweg 3, Sevenum met identificatienummer NL.IMRO.1507.SNGROOTHORSTWEG3-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.4 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon, dat/die in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden. 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het daar genoemde gebied aangeeft, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.10 bed & breakfast een overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een (bedrijfs)woning of bijbehorend bouwwerk, is ondergeschikt aan de woonfunctie en wordt gerund door de bewoner van de betreffende (bedrijfs)woning. 1.11 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.