03c Toelichting en Regels
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan Groothorstweg 3, Sevenum NL.IMRO.1507.SNGROOTHORSTWEG3-BPV1
bestemmingsplan Groothorstweg 3, Sevenum
vastgesteld
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE
TOELICHTING
4
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
5
1.1 1.2 1.3 1.4
5 5 7 9
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer
HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
10
2.1 2.2 2.3 2.4
10 10 10 11
Algemeen Ruimtelijke en functionele structuur plangebied e.o. Korte historische schets plangebied e.o. Feitelijke staat plangebied
HOOFDSTUK 3 BELEID
13
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
13 13 15 19 20 24
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk en regionaal beleid Conclusie
HOOFDSTUK 4 PLANBESCHRIJVING
25
4.1 4.2 4.3
Bouwplan Landschappelijke inpassing Omzetting agrarische percelen in natuur
25 27 29
HOOFDSTUK 5 SECTORALE ASPECTEN
30
5.1 5.2
30 30 30 31 32 34 36 36 38 40 42 46 46 49 50
5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
Inleiding Milieuaspecten 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Gezondheid 5.2.6 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage Waterparagraaf Verstoringsgebieden Natuurbeschermingswet Flora en fauna Archeologie en cultuurhistorie
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID
54
6.1 6.2 6.3
54 54 55
Economische uitvoerbaarheid Handhaving Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Pagina | 3
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE TOELICHTING
56
7.1 7.2 7.3
56 56 56
Planstukken Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
58
bijlage 1: Landschappelijk Inpassingsplan/tuinontwerp bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek bijlage 3: Akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai bijlage 4: Akoestisch onderzoek gevelwering bijlage 5: Geurhinderonderzoek veehouderijen bijlage 6: Quickscan externe veiligheid bijlage 7: Stikstofonderzoek bijlage 8: Quickscan Wet natuurbescherming bijlage 9: Ecologisch werkprotocol bijlage 10: Archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek bijlage 11: Nadere archeologische veldverkenning bijlage 12: Verslag omgevingsdialoog
58 58 58 58 58 58 58 58 58 58 58 58
REGELS
59
HOOFDSTUK 1 Artikel 1 Artikel 2
HOOFDSTUK 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
60 66
BESTEMMINGSREGELS
67 67 69 72 74 75 76 77 78 79
ALGEMENE REGELS
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Overige regels
HOOFDSTUK 4 Artikel 20 Artikel 21
60
Agrarisch met waarden Wonen Natuur Leiding - Brandstof Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 6 Waarde - Zone bronsgroene landschapszone Waarde - Zone zilvergroene natuurzone
HOOFDSTUK 3 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19
INLEIDENDE REGELS
Begrippen Wijze van meten
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Overgangsrecht Slotregel
80 80 81 82 84 85 86 87 89
91 91 92
BIJLAGEN BIJ DE REGELS
93
bijlage 1: Landschappelijk Inpassingsplan/tuinontwerp bijlage 2: Staat van bedrijfsactiviteiten
93 93
Pagina | 4
TOELICHTING
Pagina | 5
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Het voornemen bestaat om op een locatie aan de Groothorstweg ong. (tussen nrs. 1A en 5) te Sevenum één nieuwe vrijstaande woning met praktijkruimte te realiseren. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en heeft de bestemming “Agrarisch met waarden”, de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” en de gebiedsaanduiding “Overige zone – beekdal”. Binnen deze bestemming is het oprichten van een woning niet toegestaan. Dit voornemen past niet in het geldende bestemmingsplan. De gemeente Horst aan de Maas heeft bij brief van 2 december 2020 aangegeven te willen meewerken aan de realisatie van een extra woning onder de volgende voorwaarden: De bouw van de woning dient milieu-hygiënisch uitvoerbaar te zijn; Er moet aansluiting gezocht worden bij de bebouwing en karakteristiek van de omgeving; Er moeten voldoende parkeergelegenheden worden gerealiseerd; Er moet een kwaliteitsbijdrage worden voldaan van € 165.000,- ; Er moet een anterieure overeenkomst worden aangegaan ten einde het verhaal van planschade, de landschappelijke inpassing en de afdracht kwaliteitsverbetering te borgen. De genoemde kwaliteitsbijdrage wordt vormgegeven door het omzetten van een viertal agrarische percelen in natuurgebied.
Het voorliggende bestemmingsplan 'Groothorstweg 3, Sevenum' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling waarmee zowel de beoogde bouw van de woning met praktijkruimte als de omzetting van vier agrarische compensatielocaties in natuur mogelijk wordt gemaakt. Het bestemmingsplan 'Groothorstweg 3, Sevenum' bestaat uit een digitale en analoge verbeelding met de daarbij behorende regels waaraan een toelichting is toegevoegd. Naast de digitale versie is er tevens een versie op papier van het bestemmingsplan beschikbaar.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het deelplangebied aan de Groothorstweg is gelegen ten noordoosten van het dorp Sevenum aan één van de rustige en landelijke erfontsluitingswegen in het buitengebied tussen de kern van Sevenum en de Grubbenvorsterweg: een belangrijke ontsluitingsweg tussen Sevenum en Grubbenvorst. De deelplangebieden van de compensatielocaties liggen nabij de spoorverbinding Horst-Sevenum-Venlo (ten oosten van het station Horst-Sevenum) alsmede tegen de Groote Molenbeek aan alsook in het buitengebied ten oosten van Hegelsom en ten oosten van de Groote Molenbeek (derhalve in het beekdal van de Groote Molenbeek). Het gehele plangebied is gelegen in het buitengebied en buiten de verkeers- en stedenbouwkundige bebouwde kom. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie S, nr. 429 en is plaatselijk bekend als Groothorstweg (perceel tussen nrs 1A en 5). Een huisnummer is nog niet toegekend, doch dit zal hoogstwaarschijnlijk nr. 3 worden. Verder bestaat het plangebied uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie T, nr. 819 en gemeente Sevenum, sectie Z, nrs 140 t/m 142. Het plangebied heeft een gezamenlijke oppervlakte van 24.117 m2 (plandeel Groothorstweg 3: 1433 m2 en de 4 compensatielocaties: 22.684 m2).
Pagina | 6
locatie plangebied op gemeentelijk niveau
De kadastrale situatie is op nevenstaande afbeelding weergegeven. Tevens is de grens van het plangebied (met de verschillende deelgebieden) ingetekend.
ligging en begrenzing plangebied
Pagina | 7
1.3
Vigerende bestemmingsplan
1.3.1
Woningbouwlocatie Groothorstweg 3
De locatie is gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”. Dit plan is vastgesteld op 19 december 2017 en heeft hierin de enkelbestemming “Agrarisch met waarden”, de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” en de gebiedsaanduiding “Overige zone – beekdal”.
uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’: plandeel Groothorstweg 3
De planregels van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ staan de bouw van een nieuwe burgerwoning niet toe. Wonen is ter plaatse uitsluitend toegestaan in een agrarische bedrijfswoning (artikel 3.1 onder k).Deze bestemming kent wel een wijzigingsbevoegdheid van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ (artikel 3.8.5) doch deze bevoegdheid kan niet gebruikt worden omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat er ter plaatse sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) c.q. kan worden gemaakt voor eigentijdse agrarische bedrijfsvoering. Er is namelijk helemaal geen (agrarische) bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Verder kan deze wijzigingsbevoegdheid alleen gebruikt worden indien het wonen plaats blijft vinden in een bestaande bedrijfswoning waarbij ook het aantal woningen niet mag toenemen. Ook hieraan kan niet worden voldaan, nu het initiatief voorziet in de bouw van een nieuwe, extra burgerwoning. 1.3.2
Natuurcompensatielocaties
De 4 natuurcompensatielocaties zijn eveneens gelegen binnen het bovengenoemde bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”. Voor deze natuurcompensatielocaties gelden op basis van het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen: Enkelbestemming •
Agrarisch met waarden
Dubbelbestemmingen • • • • • •
Leiding - Brandstof Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 6 Waarde - Zone bronsgroene landschapszone Waarde - Zone zilvergroene natuurzone
Pagina | 8
Gebiedsaanduidingen • • •
milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol overige zone - beekdal reconstructiewetzone
De planregels van deze vier natuurcompensatielocaties maken – kort gezegd – het behoud, de bescherming, ontwikkeling en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het beekdal van de Groote Molenbeek wel mogelijk, maar deze planregels staan nu ook nog toe dat ter plaatse agrarische bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden. Deze bedrijfsmatige functie moet nu juist worden weg bestemd door middel van het onderhavige (nieuwe) bestemmingsplan.
uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’: plandeel compensatielocaties Z140, Z141 en Z142
uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’: plandeel compensatielocatie T819
Pagina | 9
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de te regelen ruimtelijke ontwikkeling zelf. Vervolgens geeft hoofdstuk 5 inzicht in de relevante milieu-planologische aspecten. De uitvoerbaarheid is neergelegd in hoofdstuk 6 en ten slotte de juridische toelichting in hoofdstuk 7.
Pagina | 10
HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied op gemeentelijk niveau en de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving.
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur plangebied e.o.
2.2.1
Woningbouwlocatie Groothorstweg 3
Dit deelplangebied is gelegen in het noordoosten van het dorp Sevenum. Sevenum is één van de drie centrumdorpen van de gemeente Horst aan de Maas. Vanuit de kern van het dorp waaiert de bebouwing lintvormig het omringende buitengebied in. Hierdoor ontstaat de kenmerkende stedenbouwkundige "spinstructuur" die vele vergelijkbare Peeldorpen in de regio kenmerkt. De bestaande situatie van het deelplangebied e.o. wordt gekenmerkt door een open agrarisch landschap. Het variërende gebied bestaat verder uit natte natuurgebieden met vochtige graslanden en broekbossen. Ook is er een beekdal waar de Groote Molenbeek doorheen stroomt. Dit is een belangrijke beek voor Sevenum welke ten zuiden en oosten langs het plangebied stroomt. In het beekdal zijn laagtes ontstaan door het uitbaggeren van veen, waardoor je hier moerasbos terug kunt vinden. Stedenbouwkundige karakteristiek Langs de Groothorstweg is de bebouwingsintensiteit erg laag. Bebouwing is vooral aanwezig in de vorm van verspreid liggende woningen binnen een ’leeg’ (in de zin van onbebouwd) agrarisch productielandschap. De bebouwing langs de Groothorstweg is vooral aan de oostelijke kant gelegen. Groothorstweg 1,1A en 5 vormen samen een kort bebouwingslint. Het plangebied vormt een 'gat' binnen dit bebouwingslint. Functionele karakteristiek Functioneel is de Groothorstweg vooral een woonstraat.
Het enige agrarische gebruik ter plaatse is het gebruik van de weilanden voor de weidegang van vee. Andere (agrarische) functies komen niet (meer) voor. De voormalige oliehandel aan de Groothorstweg 2 - in het bestemmingsplan nog steeds als ‘bedrijf’ bestemd – is enige jaren geleden al beëindigd.
2.2.2 Natuurcompensatielocaties De vier natuurcompensatielocaties zijn solitair gelegen agrarische percelen in het buitengebied en in het beekdal van de Groote Molenbeek.
2.3
Korte historische schets plangebied e.o.
Van oudsher is Sevenum een agrarisch dorp aan de rand van de peel en wordt gekenmerkt als esdorp. Esdorpen zijn te vinden bij de overgang van droge zandgronden en natte weidegebieden. De oudste landbouwvelden in Sevenum waren omstreeks 1400 samen ca. 770 ha groot. Dit was ca. 15% van het totale Sevenumse grondgebied. Deze schrale zandgronden waren omringd door 4.200 ha heidevelden, met hier en daar enkele bomen en in de richting van de Peel veel moerassen met veengebieden. Elke inwoner kreeg een veldje in de Peel toegewezen, waar hij voldoende turf kon steken voor eigen behoefte. Af en toe verkocht de gemeente percelen woeste grond aan de boeren, die deze dan zelf konden ontginnen.
Pagina | 11
In 1745 was het areaal landbouwgrond gestegen tot 1.160 ha en in 1825 bij de invoering van het kadaster tot 1.320 ha. Vanaf deze jaren begon de ontginning van de woeste grond meer in trek te komen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de verandering van het landelijk gebied om het dorp Sevenum in een overwegend agrarisch cultuurlandschap. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van de gronden langs de Groothorstweg.
historische kaarten ontwikkelingen 1850-2020 (plangebied Groothorstweg 3 rood omcirkeld)
2.4
Feitelijke staat plangebied
2.4.1
Woningbouwlocatie Groothorstweg 3
Het deelplangebied is op dit moment volledig onbebouwde en onverhard. Het perceel is een weiland. Het perceel wordt verder nergens specifiek voor gebruikt. Het perceel is nog niet bouwrijp. Hieronder een afbeelding die aangeeft wat de staat van het huidige plangebied is.
feitelijke staat plangebied (streetview Google Maps)
Pagina | 12
2.4.2 Natuurcompensatielocaties De vier natuurcompensatiepercelen zijn agrarische percelen in het buitengebied en in het beekdal van de Groote Molenbeek. Ze zijn allen volledig onverhard en onbebouwd. De percelen kennen geen specifiek gebruik. Het zijn weilanden met een incidentele boom en/of bosschages.
Pagina | 13
HOOFDSTUK 3 BELEID
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een beeld van de randvoorwaarden die vanuit het beleid gelden betreffende onderhavige ontwikkeling. De beleidskaders zijn op verschillende schaalniveaus beschreven. Aan bod komen het rijks-, provinciaal - , regionaal- en het gemeentelijk ruimtelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Het NOVI loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld: In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: •
dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
•
met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
•
waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
•
met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
•
waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
•
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
•
waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
•
dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Pagina | 14
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. b. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Afweging Het plan (één extra woning) is, op nationaal niveau, dermate kleinschalig dat het geen wezenlijke invloed heeft op nationale belangen. Verstedelijkingsbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten zelf. De realisatie van dit project leidt niet tot strijdigheden met de uitgangspunten uit het NOVI.
3.2.2
Ladder duurzame verstedelijking
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een nieuwe woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 (dorpskern Annen)). Afweging Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de toevoeging van één woning geen stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Dit plan hoeft derhalve niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
3.2.3
Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro)
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ((Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden.
Pagina | 15
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Voor een aantal van de genoemde Barro-onderwerpen, waaronder de uitbreiding van het hoofdwegennet, het hoofdspoorwegennet en het functioneren van militaire vliegbases, geldt dat de regels worden uitgewerkt in de Rarro. Laagvlieggebied In de AMvB Ruimte wordt een klein deel van de militaire gebieden en objecten begrensd. Militaire objecten dienen een militaire bestemming te krijgen en de opgenomen bestemmingen en gebruiksregels mogen geen belemmering vormen voor de functionele bruikbaarheid van het object en de uitoefening van de defensietaak. Daarnaast gelden er militaire laagvlieggebieden. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden onder een laagvlieggebied, bevat over een breedte van 3.704 m (2 nautische mijlen) geen bestemmingen of regels omtrent het gebruik van die gronden die het oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m mogelijk maken.
In het Rarro is een mogelijkheid opgenomen voor de minister (Ministerie van Defensie in overleg met Minister van Infrastructuur en Milieu) om uit eigen beweging, dan wel op verzoek van GS of het college van B&W, ontheffing te verlenen van de bij of krachtens het besluit gestelde regels indien redenen van groot openbaar belang daartoe nopen.
Afweging Het plangebied ligt in zijn geheel binnen het laagvlieggebied De Peel (GLV-VIII, zie nevenstaande afbeelding). In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt tot een hoogte van maximaal 12 m. Daardoor heeft dit plan geen consequenties voor het laagvlieggebied.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Limburg
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Na een uitgebreid participatief proces hebben Provinciale Staten op 1 oktober 2021 de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Provinciale Omgevingsvisie zijn de volgende beleidsnota’s komen te vervallen:
Pagina | 16
Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014); POL-aanvullingen Zandmaas (2002, 2004, 2010), uitbreiding Groeve ’t Rooth (2006) en beëindiging kalksteenwinning St. Pietersberg (2009). De POL-aanvulling Grensmaas (2005, 2010) blijft in stand, maar wordt opgevat als een programma onder de Omgevingsvisie.
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: A. Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; B. Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Ad B. Zonering Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem en de typering en ontwikkeling van het ruimte- gebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. Het geformuleerde beleid in de Omgevingsvisie leidt niet tot aanpassingen van de begrenzing in de bestaande indicatieve kaartbeelden. De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Ook komt het voor dat de begrenzing van zones, bijvoorbeeld bufferzones rondom beken, dwars over percelen geprojecteerd zijn. Het precieze begrenzen van alle gebruiksfuncties hoort thuis op het niveau van de gemeentelijke omgevingsplannen.
Voor de bestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen (onder de Omgevingswet: omgevingsplannen) heeft de Omgevingsvisie geen directe gevolgen. De daarin vastgelegde bestemmingen blijven staan zolang er zich geen nieuwe ontwikkelingen voordoen. Het plangebied ligt binnen de volgende zones: -
plandeel Groothorstweg 3: Buitengebied
-
plandelen 4 natuurcompensatielocaties: Groenblauwe mantel
Pagina | 17
gebiedszonering
Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.
Groenblauwe mantel Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg.
Afweging Dit project heeft betrekking op de omzetting van de functie ‘agrarisch onbebouwd’ naar een woonperceel/burgerwoning. Hoewel deze zone niet direct bedoeld is voor woondoeleinden, zijn functiewijzigingen ten behoeve van woondoeleinden wel toegestaan, mits deze passend zijn in de omgeving en niet in strijd zijn met gebiedswaarden. Deze plantoelichting bevat een uitgebreide toetsing en verantwoording waaruit blijkt dat het woningbouwproject voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten voor woningbouw in dit gebied en dat het project de specifieke landschappelijke en milieuplanologische waarden niet aantast. Verwezen wordt hier naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting. De voorgenomen transformatie van 4 agrarische percelen in natuurgebieden zorgt voor een verdere versterking van de natuur-en landschapswaarden van het beekdal van de Groote Molenbeek en om de aangrenzende natuurgebieden. De beoogde transformatie van agrarisch in natuur vormt een wenselijk gebruik binnen de groenblauwe mantel.
Pagina | 18
3.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De Omgevingsverordening Limburg 2011 was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de Verordening: 1. Het hoofdstuk bevat geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. 2. Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wet ruimtelijke ordening slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte. Reikwijdte verordening
Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (LDV) 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening stelt verder dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 20202024. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat verder een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande.
Afweging In deze plantoelichting (paragraaf 3.2.2) is aangetoond dat door dit plan niet voorzien wordt in een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Een toetsing van het plan aan de Ladder duurzame verstedelijking is niet nodig. Paragraaf 3.4.1 van deze plantoelichting bevat de resultaten van de toetsing van het project aan de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Hieruit blijkt dat het project in overeenstemming is met het regionale woonbeleid. Verwezen wordt hier naar deze paragraaf.
Pagina | 19
3.4
Regionaal beleid
3.4.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 geeft richting aan het woonbeleid voor de komende 4 jaar. Het is de 2e visie die door de 8 Noord-Limburgse gemeenten in gezamenlijkheid is opgesteld. In deze visie wordt teruggekeken naar de vorige visie: waar komen we vandaan en wat willen we meenemen naar de nieuwe visie. En zijn er ook zaken die veranderd zijn? Binnen de Regionale Woonvisie zijn een aantal vraagstukken c.q. opgaven geformuleerd. Een daarvan is de mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling. Voor Ruimte voor Ruimte geldt dat de provincie een verbreding heeft gemaakt in de regeling. Er wordt ook ruimte geboden voor andere woonvormen die beter aansluiten bij de behoefte. Ook is er een mogelijkheid om andere verdienmodellen te verkennen. De regio onderschrijft deze verbreding. Zo ontstaan er mogelijkheden om Ruimte voor Ruimte in te zetten voor de kwalitatieve woonopgaven van de regio. Vragen vanuit de provincie om in het kader van Ruimte voor Ruimte woningbouw mogelijk te maken, zullen in de regio kwalitatief beoordeeld worden op eenzelfde wijze waarop ook andere woningbouwplannen beoordeeld worden. Uitgangspunt is immers dat de woningen die toegevoegd worden ook moeten voorzien in een woonbehoefte.
De betrokken gemeenten in de regio Noord Limburg hebben gekozen om met een zogenaamde kwalitatieve richtlijn te werken. In de regio hebben we uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn: • • • • • •
toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen, bebouwingsclusters of bebouwingslinten; koppelkansen; toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; streven naar sociaal duurzame woonconcepten; aansluiting zoeken op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn.
Afweging Het beoogde woningbouwproject voldoet aan deze uitgangspunten. Het woningbouwplan vult een bebouwingsgat binnen het bebouwingslint aan de Groothorstweg op. Verder wordt de woning gebouwd ten behoeve van de concrete initiatiefnemers zelf. Er is dus geen sprake van een risico op leegstand. Het woningtype dat door dit project gerealiseerd wordt (ruime, vrijstaande, landelijke woning met een praktijkruimte op een ruim en intensief landschappelijk ingepast perceel) past binnen het landelijke overgangsgebied. Dit soort woningen hoort tot het hogere segment van de woningmarkt. De beoogde woning wordt verder duurzaam en energiezuinig vormgegeven door een sedumdak (i.v.m. vermindering van hittestress en wateropvang, zonnepanelen en een warmtepomp. Samen wil de regio een breed palet aan woonmilieus bieden dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van onze regio. Gezonde en vitale woonkernen zijn hierbij essentieel. Uit deze visie blijkt dat de regio vindt dat de vitaliteit van een gemeenschap essentieel is voor de leefsituatie van een dorp.
Pagina | 20
3.5
Gemeentelijk en regionaal beleid
3.5.1
Integrale structuurvisie Horst aan de Maas
Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ vastgesteld. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Via deze structuurvisie maakt de gemeente Horst aan de Maas ook beleidsafwegingen inzake de wenselijkheid van ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen in het bestemmingsplan. Het grondgebied van de gemeente is daarvoor binnen de structuurvisie ingedeeld in diverse gebieden. Het perceel ligt in het gebied “8 – Greenport Venlo” van de structuurvisie. In dit gebied geldt de structuurvisie Klavertje 4-gebied. Dit betekent dat het onder voorwaarden mogelijk is een woning op te richten (zie verder paragraaf 3.5.2 van deze plantoelichting).
uitsnede kaart ISV (plangebied rood omcirkeld)
3.5.2
Structuurvisie Klavertje 4-gebied
Het hele plangebied maakt beleidsmatig deel uit van het gebied Greenport Venlo. Het ruimtelijk beleid voor dit gebied is vastgelegd in de Structuurvisie Klavertje 4-gebied. Het deelplangebied ‘Groothorstweg 3’ maakt deel uit van een zogenaamde ‘verwevingszone’ binnen het zogenaamde werklandschap Horst/Sevenum in het buitengebied. Het behoort tot deelgebied V3. De 4 deelplangebieden met de natuurcompensatielocaties maken deel uit van het ‘beekdallandschap’ (deelgebied K4). Binnen dit gebied staat versterking van natuur en landschap centraal.
Pagina | 21
uitsnede kaart structuurvisie K4 (nieuwe woningbouwlocatie Groothorstweg 3 rood omcirkeld)
Pagina | 22
Verwevingzones (V3) Overgangszones Verwevingzones zijn overgangsgebieden in het landschap. Er worden drie verwevingszones gedefinieerd in deze structuurvisie, namelijk: 1. Werklandschap-Horst/Sevenum; 2. Horsterweg-glastuinbouwgebied klaver 12; 3. Linten Tongerlo. Het deelplangebied (en nieuwe woningbouwlocatie) Groothorstweg 3 maakt dus deel uit van het verwevingsgebied binnen het Werklandschap Sevenum/Horst. Vanwege de grote natuur- en landschapswaarden van het beekdal wordt er in dit 'tussengebied' ingezet op versterking van bestaande waarden. Op deze manier ontstaat een geleidelijke overgang van het hoogdynamische werklandschap naar het rustige beekdal. Naast natuur en groen komen ook woningen en (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten voor. Het agrarische gebied kenmerkt zich thans door de grote verscheidenheid aan functies (wonen, agrarische bedrijven, groen, (verblijfs)recreatie, bedrijven-aan-huis etc.). Hierdoor heeft het gebied de potentie als 'broedplaats' te fungeren voor kleinschalige economische initiatieven, die te klein zijn voor het werklandschap. De Structuurvisie Klavertje 4-gebied zet in op het beperkt uitbouwen van de gemengde functie in deze verwevingzones, bij voorkeur in vrijkomende (agrarische) bebouwing. Daarom biedt de Structuurvisie Klavertje 4-gebied ruimte aan ontwikkelingen in de volgende functionele categorieën: • •
verblijfsfuncties (woningen, bedrijfswoningen, extensieve verblijfsrecreatie); kleinschalige bedrijvigheid (bedrijf aan huis/in de linten);
•
extensieve (dag)recreatie;
•
grondgebonden agrarische bedrijven.
Kwaliteitsmenu Klavertje 4 In het kader van de uitvoering van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4 is als nadere uitwerking van het Strategisch Businessplan een aantal specifieke regelingen geformuleerd, waaronder het 'Kwaliteitsmenu Klavertje 4' als uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu. In de businesscase ligt de opdracht tot een inspanningsverplichting om gezamenlijk dekking te vinden voor de nog 'nietgedekte' delen van de kostenlocaties natuur- en landschapsontwikkeling. De kwalitatieve ontwerpprincipes uit het Landschapsplan resulteren in concrete maatregelen (onbebouwde zones ontwikkelingslocaties, inpassingsgroen, milieu- en duurzaamheidsmaatregelen). Door de maatregelen te kapitaliseren is het mogelijk de benodigde maatregelen te vergelijken met vergelijkbare ontwikkelingen in de desbetreffende gemeente waar het gemeentelijke kwaliteitskader op van toepassing is. De kosten van kwaliteitsmaatregelen in het Klavertje 4-gebied liggen in lijn met die van vergelijkbare ontwikkelingen buiten het Klavertje 4-gebied om rechtsongelijkheid te voorkomen. Het Kwaliteitsmenu Klavertje 4 biedt op deze wijze een fysieke bijdrage aan de uitvoering van de kostenlocaties natuur- en landschapsontwikkeling.
De te realiseren kwaliteitsbijdrage in verband met de realisatie van één extra woning/woonperceel binnen het verwevingsgebied is gelijk aan de kwaliteitsbijdrage die de gemeente Horst aan de Maas verlangt in het kader van het GKM zoals opgenomen in de (evaluatie van de) Structuurvisie Horst aan de Maas (2015). In deze Structuurvisie zijn de volgende voorwaarden opgenomen voor het realiseren van een woning in het buitengebied: 1. de locatie ligt in een lint, bebouwingscluster of aansluitend aan de rode contour. Lintbebouwing moet overigens altijd aansluiten op een kern; en 2. het minimale oppervlakte van het perceel dat de woonbestemming krijgt is 750 m²; en 3. de kwaliteitsbijdrage bedraagt € 140,- per m² (€ 100,- x factor 1,4); en 4. er dient een knelpunt ter waarde van € 60.000,-opgelost te worden.
Pagina | 23
In de structuurvisie zijn voor het bepalen van het af te dragen bedrag verschillende modules uitgewerkt. Het initiatief valt onder de module “toevoegen solitaire woning”. Hieruit volgt de volgende berekening:
Bij de minimale kavelmaat van 750 m² is de variabele kwaliteitsbijdrage 750 x €140,-
€ 105.000,-
Oplossen van een knelpunt
€ 60.000,-
Totaal
€ 165.000,-
De genoemde kwaliteitsbijdrage wordt vormgegeven door het omzetten van een viertal agrarische percelen in natuurgebied.
Afweging Dit plan voorziet in een nieuwe, vrijstaande, landelijke burgerwoning op een perceel dat intensief landelijk wordt ingepast. Een dergelijke wooninvulling binnen een verwevingszone past binnen de ontwikkelingsmogelijkheden voor dit gebied zoals opgenomen in de Structuurvisie Klavertje 4-gebied. Dit plan voorziet verder in de transformatie van 4 agrarische percelen naar natuurgebieden binnen het beekdallandschap. Binnen dit gebied staat versterking van natuur en landschap centraal. De gemeente Horst aan de Maas is akkoord met deze te realiseren kwaliteitsbijdrage.
3.5.3
Masterplan Wonen 2021-2025
De gemeenteraad heeft op 20 april 2021 het ‘Masterplan Wonen 2021-2025; voor iedereen iets te kiezen’ vastgesteld. Het Masterplan Wonen geeft een visie voor de komende 5 jaren. De woningmarkt in Horst aan de Maas staat onder druk en is onvoldoende in balans: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. Om deze balans het herstellen heeft de gemeente Horst aan de Maas de beleidsambitie om 1000 woningen tussen 2021 en 2025 te realiseren. Deze ambitie vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. In het Masterplan Wonen is een actieprogramma met 6 speerpunten opgenomen voor de realisatie van 1000 woningen in 5 jaar: 1.
Duidelijke kaders als basis voor mogelijkheden;
2.
Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang;
3.
Maatwerk per kern;
4.
Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen;
5.
Minder regels, snelle doorloop van processen;
6.
Participatie en communicatie.
Naast deze 6 speerpunten bevat het Masterplan ambities voor de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Het betreft hier de realisatie van een kwaliteitsverbetering gericht op het verduurzamen van de woningvoorraad en het geschikt maken van woningen voor (mantel)zorg. Tenslotte bevat het Masterplan Wonen belangrijke beleidsuitspraken over de realisatie van huisvesting in de gemeente Horst aan de Maas voor specifieke doelgroepen, zoals statushouders, begeleid wonen en internationale werknemers.
Pagina | 24
Afweging In casu wordt de nieuwe woning aan de Groothorstweg gebouwd naar eigen behoefte; de kopers van de kavel realiseren de woning geheel naar eigen wens en passend binnen de afspraken met de gemeente Horst aan de Maas, welke verder in de bouwregels van onderhavig bestemmingsplan zijn verwoord. Het project is derhalve niet strijdig met het Masterplan Wonen.
3.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de gevraagde ontwikkeling voldoet aan het nationaal beleid, provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid voor wat betreft de structuurvisie (zowel gemeentelijke als de door de gemeenteraad vastgestelde regionale structuurvisie).
Pagina | 25
HOOFDSTUK 4 PLANBESCHRIJVING
4.1
Bouwplan
4.1.1
Algemeen
De woningbouwlocatie is gelegen binnen een gat in het bebouwingslint langs de Groothorstweg. Dit bebouwingslint sluit aan bij een bebouwingscluster op de hoek Groothorstweg-Grubbenvorsterweg. De afstand tussen de zijgevels van de beide naastgelegen woningen aan de Groothorstweg 1a en 5 bedraagt ca. 50 meter. Het beoogde initiatief bestaat uit het toevoegen van 1 vrijstaande woning (met een carport) waarin naast het wonen – door de initiatiefnemers/bewoners een aan huis gebonden beroep in de vorm van een praktijk voor osteopatische behandelingen, coaching en analytische therapie zal worden uitgeoefend. Het beoogde woonperceel is met een omvang van 1433 m2 ruim genoeg voor een woonperceel voor een vrijstaande woning met carport in het buitengebied. 4.1.2
Architectuur, maatvoering en duurzaamheid
Het totale ontwerp bestaat in feite uit drie volumes. Het grootste volume met lessenaars dak voor de woonfunctie, een kleiner volume met lessenaars dak voor de praktijkruimte en een verbindend volume met plat dak waar het wonen overloopt richting de tuin en de achterzijde van het kavel. Door de volumes te verschuiven ten opzichte van elkaar ontstaan er rondom het ontwerp verschillende buitenplekken die privé, of aansluitend op de praktijkruimte, gebruikt kunnen worden. Op deze manier komt veel licht in de volumes en zicht van binnen naar buiten richting de tuin en de directe omgeving. De volumes vormen ondanks het verschuiven toch één geheel door de totale opstelling die qua vorm en functie in elkaar overloopt. De grotere volumes aan de voorzijde hebben hierbij een zelfde materiaal en type gevelindeling. Het verbindende volume heeft een meer bescheiden karakter qua hoogte en materiaalgebruik en zorgt ervoor dat het geheel rustig en in verhouding blijft. Bij dit ontwerp is gekozen om zoveel mogelijk natuurlijke materialen te gebruiken die passen bij het karakter van de omgeving in het buitengebied. Ook de hoofddraagconstructie is van hout en wordt geïsoleerd met een natuurlijk isolatiemateriaal. De initiatiefnemers zijn op dit moment doende om – in samenwerking met een architect – een definitief bouwplan te ontwikkelen.
Er is op dit moment een woningbouwontwerp in de DO (Definitief Ontwerp)-fase opgesteld. Zie verder hieronder diverse perspectieven en plattegronden van de beoogde woning.
Pagina | 26
Pagina | 27
4.1.3 Ontsluiting en parkeren De ontsluiting van de beoogde woning zal plaatsvinden via de Groothorstweg. De Groothorstweg is een rustige, erfontsluitingsweg in het buitengebied. De extra verkeersgeneratie door één extra woning is zeer beperkt en gaat volledig op in het bestaande verkeersbeeld op de Groothorstweg. De Groothorstweg heeft een wegprofiel dat geschikt is om het beperkte extra verkeersaanbod als gevolg van dit plan veilig te verwerken. Het bouwvoornemen heeft dan ook geen consequenties voor de wegenstructuur, wegprofielen en de verkeersveiligheid. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, hanteert de gemeente Horst aan de Maas de normering uit de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas (2019). Op basis van deze Nota hanteert de gemeente Horst aan de Maas een parkeernorm van: •
2 parkeerplaatsen per woonhuis
•
2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO kantoor, zonder baliefunctie.
Op grond van deze normering dienen er (afgerond) 5 parkeerplaatsen aanwezig te zijn op eigen terrein. Hieraan wordt voldaan. Het bouwplan voorziet in een 7 meter brede en 20 meter diepe privéoprit. Hierdoor is meer dan genoeg ruimte aanwezig om minimaal 2 auto’s naast elkaar te parkeren. Daarnaast wordt voorzien in 3 parkeerplaatsen ten behoeve van de praktijkuitoefening van de initiatiefnemers.
4.2
Landschappelijke inpassing
Voor het plangebied is er verder een voorlopig landschappelijk inpassingsplan c.q. tuinontwerp uitgewerkt dat aangeeft op welke wijze de woning landschappelijk ingepast wordt. Omzoming vormt een centraal uitgangspunt bij de gekozen landschappelijke inpassing. Omzoming zorgt voor inpassing in en aansluiting op het omringende cultuurlandschap .In het landschappelijk inpassingsplan wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht met de omgeving. Rondom de locaties zijn hagen en bosschages te vinden. Door het perceel groen te omzomen en aan de noordzijde een transparante erfafscheiding te creëren wordt de aansluiting gevonden met overige kavels in de straat en tevens een natuurlijke afscheiding gerealiseerd ten behoeve van privacy. In het landschappelijk inpassingsplan wordt ook nadrukkelijk vastgelegd dat de glazen pui in de rechterzijgevel op sta-en zithoogte wordt geblindeerd door toepassing van melkglas of gestraald glas. Verder zal de beoogde haag tussen het plangebied en het perceel Groothorstweg 5 direct op eindhoogte worden aangeplant. In de bestemmingsregels van het onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke bepaling opgenomen inhoudende dat de bouw en het gebruik van de woning gepaard moet gaan met de realisatie en instandhouding van een - door de gemeente Horst aan de Maas goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan c.q. het tuinontwerp.
Hiermee is de landschappelijk inpassing van het plangebied (woonperceel) juridisch afgedekt. Onderstaande afbeelding geeft het voorlopige landschaps-en tuinontwerp weer. Voor het volledige voorlopige landschappelijk inpassingsplan c.q. tuinontwerp wordt verwezen naar het plan dat als bijlage 1 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
Pm
4.3
Omzetting agrarische percelen in natuur
De gemeente Horst aan de Maas heeft bij brief van 2 december 2020 aangegeven te willen meewerken aan de realisatie van een extra woning onder – onder meer - de voorwaarde dat er een kwaliteitsbijdrage moet worden voldaan van € 165.000,-. De genoemde kwaliteitsbijdrage wordt vormgegeven door het omzetten van een viertal agrarische percelen in natuurgebied. Door middel van dit bestemmingsplan wordt planologisch-juridisch verzekerd dat – tegelijk met de nieuwe (extra) woonbestemming op de Groothorstweg 3, de 4 natuurcompensatielocaties worden herbestemd van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ in de bestemming ‘Natuur’. Deze locaties liggen in de beekzone van de Groote Molenbeek. Op de locaties wordt een natuurbestemming toegekend waarmee de betreffende percelen definitief aan de landbouw worden onttrokken en vervolgens als natuur worden ingericht. De inrichting zal bestaan uit extensief (kruidenrijk) grasland met landschapselementen zoals bosjes, elzensingels en poelen.
Pagina | 30
HOOFDSTUK 5 SECTORALE ASPECTEN
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt vanuit verschillende sectorale aspecten (o.a. milieu, veiligheid, water, natuur en archeologie) het initiatief getoetst of men zal voldoen aan de criteria van deze aspecten.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een woning. Voordat door middel van een omgevingsvergunning nieuwe functies mogelijk worden gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (hierna ook te noemen: onderzoekslocatie). Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium en lood. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium, kobalt en zink. De parameter nikkel overschrijd in zeer lichte mate de tussenwaarde. De metaalverontreinigingen in het grondwater zijn hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Dit gezien het ontbreken van een aanwijsbare (antropogene) bron voor verontreiniging en gelet op het ontbreken van nikkelverontreiniging in zowel de boven- en ondergrond. Uit een brief van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (nummer 95/36199V, d.d. 12 september 1995) blijkt dat, indien er geen lokale verontreinigingsbron voor een grondwaterverontreiniging aanwezig is en de gemiddeld hoogste grondwaterstand zich op meer dan 1 m -mv bevindt, er geen bezwaar bestaat voor een bouwaanvraag van deze aard. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.
Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Daarnaast wordt het afgeraden om het grondwater te gebruiken voor besproeiing van gewassen, veedrenking of consumptie. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 2 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
Pagina | 31
5.2.2
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) beschermt de volgende geluidsgevoelige objecten: •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen); geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen).
•
De Wgh stelt grenzen aan de toegelaten geluidsbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten als gevolg van wegen (wegverkeer), spoorwegen (railverkeer) en industrieterreinen (industrielawaai). In het kader van dit plan zijn alleen wegverkeerslawaai en spoorweglawaai van belang.
Wegverkeerslawaai Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De Groothorstweg en (een deel van) de Grubbenvorsterweg zijn buitenstedelijk gelegen, er geldt een maximumsnelheid van 60 km/u en hebben niet meer dan 2 rijstroken waardoor de zonebreedte max. 250 meter bedraagt. Het beoogde woongebouw is binnen deze zones gelegen. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in deze zones op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt voor een nieuw geluidsgevoelig gebouw binnen buitenstedelijk gebied 53 dB (art.83 lid 2 Wgh). De gemeente Horst aan de Maas heeft geen eigen geluidbeleid.
Spoorweglawaai De zones langs het spoor zijn afhankelijk van de vastgestelde geluidproductieplafonds (GPPwaarden) langs het spoor. In casu kent de spoorverbinding Venlo-Eindhoven ter hoogte van het plangebied een geluidzone van 600 meter. De van toepassing zijnde geluidzone van het spoor overlapt het plangebied. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 55 dB (art. 4.9, lid 1 Bgh). Onder bepaalde voorwaarden kunnen door het bevoegd gezag hogere waarden worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 68 dB (art. 4.10 Bgh).
Akoestisch onderzoek In het kader van deze procedure is conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plan overlapt. Er is een onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. In het onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het onderstaande toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woning. De praktijkruimte is vooralsnog gesitueerd aan de westzijde van de woning ter plaatse van de toetspunten 08 tot en met 10. Een praktijkruimte is geen geluidgevoelige ruimte. Om rekening te houden met wijzigingen in de indeling van de woning zijn op alle maatgevende gevels toetspunten gemodelleerd. Voor elke maatgevende zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal twee bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.2.
Pagina | 32
De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning als gevolg van het wegverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 48 dB als gevolg van het wegverkeer. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Als gevolg van de spoorweg treedt er wel een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. De berekende maximale geluidsbelasting vanwege de spoorweg op de beoogde woning bedraagt 57 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt niet overschreden.
Afweging geluidsreducerende maatregelen i.v.m. spoorweglawaai Voor de spoorweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de spoorweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Deze aanvraag is inmiddels ingediend. Voor de woning dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Uit een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels en de daken kan geconcludeerd worden dat de geluidwering van de buitenschil van de beoogde woning voldoet aan de eisen volgens het Bouwbesluit, indien de volgende bouwkundige voorzieningen worden uitgevoerd:
geluidwering buitenschil woning
Verder zal ventilatie van de woning moeten plaatsvinden door middel van het toepassen van de volgende zelfregelende roosters en suskasten: - Duco GlasMax 10-ZR met DneA = 33,7 dB(A), RqA = 5,7 dB(A) en C = 15,9 dm3/s per meter. Het aangevraagde bouwplan van de beoogde woning voldoet aan alle bovenstaande voorwaarden, zodat de hogere grenswaarde kan worden vastgesteld. Voor het volledige onderzoek naar weg- en verkeerslawaai alsmede voor het onderzoek naar de geluidwering van de buitenschil, wordt verwezen naar de rapporten die als bijlagen 3 en 4 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.
5.2.3
Luchtkwaliteit
Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Pagina | 33
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project is met één nieuwe woning dusdanig beperkt van omvang dat de conclusie kan worden getrokken dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Toetsing fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen De verkeersgeneratie van dit plan is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie en aangevuld met input van de initiatiefnemers. De gemeente Horst aan de Maas is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een weinig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘buitengebied’. De verkeersbewegingen toebehorend bij de praktijkruimte zijn bepaald aan de hand van het aantal bezoekers. De extra verkeersgeneratie van de woning en de praktijk voor osteopatische behandelingen, coaching en analytische therapie is bepaald op maximaal 58,6 (afgerond 59) verkeersbewegingen/weekdagetmaal, waarvan 2% middelzwaar vrachtverkeer. Voor het beoordelen van de verkeersaantrekkende werking in relatie tot het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), is de zogenaamde NIBM-tool ontwikkeld. Met deze tool wordt bepaald wat de maximaal mogelijke consequenties zijn voor de luchtkwaliteit als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan. In onderstaande tabel zijn de invoergegevens en resultaten van de NIBM-tool opgenomen.