03c Toelichting bp Maoleveld
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan Mäöleveld Sevenum NL.IMRO.1507.SNMAOLEVELD-BPV1
Bestemmingsplan ‘Mäöleveld te Sevenum’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Rapportnummer:
P05082
Idn nr.
NL.IMRO.1507.SNMAOLEVELD-BPV1
Datum:
2 juni 2025
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectteam BRO:
IMo, JEn
Trefwoorden:
Woningbouw, Mäöleveld, Sevenum , gemeente Horst aan de Maas
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 3
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 84 woningen in Mäöleveld te Sevenum (gemeente Horst aan de Maas).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 6 6 7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur
8 8 8
3.
BELEID 3.1 (Europees) en Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
11 12 13 13 17 18
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 3.2.5 Beleidsnota huisvesting internationale werknemers 3.3 Regionaal beleid
18 20 21 22 23
3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.4 Gemeentelijk beleid
23 25
3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 25 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 28 3.4.3 Welstandsnota 30 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 30 3.4.5 TAM-voorbereidingsbesluit gemeente Horst aan de Maas voorbeschermingsregels huisvesting internationale werknemers (23 april 2025) 31 3.5 Conclusie 31
4.
5.
PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten 4.3 Landschappelijke inpassing De Hees 10 4.4 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan, stedenbouwkundig ontwerp
32 32 33 35 36
SECTORALE ASPECTEN
Inhoudsopgave
37
1
5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten
37 37
5.2.1 Bodem 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie
37 39 42 45 47 50 54 58 61 61 66
5.6.1 Archeologie 5.6.2 Cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid
66 69 69 73 73
5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones
73 74 74
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
77 77 77 78
7.
JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels
80 80 80 80
7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels
80 81
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Ladderonderbouwing Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Notitie milieueffecten De Hees Bijlage 7: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8: Onderzoek geurhinder veehouderijen Bijlage 9: Advies veiligheidsregio Bijlage 10: Quickscan bedrijven en milieuzonering
Inhoudsopgave
2
Bijlage 11: Waterparagraaf Bijlage 12: Natuurtoets De Hees Bijlage 13: Quickscan flora en fauna Bijlage 14: Vervolgonderzoek steenuil Bijlage 15: Stikstofdepositie onderzoek Bijlage 16: Archeologisch onderzoek De Hees Bijlage 17: Archeologisch onderzoek Bijlage 18: Onderzoek verkeer en parkeren Bijlage 19: Verkennend bodemonderzoek de Hees 10 Bijlage 20: Selectiebesluit archeologie de Hees 10 Bijlage 21: Landschappelijke inpassing de Hees 10 Bijlage 22: Archeologisch onderzoek De Hees 10 Bijlage 23: Akoestisch onderzoek industrielawaai De Hees
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken in Mäöleveld te Sevenum. Het plangebied is gelegen aan de noordwestzijde van Sevenum. De volledige gebiedsontwikkeling ziet op de realisatie van maximaal 164 woonkavels. De ontwikkeling is opgesplitst in verschillende fases. Onderhavig bestemmingsplan betreft fase 1 en ziet op de realisatie van maximaal 84 woonkavels. Verder wordt de aanleg van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen en openbaar groen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de reeds gerealiseerde woning met schuur aan De Hees 10 meegenomen aangezien er ter plaatse geen geldende planologische grondslag ligt. De beoogde woningbouwontwikkeling, alsmede de diverse infrastructurele voorzieningen zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting. In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met een zone rondom de gronden waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan.
Daarvoor zijn 2 regelingen geïntroduceerd: 1. De gronden waar woningbouw gerealiseerd zullen worden zijn nu nog in gebruik als fruitteeltbedrijf. Met het overgangsrecht is het mogelijk het agrarisch gebruik (deels) voort te zetten. Op de woningbouwlocatie is daarom bepaald dat wonen pas is toegestaan als aangetoond is dat binnen 50 meter van de betreffende woningen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is gestopt. Bijvoorbeeld omdat de bedrijfsvoering beëindigd is en de woningbouwontwikkeling is gestart. 2. Omdat een deel van de gronden, waar momenteel fruitteelt plaatsvindt in fase 2 van de ontwikkeling van Mäöleveld pas zal worden ontwikkeld, moet een zone worden aangewezen over fase 2 waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Dit ter bescherming van de bewoners van de nieuwe woningen. Deze twee regelingen dragen er ook aan bij dat op een afstand van het perceel De Hees 10 geen gewasbeschermingsmiddelen meer gebruikt mogen worden. De aanvaardbaarheid van het wonen op deze gronden is daarmee zeker gesteld. Het bestemmingsplan voor de woningbouwontwikkeling heeft vanaf 1 juni 2023 als ontwerp ter inzage gelegen. Naar aanleiding van zienswijzen zijn De Hees 4 en De Hees 6 meegenomen in het plangebied, waarna het ontwerp opnieuw in procedure gebracht is. Deze adressen zijn opgenomen in het plan om twee redenen.
De eerste reden is het gelijk maken van de planologische mogelijkheden aan de milieukundige haalbare activiteiten op het perceel. De bedrijfsactiviteiten kunnen namelijk een effect hebben op de nieuwe woningen en visa
Hoofdstuk 1
4
versa. Door het bedrijfsperceel (De Hees 4) mee te nemen in dit bestemmingsplan, is het mogelijk om maatregelen te borgen om wederzijdse effecten te beperken tot een aanvaardbaar niveau. De tweede reden is het vastleggen van een afspraak van het college. De gemeente heeft het grootste gedeelte van de appelboomgaard tussen De Hees en de Molenveldweg gekocht van de ondernemer en eigenaar van de locatie De Hees 4. Bij de levering van de gronden heeft het college een inspanningsverplichting opgenomen om de internationale werknemers die op dit moment op De Hees 6 wonen, te verplaatsen naar de loods De Hees 4a. Op dit moment huisvest de ondernemer 15 internationale werknemers op De Hees 6. Daarnaast huisvest hij 16 internationale werknemers op De Hees 4a. De eigenaar wil de 15 internationale werknemers van De Hees 6 verplaatsen naar het adres De Hees 4a. In totaal worden de 31 internationale werknemers met behulp van dit bestemmingsplan op De Hees 4a gevestigd. De inspanningsverplichting ziet er op toe dat de gemeente deze mogelijkheid planologisch borgt in een ruimtelijk besluit. Dit bestemmingsplan is zo'n ruimtelijk besluit. Omdat de huisvesting van internationale werknemers verplaatst wordt van De Hees 6 naar De Hees 4a is het nodig beide percelen aan het bestemmingsplan voor het Mäöleveld toe te voegen.
Zo kan op de ene plaats de mogelijkheid worden opgenomen 15 arbeidsmigranten toe te voegen en op de andere locatie de mogelijkheid 15 arbeidsmigranten onder te brengen juist weg te nemen. Er is tevens een planologische samenhang tussen De Hees 4 en De Hees 6 vanwege een verplichting tot realiseren en in stand houden van een landschappelijke inpassing (deels) op De Hees 6 vanwege een ontwikkeling op De Hees 4a. Vanwege deze afhankelijkheid is het nodig dat de percelen in hetzelfde bestemmingsplan zijn ondergebracht.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Hoofdstuk 1
5
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern van Sevenum. De locatie is deels gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het overige gedeelte valt binnen de kern van Sevenum. De gronden staan kadastraal bekend als Sevenum G, nummers: 2315, 3349 gedeeltelijk, 4126 gedeeltelijk, 4153, 4284, 4285, 4451, 4522, 4561, 4571, 4574, 4578, 4580, 4582, 4583, en gedeeltelijk Sevenum R 90, 94, 669. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5 hectare.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ Het plangebied valt gedeeltelijk onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, vastgesteld op 19 december 2017 en de daarop volgende partiële herziening uit 2020 (Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020). Het plangebied heeft daarin de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn in hoofzaak bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – velden’ aanwezig binnen het plangebied. Het beoogde gebruik van de gronden binnen het plangebied voor woondoeleinden, alsmede de realisatie van diverse infrastructurele ontwikkelingen (en ondergeschikte functies) is derhalve niet rechtstreeks toegestaan.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' met ligging plangebied exclusief spuitzone (rood omlijnd)
Beheersverordening ‘Kernen Sevenum’ Het overige gedeelte van het plangebied valt binnen de werking van beheersverordening ‘Kernen Sevenum’, vastgesteld op 4 juni 2016. Het gedeelte dat onder de werking van deze beheersverordening valt, is bestemd tot ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ en ‘Wonen’.
Hoofdstuk 1
6
Figuur 1.3: Uitsnede vigerende beheersverordening 'Kernen Sevenum’ met ligging plangebied exclusief spuitzone (rood omlijnd)
Paraplubestemmingsplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021 Naast de beheersverordening is voor de gronden ook het paraplubestemmingsplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021 relevant. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 januari 2020 en regelt de mogelijkheid internationale werknemers te huisvesten. De vigerende beheersverordening en het vigerende bestemmingsplan laten het initiatief niet toe en er zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.
1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Ruimtelijke structuur De locatie ligt aan de rand van het dorp, op de overgang naar het buitengebied. Ten oosten grenst het plangebied aan Sevenum. Het plangebied grenst op veel plaatsen aan particuliere tuinen. De randen zijn op verschillende manieren vormgegeven: hagen, sloten, bosschages met bomen, gaashekwerken en kleinschalige erfbebouwing. Ten westen grenst het plangebied aan het buitengebied. Het plangebied grenst aan twee zijden aan bestaande ontsluitingsstructuren: de Molenveldweg aan de noordzijde en De Hees aan de zuidzijde. Ten westen ligt de watergang Sevenumse Molenveld.
2.2 Functionele structuur Onderhavig plangebied grenst aan de kern van Sevenum. Sevenum is gelegen ten zuiden van de kern Horst en ten noordwesten van Venlo. In de nabijheid bevinden zich een aantal natuurgebieden: Steegberg in het zuidwesten, De Heesbeemden in het noordwesten en het recent omgevormde Blakterbeekpark ten noorden van de locatie.
Figuur 2.1: Luchtfoto met ligging plangebied exclusief spuitzone (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.2: Zicht op het plangebied vanuit De Hees (Google Streetview 2021)
In de huidige situatie bestaat het plangebied ter plaatse van de beoogde woonwijk hoofdzakelijk uit percelen ten behoeve van de fruitteelt. Ter plaatse van de ontwikkellocatie zijn er geen gebouwen aanwezig. De Hees 4 is het agrarisch bouwperceel behorende bij de fruitteelt ter plaatse van het ontwikkelgebied. Op het perceel De Hees 4 zijn enkele bedrijfsgebouwen aanwezig, alsmede een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken. De woning staat in het lint en de bedrijfsgebouwen zijn enigszins teruggelegen gebouwd ten opzichte van de woning. De Hees 6 betreft een woonperceel. Het hoofdgebouw is een reguliere woning met een bijgebouw die geschikt zijn gemaakt voor bewoning door internationale werknemers (totaal maximaal 15).
Figuur 2.3: Luchtfoto De Hees 4 en De Hees 6
Hoofdstuk 2
9
De Hees 4a is gelegen achter De Hees 4. Het betreft een grote schuur, bedoeld voor de opslag van appels uit de boomgaard. Aangezien de boomgaard achter De Hees wordt beëindigd, is er minder ruimte voor opslag nodig. In een deel van de schuur zijn nu al internationale werknemers gehuisvest (totaal maximaal 16). Ter plaatse van De Hees 6 en De Hees 4a dient er landschappelijke inpassing te worden aangebracht en dient dit in stand te worden gehouden. Ter plaatse van De Hees 6 is de landschappelijke inpassing in ontwikkeling. De landschappelijke inpassing ter plaatse van De Hees 4a, is benodigd vanwege de bouw en het in gebruik nemen van de loods. Ook wordt de bestaande situatie ter plaatse van De Hees 10 meegenomen. Op deze locatie is zijn er een bestaande woning en schuur aanwezig. Daarnaast is er eerder voor het plan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld vanwege de ontwikkeling, deze landschappelijke inpassing is net als de bebouwing ook gerealiseerd.
Figuur 2.4: Bestaande woning De Hees 10
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEID
In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op diverse relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder de Structuurvisie Horst aan de Maas. Onderhavig planvoornemen valt op basis van het overgangsrecht nog onder de Wro. Derhalve wordt er in onderhavig hoofdstuk nog gebruik gemaakt van het beleid onder de Wro. Bij een vergunningsaanvraag op basis van onderhavig bestemmingsplan zal er wel gebruik worden gemaakt van de regelgeving en het beleid onder de Omgevingswet.
3.1 (Europees) en Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Hoofdstuk 3
11
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15.
Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Onderhavige ontwikkeling is dermate kleinschalig dat geen nationale belangen in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen.
Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Hoofdstuk 3
12
Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een be-
1
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)
Hoofdstuk 3
13
schrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van maximaal 84 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak 2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Bij het voorliggende initiatief wordt deze ondergrens ruimschoots overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist. Door BRO is een laddertoets3 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage (bijlage 3) bij onderhavige toelichting toegevoegd. In de ladderonderbouwing is uitgegaan van het volledige ontwikkelingsgebied.
Passend binnen beleidskader Het planinitiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, provincie, regio en gemeente: Provinciaal, regionaal en gemeentelijk wordt benadrukt dat doorstroming van belang is om een toekomstbestendige woningmarkt te creëren met voldoende woningen van de juiste kwaliteit. Het initiatief ’t Mäöleveld creëert mogelijkheden voor doorstroming en het maken van wooncarrière door een gevarieerd woningbouwprogramma te realiseren, zowel qua segmenten (sociale huur, vrije sector huur, koop) als woningtypen (vrijstaand, twee-onderéén-kap, rijwoningen, erfwoningen, woonschuur). Een deel van de beoogde woningen is bovendien levensloopbestendig. De woonomgeving is minstens zo belangrijk als de woning, zo noemt het provinciaal beleid. In het plan is nadrukkelijk aandacht voor groen, wat ten gunste komt aan de privacy van bestaande en nieuwe woningen, maar ook een positieve bijdrage levert aan ambities op het gebied van gezondheid (ruimte voor ommetjes, spelen) en duurzaamheid (waterberging). Sevenum heeft een bovenlokaal voorzieningenniveau, waar wordt gebouwd voor de eigen woningbehoefte. Het plan ’t Mäöleveld levert hier een bijdrage aan. Het streven van de gemeente is om 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop in diverse prijscategorieën te realiseren.
Het initiatief zet in op een verhouding van 30/10/60, daarmee worden er relatief gezien meer koopwoningen dan vrije sector huurwoningen gerealiseerd. In het Masterplan Wonen 2021-2025 is vastgelegd dat de gemeente bouwt naar behoefte. Deze behoefte wordt momenteel uitgewerkt in de Dorpsplannen Wonen. Voor Sevenum blijkt uit diverse data, een enquête onder inwoners en een dorpsgesprek een behoefte van 30% sociale huur, 10-20% vrije sector huur en 50-60% markthuur. Tot slot geldt dat woningbouw zoveel mogelijk plaats vindt binnen of direct aansluitend aan het bestaande dorpsgebied. Hiervan is sprake bij het initiatief. De locatie van ’t Mäöleveld ligt aan de rand van het dorp op de overgang van het buitengebied (zie paragraaf 2.3 voor een uitgebreide toelichting).
2 3
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017. BRO, “Ladder voor Duurzame verstedelijking ‘t Mäöleveld te Sevenum”, projectnr.: P05082, d.d. 7 juli 2022.
Hoofdstuk 3
14
Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 164 (149 + 10%) woningen voorziet nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte: De regio Noord-Limburg vindt het van belang dat de plancapaciteit in lijn is met de huishoudensprognose, zodat er wordt gebouwd naar de reële behoefte. Het aantal huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas neemt tot 2031 toe met ruim 1.400, een stijging van circa 7,7%. De aanzienlijke behoefte in de gemeente Horst aan de Maas wordt onderschreven in het gemeentelijke Masterplan Wonen. Daarin wordt alleen al tot 2025 ingezet op de vergunning van circa 1.000 extra woningen. Het aantal huishoudens neemt relatief meer toe dan het inwonertal, wat betekent dat de gemiddelde omvang van huishoudens de komende jaren afneemt. Dit sluit aan bij de landelijke trends van individualisering en vergrijzing (toename van een- en tweepersoonshuishoudens). De huishoudensontwikkeling geeft een reëel beeld van de woningbehoefte. Wanneer de actuele woningbehoefte (rekening houdend met opgeleverde woningen in 2021) wordt afgezet tegen de bestaande harde plancapaciteit blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas onvoldoende harde plancapaciteit is om in de behoefte te voorzien. 4 Afgezet tegen de harde plancapaciteit is er behoefte (ruimte) aan ruim 900 woningen op gemeenteniveau, waarbij er nog ruimte is voor 218 woningen in de kern Sevenum.
Oftewel: er is voldoende planologische ruimte om maximaal 164 woningen toe te voegen. Het beeld in de woonregio’s Venlo en Venray is vergelijkbaar. Afgezet tegen de harde plancapaciteit bestaat behoefte aan circa 2.350 extra woningen. Kwalitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling ’t Mäöleveld , waarbij verschillende woningtypen worden gerealiseerd in de verhouding 30% sociale huur, 7% vrije sector huur en 63% koop, voorziet in een kwalitatieve behoefte: Door de demografische ontwikkeling is in heel Noord- Limburg nadrukkelijk behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Daarbij kan gedacht worden aan grondgebonden levensloopbestendige woningen (seniorenwoningen), maar ook aan gestapelde levensloopbestendige woningen (appartementen met lift). Op de korte termijn is nog altijd sprake van behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zoals rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Te meer omdat dit de gewenste doorstroom op de woningmarkt bevordert. Deze vraag komt met name van jonge huishoudens en gezinnen, die naar verwachting tot 2030 blijven toenemen. Bovendien is ook een deel van de groeiende groep ouderen nog vitaal en wil graag in een reguliere grondgebonden woning blijven wonen. Met de realisatie van grondgebonden woningen in diverse prijsklassen voorziet het initiatief in deze behoefte. Ook de woningbehoefte onder starters is groot.
Starters hebben vaak beperkte financiële middelen. De behoefte onder starters varieert van huur- en koopwoningen in het goedkope tot middeldure segment. Een andere manier om de woningmarkt voor starters toegankelijker te maken is om de doorstroom te bevorderen. Dit betekent het toevoegen van woningen voor ouderen of gezinnen, zodat deze kunnen doorstromen en plek vrijmaken voor starters. Het initiatief draagt hier aan bij door vrijstaande woningen, tweekappers, rijwoningen (al dan niet levensloopbestendig), erfwoningen en woonschuren te realiseren.
4
Fasering projecten d.d. januari 2022, ontvangen via de Gemeente Horst aan de Maas.
Hoofdstuk 3
15
De positie van ‘middeninkomens’ op de woningmarkt staat landelijk onder druk, zo ook in de gemeente Horst aan de Maas. Deze groep is nu veelal aangewezen op de vrije huursector. Om de positie van middeninkomens te verbeteren zijn veel meer betaalbare woningen nodig, zowel huur als koop. Aan deze behoefte kan invulling worden gegeven door de toevoeging van huur en koopwoningen in het middeldure segment. 7% van de beoogde woningen in het initiatief worden in de vrije sector huur gerealiseerd, 63% in de koopsector. Het is aannemelijk dat een deel hiervan in het middeldure segment zal vallen. Daarnaast wordt 30% van het beoogde programma sociale huur. Specifiek voor de kern Sevenum geldt dat er vraag ontstaat naar nultredenwoningen in het koop- en vrije sector huursegment. Ook is er een vraag naar reguliere grondgebonden (huur)woningen mede doordat ouderen vitaal zijn en er een lichte groei is onder de groep jongeren huishoudens. Deze woningen maken onderdeel uit van het initiatief ’t Mäöleveld , waarmee het initiatief voorziet in een kwalitatieve behoefte.
Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van maximaal 164 woningen bij ’t Mäöleveld onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte in de gemeente en ook specifiek de kern Sevenum is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Bovendien heeft een gezonde woningmarkt 2 procent leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving5. De gemeente Horst aan de Maas had in 2021 een woningleegstand van 2%. Dit sluit aan op de benodigde frictieleegstand van 2% zoals de provincie Limburg die benoemt. Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied ligt binnen twee bestemmingsplannen.
Het oostelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' (vastgesteld 1912-2017). Hierin is het gebied bestemd tot 'Agrarisch met waarden’. Daarnaast ligt op de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – velden’. Het westelijke deel van het plangebied valt binnen de beheersverordening ‘Kernen Sevenum’ (vastgesteld 04-06-2016). Het plangebied is daarin bestemd tot 'Agrarisch’. Locatie ’t Mäöleveld ligt aan de westzijde van de kern Sevenum, aan de rand van het dorp en op de overgang naar het buitengebied. Het plan wordt aan drie zijden ingesloten door de bestemming ‘Wonen’, namelijk ten noorden, westen en zuiden. De locatie kan in de toekomst een verbindende schakel zijn tussen natuurgebieden in de omgeving voor zowel het groen, de langzaamverkeerroutes als de waterstructuur. Het plangebied biedt de meest geschikte mogelijkheid om te voldoen in de woningbehoefte in Sevenum, omdat er fysiek ruimte is voor een grote hoeveelheid woningen en deze locatie al grotendeels ingesloten wordt door woningbouw. Andere locaties waar woningbouw fysiek mogelijk zou zijn, bevinden zich ook buiten het bestaand stedelijk gebied. 5
https://vastgoedactueel.nl/in-veel-gemeenten-nauwelijks-langdurige-woningleegstand/
Hoofdstuk 3
16
Gelet op de huidige ruimtelijke structuren, bebouwing rondom het plangebied en alternatieve bouwmogelijkheden binnen de kern Sevenum, wordt geconcludeerd dat er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Hoewel de planlocatie officieel niet binnen bestaand stedelijk gebied ligt, wordt de locatie deels omringd door bestaande stedelijke functies wat de keuze voor deze locatie toch geschikt maakt. Dit sluit aan bij het beleid van de gemeente Horst aan de Maas om zoveel mogelijk aansluitend op bestaande dorpen te bouwen.
De verplaatsing van de 15 arbeidsmigranten van De Hees 6 naar De Hees 4a betreft geen stedelijke ontwikkeling. Het initiatief ziet op het verplaatsen van internationale werknemers naar een reeds bestaande locatie. Het aantal werknemers blijft hierin gelijk. Er is daarmee voldaan aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.
Hoofdstuk 3
17
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.2.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’.
Hoofdstuk 3
18
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.
Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit.
Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 84 nieuwe woningen (fase 1) op gronden die direct grenzen aan de kern van Sevenum. Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad (in diverse woningbouwsegmenten), waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt. Het initiatief ’t Mäöleveld creëert mogelijkheden voor doorstroming en het maken van wooncarrière door een gevarieerd woningbouwprogramma te realiseren, zowel qua segmenten (sociale huur, vrije sector huur, koop) als woningtypen (vrijstaand, twee-onder-één-kap, rijwoningen, erfwoningen, woonschuur). Een deel van de beoogde woningen is bovendien levensloopbestendig. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.2.4.) en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-
Hoofdstuk 3
19
Limburg 2020-2024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. De woning aan De Hees 10 past binnen het beleid omdat de woning een voormalig gat in een lint opvult in de kernrandzone van het centrumdorp Sevenum. Het oprichten van deze woning past binnen het provinciale beleid, althans is niet strijdig met de provinciale ambities in ruime zin, mits hier een ruimtelijke kwaliteitsverbetering (kwaliteitsbijdrage) tegenover staat. De kwaliteitsbijdrage heeft in financiële zin plaatsgevonden. Daarnaast is de woning landschappelijk ingepast conform het landschappelijk inpassingsplan De Hees 10. Het planvoornemen ter plaatse van De Hees 4 en De Hees 6 voorziet niet in een plan dat de omgevingsvisie van de provincie raakt. Het plan staat de kaders van de visie niet in de weg en op grond van de omgevingsvisie zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen.
De inwerkingtreding heeft plaatsgevonden 1 januari 2024, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnor-men voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevings-plan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg.
De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5;
Hoofdstuk 3
20
e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Conform artikel 12.1.7. Huisvesting internationale werknemers moet de huisvesting voldoen aan de SNF-normen. Het stuurt voor dit onderwerp inhoudelijk de belangenafweging die de gemeente moet maken bij het opstellen van een bestemmingsplan. Het gebruik van de constructie ‘rekening houden met ‘ brengt het belang van integrale belangafweging tot uitdrukking, zonder de uitkomst te sturen. Afwijken van de instructieregel is toegestaan als het college of de gemeenteraad daar goede redenen voor heeft en de afwijking van SNF in AKF goed kan motiveren. Afweging In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 welke wordt behandeld onder paragraaf 3.4. Bovendien wordt met de bouw van de woningen spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Tot slot wordt het initiatief opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg.
Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen met de woningbouw. Ten aanzien van het initiatief aan De Hees 10, De Hees 4 en De Hees 6 vormt de Omgevingsverordening Limburg 2021 tevens geen belemmering. 3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied.
Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.4.1.
Hoofdstuk 3
21
3.2.5 Beleidsnota huisvesting internationale werknemers De provincie Limburg heeft samen met de gemeenten in de regio Noord-Limburg in 2016 (nieuw) ruimtelijk beleid voor de huisvesting van internationale werknemers gemaakt. De beleidsnotitie kent een aantal algemene uitgangspunten: Als algemeen uitgangspunt geldt het provinciale beleid zoals verwoord in het Provinciaal Omgevingsplan 2014. Voor alle huisvestingsvormen geldt als basisvereiste dat tenminste wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Het is wenselijk dat bij plannen voor huisvesting van internationale werknemers ook een huisvestingsnorm gehanteerd wordt, zoals de uniforme huisvestingsnorm geformuleerd door Stichting Normering Flexwerken. Met betrekking tot het beheer van huisvestingslocaties dienen afspraken gemaakt en geborgd te worden tussen de gemeente en verhuurder. Huisvesting van internationale werknemers moet zoveel mogelijk plaatsvinden in of nabij bestaand bebouwd gebied van steden of dorpen. Nieuwbouw buiten de reguliere woningvoorraad ten behoeve van de huisvesting van internationale werknemers is uitgesloten, tenzij het gaat om transformatie van bestaande bebouwing (sloop en vervolgens nieuwbouw op dezelfde plek). Huisvesting op recreatieterreinen is conform Omgevingsverordening Limburg 2014 niet toegestaan.
Uitzondering hierop is huisvesting van internationale werknemers voor de duur van maximaal 10 jaar op óf te saneren recreatieterreinen óf te revitaliseren recreatieterreinen. Dit is tijdelijk mogelijk onder voorwaarde dat een deel van de inkomsten wordt gebruikt om de sanering of revitalisering te bekostigen. Deze voorwaarde is geborgd in Omgevingsverordening Limburg 2014. Afweging De huisvesting van internationale werknemers vindt momenteel plaats aan De Hees 4 en De Hees 6. Dit bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een van de huisvestingslocatie naar een reeds bestaande locatie mogelijk. De gemeente heeft de appelboomgaard tussen De Hees en de Molenveldweg gekocht van de eigenaar van De Hees 4. Tijdens deze verkoop zijn er tussen de eigenaar en de gemeente afspraken gemaakt over de verplaatsing van een huisvestingslocatie aan De Hees 6 naar het adres De Hees 4a, waar reeds internationale werknemers worden gehuisvest. Dit is vastgelegd in de leveringsakte van de grond. Het college heeft een inspanningsverplichting om opvolging te geven aan deze afspraak via het publiekrechtelijk spoor in een ruimtelijk besluit, zijnde dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 3
22
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.
Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type)
Hoofdstuk 3
23
geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren.
In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.
3.1 Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
Hoofdstuk 3
24
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 84 nieuwe woningen (fase 1) mogelijk gemaakt aan de rand van de kern Sevenum. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.
Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied.
Hoofdstuk 3
25
Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a.