CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting

Gemeenteraad 23 februari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Venrayseweg 134b te Horst.15.613 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bij woningbouw valt een ontwikkeling onder de regeling NIBM als er minder dan 1.500 woningen worden gebouwd bij één ontsluitingsweg. Omdat het hier de ontwikkeling van één nieuwe bedrijfslocatie betreft, kan op basis van dit gegeven geconcludeerd worden dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 30

5.2.4

Geluid en Trillingen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Diverse wegen in en om het plangebied zijn zone plichtige wegen in het kader van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat bij het oprichten van een gevoelige bestemming binnen de zone altijd een akoestisch onderzoek is vereist. Het bedrijventerrein Venrayseweg betreft geen gezoneerd industrieterrein op basis van de Wet geluidhinder. Ook zijn geen spoorwegen of luchthavens in of in de directe nabijheid van het bedrijventerrein aanwezig. Het planvoornemen strekt niet rechtstreeks tot het realiseren van of wijzigen van geluidbronnen, noch tot het realiseren van potentieel geluidgevoelige objecten of gebieden. Het aantal burger- en bedrijfswoningen neemt niet toe. Ter plaatse van Venrayseweg 134b wijzigt de bestemming van agrarisch naar bedrijventerrein. Echter de afstand tot burgerwoningen wijzigt niet. Ook wordt met dit plan géén bedrijf mogelijk gemaakt dat meer hinder veroorzaakt. Een akoestisch onderzoek is daarom momenteel niet noodzakelijk. Voor de vestiging van een bedrijf op deze locatie is in de toekomst een omgevingsvergunning nodig. Afhankelijk van de toekomstige invulling kan een akoestisch onderzoek deel uit maken van deze procedure. 5.2.5

Milieuzonering/ Bedrijvigheid

De handreiking Bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke inrichting. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De handreiking Bedrijven en milieuzonering is ingrijpend herzien in 2007 en in 2009 licht gewijzigd. De belangrijkste toepassing van de handreiking Bedrijven en milieuzonering is het gebruik bij het opstellen van een bestemmingsplan met bedrijfsbestemmingen. Niet alle soorten bedrijven zijn geschikt voor alle bedrijventerreinen. Sommige terreinen zijn alleen geschikt voor lichte bedrijvigheid. Op andere terreinen kan juist de zware industrie een plek vinden. De handreiking onderscheid 6 milieucategorieën: van heel licht (milieucategorie 1) tot heel zwaar (milieucategorie 6). In de handreiking is een lijst opgenomen met ruim 600 verschillende typen bedrijvigheid, elk met een eigen milieucategorie. Deze lijst kan in het bestemmingsplan vertaald worden naar een Staat van bedrijfsactiviteiten, die aan de regels van het bestemmingsplan kan worden gevoegd. In bijlage 4 van de handreiking is een lijst opgenomen met typen bedrijven die, onder voorwaarden, geschikt zijn voor gebieden met functiemenging (met onder meer bedrijven en woningen bij elkaar in één gebied).

Deze lijst kan worden gebruikt voor het samenstellen van een Staat van bedrijfsactiviteiten bij de regels van een bestemmingsplan voor een gebied met functiemenging. De handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt daarnaast gebruikt voor: a. locatiekeuze studies voor bedrijven, bedrijventerreinen en woningen nabij bedrijven b. de ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijven en bedrijventerreinen c. de toetsing van concrete (bedrijfs)activiteiten in het kader van vrijstellingen van het bestemmingsplan. In de handreiking zijn al deze toepassingen in concrete praktijkgerichte stappenplannen uitgewerkt.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 31

In de huidige, in het verleden ontstane situatie is sprake van de invulling van het bedrijventerrein overeenkomstig de toegelaten categorie 2- en 3-bedrijven (3.1 en 3.2). Bedrijven uit categorie 4 (4.1 en 4.2) zijn via een afwijkingsprocedure toegestaan. Bedrijven uit categorie 5 en hoger (5.1, 5.2 en 6) zijn niet toegestaan. Probleemsituaties rond bedrijfswoningen doen zich nu niet voor. De nabij het plangebied aanwezige bedrijfswoningen Venrayseweg 130 en 134 en de in de directe omgeving aanwezige (burger)woningen brengen mogelijk beperkingen met zich mee voor de toe te laten bedrijfscategorieën. Voor bestaande bedrijfswoningen wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in de directe omgeving bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 algemeen zijn toegestaan. Voor bedrijfsactiviteiten uit hogere categorieën mogen de richtafstanden ten opzichte van bedrijfswoningen met één afstandstap verlaagd. Voor de onderhavige locatie geldt dat bedrijven uit categorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten zondermeer kunnen worden toegelaten. Toetsing aan de milieucriteria vormt geen belemmering voor vestiging. Bedrijven uit categorie 3.1 kunnen in principe op 50 m van burgerwoningen worden toegelaten bij zuivere woongebieden.

In gemengde gebieden, waartoe de verspreide woningen aan de Venrayseweg gerekend mogen worden, kunnen bedrijven uit categorie 3.1 worden toegelaten op 30 m van burgerwoningen. De afstand van burgerwoningen tot de bedrijven binnen het plangebied bedraagt minder dan 30 meter. Daarom vormt dit een belemmering voor het rechtstreeks toelaten van bedrijven uit de categorie 3.1 en hoger. Bedrijven uit categorie 3 en 4 zijn alleen toegelaten via een afwijkingsprocedure. De vigerende regels (art. 4.1.a en 4.5.1) wordt hierop aangepast, zie ook paragraaf 7.3. De gewenste wijziging van het bestemmingsplan zal geen afbreuk doen aan een goed woon- en leefklimaat in de omgeving.

5.3

Geurhinder agrarische bedrijven.

In de Wet geurhinder veehouderijen zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde ‘omgekeerde werking’). In de omgeving van de nieuwe bestemming “bedrijventerrein” zijn agrarische bedrijven gevestigd. Ter plaatse van deze nieuwe bedrijfsbestemming zullen werknemers aanwezig zijn. Daarom wordt deze locatie gezien als een geurgevoelig object. Onderzocht dient te worden of bij de bestemmingsplanwijziging, met het oog op de geuremissie van de veehouderij(en), belemmeringen bestaan. Op korte afstand de locatie zijn de volgende veehouderijen gelegen: Naam

Locatie

Varkenshouderij Ashorst BV, Varkenshouderij Veho BV, Pluimveehouderij,

Veld Oostenrijk 50 Venrayseweg 145 Venrayseweg 145A

Afstand tot bouwvlak 181 m. 72 m. 50 m.

Tabel 1. Afstanden bouwvlak tot nabij gelegen veehouderij

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 32

Minimale afstand Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van dierenverblijf voor het huisvesten van dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) minimaal; • 100 meter indien het geurgevoelig object in de bebouwde kom is gelegen en • 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Er wordt voldaan aan de minimale afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Woon en leefklimaat Om medewerking te kunnen verlenen aan het onderhavige planvoornemen dient ook het woon- en leefklimaat te worden beoordeeld. Er mag zogezegd geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het woon- en leefmilieu binnen en buiten het plangebied. Het planvoornemen maakt het mogelijk om bedrijven van categorie 1 en 2 binnen het plangebied te vestigen. Dit is overeenkomstig de huidige activiteiten binnen het plangebied. De gevraagde wijziging heeft geen gevolgen voor het woon en leefklimaat buiten het plangebied. Om de gevolgen voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied in beeld te brengen is een cumulatieve geurberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in Tabel 2

Afbeelding 10, Luchtfoto met receptorpunten

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 33

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 200594 388123 35 43.461 2 200568 388224 35 42.755 3 200660 388176 35 32.179 4 200729 388216 35 25.898 Tabel 2, Cumulatieve geurbelasting

Zoals uit de cumulatieve geurberekening blijkt is de geurbelasting binnen de locatie op 3 punten te hoog. Op basis van de milieukwaliteitseisen voor het concentratiegebied wordt de Milieukwaliteit aangemerkt als slecht (28-38) tot zeer slecht (38-50). Het bevoegd gezag dient af te wegen of het aangetoonde woon- en leefklimaat aanvaardbaar wordt geacht voor de geurgevoelige bestemmingen binnen het bedrijventerrein. Hierbij kan overwogen worden dat een bedrijfsgebouw weliswaar als geurgevoelig object beschouwd dient te worden, maar dat een dergelijk object ook binnen de vigerende bestemming opgericht kan worden. De Gemeente Horst aan de Maas neemt het huidige woon- en leefklimaat als uitgangspunt omdat de toekomstige, evenals de huidige bewoner en/of gebruiker bewust heeft gekozen of kiest voor de betrokken situatie welke ook voor de toekomst moet worden geborgd. De huidige en toekomstige eigenaren hebben gekozen of kiezen er bewust voor om dicht bij een agrarisch veehouderij te wonen. Er mag ervan worden uitgegaan dat het woon- en leefklimaat ten tijde van de koop door een nieuwe eigenaar wordt geaccepteerd en dus als aanvaardbaar wordt beschouwd. Een verhoogde belasting is daarmee niet uitgesloten. Omgekeerde werking; Binnen het plangebied is een bestaande bedrijfswoning.

De afstand tussen deze woning en de nabijgelegen veehouderijbedrijven is maatgevend voor het bepalen van de uitbreidingsmogelijkheden voor deze veehouderijgen. De bestaande woningen die liggen tussen de veehouderijen en het plangebied, en de woning binnen het plangebied, vormen reeds de grootste beperking voor eventuele toekomstige uitbreidingen van de veehouderijen. De veehouderijen in de nabijheid (Venrayseweg 145, en 145a en Veld Oostenrijk 50) van het plangebied worden door het wijzigingsplan niet onevenredig in hun belangen geschaad.

5.4 5.4.1

Waterparagraaf Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen

Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’. In dit gebied komt een kleilaag (Kiezeloöliet Klei) voor die niet doorboort mag worden in verband met de bescherming van de grondwatervoorraden. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 34

5.4.2

Waterhuishoudkundige situatie

Het plangebied is gelegen op een hoogte van ongeveer 22 m boven NAP. Ter plaatse is sprake van grondwatertrap III, V, VI en VII, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand is gelegen op minder dan 40 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand is gelegen op meer dan 80 cm beneden maaiveld. De bodemsoort behoort tot de Podsolgronden en Eerdgronden Door het plangebied loopt de Hendrikse Loop. Door het Waterschap is deze loop aangeduid als secundair of primair oppervlaktewater. Binnen het plangebied hebben een aantal bedrijven op de achterzijde van hun perceel een waterberging c.q. infiltratievoorziening. Op het bedrijventerrein Venrayseweg ligt drukriolering. Hierop mag enkel huishoudelijk afvalwater worden geloosd. Hemelwater dient ter plaatse, op het eigen perceel, te worden geïnfiltreerd. 5.4.3

Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten

In het kader van het vigerende bestemmingsplan is voor onderhavige locatie een Landschapsinpassingsplan opgesteld. De omvang van de bebouwingsmogelijkheden zijn in overeenstemming met dat wijzigingsplan. Het opgevangen hemelwater wordt verzameld in een infiltratievijver binnen het plangebied waar het vervolgens infiltreert in de bodem.

5.5 5.5.1

Externe veiligheid Algemeen

Een van de aandachtspunten bij het ontwikkelen van een plan waar mensen verblijven, zoals de voorgenomen ontwikkeling, zijn de externe veiligheidsrisico’s vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Bepaald dient te worden of het vervoer van gevaarlijke stoffen consequenties kan hebben voor de gewenste ontwikkeling. De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de gewijzigde Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze wet vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico’s: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het Basisnet is de maximale omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. In de Regeling basisnet is opgenomen waar risicoplafonds leggen langs transprotroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transprot van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Overeenkomstig het Bevt en de HART hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, dient een berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de hoogte van het groepsrisico.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 35

Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transprotroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijke slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. 5.5.2

Externe veiligheid weg

Transporten gevaarlijke stoffen De grens van het plangebied bevindt zich op een afstand van ongeveer 100 meter van A73. Over deze rijksweg vinden structurele transporten met gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg is dan ook opgenomen in het Basisnet. Bepalen risicoafstanden Het bevoegd gezag neemt bij de vaststelling van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een transportroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten de grenswaarde 10-6 per jaar in acht ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Bij nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten wordt rekening gehouden met de richtwaarde 10-6 per jaar. Voor omgevingsbesluiten die ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken langs doorgaande routes van wegen die deel uitmaken van het Basisnet weg kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Voor deze wegen gelden namelijk de veiligheidsafstanden die in de Regeling basisnet zijn opgenomen. Voor de A73, ter hoogte van het plangebied bedraagt de PR 10 -6 contour 1 meter, waarmee dit op grond van de afstand tot het plangebied geen aandachtspunt vormt voor het planvoornemen. Er is ook Plasmabrand AandachtsGebied (PAG) aanwezig maar dit reikt eveneens niet tot aan dat deel van het plangebied waar de bestemming wordt gewijzigd. Een PAG reikt tot 30 meter ter weerszijden van het wegtraject.

De voornoemde aspecten vormen dan ook geen belemmering voor de planontwikkeling. Aangezien de A73 zich op een afstand van minder dan 200 meter van het plangebied bevindt, kan de planontwikkeling een relevante invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transprot van gevaarlijke stoffen over deze weg. Het is dan ook noodzakelijk om de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico van de A73 kwantitatief inzichtelijk te maken. Conclusie In opdracht van Arvalis is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg ten behoeve van het voornemen binnen het plangebied de bestemming “Agrarisch” om te zetten naar een bedrijfsbestemming, zie bijlage 5 voor het uitgevoerde onderzoek. Conform Bijlage 1 Tabel Basisnet weg blijkt dat voor de A73 ter hoogte van het plangebied een plaatsgebonden PR 10-6 risicocontour aanwezig is van 1 meter. Tevens blijkt uit deze tabel dat ook sprake is van een PAG. Gelet op de ruimtelijke scheiding vormen beide aspecten geen belemmering voor de planvorming.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 36

Voor de A73 is middels een berekening aangetoond dat ter plaatse van het plangebied de hoogte van het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, zowel in de huidige als de toekomstige situatie. De planvorming leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. In de onderhavige situatie kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Bevt volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. 5.5.3

Verantwoording Groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de rijksweg A73. Over deze weg vinden structurele transporten met gevaarlijke stoffen plaats. In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd; • Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; • Zelfrdzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.

Als gevolg van het voer van gevaarlijke stoffen over de A73 ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen, toxische gassen en brandbare gassen. Binnen het plangebied dient daarom rekening gehouden te worden met de volgende scenario’s; • toxisch scenario • Bleve scenario. Als gevolg van de genoemde risico’s (scenario’s) is door bureau Kragten een notitie opgesteld inzake de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van het omzetten van de bestemming, zie bijlage 6. In deze notitie. In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Horst aan de Maas dient in het kader van de ruimtelijke procedure een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. 5.5.4

Buisleidingen

Het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. Er zijn geen buisleidingen nabij de planlocatie gelegen. Daarom vormt dit geen belemmering voor het onderhavige plan

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 37

5.5.5

Advies Brandweer

Wordt nog nader ingevuld

5.6 5.6.1

Cultuurhistorie en Archeologie Cultuur Historische Waarden

Op de bedrijventerreinen zijn op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg beoordeeld op de aanwezige waarden. Venrayseweg is grotendeels aangeduid als nieuw cultuurland 1890-1990 en de Venrayseweg als weg zelf aangeduid is als ‘andere weg ouder dan 1806’. De aanwezige waarden, vooral gelegen in het oorspronkelijke tracé van de Venrayseweg, blijven intact. De ligging wordt vastgelegd in de onderliggende bestemmingen. Verdere cultuurhistorisch waardevolle objecten en/of patronen zijn in of nabij het plangebied niet aanwezig. Het plan voorziet niet in uitbreiding van het bedrijventerrein ten koste van cultuurhistorische waarden in de omgeving. Binnen de plangebieden zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. 5.6.2

Archeologische waarden

Het plangebied heeft op de indicatieve archeologische waardenkaart van de provincie Limburg een middelhoge verwachtingswaarde. Archeologische momenten zijn binnen het plangebied voor zover bekend niet aanwezig. Gelet op de middelhoge verwachtingswaarde gelden restricties in het geval er sprake is van bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang groter dan 100 m². Deze restricties zijn vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan ‘Werkgelegenheidsgebieden II’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Deze dubbelbestemming zal voor onderhavig initiatief gehandhaafd blijven. Initiatiefnemers zullen daarom bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport moeten overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Voor het wijzigen van de bestemming en het bouwvlak wordt daarom op dit moment verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht

5.7 5.7.1

Natuurwaarden en landschapswaarden Natura 2000

Ten aanzien van flora en fauna dient in eerste instantie rekening gehouden te worden met gebiedsbescherming. Deze bescherming geschiedt op basis van de Wet natuurbescherming. Sinds 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn - gebieden opgenomen als natura 2000gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreft het natuurgebied Boschhuizerbergen nabij Geijsteren. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van ca. 6.500 m. van het plangebied. In de Wet natuurbescherming is opgenomen, dat nieuwe economische activiteiten of uitbreidingen van bestaande activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op Natura 2000-gebieden, zie bijlage 2 voor deze toetsing.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 38

De depositie van stikstof in natura 2000 gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend. De berekeningen betreffen enerzijds de realisatie/aanlegfase en anderzijds de gebruiksfase. De berekening van het effect van de beoogde situatie met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn als gevolg van het voorgenomen project. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. De gevraagde ontwikkeling leidt niet tot een stijging van de uitstoot van stoffen die een negatieve invloed hebben op de instanthoudingsdoelstellingen binnen dit of andere Natura 2000-gebieden. Omdat er geen oppervlakteverlies of verontreiniging plaatsvindt, geen mechanische effecten zijn en geen sprake is van verstoring door licht en geluid. Ook een significante optische verstoring is niet voorstelbaar. Het perceel is landschappelijk ingepast. De beplanting vormt een nieuwe habitat voor diverse soorten. 5.7.2

Flora en Fauna

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wn. Met de Wn wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtlijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken.

Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; • er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort;

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 39

•

en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.

Toetsing Het wijzigingsplan voorziet niet in een uitbreiding van het bouwvlak in relatie tot het vigerende bestemmingsplan. Uit de natuurgegevens van en rond het plangebied blijkt dat er in de groenzone een grasmus is waargenomen. De groenzone wordt als gevolg van het wijzigingsplan niet verstoort. Door eventuele (graaf)- en sloopwerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en zal gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.

5.8 5.8.1

Civieltechnische aspecten Kabels en leidingen

De binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen (veelal huisaansluitingen) hoeven niet planologisch geregeld te worden. 5.8.2

Rooilijnenbeleid Rijkswaterstaat

Het plangebied grenst aan de A73. Overeenkomstig het beleid van Rijkswaterstaat geldt langs rijkswegen een rooilijnenbeleid. Volgens dit rooilijnenbeleid dient de zone tussen de 0 en 50 meter, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, bebouwingsvrij te blijven. In de zone tussen de 50 en 100 meter, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan, waartoe ook toe- en afritten behoren, is bebouwing in beginsel toegestaan, nadat overleg is gepleegd met de wegbeheerder. Het vigerende bouwvlak is gelegen op een afstand van 100 m. van de as van de meest nabijgelegen rijbaan. Het voorliggende wijzigingsplan voorziet niet in de mogelijkheden om nieuwe bebouwing op te richten.

5.9

Verkeer en parkeren

Het plangebied is ontsloten op de Venrayseweg. Parkeren, laden en lossen dient op eigen terrein plaats te vinden. Ter plaatse van een bedrijfsperceel mag slechts sprake zijn van één op- en afrit. Dit zorgt voor een overzichtelijke verkeerssituatie. Het bedrijventerrein en daarmee ook de Venrayseweg is al zodanig ingericht dat vrachtverkeer veilig kan in- en uit voegen.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 40

5.10 Brandveiligheid Om brand te voorkomen wordt uitsluitend gewerkt met goedgekeurde installaties en worden de gebouwen conform het bouwbesluit gerealiseerd. Er zijn voldoende vluchtwegen en brandblusmiddelen aanwezig. Voor de primaire bluswatervoorziening is op beperkte afstand van het plangebied een voor blusvoertuigen goed toegankelijke bluswatervoorziening met een capaciteit van ten minste 60 m3/uur.

5.11 Gezondheid Het houden van landbouwhuisdieren en/of het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan gevolgen hebben gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij, zowel positief als negatief. Bijvoorbeeld door de uitstoot van fijnstof, en mogelijk ook via endotoxinen. De overheid weegt mogelijke gezondheidsrisico’s van agrarische bedrijven mee in de besluitvorming. Met preventieve maatregelen wordt voorkómen, dat er nadelige gevolgen zijn voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het voorliggende wijzigingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. Ook zijn binnen het vigerende plan al bedrijven van categorie 2, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, toegestaan. Het feitelijke gebruik binnen het bouwvlak wijzigt niet als gevolg van het planvoornemen. Buiten het bouwvlak zijn geen geur- en/of hindergevoelige objecten toegestaan. De geuraspecten zijn besproken in paragraaf 5.3. 5.11.1 Veehouderij In de onmiddellijke nabijheid van het plangebied zijn enkele veehouderijbedrijven gevestigd waaronder een pluimveehouderij. Op korte afstand van de locatie gelegen veehouderijen: Naam Varkenshouderij Ashorst BV, Varkenshouderij Veho BV, Pluimveehouderij,

Locatie Veld Oostenrijk 50 Venrayseweg 145 Venrayseweg 145A

Afstand tot bouwvlak 181 m. 72 m. 50 m.

Tabel 3. Afstanden bouwvlak tot nabij gelegen veehouderij

Door het RIVM zijn in de afgelopen jaren diverse onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen voor omwonende. De belangrijkste resultaten uit alle VGO Livestock farming and the health of local residents onderzoeken; • Meer longontsteking Rond geitenhouderijen komt vaker longontstekingen voor. In sommige onderzoeken zien we dat ook voor pluimveehouderijen, maar in mindere mate dan bij geitenhouderijen. Gemiddeld zijn er elk jaar 1650 mensen met een longontsteking op 100.000 inwoners. Van de 1650 longontstekingen worden er ruim 200 veroorzaakt doordat mensen in de buurt wonen van geitenhouderij of pluimveehouderij. Bij geiten is de oorzaak onbekend. Het is onwaarschijnlijk dat het door Q-koorts komt. In de vervolgonderzoeken die in 2019 zijn gestart wordt naar oorzaken van de longontstekingen gezocht. • Minder astma en allergie Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 41

•

•

Minder goede longfunctie Mensen die in de buurt van minimaal 15 veehouderijen wonen hebben een minder goede longfunctie. Ook is de longfunctie lager bij als er veel ammoniak in de lucht is. Ammoniak komt uit mest. De afstand tot de veehouderij is hierbij niet van invloed. Binnen een straal van 1 km. van het plangebied zijn 6 veehouderij locaties gelegen. Niet vaker ziekteverwekkers Een aantal ziekteverwekkers komen niet vaker voor bij mensen die dichtbij veehouderijen wonen in vergelijking met de algemene bevolking. Het gaat om hepatitis E-virus infecties, de resistente ESBL Extended spectrum beta-lactamases -bacteriën en Clostridium difficile. Resistente bacteriën zijn ongevoelig voor een aantal antibiotica en daarom moeilijker te behandelen.

Bovenstaande onderzoeksresultaten zijn verwerkt in de handreiking veehouderij en gezondheid omwonenden. Hierin wordt nader ingegaan op de gevolgen voor omwonenden van exotoxinen. • Varkenshouderij; In de uitgevoerde VGO onderzoeken zijn geen aanwijzingen gevonden voor negatieve gevolgen voor omwonende van een varkenshouderij als gevolg van endotoxine op een afstand van 50 m. of meer. • Pluimveehouderij; In een eerste VGO onderzoek (VGO 2014) zijn er aanwijziging gevonden voor een grotere kans op longonsteking bij omwonende. In latere onderzoeken is dit niet aangetoond (VGO 2015 – 2016). • Geitenhouderij; Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 2 km. van een geitenhouderij. Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. In de onderhavige situatie is sprake van bestaande veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De toekomstige eigenaar en/of gebruiker kiest bewust voor deze situatie, er kan van worden uitgegaan dat het woon- en leefklimaat ten tijde van de koop door de eigenaar en/of gebruiker is geaccepteerd en dus als aanvaardbaar wordt beschouwd. 5.11.2 Spuitzone Voor boomgaarden, kwekerijen, tuinderijen en wijngaarden gelden geen wettelijke bepalingen ten aanzien van de minimaal aan te houden afstand in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ook de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' noemt geen richtafstand. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen wel een afstand van 50 m aangehouden tussen boomgaarden en woningen en bedrijfsruimten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse te garanderen. Binnen een afstand van 50 m. van het plangebied zijn geen boomgaarden, kwekerijen, tuinderijen of wijngaarden. De bedrijfsbestemming ligt niet in een spuitzone.

5.12 M.e.r. beoordeling Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) dient getoetst te worden of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 42

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van ‘woonwijken’, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen. Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Vanwege het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. In het Besluit zijn drempelwaarden opgenomen. Bij overschrijding van de drempelwaarden moet een MER worden gemaakt. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Omdat de D-drempel indicatief is, moet het bevoegd gezag eerst een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitvoeren. Een MER-plicht geldt indien een industrieterrein met een oppervlakte van meer dan 75 ha wordt uitgebreid. Met het planvoornemen wordt het bedrijventerrein met een oppervlakte van 1,8 waarvan maximaal 0,75 ha. bebouwd mag worden.

Op grond van de bijbehorende regels zijn hier maximaal bedrijven toegestaan die behoren tot categorie 2. Het bouwvlak blijft ongewijzigd. Het plan maakt het niet mogelijk om nieuwe bebouwing op te richten. Categorie 2 bedrijven zijn lichte bedrijfsactiviteiten die op grond van het vigerende bestemmingsplan voor de gemeente Horst aan de Maas ook binnen de dorpen zijn toegestaan, zie ook de staat van bedrijfsactiviteiten die bij de regels is gevoegd. Ook in de bestaande situatie zijn activiteiten (agrarische) die behoren tot deze milieucategorie mogelijk. Welleswaar wordt de bestemming gewijzigd maar het wordt als gevolg hiervan niet mogelijk gemaakt om activiteiten uit te oefenen die meer invloed hebben op hun omgeving. Gezien de omvang en de aard van de gevraagde ontwikkeling kan onmogelijk gesteld worden dat hier sprake is van de uitbreiding van een industrieterrein. Het planvoornemen betreft daarom geen initiatief dat voldoet aan lijst C of lijst D. Voor het bestemmingsplan is ook een vormvrije m.e.r. beoordeling niet aan de orde vanwege de kleine omvang van het planvoornemen en de grote afstand (7,2 kilometer) tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. Ook gezien de in dit hoofdstuk beschreven sectorale aspecten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van significante effecten, die een m.e.r. (beoordelings-)plicht noodzakelijk maken.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 43

6 UITVOERBAARHEID 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn, met uitzondering van de parkeerplaatsen, in eigendom van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst. Door de vaststelling van deze anterieure overeenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd, alsmede het gebruik van enkele parkeerplaatsen. Tenslotte wordt ook een planschadeverhaalsovereenkomst zoals bedoeld in art. 6.4a Wro gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2

Handhaving

Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2017 is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. De besturen van de gemeenten streven naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 45

Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Het plan is niet in strijd met het provinciaal beleid. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan niet vooraf besproken met de provincie Limburg. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft tijdens het vooroverleg aangegeven onder voorwaarden mee te kunnen werken aan de gevraagde wijziging van het bestemmingsplan. • Om de gevraagde wijziging te kunnen realiseren dient voldaan te worden aan de voorwaarden die hiervoor zijn opgenomen in het moederplan. Aan deze voorwaarden wordt voldaan, zie paragraaf 1.3.3. • Het bouwvlak mag niet worden vergroot. Het bouwvlak wordt niet gewijzigd. • Het plan wordt niet in procedure gebracht indien derden eventueel schade ondervinden van dit wijzigingsplan. Met de gemeente wordt een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten. • Een landschapsinpassingsplan is verplicht. De verplichte landschappelijke inpassing is inmiddels gerealiseerd. Door het opnemen van de bestemming “Groen” binnen het plangebied is vastgelegd dat deze niet alleen gerealiseerd is maar ook behouden blijft. Het wijzigingsplan voldoet aan de voorwaarden die het college van Burgemeester en Wethouders hieraan hebben gesteld tijdens het vooroverleg.

Het bestemmingsplan heeft in ontwerp ter inzage gelegen tussen 7 augustus 2020 en 17 september 2020. Er zijn geen zienswijzen op het plan binnengekomen.

6.4

Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ • Vooroverleg met betrokken instanties; • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; • Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 46

• •

Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 47

7 JURIDISCHE TOELICHTING 7.1

Planstukken

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • plantoelichting • planregels; • verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was, is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012..

7.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een

7.3

Toelichting op de regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. • Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 49

De regels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan “Groenzone Venrayseweg” van de gemeente Horst aan de Maas zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld op 2 Juni 2015. Onderdelen die niet van belang zijn voor het plangebied zijn verwijderd. Om te voorkomen dat bedrijven het woon- en leefklimaat in de omgeving niet is gewaarborgd worden art. 4.1 sub a en art. 4.5.1 van het vigerende bestemmingsplan gewijzigd overgenomen. Deze artikel komen te luiden; 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven van categorie 2 tot en met categorie 3.2, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten, met uitzondering van: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2' is uitsluitend een bedrijf van categorie 2, die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten toegestaan; 2. geluidzoneringsplichtige inrichtingen, en; 3.

risicovolle inrichtingen; 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Uitoefening van bedrijven met een hoger milieucategorie Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1 onder a ten behoeve van de uitoefening van bedrijven met een hogere milieucategorie mits: a. het betreft bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels), en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu in de directe omgeving of het bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; c. het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen betreft; d. het geen risicovolle inrichtingen betreft.

Bestemmingsplan ”Venrayseweg 134b” Gemeente Horst aan de Maas ” 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9694910/2