CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting

Gemeenteraad 22 november 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Ulfterhoek ong. te Sevenum.12.079 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen

minimaal 1

minimaal 2

ontsluitingsweg

ontsluitingswegen

3%-grens

3%-grens

1.500

3.000

(maximaal) Tabel 2. Getalsmatige grenzen NIBM.

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt. In de onderhavige situatie is sprake van 2 woningen die gerealiseerd worden. Hier wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven. Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 8.72 μg/m³ en de PM2,5 op 8 μg/m³, zie afbeelding 16 en 17. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12 μg/m³, zie afbeelding 18 In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde 29

grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

Afbeelding 17. Uitsnede fijn stof conc. (PM10).

Afbeelding 18. Uitsnede fijn stof conc. (PM2,5).

30

Afbeelding 19. Uitsnede NO2 conc.

Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 4.1.6. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Door HMB is in een eerder stadium al een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In de toenmalig insteek werden op de locatie 4 woningen gerealiseerd. Zowel voor wegverkeer, railverkeer en cumulatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden. Uit het akoestische rapport blijkt dat de gevelbelasting als gevolg van railverkeer in de beoogde situatie bij één woning hoger is dan 53 dB.

Het betreft een woning op een locatie waar in de huidige plannen niet gebouwd gaat worden. Het akoestisch rapport is als bijlage 3 bijgevoegd. Het onderdeel geluid vormt, op basis van bovengenoemd rapport en de daarbij behorende opmerkingen, geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.7. Spuitzone Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop 31

bomen en andere gewassen in de open lucht wordt gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van boom- en fruitteelt wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen boom- en fruitteelt en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen inrichtingen waar mogelijk sprake kan zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De aan het plangebied grenzende percelen zijn allen in gebruik als woonbestemming. Gezien de afstanden en het gebruik van de omliggende percelen is de conclusie gerechtvaardigd dat de gewenste woonbestemmingen aan de Ulfterhoek ong. voldoende afstand kent tot de nabijgelegen functies en deze toereikend is voor een goed woon- en leefklimaat m.b.t. dit aspect. 4.1.8. Gezondheid De beoogde aanpassing van de bestemming van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ heeft geen invloed op de endotoxine belasting. Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven die in of nabij de gemeentegrenzen gelegen zijn waar geiten worden gehouden. In de nabijheid van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gevestigd.

Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018. In dit onderzoek wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is ervoor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in te stellen. Uit het onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden in 2024 verwacht. Aangezien in de nabijheid van het plangebied geen geitenhouderij is gelegen vormt dit geen belemmering. Gezondheid vormt hiermee geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.2.

Ruimtelijke aspecten

4.2.1. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: 32

•

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); • Structuurvisie buisleidingen; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; • Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.

Plangebied

Afbeelding 20. Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Volgens de Risicokaart liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen zoals aangegeven in bovenstaande afbeelding op ruim 430 m van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. 33

Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. 4.2.2. Cultuurhistorie en Archeologie 4.2.2.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Het gebied is in zijn geheel al in gebruik als woonwijk en binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. 4.2.2.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden.

Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. Materiële erfenissen die in de bodem bewaard zijn gebleven kunnen vertellen hoe de mensen vroeger leefden. Om deze erfenissen veilig te stellen heeft de gemeente Horst aan de Maas de actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Archeologisch beleid opgesteld. De gemeenteraad heeft op 26 mei 2015 dit beleid vastgesteld. Het archeologisch beleid is door vertaald in de regels van het Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. Voor het plangebied geldt deels de waarde – Archeologie 3. Hoewel er geen grondwerkzaamheden plaats vinden in het gebied dat is aangeduid met de ‘Waarde – Archeologie -3‘ is door Bureau voor Archeologie, in een eerder stadium, een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Uit dit onderzoek blijkt dat In het noordwestelijke deel van het plangebied een intacte bodem voorkomt. Het betreft een veldpodzolgrond met in de ondergrond een B- en BC-horizont. Het bodemtype komt overeen met het verwachte bodemtype. In het overige deel van het plangebied is de bodem niet meer intact.

Hoewel in een deel van het plangebied een intacte bodem is aangetroffen, heeft

34

het karterend booronderzoek geen archeologische indicatoren opgeleverd. Op basis hiervan worden geen archeologische waarden verwacht in het plangebied. Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek vormt archeologie geen belemmering voor onderhavig plan. 4.2.3. Mobiliteit en parkeren De nieuwe ontwikkeling maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse nauwelijks. De nieuwe woningen worden ontsloten op de Ulfterhoek welke hiervoor voldoende capaciteit heeft. Vanaf de Ulfterhoek is de Grubbenvorsterweg te bereiken welke de ontsluiting vormt naar de Venloseweg (N556) en de kern van Sevenum. Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Aangezien de locatie zich buiten de bebouwde kom bevindt zijn 2 parkeerplaatsen per woning benodigd. Voor beide woningen zal gelden dat parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein, hiervoor is op de locatie meer als voldoende ruimte.

4.3.

Flora en Fauna

4.3.1. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten westen van het plangebied is het Natura2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 8 kilometer. Per 1 juli 2021 geldt een vrijstelling voor bouw- aanleg- en sloopactiviteiten (aanlegfase) waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Hierdoor is een berekening met AERIUS CALCULATOR 2020 voor de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op de Natura2000-gebieden voor de bouw- aanleg- en sloopactiviteiten met betrekking tot onderhavig plan niet van toepassing. In onderstaande tabel uit de handreiking Woningbouw en Aerius wordt duidelijk dat de emissies in de gebruiksfase bij woningbouwprojecten tot 50 woningen en op een afstand van 8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel – 8km) 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.

35

Tabel 3. Indicatieve depositie Handreiking Woningbouw en Aerius.

Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden Voor de gebruiksfase van onderhavig plan is tevens een berekening met AERIUS CALCULATOR gemaakt, deze is toegevoegd als bijlage 7. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel en de Aerius berekening heeft de gevraagde ontwikkeling op een dergelijke afstand geen significante negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van de gebieden. De NB-wet is hiermee geen belemmering voor het initiatief. 4.3.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

• Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. 36

Op de locatie is door Faunaconsult een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 5). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in een boom buiten het plangebied, in de achtertuin van Grubbenvorsterweg 38, zich een steenuilennestkast bevindt. Deze nestkast bevindt zich op circa 230 meter afstand van het plangebied en steenuilen broeden er jaarlijks in. Het plangebied fungeert mogelijk als deel van het foerageergebied van de steenuil. De voorgenomen nieuwbouw en permanente bewoning kan, zonder aangepaste werkwijze en compensatie, leiden tot vernietiging van een deel van hun foerageergebied. Steenuilennesten, hun roestplaatsen en foerageergebied zijn streng beschermd onder de Wet natuurbescherming. Verstoring en vernietiging van deze elementen kan alleen met een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Een ontheffing wordt voor de steenuil alleen afgegeven indien er sprake is van een van de belangen die zijn opgenomen in de Vogelrichtlijn. Dat zijn: • • • • •

Volksgezondheid of openbare veiligheid; Veiligheid van het luchtverkeer; Bescherming van flora en fauna; Voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; Voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs.

Omdat de voorgenomen inrichting niet is te scharen onder een van bovenstaande belangen, is een ontheffing niet te verkrijgen. Volgens Provincie Limburg is een ontheffing echter niet nodig als er voldoende maatregelen worden getroffen waardoor de steenuil geen nadelige gevolgen ondervindt van de (bouw van de) nieuwe huizen. In onderhavig plan is er sprake van een plangebied van circa 5.000 m2. Hiervan wordt circa 1.500 m2 gebruikt als woonbestemming (2 bouwkavels van 750 m2). Het plangebied wordt zoals in paragraaf 4.4. beschreven landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing zorgt voor een verbetering van het foerageergebied van de steenuil. Binnen het plangebied worden hoogstamfruitbomen, houtsingels, bosschages, erfbomen en solitaire bomen aangeplant. Daarnaast zal het te behouden weiland extensief beheert worden. Al deze facetten van het landschappelijke inpassingsplan dragen bij aan verbetering van het foerageergebied van de steenuil. Normaal agrarische gebruik of gewoon gebruik van een erf is voor de steenuil geen probleem qua verstoring (Kennisdocument Steenuil Athene Noctua Versie 1.0, juli 2017). Het totale territorium van een steenuilenpaar heeft een oppervlakte tussen de 5 en 30 hectare (Kennisdocument Steenuil Athene Noctua Versie 1.0, juli 2017).

De afname van foerageergebied ten opzichte van het totale territorium is hierdoor te verwaarlozen, zeker in combinatie met de verbetering van het overig deel van het plangebied als foerageergebied voor de steenuil.

4.4.

Landschappelijke inpassing

Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In het landschappelijk inpassingsplan is ondermeer rekening gehouden met de

37

nabijgelegen woonbestemmingen, de hemelwaterinfiltratie en de aanwezige flora en fauna. De landschappelijke inpassing is als bijlage 6 toegevoegd.

4.5.

Waterparagraaf

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 4.5.1. Provinciaal waterplan Limburg Op 30 maart 2021 heeft Provinciale Staten het ontwerp Provinciaal Waterplan Limburg 2022 – 2027 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2016 -2021. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast.

Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

38

4.5.2. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. 4.5.3. Hemelwaterinfiltratie Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het toevoegen van 2 woningen. Uitgaande van een nieuw te bouwen woning van 150 m2 en een overige erfverharding van 100 m2 is er binnen de grenzen van het perceel meer als voldoende ruimte voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de infiltratie. Deze voorziening dient in per woning ieder geval een inhoud van 25 m3 te hebben. Voor beide woningen zal een infiltratiewadi worden gerealiseerd op eigen terrein (zie landschappelijke inpassing) welke aan de voorwaarden voldoet (berging van 100 mm neerslag). De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Aan bovenstaande zal invulling worden gegeven op het moment dat een definitieve ontwerptekening van de woningen beschikbaar is. Voor wat betreft het vuilwater wordt te zijner tijd een aansluiting op de bestaande riolering aangevraagd.

39

5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.

Economische haalbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Door de initiatiefnemer is een omgevingsdialoog met de omwonenden gevoerd. Vanuit de omgeving zijn geen opmerkingen op onderhavig planvoornemen.

5.3.

Procedure

Dit wijzigingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-wijzigingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpwijzigingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het wijzigingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen 40

de vaststelling van een wijzigingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.4.

Vooroverleg en inzage

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

41

6. Juridische planopzet 6.1.

Inleiding

Onderhavig wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het wijzigingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2.

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).

6.3.

Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Wijzigingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

42

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11963338/1