CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Motivering Horsterweg 88 (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN13.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

verzuring , verstoring door licht , geluid , trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. en

Toetsing initiatief Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Maasduinen’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ welke op een afstand van respectievelijk 5 , 8 en 106, kilometer van het projectgebied zijn gelegen. Aangezien er geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden , is het niet noodzakelijk een aeriusberekening uit te voeren. Het aspect gebiedsbescherming vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5. 6. 2

Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren.

In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn ; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11. 27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet , of redelijkerwijs kan vermoeden , dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11. 23 Bal) , verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen ; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken ; en c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Toetsing initiatief Aangezien er binnen het projectgebied geen gebouwen gesloopt of gebouwd zullen worden , zal het voornemen naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Het aspect soortenbescherming zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

28

5. 7

Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling , waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten , dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven , burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan ; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid , zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde , is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.

Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3 , 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen. Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten. Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl. Toetsing initiatief In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor wat betreft het aspect geluid. Derhalve is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek opgenomen en de volledige rapportage is opgenomen in bijlage I. De locatie is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van rijkswegen en gemeentewegen en in de nabijheid van het glastuinbouwbedrijf waarvan de wordt losgekoppeld. dergelijk bedrijf heeft woning Een geen geluidaandachtsgebied , maar wordt in het kader van de Omgevingswet gezien als een ‘activiteit’.

Ook voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit gelden op grond van de Omgevingswet instructieregels voor het beoordelen van geluid. 29

Het doel van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is het toetsen van het optredende geluid aan de waarden uit het Omgevingsplan , en de algemene taak tot ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Uit het onderzoek volgt: • dat het gecumuleerd geluid op de woning ten hoogste 63 dB bedraagt , en volledig bepaald wordt door wegverkeer. Voor reguliere woningen geldt voor gemeentewegen een grenswaarde van 70 dB(A). Deze grenswaarde is gerelateerd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Indien aan deze waarde wordt voldaan , is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dan ook gewaarborgd ; • dat de ontwikkeling geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen ; • dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Vanuit akoestisch oogpunt beoogde ontwikkeling.

5. 8

zijn er dan ook geen bezwaren aangaande de

Kwaliteit van de buitenlucht Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken , zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2. 2. 1 van het Bkl. In Artikel 5. 50 t/m 5. 54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan , vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde ; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool , of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5. 54 Bkl). ). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5. 52 Bkl een uitzondering is opgenomen.

Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de 3 rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m(PM) en 40 μg/m 3 (NO²)) , maar 10 gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • Een scherpere norm , bijvoorbeeld voor fijnstof ; 30

• •

Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt ; Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt.

Toetsing initiatief De gemeente Horst aan de Maas hanteert een maximum van 40 μg/m 3 (PM)10 3 en 40 μg/m(NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is , op basis van de concentratiekaarten van het RIVM , getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof. Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m.3 Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt μg/m 3 (PM)10 bedraagt. dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 1451 , Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO)2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m 3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van μg/m.3 Dit betekent dat de hoeveelheid het projectgebied bedraagt circa 1385 , stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling wel/niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.

5. 9

Geur De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl , wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Individuele geurhinder In het Bkl zijn in artikel 5. 109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5. 112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld , blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de 31

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)) , de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld , gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5. 109 en 5. 112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5. 91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. Toetsing initiatief De beoogde plattelandswoning maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Klaver 11’. Bij dit bestemmingsplan is een geuronderzoek bijgevoegd , waarin het woon- en leefklimaat in het kader van geur wordt beoordeeld. Ondanks dat dit bestemmingsplan uit 2014 dateert , kan dit wel als uitgangspunt dienen omdat omliggende bedrijven , gelet op de huidige wet- en regelgeving , niet zijn toegenomen in geuremissie dan wel geurbelasting. In het kader van geur mag de aanduiding ‘plattelandswoning’ niet leiden tot het beperken van ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische bedrijven). Anderzijds dient ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd te zijn. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Venloseweg 111. Dit betreft een pluimveehouderij waar , conform de vigerende vergunning uit 1989 , 22.

000 vleeskuikens volgens een traditioneel huisvestingssysteem mogen worden gehouden. Uit het geuronderzoek van dit bestemmingsplan blijkt dat , ter plaatse van de beoogde plattelandswoning , een geurbelasting van 3 OUe/m 3 is berekend. Gelet op het feit dat de beoogde plattelandswoning gelegen is in een geurconcentratiegebied in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas , geldt ter plaatse een geurnorm van 14 OUe/m.3 Omliggende (agrarische) bedrijven worden derhalve niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Verder dient te worden opgemerkt dat tussen de veehouderij aan de Venloseweg 111 en de beoogde plattelandswoning , al een burgerwoning aanwezig is. Dit betreft een burgerwoning gelegen aan de Venloseweg 113. Deze woning is dichter bij de pluimveehouderij gelegen , waardoor deze te allen tijde meer beperkender is. Daarnaast zijn aan de overzijde van de Venloseweg (nummer 112 en 114) tevens reeds bestaande burgerwoningen aanwezigen. Omdat deze geurgevoelige objecten dichterbij veehouderijen zijn gelegen , zullen deze objecten als meest beperkend gelden voor omliggende veehouderijen. kilometer een geitenhouderij Daarnaast is er op een afstand van circa 12 , gelegen aan de Losbaan 44 te Lottum. Dit is binnen de advies afstand van 2 kilometer waardoor rekening gehouden worden de moet met gezondheidsrisico’s. Dit is nader toegelicht in paragraaf 5. 3.

Overigens geldt dat het toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ niet leidt tot verdere beperkingen. Omdat de beoogde plattelandswoning in de huidige situatie geen onderdeel uitmaakt van een veehouderij , dienen 32

omliggende veehouderijen (waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden) te voldoen aan de geurnorm op deze woning. Het beschermingsniveau wijzigt hierdoor niet. Het aspect individuele geurhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Achtergrondconcentratie: In ditzelfde geuronderzoek is ook de achtergrondconcentratie in kaart gebracht. Middels het berekenen van de achtergrondconcentratie , kan worden bepaald of ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. In figuur 6 is te zien dat ter plaatse van de beoogde plattelandswoning een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat heerst.

Figuur 6 Uitsnede achtergrond geurconcentratie behorende bij bestemmingsplan 'Klaver 11' locatie met zwarte pijl weergegeven

Kleine kanttekening in dit verhaal is dat het onderzoek uit 2013 dateert. Echter is het zeer onwaarschijnlijk door de huidige wet- en regelgeving , dat de geuremissie drastisch is gestegen waardoor ter plaatse van de beoogde ontwikkeling geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer heerst. Wellicht dat veehouderijen overwegen om te stoppen , al gestopt zijn of in de loop der 33

,

jaren emissiearme stalsystemen hebben toegepast waardoor de werkelijke geuremissie lager is. Gelet op het bovenstaande worden gegarandeerd.

5. 10

kan een aanvaardbaar woon-

en

leefklimaat

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven , transportroutes (wegen , spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn , zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal ; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg , water en spoor) ; • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal ; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans , op een bepaalde plaats , om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 6 contour niet als grenswaarde , maar als een richtwaarde. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen , onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het 34

gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand) , overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied ; • explosieaandachtsgebied ; • gifwolkaandachtsgebied. Toetsing initiatief Met behulp van de Pav-kaart van het Register Externe Veiligheid (figuur 7) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.

Figuur 7 Uitsnede kaarten Register Externe Veiligheid

Transport van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor , over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. •

Risicovol transport over water- en autowegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport over waterwegen plaats maar op een afstand van circa 175 meter vanaf de woning wel transport van gevaarlijke stoffen over een autoweg (A73). Conform de regeling basisnet (bijlage II) kent de A73 afrit 11 (Horst) - afrit 12 (Grubbenvorst) een plaatsgebonden risicocontour (PR 10)-6 van 6 meter. Hierdoor ligt het •

35

projectgebied buiten de PR 10 -6 contouren en vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering. Het projectgebied ligt binnen het gifwolk- en explosieaandachtsgebied. Het explosieaandachtsgebied reikt namelijk tot een afstand van 200 meter en het gifwolkaandachtsgebied tot 300 meter. Hiermee is de A73 relevant voor externe veiligheid en is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk (zie kopje ‘verantwoording groepsrisico’). Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het projectgebied is twee risicovolle inrichting aanwezig. Aan de Witveldweg 60 en aan de Witveldweg 48 zijn twee risicocontouren gelegen met een afstand van 160 meter. De risicobron aan de Witveldweg 60 is gelegen op een afstand van circa 410 meter en de Witveldweg 48 op een afstand van circa 845 meter. Het projectgebied is buiten de aandachtsgebieden gelegen van beiden inrichtingen. Hierdoor vormt dit geen belemmering. Buisleidingen In de omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico Artikel 5. 15 (groepsrisico) van het Bkl verplicht om bij de beoordeling van een ontwikkeling in een aandachtsgebied rekening te houden met het groepsrisico.

Bij de afweging of het groepsrisico acceptabel is , dient ingegaan te worden op de volgende aspecten: • Het aantal personen dat doorgaans aanwezig is nabij een risicobron ; • De afstand tussen de omgeving en de risicobron ; • Eventueel nog te treffen maatregelen om bewoners te beschermen. Het projectgebied is binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de autoweg de A73 gelegen. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling waarbij slechts één bedrijfswoning wordt omgezet naar een plattelandswoning , in combinatie met de ruime afstand tot de A73 , zal het groepsrisico niet toenemen door deze aangevraagde ontwikkeling. Daarnaast betreffen de personen die op de locatie aanwezig zijn , personen die in voldoende mate zelfredzaam zijn. De functies ter plaatse betreffen geen functies voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Om de zelfredzaamheid van toekomstige bewoners te verhogen in geval van een aanstaande explosie of gifwolk luidt het advies: bij een aanstaande gifwolk sluit ramen en deuren , schakel aanwezige ventilatie met één druk op de knop uit. Zorg dat er meerdere richtingen in kan worden gevlucht en houdt zoveel mogelijk afstand van de risicobron.

Maatregelen die getroffen kunnen worden om toekomstige gebruikers te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij een explosie ontstaat , zijn: Afstand houden tot risicobronnen ; 36

-

Creëren van vluchtroutes ; Beperken van gevelopeningen en glasoppervlak aan risicozijde van het gebouw.

Gelet op het voorgaande in combinatie met de ruime afstand tot de A73 , zal het groepsrisico van de A73 niet toenemen door deze aangevraagde ontwikkeling. Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voornemen.

5. 11

Milieubelastende activiteiten Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken , niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen , zoals bodem , luchtkwaliteit en industrielawaai , activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur , activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De beoogde plattelandswoning betreft geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen enerzijds de beoogde plattelandswoning en anderzijds functies in de omgeving. Om e. e. a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën.

Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof , geluid , gevaar en geur. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen , danwel het zoveel mogelijk beperken , van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen ; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als ; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. 37

•

Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels , horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.

Toetsing initiatief De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gemengd gebied bestaand uit agrarische , bedrijfs- en horecafuncties en daarnaast een aantal woningen. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woningen en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven. Adres

Functie

Richtafstand (meter)

Voldaan?

10

Werkelijke afstand (meter) 15

Horsterweg 86D Venloseweg 111 Horsterweg 84 Horsterweg 57b Venloseweg 108 Losbaan 44

Glastuinbouw Vleeskuikens

100

80

Nee

Bedrijf tot cat. 3. 2

50

300

Ja

Logies arbeidsmigranten Camping

0

65

Ja

30

190

Ja

Geitenhouderij

30

1200

Ja

Ja

Aan de richtafstanden kan niet worden voldaan voor de vleeskuikens aan de Venloseweg 111. Dit geldt voor het aspect geur. In paragraaf 5. 7 is een toelichting op genomen over de geurbelasting. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect geur. Er kan dan ook worden verondersteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter hoogte van de beoogde plattelandswoning.

5. 12

Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond , zoals niet ontplofte vliegtuigbommen , blindgangers , granaten , mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.

38

Toetsing initiatief Aangezien geen bodemwerkzaamheden plaats zullen vinden , is dit aspect niet van toepassing.

5. 13

Kabels , leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels , leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

5. 13. 1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data , elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging , type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn. Toetsing initiatief In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Deze zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5. 13. 2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk , maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen. Toetsing initiatief In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5. 14

Mobiliteit Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen er ook voldoende gerealiseerd worden. Wat voldoende is , is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: 39

-

-

Waarborgen en realiseren van een veilig , robuust en duurzaam mobiliteitssysteem ; In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.

Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeersgeneratie Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur. Toetsing initiatief In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen afkomstig van de locatie als gevolg van het gebruik van de bedrijfswoning. Door de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo gelijk blijven doordat de woonfunctie niet zal veranderen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling Parkeren Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voorde beoogde ontwikkeling. Toetsing initiatief In de huidige situatie zijn er ten behoeve van de bedrijfswoning reeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig. In de beoogde situatie zijn er voor de plattelandswoning ook niet meer parkeerplaatsen noodzakelijk dan in de huidige situatie aanwezig zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5. 15

Duurzaamheid De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging , toenemende hitte , langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer , intensiever en inclusiever worden. Toetsing initiatief In het kader van onderhavige ontwikkeling zal niet gebouwd worden. Derhalve hoeven geen maatregelen genomen te worden voor het aspect duurzaamheid. 40

5. 16

Trillingen Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving , kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5. 83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen ; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5. 87 en 5. 87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan.

Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente , uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Toetsing initiatief Met onderhavige ontwikkeling worden geen trilgevoelige ruimten toegevoegd , de bedrijfswoning is namelijk reeds een trilgevoelige ruimte. Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5. 17

Energietransitie In navolging van de hogere overheden , werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt , maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds , zoals de aanleg van windmolens , zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten , 41

geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5. 1. 7. 3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie , maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden. Toetsing initiatief Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5. 18

Lichthinder Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: hinder voor de mens ; hinder langs wegen ; verstoring van de natuur ; horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting , of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Toetsing initiatief Aangezien geen verlichting wordt toegevoegd in of op het projectgebied is het aspect lichthinder echter niet van toepassing. Daarnaast hoeft voor de omzetting van bedrijfswoning naar een plattelandswoning niet getoetst te worden aan het bestaande lichthinder vanuit het eigen bedrijf.

5. 19

Project-mer-beoordeling Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project , en de effecten van alternatieven , op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water , bodem , lucht , afval , natuur , gezondheid en archeologisch erfgoed. 42

Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt. 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1 , dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden. Toetsing initiatief Omdat er in onderhavige ontwikkeling sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning , zal er geen nieuwe woning gebouwd worden en is er geen sprake van een mer-(beoordelings)-plicht.

5. 20

Overige aspecten De overige aspecten zoals bezonning , slagschaduw en windhinder zijn niet relevant voor onderhavige ontwikkeling. Hierdoor is het niet noodzakelijk te toetsen aan deze aspecten.

43

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van de ontwikkeling aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële motivering gegeven en daarnaast wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

6. 1

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

6. 1. 1

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.

6. 1. 2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13. 18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een (artikel Ow). kostenverhaalsbeschikking 13. 18 Tevens worden voor het in behandeling nemen van het plan en de procesbegeleiding daarvan kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges.

6. 1. 3

Nadeelcompensatie Op basis van art. 4. 5 Awb wordt voor iedere wijziging van het omgevingsplan een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten.

6. 2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze wijziging omgevingsplan wordt ingevolge artikel 16. 66 van de Omgevingswet gedurende zes weken te inzage gelegd , waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

6. 2. 1

Participatie Op dinsdag 11 maart 2025 hebben de initiatiefnemers de directe buren ingelicht over het feit dat zij voornemens zijn om de woning , gelegen aan de Horsterweg 88 te Grubbenvorst , om te laten zetten van bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Hierbij waren de bewoners van de woning aan de linkerzijde aanwezig en de eigenaar van het naastgelegen bedrijf Fresh Valley. De initiatiefnemers hebben de aanwezigen gewezen op de spuitzone-richtlijnen en de aanvullende onderzoeken die gedaan zijn. Beide partijen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.

44

6. 2. 2

Procedure De procedures voor vaststelling van een TAM-omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan van start gaan.

6. 2. 3

Bezwaar/ Beroep Gedurende de terinzagelegging van de ontwerpversie van het TAMomgevingsplan is gelegenheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

45

HOOFDSTUK 7. 1

7 Belangenafweging

en

conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Aan het adres Sintelweg 1 te Grubbenvorst is een glastuinbouwbedrijf gevestigd onder de naam Fresh Valley. Hier wordt , in twee moderne kassen , groente en fruit geteeld voor toelevering aan bedrijven in heel Nederland. Binnen dit perceel zijn in totaal 3 bedrijfswoningen aanwezig en planologisch-juridisch toegestaan. Daarvan wordt er één door initiatiefneemster bewoond. Dit betreft de woning gelegen aan de Horsterweg 88 te Grubbenvorst. Gezien haar leeftijd en het feit dat er , ruimtelijk en bedrijfsmatig gezien , geen sprake meer is van een koppeling met het glastuinbouwbedrijf , is initiatiefneemster voornemens om de bedrijfswoning te verkopen. Gelet op de planologischjuridische status van een bedrijfswoning , mogen er enkel en alleen personen woonachtig zijn welke een functionele binding hebben met het aanwezige bedrijf. Hierdoor is de markt waarbinnen de woning verkocht mag en kan worden dan ook beperkt. Om de verkoopkansen te vergroten is men dan ook voornemens om de woning ook aan te bieden aan personen welke geen functionele binding hebben met het aanwezige bedrijf. Op dit moment kan de woning niet zonder meer worden verkocht aan burgers zonder functionele binding met het aanwezige bedrijf.

Het bewonen van de bedrijfswoning door personen zonder functionele binding met het bedrijf is in strijd met het vigerende (tijdelijk) Omgevingsplan. Door het toekennen van een aanduiding ‘plattelandswoning’ mag de bedrijfswoning ook worden bewoond door personen welke geen functionele binding hebben met het bedrijf. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijke omgevingsplan zijn ook geen regels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het wijzigen van het tijdelijke omgevingsplan middels een TAM-omgevingsplan , kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige , storende milieuaspecten en alle benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal , gezien de bestaande situatie , geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren.

7. 2

Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16933230/1