CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c bp Toelichting Plot 3 Fresh Park

Gemeenteraad 21 mei 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Plot 3 Freshpark Venlo.10.672 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.

5.2.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van de Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POL2014 inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel.

Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het

28

beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.

5.2.2

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in de planlocatie en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de geldende Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een stand-still beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. Binnen het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In de planlocatie zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en in de nieuwe situatie wordt geen oppervlaktewater gecreëerd.

De Maas is op een afstand van circa 1,1 kilometer meter van de planlocatie gelegen. Afvalwater De nieuwe bebouwing zal in de beoogde situatie moeten worden aangesloten op het rioleringsstelsel ten behoeve van de afvoer van afvalwater. Gezien het afvalwater afkomstig van de naastgelegen percelen ook in de huidige situatie al dient te worden afgevoerd, is er in de nabijheid van het plangebied dus reeds een rioleringsstelsel aanwezig en kan/zal hierop worden aangesloten. Aangezien onderhavige herziening, middels het recht trekken van de betreffende kavel, enkel toeziet op het efficiënter gebruik van de beschikbare ruimte en de realisatie van de bedrijfshal formeel reeds mogelijk is op basis van de huidige regelgeving, is een nadere uitwerking inzake de verwachte afvoer en totaal beschikbare/noodzakelijke opvangcapaciteit van het afvalwater in het kader van de bestemmingsplanprocedure nog niet aan de orde. Bij de vergunningsaanvraag ‘Bouwen’ zal echter nog wel moeten worden aangetoond en uitgewerkt dat (en op welke wijze) het bouwplan voldoet aan de beschikbare opvangcapaciteit danwel of (en zo ja op welke wijze deze verruimd dient te worden.

29

Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. Gezien er in de huidige situatie geen bebouwing of verharding aanwezig is, neemt het oppervlakte aan verharding in de beoogde situatie toe. Binnen het Fresh Park terrein geldt dat het hemelwater niet mag worden afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Al het hemelwater moet binnen het terrein worden opgevangen. Met Fresh Park wordt gekeken of er nog capaciteit over is om het hemelwater afkomstig van het plangebied te bergen. Indien er geen capaciteit meer vrij is, zal op eigen terrein moeten worden voorzien in voldoende waterberging. In het kader van de benodigde vergunning voor het realiseren van de bebouwing, zal dit nader worden uitgewerkt.

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. Met de ontwikkeling van het bedrijfskavel wordt nieuwe bebouwing en verharding toegevoegd. De ontwikkeling heeft daarmee invloed op de waterhuishoudkundige situatie op het perceel. Gezien het oppervlakte aan verharding aanzienlijk toeneemt, geldt ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=10 (50 liter per m 2), oftewel een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak. Het bedrijfsperceel is voldoende groot om te voorzien in voorzieningen ten behoeve van hemelwaterafvoer. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht. In het kader van de benodigde vergunningen wordt dit aspect nader uitgewerkt.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd.

30

De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’ en ligt ten oosten van het plangebied. De Maasduinen ligt op een afstand van circa 3,5 kilometer meter van het plangebied. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere de realisatie van het bedrijfsgebouw (aanlegfase) en een toename van het aantal verkeersbewegingen (gebruiksfase). Om te bepalen of de ontwikkeling een significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden (een toename groter dan 0,00 mol/ha/ jaar), zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies weergegeven. De separate berekeningen zijn in de bijlagen bijgevoegd.

Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hierdoor wordt geconcludeerd dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling heeft geen onevenredige negatieve invloed op Natura 2000-gebieden.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd om te bepalen of de ontwikkeling een negatief effect heeft op mogelijk voorkomende flora en fauna. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage. Vogels Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met (niet)jaarrond beschermde nesten. Tijdelijke schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op aanwezige nesten noodzakelijk.

31

Vleermuizen De te ontwikkelen kavels zijn geen essentiële foerageergebieden voor vleermuizen door de afwezigheid van geschikte structuren zoals bomenrijen/singels en bebouwing. Vleermuissoorten, als de laatvlieger en rosse vleermuis, kunnen het plangebied hoog passeren, maar de geplande werkzaamheden hebben hier geen negatief effect op. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Nader onderzoek naar negatieve effecten op vleermuizen wordt niet nodig geacht. Overige soorten Voor overige soorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van een geschikt habitat. Ook is het plangebied nagenoeg niet geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Limburg een vrijstelling geldt door de afwezigheid van een geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Op basis van bovenstaande informatie welke uit de Quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend onderzoek uit te voeren voorafgaand aan de geplande werkzaamheden. Bij de uitvoering van werkzaamheden blijft de algemene zorgplicht onverminderd van toepassing. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Venlo (figuur 8) is er binnen het plangebied geen sprake van archeologische verwachtingswaarden. De archeologische beleidskaart van de gemeente Horst geeft aan dat er nog wel archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied (figuur 9). Het plangebied is in de jaren 2010 tot 2014 archeologisch onderzocht.

Naar aanleiding van deze onderzoeken is het plangebied vrijgegeven. Nader archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

32

Figuur 8: Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo met plangebied rood omcirkeld

Figuur 9: Uitsnede archeologische beleidskaart Horst aan de Maas met plangebied rood omcirkeld

33

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen de planlocatie. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit Het te ontwikkelen bedrijfskavel ligt binnen een bestaand bedrijventerrein. Bij het ontwikkelen van het bedrijventerrein waaronder de ontsluitingswegen op het terrein is reeds rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Dit om een zo toekomstbestendig mogelijk bedrijventerrein te creëren. De ontsluitingen binnen het bedrijventerrein Fresh Park Venlo zijn erop gericht om het aantal verkeersbewegingen als gevolg van bedrijvigheid in de verssector te kunnen verwerken. Het bedrijventerrein staat rechtstreeks in verbinding met de provinciale weg N295 en de A73. Deze wegen kunnen een toename als gevolg van het toevoegen van slechts één bedrijf zonder problemen verwerken. Kortom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van mobiliteit. Het aanpassen van de huidige infrastructuur is niet aan de orde.

5.6.2

Parkeren In het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat de meeste toegelaten functies binnen Fresh Park Venlo een verkeersaantrekkende werking hebben in de zin dat ze leiden tot autoverkeer door bezoekers en werknemers en vrachtverkeer in verband met laden en lossen. Deze parkeerdruk moet in principe allereerst op het eigen terrein worden opgevangen. Het plangebied ligt binnen twee gemeentegrenzen, waarbij beide gemeenten eigen parkeernormen hanteren. Deze parkeernormen betreffen richtlijnen. Onderhavige herziening van het bestemmingsplan zorgt niet voor een uitbreiding van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. De realisatie van de bedrijfshal is formeel immers reeds mogelijk binnen de geldende planologische mogelijkheden uit het huidige bestemmingsplan. Onderhavige herziening ziet, middels het recht trekken van de betreffende kavel, enkel toe op het efficiënter gebruik van de beschikbare ruimte. Aangezien de realisatie van de bedrijfshal reeds mogelijk is op basis van de huidige regelgeving is toetsing aan de parkeernomen in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde. Bij de vergunningsaanvraag 34

‘Bouwen’ zal echter nog wel moeten worden aangetoond en uitgewerkt dat (en op welke wijze) het bouwplan voldoet aan de geldende parkeernormen.

35

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In het geval van onderhavige ontwikkeling wordt in het kostenverhaal voorzien via de verschuldigde leges. Daarnaast wordt een planschadeovereenkomst tussen de gemeenten en de initiatiefnemer worden gesloten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende geborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14047588/1