CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Bp Blaktweg Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Blaktweg 10a, Melderslo.10.623 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Blaktweg 10a, Melderslo NL.IMRO.1507.MLBLAKTWEG10A-BPV1

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” NL.IMRO.1507.MLBLAKTWEG10A-BPV1

Opdrachtgever/Initiatiefnemer: Naam en Voorletters

:

Correspondentieadres Postcode en Woonplaats

Familie Driessen Vlasvenstraat 41

:

5962 AC Melderslo

Opgesteld door

:

Arvalis Adviseurs

Naam en voorletters

:

Rutten, J. en Bergsma,T.

Adres

:

Postbus 5043

Postcode en woonplaats

:

5800 GA Venray

Telefoon

:

06-20995446 / 06-55 720230

E-mailadres

:

JRutten@arvalis.nl / TBergsma@arvalis.nl

Opdrachtnemer / Gemachtigde

Inhoudsopgave 1

2

3

INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

1

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

2

1.3

Vigerend bestemmingsplan

3

1.4

Bij het plan behorende stukken

3

1.5

Leeswijzer

3

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED Algemeen

5

2.2

Ruimtelijke structuur

5

BELEID

6

3.1

Inleiding

6

3.2

Rijksbeleid

6

3.4

3.5

3.6

Structuurvisie infrastructuur en ruimte

6

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

7

Ladder van duurzame verstedelijking

8

Provinciaal beleid

9

Provinciaal omgevingsplan Limburg

9

Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte”

10

Regionaal beleid

13

Naar een toekomstbestendige woningvoorraad in regio Venray e.o.

13

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

13

Gemeentelijk beleid

14

Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas

14

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

16

Conclusie

PLANBESCHRIJVING 4.1

5

5

2.1

3.3

4

1

Stedenbouw

SECTORALE ASPECTEN

17

18 18

19

5.1

Inleiding

19

5.2

Milieuaspecten

19

Milieueffectrapportage

19

Bodem en grondwaterkwaliteit

20

Geluid

21

Luchtkwaliteit

21

Spuitzone

23

Geur veehouderijen

24

Gezondheid

25

Bedrijven en milieuzonering

25

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

1

Externe veiligheid 5.3

7

28

Provinciaal Waterplan Limburg

28

Watertoets

29

5.4

Kabels en leidingen

30

5.5

Ecologie

30

5.6

Archeologie en Cultuurhistorie

32

5.7

6

Waterparagraaf

27

Cultuurhistorische en aardkundige waarden

32

Archeologische waarden

33

Verkeer en parkeren

34

UITVOERBAARHEID

35

6.1

Economische uitvoerbaarheid

35

6.2

Handhaving

35

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

JURIDISCHE TOELICHTING

37

Bijlagen: 1. Verkennend Bodemonderzoek 2. Flora- en fauna-inspectie 3. Archeologisch rapport 4. Aerius berekening Realisatiefase en gebruiksfase woning worst case

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

2

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Familie Driessen (hierna te noemen initiatiefnemers) zijn voornemens een woning op te richten op de locatie Blaktweg 10A te Melderslo (kadastraal bekend gemeente Horst, sectie T nr 1318 (ged.) zoals onderstaand weergegeven.

Afbeelding 1, Uitsnede indicatieve plangebied

Initiatiefnemers zijn voornemens een vrijstaande woning te realiseren op het kadastrale perceel. Daarnaast dienen aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gerealiseerd tot een totale omvang van 600 m2. Het perceel kent een totale breedte grenzend aan de Blaktweg van ca. 45 meter en is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. Het perceel is momenteel in gebruik als akkerbouwgrond aan de rand van de kern Melderslo (woningen overzijde liggen in bebouwd gebied). De huidige eigenaren zijn bereid het perceel te verkopen aan de initiatiefnemers. De bestemming zal gewijzigd moeten worden in de bestemming “wonen” om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Er is door de initiatiefnemers een principeverzoek ingediend. Daarop heeft de gemeente Horst aan de Maas een principestandpunt kenbaar gemaakt. Hieruit blijkt dat in principe medewerking verleend kan worden aan het verzoek, onder voorwaarden dat:

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

1

- De bouwkavel mag maximaal 1500 m² zijn; - De woning dient te worden gebouwd overeenkomstig de bepalingen van de bestemming “Wonen” in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”; - Het plan dient stedenbouwkundig te worden ingepast; - Er middels een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangetoond dat er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd; - Er wordt een planschadeverhaalsovereenkomst ondertekend. Onder voorwaarden heeft de gemeente in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van een woning op de betreffende locatie. Een van deze voorwaarden die de gemeente stelt voor het realiseren van een nieuwe woning is een kwaliteitsverbetering. De tegenprestatie heeft vorm gekregen door het inzetten van een bouwcontingent welke is voortgekomen uit flinke sloop van bedrijfsbebouwing op een andere locatie Aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Dit zal duidelijk worden gemaakt in het voorliggende bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Blaktweg tussen de nummers 10 en 12. Rondom de locatie zijn particuliere woningen aanwezig en enkele (agrarische) bedrijven. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Horst sectie T nummer 1318 (ged.).

Afbeelding 2, Uitsnede met bouwvlak (indicatief) Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

2

1.3

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.5.

De beoogde locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het vigerende bestemmingsplan is “Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas”. De regels behorende bij het bestemmingsplan het Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas met identificatienummer NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPV1 van de Gemeente Horst aan de Maas zijn onverkort van toepassing. In het wijzigingsplan heeft de locatie de enkelbestemming “Agrarisch met Waarden”, de dubbelbestemming “Waarde Archeologie 3, 4 en 7” en de gebiedsaanduidingen “overige zone Kampen”. Binnen deze bestemming, dubbelbestemming en aanduidingen is de realisatie van een woning niet toegestaan. Een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om dit wel mogelijk te maken. Deze ligt nu voor.

1.4

Bij het plan behorende stukken

Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: •

gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2;

•

het actuele beleid, hoofdstuk 3;

•

planbeschrijving hoofdstuk 4;

•

Toetsing van het plan aan de sectorale aspecten, hoofdstuk 5;

•

Uitvoerbaarheid van het plan, hoofdstuk 6;

•

Juridische toelichting, hoofdstuk 7.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

3

2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1

Algemeen

De projectlocatie van de woning ligt aan de Blaktweg aan de rand van de kern Melderslo. Het betreft een gebied dat gemengd in gebruik is door (agrarische) bedrijven en woningen. Bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en burgerwoningen wisselen elkaar af.

Initiatiefnemers zijn voornemens om op de locatie een burgerwoning te realiseren.

2.2

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerbouwgrond. Het voorliggende plan maakt een nieuwe burgerwoning mogelijk in een open ruimte tussen twee bestaande burgerwoningen.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

5

3 BELEID 3.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een beeld van de randvoorwaarden die vanuit het beleid gelden betreffende onderhavige ontwikkeling. De beleidskaders zijn op verschillende schaalniveaus beschreven. Aan bod komt het rijksbeleid, provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid Structuurvisie infrastructuur en ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. In de SVIR legt het Rijk de ambities voor Nederland in 2040 vast, er wordt dus een visie gepresenteerd van waar Nederland in 2040 moet staan. Dit gebeurt aan de hand van (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven zowel bovengronds als ondergronds voor de toekomst moeten bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Dit betekent onder andere dat het Rijk een aantrekkelijk vestigingsklimaat wil ontwikkelen, waarbij de concurrentiekracht voor internationale bedrijven en een economische ontwikkeling wordt versterkt. Hierbij zijn onder andere sterke stedelijke regio’s nodig, waarbij een goede ‘quality of life’, optimale bereikbaarheid en goede (logistieke) verbindingen met Europa en de wereld het uitgangspunt zijn. Om deze ambities waar te kunnen maken vraagt het Rijk ook steun aan de decentrale overheden, de diverse marktpartijen en kennisinstellingen. Naast deze ambities voor de lange termijn kiest het Rijk tevens drie concrete doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), te weten: •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;

•

Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;

•

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Hierbij maakt het Rijk gebruik van verschillende nationale belangen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn en resultaten wil boeken. Onderhavig plan heeft echter geen invloed op de beschreven doelen die het Rijk nastreeft. De beoogde ontwikkeling heeft een te kleinschalig karakter om hier effect op te hebben.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

6

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen.

In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In paragraaf 5 van de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’.

Met de realisatie van de woning aan de Blaktweg worden geen van de genoemde belangen geschaad. Het woningbouwinitiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

7

Locatie

Afbeelding 3, Uitsnede besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het plangebied werken geen regels vanuit het Barro rechtstreeks door en hoeft hiermee dan ook geen rekening te worden gehouden. Ladder van duurzame verstedelijking Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijk ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin dit gebied ligt.. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro geeft aan dat de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden. De motivering is, afhankelijk van de locatie, in drie treden opgebouwd: - Trede 1: bepalen regionale vraag: is er een actuele regionale behoefte? - Trede 2: is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen in bestaand stedelijk gebied? (indien het antwoord op deze vraag positief is en geen sprake is van ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, is de motivering afgerond); - Trede 3: zo nee, zoek een locatie die multimodaal ontsloten kan worden voor de (resterende) regionale behoefte.

De ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De onderhavige projectlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, er wordt één woning toegevoegd. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4) blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

8

3.3

Provinciaal beleid Provinciaal omgevingsplan Limburg

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (het POL) is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinicale Staten van de provincie Limburg en is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen. Het is zowel Structuurvisie, Streekplan, Waterhuishoudingplan, Milieubeleidsplan, als Verkeer en vervoerplan, en bevat de hoofdlijnen van de fysieke onderdelen van het economische, en sociaal-culturele beleid.

Binnen Limburg maakt de provincie allereerst onderscheid tussen bebouwd gebied en landelijk gebied. Dit onderscheid hangt samen met de ambities gericht op enerzijds vitale en sterke steden, leefbaarheid van kernen en bereikbaarheid van voorzieningen in zijn algemeenheid, en anderzijds het behoud van een goede landbouwstructuur, veerkrachtige watersystemen en robuuste natuurnetwerken.

Locatie

Afbeelding 4, POL kaart1, zonering Limburg

Toetsing. Het projectgebied is op grond van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg aangeduid als “Landelijk gebied, buitengebied”. Landelijk gebied

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

9

Dit is het gebied buiten de steden, plattelandskernen en bedrijventerreinen. De contramal dus van het bestaand bebouwd gebied. Een rijk geschakeerd gebied bestaande uit rivier- en beekdalen, hellingen, landbouwgronden, glastuinbouw, bos- en natuurgebieden, delfstofwinningen, solitaire woningen en bedrijfsgebouwen, linten en clusters van bebouwing, verblijfsrecreatieve terreinen e.d. en doorsneden met allerlei vormen van infrastructuur. Het landelijk gebied wordt op hoofdlijnen en indicatief onderverdeeld in 4 zones: goudgroene natuurzones, zilvergroene natuurzones, bronsgroene landschapszone en buitengebied. Buitengebied Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. De betekenis en begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied De grens tussen het bestaand bebouwd gebied en het landelijk gebied is een belangrijke grens, onlosmakelijk onderdeel van de ladder van duurzame verstedelijking, één van de Limburgse principes. Via regionale uitwerking vindt concretisering van het POL2014 plaats. Deze regionale uitwerkingen zouden ruimte moeten bieden om complexe zaken regionaal op te pakken, met grensoverschrijdende inspiratie en denkkracht voor ontwikkeling van instrumenten.

Deze regionale uitwerkingen bieden de kans bij bijvoorbeeld het zoeken naar de meest geschikte locaties, aanspraak op middelen en capaciteit en de mogelijkheid voor regionale afstemming. Op dit moment is er echter nog geen sprake van een vastgestelde regionale uitwerking voor het landelijk gebied.

Het voorgenomen initiatief past goed binnen de uitgangspunten van Provinciaal Omgevingsplan Limburg, binnen de aanduidingen ‘landelijk gebied’ en ‘buitengebied’. De voorliggende ligt namelijk tegen de kern van Melderslo aan. Rondom de locatie zijn reeds meerdere woonlocaties aanwezig. Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

10

De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.

Locatie

Afbeelding 5, uitsnede provinciale omgevingsverordening met aandachtsgebieden.

De volgende onderdelen uit de provinciale omgevingsverordening zijn van belang voor de gevraagde ontwikkeling; o

Boringsvrije zone / Venloschol

Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c.

een gesloten bodemenergiesysteem te hebben;

d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onderhavig perceel ligt op 23 m + NAP. Dit betekend in praktijk dat derhalve een put geboord mag worden van 18 m diepte. Dit is voor onderhavig initiatief niet nodig. Mocht in de toekomst toch dieper in de bodem gewerkt worden, dan dient ontheffing aangevraagd te worden.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

11

3.3.2.1

Gewijzigde omgevingsverordening

Onlangs is de gewijzigde omgevingsverordening door de provincie vastgesteld. Als toevoeging aan de omgevingsverordening moet ook worden voldaan aan de verplichtingen uit het gewijzigde artikel 2.4.2. Deze staan hieronder opgesomd:

1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van wonngen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving MiddenLimburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien: a. er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen ZuidLimburg; en b. het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 5.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen.

In dit kader zijn de leden 1, 5 en 6 van toepassing. De voorliggende ontwikkelingen aan de Blaktweg sluiten aan bij het gestelde in de gewijzigde omgevingsverordening. De nieuwe situatie maakt één woning mogelijk. De onderhavig ontwikkeling sluit aan bij het gestelde in de gewijzigde omgevingsverordening. De nieuwe situatie maakt de realisatie van één woning mogelijk welke aansluit bij de behoefte van de kern. Het plan leidt

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

12

weliswaar tot een toename van de woningvoorraad, maar draagt bij aan het verbeteren van de leefbaarheid van plattelandskernen doordat er een woning gebouwd kan worden waar behoeft aan is. 3.3.2.2

Conclusie

Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat het voorliggende initiatief passend is in zowel de Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” als in de gewijzigde omgevingsverordening.

3.4

Regionaal beleid Naar een toekomstbestendige woningvoorraad in regio Venray e.o.

Tot 1 januari 2010 bestond regio Venray e.o. uit de gemeenten Venray, Horst aan de Maas, Sevenum en Meerlo-Wanssum. Na de fusie bestaat regio Venray e.o. nog uit twee gemeenten: Venray en Horst aan de Maas. Deze regio-indeling hanteert de provincie voor beleidsvraagstukken over wonen c.q. volkshuisvesting. Naar aanleiding van een bestuurlijk overleg tussen gemeenten Venray en Horst aan de Maas werd verklaard (procesdocument ondertekend 15 november 2010) dat Venray en Horst aan de Maas het belangrijk vinden om op bovengemeentelijk niveau afspraken met elkaar te maken en gezamenlijk beleid te gaan voeren ten aanzien van een aantal onderwerpen op het terrein van volkshuisvesting. Regio Venray e.o. geeft de voorkeur aan regionale samenwerking met regio Venlo, dat wil zeggen samenwerking met de gemeenten Venlo, Peel en Maas en Beesel. Ook vanuit regio Venlo is aangegeven dat zij op het terrein van volkshuisvesting afstemming willen met onze regio Venray e.o. Met de samenwerking tussen gemeenten wordt gedoeld op de kwalitatieve aspecten van het wonen. De kwantitatieve opgave wordt hierbij gezien als een lokale aangelegenheid waarbij men onderling in gesprek gaat over de te ontwikkelen plannen zonder bindende afspraken te maken over aantallen woningen. Dit heeft geresulteerd in de Regionale woonvisie Venray e.o. (23 maart 2012).

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Deze ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt de opvolger van de ‘Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

In de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 wordt aangegeven dat in de regio NoordLimburg wordt gewerkt met een kwalitatieve richtlijn waaraan nieuwe woningbouwplannen moeten worden getoetst. Deze kwalitatieve richtlijn omvat zes pijlers welke de kern vormen van onderhavige woonvisie.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

13

1. Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen 2. Koppelkansen 3. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot 4. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve 5. We streven sociaal duurzame woonconcepten na 6. We zoeken aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn.

Onderhavige planontwikkeling voorziet in de toevoeging van één woning, zonder dat slechte woningvoorraad wordt geschrapt. Het betreft een moderne reguliere woning, waardoor sprake is van een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad. Het realiseren van een woning aan de Blaktweg 10 A betreft de invulling van een open plek tussen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied en nabij een kern. De woning wordt ter plaatse ingepast en afgestemd op de aanwezige ruimtelijke structuur en voltooit daarmee het straatbeeld ter plaatse. Hiermee is sprake van ‘inbreiding’ binnen bestaand bebouwd gebied.

Het voornemen is om een grondgebonden vrijstaande woning te realiseren op een open plek binnen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied, die nieuw gerealiseerd wordt en daarmee kwalitatief wel gewenst is. Er wordt daarmee voldaan aan het principe van ‘de juiste woning op de juiste plek’.

Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een particulier initiatief van de toekomstige eigenaar, er vindt een toevoeging plaats van één (burger)woning. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de vraag geacht mag worden te zijn verzekerd.

Met inachtneming van bovenstaande uiteenzetting is onderhavig planvoornemen in overeenstemming met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’.

3.5

Gemeentelijk beleid Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas

Binnen de Integrale Structuurvisie “Horst aan de Maas” van de gemeente Horst aan de Maas, zoals vastgesteld door de raadsvergadering van d.d. 9 april 2013, is samenvattend het navolgende over het realiseren van een (burger)woning beschreven.

De gemeente Horst aan de Maas wil in het samenwerkingsverband regio Noord-Limburg, bestaande uit de regio’s Venlo, Maasduinen en Venray en omgeving, samenwerken voor wat betreft de Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

14

kwalitatieve aspecten van wonen. Samen met de gemeente Venray heeft gemeente Horst aan de Maas in dat kader een gezamenlijke kwalitatieve woonvisie opgesteld Hierin is gezamenlijk beleid voor een aantal onderwerpen op het terrein van volkshuisvesting geformuleerd (zoals arbeidsmigranten, veranderende bevolkingssamenstelling, kwaliteitsslag, wonen, welzijn en zorg). Deze regionale woonvisie is door de Raad vastgesteld op 15 mei 2012. De kwantitatieve woningbouwopgave wordt gezien als een lokale aangelegenheid. De gemeente wil dat de verschillende gemeenten elkaar op regionaal niveau goed over de te ontwikkelen plannen informeren en met elkaar in gesprek gaan, zonder bindende afspraken te maken over aantallen woningen. In Noord- en Midden-Limburg kan, onder voorwaarden, sprake zijn van uitbreidingslocaties aansluitend aan de contour rondom de plattelandskernen. Daarbij is voor deze locaties, naast een kwalitatief goede landschappelijke inpassing, een bijdrage ten behoeve van de kwaliteit verbeterende maatregelen vereist. Wat die kwaliteitsbijdrage moet zijn, is uitgewerkt in het Gemeentelijke kwaliteitsmenu.

In het buitengebied van Horst aan de Maas geldt voor nieuwe solitaire woningen een voorwaardelijke grondhouding. Het voorliggende is gelegen in een bebouwingslint. Het GKM stelt dat solitaire woningbouw dan wordt toegestaan als ook een knelpunt wordt opgelost en een financiële bijdrage gedaan wordt voor gebiedsverbetering. Bovendien dient de woningbouw te passen in de regionale woningbouwafspraken en de afspraken met betrekking tot Ruimte voor Ruimte. Het oplossen van een knelpunt zoals gesteld wordt in de structuurvisie is hier niet aan de orde. Middels een kwaliteitsbijdrage wordt hier invulling aan gegeven. De kwalitatieve verbetering is vastgelegd in een anterieure overeenkomst.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

15

Afbeelding 6, Uitsnede Gebiedsindeling volgens gemeentelijk kwaliteitsmenu Horst aan de Maas.

Het perceel aan de Blaktweg is volgens de structuurvisie Horst aan de Maas gelegen in het deelgebied 3b ‘het Agrarisch gebied ten oosten van Horst en de A73’. De module nieuwe solitaire woningen is van toepassing. Voor het toevoegen van een solitaire woning geldt een voorwaardelijke grondhouding ‘nee, tenzij’. Het plan is gelegen in een lint en daarom planologisch akkoord. Ook door de flinke sloop van bedrijfsbebouwing op een andere locatie is hiermee de compensatie uitgevoerd. Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het masterplan Wonen geeft de hoofdlijnen aan van het beleid dat de gemeente Horst aan de Maas voor ogen staat. Voor de komende vier jaar is de kern daarvan: behouden van de betaalbare voorraad en het optimaal benutten van mogelijkheden voor meer doorstroming. Goed Wonen voor iedereen én Bouwen naar behoefte zijn daarbij de uitgangspunten voor het volkshuisvestelijk beleid van Horst aan de Maas. In het Masterplan Wonen zijn drie beleidsopgaven geformuleerd

1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en bestaande wijken door verduurzaming in brede zin. Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

16

Het onderhavige plan leidt tot een toename van de woningvoorraad met één woning en past binnen het masterplan wonen. Het betreft de bouw van één woning voor de initiatiefnemers. Hiervoor wordt een bouwcontingent aangekocht.

3.6

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de gevraagde ontwikkeling voldoet aan het nationaal beleid, provinciaal beleid en tot slot het gemeentelijk beleid voor wat betreft de structuurvisie.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

17

4 PLANBESCHRIJVING 4.1

Stedenbouw

Afbeelding 6, Uitsnede verbeelding

In bovenstaande uitsnede is aangegeven hoe het plangebied er uit komt te zien. De binnen het plangebied te realiseren woning zal voldoen aan de regels behorende bij het bestemmingsplan. Het bouwvlak is in lijn met de omliggende bouwvlakken Blaktweg 10 en Blaktweg 12.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

18

5 SECTORALE ASPECTEN 5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt vanuit verschillende sectorale aspecten (o.a. milieu, veiligheid, water, natuur en archeologie) het initiatief getoetst of men zal voldoen aan de criteria van deze aspecten.

5.2

Milieuaspecten Milieueffectrapportage

5.2.1.1

Toets m.e.r.-plicht

In het plangebied wordt de nieuwbouw van één woning mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. 5.2.1.2

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woning valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorliggende ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarden, waardoor een m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk is. 5.2.1.3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief omvat de ontwikkeling van één nieuwe woning. Gezien de kleinschaligheid van deze ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

19

Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Bodem en grondwaterkwaliteit De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid.

Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit het geval. Bij bestemmingswijzigingen en/of planologische ontheffingen ten behoeve van de uitbreiding van een bouwvlak staat in de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling van de provincie Limburg de te volgen handelswijze weergegeven met betrekking tot bodemonderzoek. Bij wijzigen van het gebruik Agrarisch gebied of Agrarisch gebied met landschappelijke waarde of andere specifieke waarden, een bodemonderzoek te worden uitgevoerd conform NEN 5707 en NEN 5740.

Door HMB B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en cadmium aangetoond. Voor het licht verhoogde gehalte minerale olie in de bovengrond is geen duidelijke bron of oorzaak aan het licht gekomen. Op basis van de fractieverdeling en het chromatogram van de aangetoonde minerale olie is het soort minerale olie niet eenduidige vast te stellen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium en cadmium) is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe belemmering voor het planvoornemen. Ook geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding om nader bodemonderzoek uit te voeren.

Er dient rekening mee gehouden te worden dat bij afvoer van grond buiten de perceelgrenzen, deze mogelijk niet als “altijd toepasbaar” kan worden aangemerkt. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond van de locatie kan er sprake zijn van

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

20

verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden.

Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect bodem en grondwaterkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).

De planlocatie ligt aan een 30 km/h weg. Dit is de Blaktweg. Verkeerslawaai speelt derhalve geen kwestie meer als het gaat om de geluidbelasting op de nieuw te realiseren woning.

Industrie en spoor- en vaarweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen welke een geluidbelasting op de geplande woningen kunnen hebben.

Een spoorweg is op meer dan 1 km van de planlocatie gelegen. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting.

Vaarwegen komen voor op een afstand van circa 5,5 kilometer van de planlocatie. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

21

•

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken

•

mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden. De voorlopig looptijd is in 2014 verlengd tot en met 31 december 2016. De reikwijdte en werking van het NSL veranderd daardoor niet. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5.

Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert.

Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a.

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

22

Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-grens

3%-grens

1.500

3.000

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt. Bij dit initiatief wordt planologisch gezien één woning gerealiseerd. Als gevolg van de bouw van één woning wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven.

Er wordt één woning ,mogelijk gemaakt. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Spuitzone Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht wordt gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van boom- en fruitteelt wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen boom- en fruitteelt en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. In het vigerend bestemmingsplan is de regeling met betrekking tot het gebruik van gronden voor fruitteelt en boomteelt aangepast ten opzichte van eerdere bestemmingsplannen.

Tot een strijdig gebruik wordt sindsdien gerekend het gebruiken van gronden voor fruitteelt en boomteelt voor zover gebruik wordt gemaakt van een op- en zijwaartse spuittechniek voor het aanbrengen van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 30 m vanaf van (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen. In de uitzondering hierop zijn voorbeelden gegeven waarin in ieder geval geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat.

Qua spuitzones voldoet de ontwikkeling aan de geldende richtafstanden. Binnen 50 meter van de toekomstige woning aan de Blaktweg wordt momenteel niet gespoten. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van een inrichting waar mogelijk sprake kan zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De omliggende gronden kunnen in de toekomst echter anders gebruikt worden . In dat geval dient omgekeerd aan de woning getoetst te worden.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

23

Geur veehouderijen Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. De oprichting van de woning heeft geen toename van geurhinder voor de omgeving tot gevolg. De woning kan wel geurhinder ondervinden van omliggende veehouderijen. De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv vastgesteld op 14 OU/m3 (voorgrondbelasting).

Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). In de directe nabijheid (straal van 500 meter) is er geen sprake van locaties waar op professionele wijze dieren worden gehouden. De afstand van veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt dan ook ruimschoots voldaan. Voor veehouderijen waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden zijn op een dermate grote afstand gelegen dat gesteld wordt dat aan de eis van 14 OU/m3 voldaan wordt. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen.

De bestemmingswijziging heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. Ook dient bij het aspect geur de achtergrondbelasting te worden beoordeeld of er ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit betreft het cumulatieve effect van alle veehouderijen in de omgeving op de nieuwe woning. Daar de afstand tot de veehouderijen zo groot is (meer dan 500 Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

24

meter) wordt geconcludeerd dat ter plaatse is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. Gezondheid In de onderhavige situatie is sprake van een nieuw te bouwen woning aan de Blaktweg. De beoogde aanpassing van de bestemming van agrarisch naar wonen heeft geen invloed op de endotoxine belasting.

Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven waar geiten worden gehouden. Het dichtstbij gelegen geitenbedrijf Losbaan 42 in Lottum ligt op ca. 1.750 meter afstand van het plangebied. Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018. In dit onderzoek wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is ervoor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in te stellen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Het is niet mogelijk één veilige afstand aan te geven. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed: landgebruik (akkers, weilanden, bebouwing, bos), het type veehouderij, de soort uitstoot (fijnstof, endotoxinen, micro-organismen, ammoniak, geur) en het type stal in combinatie met het aantal dieren. De Gezondheidsraad geeft aan dat er voor een algemeen geldende afstand geen wetenschappelijke onderbouwing is.

Een afstand ontstaat uit een beleidsmatige afweging tussen de, soms onzekere, risico's voor de omwonenden en het belang van de betrokken veehouderij. De situatie zal daarom altijd ter plaatse moeten worden beoordeeld. Aangezien het plan op 1.750 meter van een geitenhouderij van beperkte omvang is gelegen, vormt dit geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Gezondheid vormt hiermee geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Bedrijven en milieuzonering Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

25

de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Rondom het plangebied liggen enkele woningen. De omgeving wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van een bedrijfsbestemming bestemd als specifieke vorm van bedrijf – houtverwerkingsbedrijf.

Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van bestaande en nieuwe functies plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (2009). De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied.

In dat geval kunnen de richtafstanden, blijkens de toelichting op de systematiek, zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype “gemengd gebied”. Toets plangebied

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

26

De nieuw op te richten woning is een milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen en anderzijds mogen die bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Binnen een straal van 200 meter rondom de locatie zijn enkel woningen gelegen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat wordt voldaan aan de richtafstanden welke in het kader van de richtlijn bedrijven en milieuzonering gehanteerd moeten worden.

De woning kan voldoen aan de richtafstanden die gelden en vormt dan ook geen belemmering voor de omliggende bedrijven en anderzijds is in de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Externe veiligheid

Locatie

Afbeelding 7, Bron; Risicokaart.nl

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

27

Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de nabijheid van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour.

Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

5.3

Waterparagraaf

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. Provinciaal Waterplan Limburg Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

28

Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied.

De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

29

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het toevoegen van een woning. Er zal een infiltratievoorziening worden gerealiseerd op eigen terrein welke aan de voorwaarden voldoet. Hieraan zal invulling worden gegeven op het moment dat een definitieve ontwerptekening van de woning beschikbaar is.

Er wordt een infiltratievoorziening gerealiseerd in de vorm van een infiltratiegreppel. Deze krijgt een capaciteit, groot genoeg om aan het uitgangspunt 100 mm berging per 24 uur te voldoen. De exacte berekening van deze infiltratiegreppel wordt gedaan als de exacte maatvoering van de verharding binnen het plangebied bekend is. Voor wat betreft het vuilwater wordt te zijner tijd een aansluiting aangevraagd via de gemeentelijke website.

5.4

Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Ecologie

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora - en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. De provincie is primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen.

Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken. Verder gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te

Bestemmingsplan “Blaktweg 10A Melderslo” gemeente Horst aan de Maas

30

laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is wel komen te vervallen. Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10229735/2