03c AAA Toelichting
Tekst van het document
Indien de agrariër de glastuinbouwkas buiten het aangegeven bouwvlak wenst uit te breiden en dus binnen 50m komt ten opzichte van de beoogde woonbestemming , dan kan dat alleen in afwijking van het omgevingsplan en dient er getoetst te worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is er ook sprake van de zogenaamde omgekeerde werking en zal voor de uitbreiding van de tuinbouwkas buiten het bouwvlak rekening gehouden moeten worden met de aangrenzende woningen , dus ook met de woningen die er nu al liggen. De realisatie van de beoogde woning is dan niet extra beperkend om reden dat er in de huidige situatie al rekening gehouden moet worden met de bestaande woningen. Bovenstaand maakt dat het aspect ‘spuitzones’ geen belemmering meer vormt voor het heersende woon- en leefklimaat en dus voor onderhavig planvoornemen. 4. 1. 8. Gezondheid De beoogde aanpassing van de bestemming van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ heeft geen invloed op de endotoxine belasting. Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III , longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018. In dit onderzoek wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking.
Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is ervoor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in te stellen. Uit het onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden in 2024 verwacht. Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven die in of nabij de gemeentegrenzen gelegen zijn waar geiten worden gehouden. In de nabijheid van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Aangezien in de nabijheid van het plangebied geen geitenhouderij is gelegen vormt dit geen belemmering. Gezondheid vormt hiermee geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
23
4. 2.
Ruimtelijke aspecten
4. 2. 1. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren , zoals milieurisico’s , transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie , het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); • Structuurvisie buisleidingen; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; • Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven , vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor , over de weg , het water) , hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. • •
Plangebied
Afbeelding 13. Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart. nl).
Op circa 280 m van het plangebied bevindt zich een lpg-explosieaandachtsgebied. Op circa 500 m van het plangebied bevindt zich de A73. 24
Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico: De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. 4. 2. 2. Cultuurhistorie en Archeologie 4. 2. 2. 1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden , waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt , maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch , historisch- landschappelijk , historisch- , geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken , zoals archeologische elementen , beplanting , reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling , slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing van Veld-Oostenrijk en binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. 4. 2. 2. 2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta.
De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ , dus in de grond , te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.
Materiële erfenissen die in de bodem bewaard zijn gebleven kunnen vertellen hoe de mensen vroeger leefden. Om deze erfenissen veilig te stellen heeft de gemeente Horst aan de Maas de actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. De gemeenteraad heeft op 26 mei 2015 dit beleid vastgesteld. Het archeologisch beleid is door vertaald in de regels van het Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. Voor het plangebied geldt de “Waarde – Archeologie 3”. Door Archeopro is op de locatie een vooronderzoek archeologie uitgevoerd (bijlage 3). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot archeologisch vervolgonderzoek. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Het bovengenoemd onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden. Dit selectiebesluit is toegevoegd als bijlage 7. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen , deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016 , artikel 5. 10 & 5. 11.
25
Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek vormt archeologie geen belemmering voor onderhavig plan. 4. 2. 3. Mobiliteit en parkeren De nieuwe ontwikkeling maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse nauwelijks. De nieuwe woning worden ontsloten op VeldOostenrijk welke hiervoor voldoende capaciteit heeft. Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Aangezien de locatie zich buiten de bebouwde kom bevindt zijn 2 parkeerplaatsen per woning benodigd. Voor de nieuw te realiseren woning geldt dat parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein , hiervoor is op de locatie meer als voldoende ruimte.
4. 3.
Flora en Fauna
4. 3. 1. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten westen van het plangebied is het Natura2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 84, kilometer. Ten noorden van de locatie bevindt zicht het Natura200 gebied Boschhuizerbergen op circa 85, kilometer. In onderstaande tabel uit de handreiking Woningbouw en Aerius wordt duidelijk dat de emissies in zowel in de aanleg- als gebruiksfase bij woningbouwprojecten tot 50 woningen en op een afstand van 8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel – 8km) 000 , mol/ha/jaar bedraagt.
Tabel 4. Indicatieve depositie Handreiking Woningbouw en Aerius.
Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden. Voor de bouw- en gebruiksfase van onderhavig plan is tevens een berekening met AERIUS CALCULATOR gemaakt , deze is toegevoegd als bijlage 4. Gebruiksfase:
26
Sinds 1 juli 2018 is het voor nieuwe woningen niet meer toegestaan een gasaansluiting te realiseren. Vanuit de nieuwe woningen vindt derhalve geen uitstoot van NOx door het verbranden van gas plaats. De enige wijze van uitstoot in en bij de woningen is door uitstoot van verkeer. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • •
Functie: vrijstaande woning Gebiedstype: buitengebied , niet stedelijk gebied
Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 78, en maximaal 86, verkeersbewegingen. In de bijgevoegde Aerius berekening is worst case uitgegaan van een verkeersgeneratie van 25 per etmaal. Aanlegfase: Ook tijdens de bouwfase is er sprake van stikstofemissie (tijdelijk). Zowel door de aanvoer van materialen als het gebruik van mobiele werktuigen op de locatie. Op dit moment is de definitieve bouwfase nog niet bekend. Uitgaande van een worstcase scenario is gerekend met een verkeersgeneratie en gebruik mobiele werktuigen van een vergelijkbare woning. Zoals blijkt uit de Aerius berekening heeft de gevraagde ontwikkeling op een dergelijke afstand geen significante negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van de gebieden. De NB-wet is hiermee geen belemmering voor het initiatief. 4. 3. 2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime
soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime
soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn , Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime
andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren , amfibieën , reptielen , vissen , dagvlinders , libellen , kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk , hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Op de locatie is door Faunaconsult een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 5). In het plangebied komen mogelijk diersoorten voor die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten) , hiervoor geldt in Limburg een vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg , 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden , zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Binnen het 27
plangebied zijn geen gebouwen aanwezig , daarom is het uitgesloten dat er huismus- en gierzwaluwnesten of verblijven van gebouw bewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1. 11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen , moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen , zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
4. 4.
Landschappelijke inpassing
Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In het landschappelijk inpassingsplan is onder meer rekening gehouden met de nabijgelegen woonbestemmingen , de hemelwaterinfiltratie en de aanwezige flora en fauna. De landschappelijke inpassing is als bijlage 6 toegevoegd.
4. 5.
Waterparagraaf
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet , de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater , en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels , vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 4. 5. 1. Provinciaal waterplan Limburg Op 30 maart 2021 heeft Provinciale Staten het ontwerp Provinciaal Waterplan Limburg 2022 – 2027 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2016 -2021. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan , zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast.
Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties , waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen , daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water.
Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering , de huidige en potentiële ecologische kwaliteit , de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van , maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 28
4. 5. 2. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf , maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid , wateroverlast , watervoorziening , verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten , inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3. 1. 1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn , hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. 4. 5. 3. Hemelwaterinfiltratie Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het toevoegen van 1 woning. Uitgaande van een worst-case scenario met een nieuw te bouwen woning van 150 m 2 en een overige erfverharding van 150 m 2 is er binnen de grenzen van het perceel meer als voldoende ruimte voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de infiltratie. Deze voorziening dient in ieder geval een inhoud van 30 m 3 te hebben. De oppervlakte van ca. 300 m 2 verharding geeft met een bui T= 100 mm met leegloop binnen bij voorkeur 24 uur en maximaal 48 uur , een hoeveelheid regenwater wat afgevoerd moet worden van 30 m.3 Dit zal geleid worden naar de 2 infiltratiewadi’s , zodat het als “zaksloot” in de beplanting/grasveld mooi past. Hier kan het regenwater infiltreren. Met de GHG van 15, 20, meter onder maaiveld is er meer dan afdoende bufferruimte om het water kwijt te kunnen.
Voor de diepte van de infiltratievoorziening wordt derhalve uitgegaan van een gemiddelde effectieve diepte van 10, meter beneden maaiveld De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht , voor zover relevant , geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Aan bovenstaande zal invulling worden gegeven op het moment dat een definitieve ontwerptekening van de woning beschikbaar is.
29
5. Uitvoerbaarheid 5. 1.
en
procedure
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om , indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken , deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd , dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
5. 2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De uitgangspunten voor het beleid , zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan , zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap , met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Onderhavig planvoornemen is voorgelegd aan de provincie Limburg. Uit de reactie van de gemeente blijkt dat voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen te verwachten zijn ten aanzien van de maatschappelijke uitvoerbaarheid. 5. 2. 1. Omgevingsdialoog omgevingsdialoog De is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren , wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip , maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Door de initiatiefnemer is een omgevingsdialoog met de omwonenden gevoerd. Vanuit de omgeving zijn geen opmerkingen op onderhavig planvoornemen.
5. 3.
Procedure
Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3. 9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www. ruimtelijkeplannen. nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
30
5. 4.
Vooroverleg en inzage
Artikel 3. 1. 1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten , met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
31
6. Juridische planopzet 6. 1.
Inleiding
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting , een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend , dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6. 2.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6. 3.
Toelichting op de regels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken , te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels. ; Algemene regels , waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling , algemene bouwregels en algemene afwijkings- , wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels , waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen
32
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info @arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info @arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info @arvalis.nl
Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info @arvalis.nl
33