CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting versie 24 september 25

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen bestemmingsplan Hilkensbergweg 5a, Broekhuizen16.415 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit is te beschouwen als een geluidgevoelig object. Om te bepalen of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat in het kader van de Wet ruimtelijke ordening de beoogde ontwikkeling akoestisch gezien inpasbaar is. Het recreatiepark leidt niet tot aantasting van het woon-/leefklimaat bij omliggende woningen. Daarnaast doet de nieuw beoogde bedrijfswoning geen inbreuk op de geluidruimte van omliggende bedrijven, en is een goed woon-/leefklimaat bij de bedrijfswoning gewaarborgd. Een acceptabel woon- en leefklimaat in de omgeving is zowel bij de nieuwe bedrijfswoning als bij omliggende woningen van derden gewaarborgd.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

25

In het kader van de Wet geluidhinder wordt geconcludeerd dat bij de nieuw beoogde bedrijfswoning voor alle omliggende zoneplichtige geluidbronnen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Uit het onderzoek volgt dat de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de lokale omgeving. Het aspect geluid vormt derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief. 5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar het plangebied. In totaal worden de volgende verkeersbewegingen verwacht, hierbij is uitgegaan van een worstcase scenario. Dat wil zeggen dat de locatie volledig bezet is en op een willekeurige dag in het jaar alle bewegingen van en naar de locatie plaats kunnen vinden. In de praktijk zijn er op een gemiddelde dag veel minder bewegingen. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Privé: 6 verkeersbewegingen per dag (3x in en uit) Halen en/of brengen van goederen t.b.v. recreatietak: 2 vrachtbewegingen per dag (1x in en uit) Personeel recreatie: 10 verkeersbewegingen per dag (5x in en uit) Bezoekers vakantiehuisjes: 50 verkeersbewegingen per dag (25x in en uit) Bezoekers gastenkamers: 20 verkeersbewegingen per dag (10x in en uit) Overige bezoekers (workshops e.d.): 20 verkeersbewegingen per dag (10x in en uit)

Zoals aangegeven is bovenstaande is uitgegaan van een worstcasescenario. Er namelijk uitgegaan van een 100% bezetting van de accommodaties. Verder zijn ook de bestaande verkeersbewegingen in de berekening meegenomen, terwijl deze in de huidige situatie ook al plaatsvinden. In totaal komen bovenstaande verkeersbewegingen uit op 108 extra verkeersbewegingen per dag, waarvan circa 2% vrachtverkeer. 108 extra verkeersbewegingen in een woongebied (ook om uit te gaan van een worstcasescenario) betreft een weekdaggemiddeld van 108 x 0,9 = 97 extra verkeersbewegingen.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

26

Deze extra verkeersgeneratie is ingevoerd in de NIBM-Tool, zoals opgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu en Kenniscentrum Infomil. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar de invloed van onderhavig planvoornemen op de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

Afbeelding 15. Berekening NIBM-Tool

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 8.3 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 14.8 µg/m³ en de concentratie NO2 10.8 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 5.2.4 Geur Individuele geurbelasting Het project zou geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen.

In de directe nabijheid (500 meter van het plangebied) is sprake van een tweetal veehouderijen waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren. Bedrijven op nog grotere afstand hebben nauwelijks nog effect op het plangebied. Op de locatie Horsterweg 19 is een vergunning verleend voor het houden van vleesstieren, schapen, zoogkoeien en paarden. Voor paarden en zoogkoeien geldt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een aan te houden afstand van 50 meter. Aan de afstand wordt ruimschoots voldaan. Voor vleesstieren en schapen is een geuremissienorm vastgesteld. Middels het programma V-stacks vergunning kan bepaald worden wat de

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

27

geurbelasting ter plaatse van gevoelige objecten is. Deze berekening is uitgevoerd (bijlage 4). Uit de geurberekeningen blijkt ter plaatse van de vergroting van het plangebied een geurbelasting variërend van 0.1 tot 0.2 odeur units (o.u.), uitgaande van een worst-case scenario. Dit worst-case scenario houdt in dat er in de berekening vanuit is gegaan dat alle geur vrijkomt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij dat het dichtst bij het plangebied ligt. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is een maximale belasting van 14 o.u. toelaatbaar. Op 7 november 2024 is de Verordening geurhinder veehouderij 2024 gemeente Horst aan de Maas in werking getreden. Strikt gezien hoeft er niet aan deze verordening getoetst te worden aangezien het ontwerpplan voorafgaande aan de nieuwe geurverordening ter inzage heeft gelegen. In de geurverordening zijn de maximale geurnormen aangescherpt. Voor het buitengebied geldt een maximale geurbelasting van 7.0 o.u. Geconcludeerd kan worden dat er ruimschoots aan de geurnormen voldaan wordt, zowel aan de wettelijke als de gemeentelijke normen. Op de Horsterweg 23 is een vleesvarkenshouderij gevestigd. Voor varkens is een geuremissienorm vastgesteld. Middels het programma V-stacks vergunning kan berekend worden wat de geurbelasting ter plaatse van gevoelige objecten is. Deze berekening is uitgevoerd (bijlage 4).

Uit de berekeningen blijkt ter plaatse van de vergroting van het plangebied een geurbelasting variërend van 1.5 tot 5.6 o.u., uitgaande van een worst-case scenario. Dit worst-case scenario houdt in dat er in de berekening vanuit is gegaan dat alle geur vrijkomt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij dat het dichtst bij het plangebied ligt. In werkelijkheid liggen de emissiepunten ruim 80 meter verder weg. Op basis van de Wgv is in het buitengebied een maximale geurbelasting van 14.0 o.u. toegestaan. Er wordt daarmee aan zowel de landelijke norm voldaan als de norm uit de nieuwe gemeentelijke verordening. De ontwikkeling past daarmee binnen de kaders op het gebied van geur. Ook zal het initiatief niet leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Cumulatieve geurbelasting De ‘Gebiedsvisie Wet Geurhinder en Veehouderij’ van de gemeente Horst aan de Maas behorende bij de geurverordening 2020 van de gemeente Horst aan de Maas heeft betrekking op de het gehele gemeentelijke grondgebied. Daarmee is een actueel inzicht verkregen in de geurbelasting uit stallen van veehouderijen in – en nabij – de gemeente Horst aan de Maas. Onderdeel van de gebiedsvisie zijn een aantal kaarten die inzicht geven in het aantal en soort agrarische bedrijven binnen, en net buiten, de gemeente en de geurcontouren die bij deze bedrijven behoren.

Daarmee kan een snelle eerste beoordeling van de geurbelasting ter plaatse van het plangebied plaatsvinden. In afbeelding 9 is een uitsnede van de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’ weergegeven. Het plangebied is daarbij gelegen binnen een leefklimaat dat beoordeeld wordt als ‘goed’ tot ‘zeer goed’. De cumulatieve geurbelasting vanuit omliggende bedrijven op het recreatieterrein vormt dus geen beperking.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

28

Afbeelding 16. Uitsnede kaart indicatieve achtergrondbelasting

De ‘Gebiedsvisie Wet Geurhinder en Veehouderij’ van de gemeente Horst aan de Maas behorende bij de geurverordening 2024 van de gemeente Horst aan de Maas heeft betrekking op de het gehele gemeentelijke grondgebied. Daarmee is een actueel inzicht verkregen in de geurbelasting uit stallen van veehouderijen in – en nabij – de gemeente Horst aan de Maas. Onderdeel van de gebiedsvisie zijn een aantal kaarten die inzicht geven in het aantal en soort agrarische bedrijven binnen, en net buiten, de gemeente en de geurcontouren die bij deze bedrijven behoren. Daarmee kan een snelle eerste beoordeling van de geurbelasting ter plaatse van het plangebied plaatsvinden. In afbeelding 9 is een uitsnede van de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’ weergegeven. Het plangebied is daarbij gelegen binnen een leefklimaat dat beoordeeld wordt als ‘goed’ tot ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt dan ook geen beperking op onderhavig planvoornemen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.

Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende bebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder zoveel mogelijk voorkomen. Indien gevoelige objecten worden gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied (zijnde o.a. het buitengebied).

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

29

Bedrijf Hilkensbergweg 7 Het bedrijf aan de Hilkensbergweg 7 is bestemd als “Bedrijf - Agrarisch hulpbedrijf”. Volgens de planregels is hier een agrarisch hulpbedrijf toegestaan zonder verdere specificatie van de bedrijfsactiviteiten. Op basis van de indicatieve bedrijvenlijst van de VNG valt dit type bedrijf (SBI code 016) maximaal in de categorie 3.1. Op de locatie is een volgens de gebruiker van het pand een bedrijf gevestigd dat aardappelen verpakt in klein verpakkingen (geen bewerking en/of verwerking aardappelen). In de categorie 3.1, waaronder agrarische hulpbedrijven vallen, gelden de volgende richtafstanden: Geur: 30 meter Stof : 10 meter Geluid: 50 meter Gevaar: 10 meter Aan de richtafstanden wordt voldaan.

Overige bedrijvigheid Overige bedrijven liggen op veel grotere afstand. De milieuruimte van bestaande andere bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBI-code en grootste bijbehorende VNGafstand voor stof, geur, geluid en gevaar. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de aan te houden afstanden. Bedrijf

Kwekerij Paardenhouderij Varkenshouderij Kwekerij

Adres

Stokterweg 8a Horsterweg 21a Horsterweg 23 Oude Vonkelseweg 3

SBI-2008

011, 012, 013 0143 0146 011, 012, 013

Feitelijke afstand tussen bestemmingsvlakken 464 220 223 262

Richtafstand VNG ‘rustig buitengebied’

geur 10 50 200 10

stof 10 30 30 10

geluid 30 30 50 30

gevaar 10 0 0 10

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Hieruit blijkt dat aan alle richtafstanden voldaan wordt. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de andere bedrijven geen beperkingen opleveren door het uitbreiden van het bouwvlak. Anderzijds worden door de bestemmingswijziging deze andere bedrijven en nabijgelegen woningen niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt.

5.2.6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

30

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd.

In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Op basis van de risicokaart zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving kan geconcludeerd worden dat er geen relevante risico’s in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Het meest dichtbij het plangebied gelegen risico betreft een propaantank die is gelegen op de locatie Oude Vonkelseweg 4. De risicocontour van deze tank reikt niet tot het plangebied.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

31

Afbeelding 17. Uitsnede kaart risicokaart uit de “Atlas leefomgeving” (plangebied rood omlijnd)

Algemene conclusie luidt dat het aspect externe veiligheid geen belemmerende factor is voor onderhavig initiatief.

5.2.7 M.e.r.-beoordeling Omdat de activiteit van het beoogde plan wel wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D10 van de bijlage van het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Daarbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Aangezien deze toelichting uitgebreid ingaat op de mogelijke effecten van dit plan, wordt bij deze het verzoek gedaan om de toelichting te beschouwen als de vormvrije m.e.r. Op deze vormvrije m.e.r. dient door de gemeente Horst aan de Maas een besluit genomen te worden, waarin gemotiveerd wordt of het al dan niet noodzakelijk is om een m.e.r. op te stellen. Deze criteria om een beoordeling uit te kunnen voeren betreffen: - De kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie). - De plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie met de kwetsbaarheid van de omgeving). - De kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, o.a. bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

32

Kenmerken van het project De kenmerken van het plan zijn beschreven in hoofdstuk 4 van onderhavig plan. Het gaat om de ontwikkeling van een recreatieve activiteit op een perceel met een omvang van 5.93 hectare. Een groot deel van het terrein heeft of krijgt de bestemming “Groen” of “Natuur”. Er is geen sprake van cumulatie met andere plannen of projecten. De plaats waar de activiteiten worden verricht is eveneens omschreven in hoofdstuk 4. De kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving zijn als volgt te omschrijven: het gaat hier om een ontwikkeling van een recreatieve ontwikkeling op een bestaande locatie. Het terrein is hiervoor reeds ingericht. Op dit moment zijn er op het terrein fysiek 5 vakantiewoningen aanwezig. Er worden 20 nieuwe vakantiewoningen gerealiseerd. Het totaal komt daarmee op 25 vakantiewoningen en 12 gastenkamers. Het gebruik van omliggende percelen bestaat uit agrarisch grondgebruik. Kwetsbaarheid zou zich kunnen vertalen in de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied. Door de aard en omvang van de activiteiten is het uit te sluiten dat het grondwater vervuild wordt. Daarbuiten zijn geen negatieve effecten te verwachten. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Hilkensbergweg 5 te Broekhuizen. De Hilkensbergweg is gelegen in het buitengebied.

Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie is van oudsher in gebruik als sportpark. Daarna is de locatie omgevormd tot een agrarisch bedrijf. Sinds enkele jaren vinden er op het bestaande bedrijf recreatieve activiteiten plaats. Op het toe te voegen perceel hebben tot op heden agrarische activiteiten plaatsgevonden. Kenmerken van de potentiële gevolgen Het project ziet toe op het doorontwikkelen van een recreatief bedrijf. Het perceel wat aan het recreatieterrein wordt toegevoegd heeft momenteel een agrarisch bestemming. Een klein deel van het toe te voegen terrein heeft de bestemming “Bedrijf-Agrarisch verwant”. Te verwachten effecten hangen samen met veranderingen ten aanzien van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, verkeer/geluid, luchtkwaliteit en waterhuishouding. Al deze aspecten worden in hoofdstuk 5 van onderhavig bestemmingsplan behandeld. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor onderhavig initiatief. Gezien de omvang van het plan en de geringe effecten daarvan kan gesteld worden dat op basis van de vormvrije m.e.r. geen MER noodzakelijk is.

5.2.8 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand niet redelijk zou kunnen zijn. Als gevolg van de ingediende zienswijzen is het bestemmingsvlak met de bestemming “Recreatie” van vorm gewijzigd. Daarmee wordt in het nieuwe bestemmingsvlak “Recreatie” voldaan aan de richtafstand van 50 Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

33

meter. Verder is op de bestemming “Groen” en op de bestemming “Verkeer” een gebiedsaanduiding “milieuzone – driftzone” opgenomen. Deze aanduiding sluit het gebruik van gronden uit voor nieuwe driftgevoelige functies. Middels het bovenstaande is tegemoet gekomen aan de zienswijzen. Spuitzones vormen daarmee geen belemmering voor onderhavig plan.

5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsverordening Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het provinciaal beleid sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen oppervlaktewateren gelegen. Ten westen van de locatie ligt op ongeveer 1.500 meter het “Schuitwater”. Ten oosten ligt op een afstand van ongeveer 1.200 meter de Maas. Blijkens de kaart ‘Grondwateronttrekkingen’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van de Venloschol. De Venloschol is als boringsvrije zone aangewezen, aangezien diepe boringen de natuurlijke

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

34

geologische bescherming kunnen aantasten. In de Venloschol worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de realisatie van het plan zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Volgens de Omgevingsverordening grondwaterbeschermingsgebied.

Limburg

2014

is

de

locatie

gelegen

binnen

een

De bodem in het plangebied is historisch gezien vlak (gebruik als sportvelden in het verleden). Voorafgaande aan de inrichting van het bestaande recreatieterrein zijn er door initiatiefnemer heuvels en glooiingen aangebracht. De maaiveldhoogte ligt globaal gezien op 20,0 meter +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit zwarte enkeerdgronden, bestaande uit zand. Enkeerdgronden zijn zandige gronden met een humusrijke (zwarte) bovenlaag. De zwarte bovenlaag is ontstaan als gevolg van jarenlange agrarische bewerking. Ter plaatse van het plangebied geldt grondwatertrap VII dit komt overeen met een redelijk diep grondwaterregime, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand groter is dan 0,8 meter onder maaiveld is gelegen en de gemiddeld laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 meter. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand in elk geval op meer dan 2.5 mmv is gelegen.

Afbeelding 18. Uitsnede kaart GHG Nieuw Limburgs Peil

Enkeerdgronden kennen over het algemeen een redelijk goede doorlatendheid. Conform de doorlatendheidskaarten van Waterschap Peel en Maasvallei bestaan ter plaatse goede infiltratieeigenschappen (0,75 tot 1,5 m/dag). De bestaande vakantiewoningen en gastenkamers zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

35

5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Het hemelwater afkomstig van het nieuwe receptiegebouw met inpandige bedrijfswoning en het hemelwater van de nieuwe parkeerplaatsen zal ter plaatse infiltreren in een tweetal nieuw aan te leggen wadi’s. Een daarvan komt parallel te liggen aan de Hoogveldweg, hierop wordt het hemelwater van de parkeerplaats en het receptiegebouw/woning opgevangen. De wadi langs de Hoogveldweg krijgt een lengte van 100 meter, een gemiddelde breedte van 18 meter en een diepte van gemiddeld 50 cm (maximaal 1 meter). Deze wordt voorzien van flauwe taluds (1:3) en ingezaaid met een bloemenmengsel zodat deze ook een natuurlijke waarde heeft. De inhoud komt uit op 812 m3. Het oppervlak van het receptiegebouw/woning (150 m2) en het parkeerterrein (1.423 m2) bedraagt gezamenlijk 1.573 m2. Bij een dimensionering van T=100 oftewel 100 mm neerslag dient de inhoud 157 m3 te bedragen. Hieraan voldoet de hierboven omschreven dimensionering. De wadi aan de westelijke zijde krijgt een lengte van 36 meter, een gemiddelde breedte van 32 meter en een gemiddelde diepte van 50 cm (maximale diepte 1 meter). Hierin wordt het hemelwater van de nieuwe vakantiewoningen (1.000 m2) en de aansluitende verhardingen (1.440 m2) opgevangen. De wadi wordt voorzien van flauwe taluds (1:3) en ingezaaid met een bloemenmengsel zodat deze ook een natuurlijke waarde heeft.

De inhoud komt uit op 526 m3. Bij een dimensionering van T=100 oftewel 100 mm neerslag dient de inhoud 244 m3 te bedragen. Hieraan voldoet de hierboven omschreven dimensionering ruimschoots. Het hemelwater afkomstig van de paden door het park zal op het perceel zelf infiltreren, zonder tussenkomst van infiltratievoorziening. Het terrein is hier gezien de ruime opzet en de samenstelling van de bodem geschikt voor. Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zullen de 20 nieuwe vakantiewoningen en het receptiegebouw/bedrijfswoning worden aangekoppeld op de een nieuw aan te leggen rioleringsaansluiting. Gedurende de bestemmingsplanprocedure zal er een nieuwe aansluiting op de riolering aangevraagd worden. Ter plaatse is een persriolering gelegen. Gezien de hoeveelheid afvalwater die op het terrein kan vrijkomen wordt er een bufferput aangelegd waaruit vertraagd op de riolering geloosd kan worden. Hiermee wordt voorkomen dat de riolering overbelast wordt met piekafvoeren. Bij een volledige bezetting van de nieuwe vakantiewoningen zijn er in totaal ca. 100 extra personen aanwezig (20 x 5 personen). Daarbij opgeteld worden de 4 bewoners van de nieuwe bedrijfswoning. Volgens het CBS wordt er per inwoner ongeveer 300 liter afvalwater per dag geloosd (inclusief afvalwater van bedrijven en hemelwater). Bij 104 personen ontstaat er dan maximaal 31 m3 afvalwater per dag.

Verder wordt het hemelwater van de daken en verhardingen niet geloosd op het riool. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de directe nabijheid van het plangebied. Ten aanzien van de nabijgelegen buisleidingen is in paragraaf 5.2.6 reeds een motivatie gegeven.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

36

Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied, anders dan reeds in paragraaf 5.2.6 benoemd, geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Bij elke ontwikkeling dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. De gronden die van bestemming wijzigen zijn momenteel in gebruik als landbouwgrond. Ter plaatse is geen bebouwing aanwezig die kan dienen als schuil- en/of verblijfsplaats van beschermde diersoorten. Gezien het intensieve gebruik van de gronden in de huidige situatie valt het niet te verwachten dat ter plaatse van de uitbreiding van het bestemmingsvlak beschermde dier- en/of plantensoorten aanwezig zijn. Volledigheidshalve is er een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 5). Hieruit blijkt dat verwacht wordt dat het plan geen effecten heeft op Natura2000, waarbij wordt geadviseerd om de mogelijke effecten voor wat betreft stikstof inzichtelijk te maken. Dit vindt plaats in onderstaande alinea. Voor wat betreft vogels wordt gesteld dat deze mogelijk voorkomen in de bestaande opgaande beplanting. Het gaat om soorten waarvan het nest niet jaarrond of als strenger beschermd wordt beschouwd.

Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Over vleermuizen wordt gemeld dat de houtsingel die de percelen scheidt, mogelijk fungeert als vaste vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke LED buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Daarnaast is het voor vleermuizen aan te bevelen inlandse loofboomsoorten waar mogelijk te behouden en aan te planten (zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die op hun beurt weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen). Tenslotte wordt over algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën gesteld dat deze mogelijk in het plangebied voorkomen, die onder de Wnb zijn beschermd.

Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

37

Bij de verdere planuitwerking wordt er rekening gehouden met de in de quickscan uitgebrachte adviezen en tips. Het onderdeel flora en fauna vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Natura2000 Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied ligt 1 Natura2000-gebied, te weten de Maasduinen op 1,8 kilometer. Andere gebieden liggen op veel grotere afstand. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te boordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft het planvoornemen geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor de Natura2000-gebieden. Wel kan het bedrijf schadelijke effecten veroorzaken in de vorm van stikstofdepositie. Derhalve is een beoordeling en berekening van de stikstofdepositie gemaakt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, zie bijlage 6. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan gesteld worden dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase ter plaatse van Natura2000 gebieden geen grotere effecten optreden dan in de referentiesituatie. Gezien de uitspraak van Raad van de State in de Rendaczaak kan deze ontwikkeling niet meer beschouwd worden als intern salderen.

Derhalve zal er separaat bij de Provincie Limburg een vergunning aangevraagd worden voor de Natura2000 activiteit. Conclusie Het aspect natuur vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de Provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is de Hilkensbergweg aangeduid als een “weg ouder dan 1806” en het perceel is in een gebied gelegen dat wordt aangeduid als “enkeerdgrond, veld - bouwland”. Ter plaatse van de Hilkensbergweg vinden er geen wijzigingen plaats, de weg of de ligging daarvan wordt tenslotte niet gewijzigd. Met de toekomstige bouw en gebruik van het perceel gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren.

5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische waardenkaart ontwikkeld. Conform deze waardenkaart is het plangebied deels gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

38

Afbeelding 19. Uitsnede archeologische waardenkaart (toevoeging recreatieterrein rood omlijnd)

Aan deze archeologische verwachtingswaardes zijn de volgende ondergrenzen gesteld: 50 cm diepte en 500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 500 m² bedraagt. Omdat de verstoring groter zal zijn dan 500 m2 is er ter plaatse een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Econsultancy (bijlage 7). Uit dit rapport blijkt dat de bodem ter plaatse van het toe te voegen terrein dusdanig verstoord is dat geadviseerd wordt om het terrein vrij te geven. Op dit deel van het terrein is de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 3” daarom niet meer opgenomen. Op het deel van het bestaande terrein dat onderzocht is zijn nog mogelijk waarden te verwachten. Hier is de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” in stand gelaten. Mochten hier bodemverstoringen plaatsvinden groter dan 500 m2 dan zal er vervolgonderzoek uitgevoerd moeten worden. Het aspect archeologie vormt derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief.

5.8 Verkeer en parkeren Het plangebied blijft ontsloten via de Hilkensbergweg. Ter plaatse van het nieuwe receptiegebouw wordt een nieuwe inrit gemaakt. Hiervoor zal tijdig bij de gemeente Horst aan de Maas een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Door het maken van 2 inritten vindt er een scheiding plaats van gasten. De noordelijke inrit (gele pijl in onderstaande afbeelding) wordt gebruikt door de gasten van de “gastenkamers” en het personeel. Deze parkeerplaats ligt op korte afstand van het gebouw waarin de gastenkamers zich bevinden. Deze afstand is goed beloopbaar.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

39

De zuidelijke inrit en parkeerplaats (rode pijl in onderstaande afbeelding) wordt gebruikt ten behoeve van de 25 vakantiehuisjes. Gasten die een huisje geboekt hebben lopen vanuit de parkeerplaats naar het nieuwe receptiegebouw waar ze ontvangen worden. Na het inchecken worden de gasten met een golfkarretje naar hun huisjes gebracht vanwege de grotere afstanden die overbrugt moeten worden.

Afbeelding 20: bestaande inrit (gele pijl) en toe te voegen inrit (rode pijl)

Op basis van de gemeentelijke parkeernormen kan de parkeerbehoefte bepaald worden. Voor de 12 gastenkamers kan aangesloten worden bij de norm van 12,6 parkeerplaatsen per 10 kamers, in totaal 15 parkeerplaatsen. Voor de 25 vakantiewoningen kan aangesloten worden op de norm voor een bungalowpark met een behoefte van 2.1 parkeerplaats per bungalow, zijnde een parkeerbehoefte van 53 parkeerplaatsen. Voor een nieuwe (bedrijfs)woning in het buitengebied geldt een norm van 2 parkeerplaatsen. In totaal komt de parkeerbehoefte uit op 71 parkeerplaatsen. Op de bestaande parkeerplaats is plek voor ca. 32 auto’s. De nieuwe parkeerplaats krijgt aan capaciteit van 44 parkeerplaatsen. Daarmee zijn er op het terrein 76 parkeerplaatsen beschikbaar. Daarmee wordt er voldaan aan de gemeentelijke Nota parkeernormen.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

40

5.9 Duurzaamheid Initiatiefnemer heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Het streven is dan ook om het recreatieterrein en de bijbehorende gebouwen op een zo duurzaam mogelijke manier in te richten. Op het nieuwe receptiegebouw met inpandige bedrijfswoning zullen zonnepanelen geplaatst worden. Deze zonnepanelen zullen onder andere de stroom leveren voor de warmtepomp die gebruikt zal worden voor de warmwatervoorzieningen en het verwarmen van de vakantiewoningen. Verder wordt er energiezuinige LED verlichting toegepast, worden er bewegingsmelders geplaatst zodat de verlichting niet onnodig lang blijft branden als er geen activiteit in een ruimte is en wordt er warmte teruggewonnen uit de ventilatiesystemen. Op het gebied van water worden er waterbesparende kranen en douches toegepast en wordt een deel van het hemelwater opgevangen en hergebruikt. In de bouw zal (deels) gebruik worden gemaakt van gerecycleerde materialen en natuurlijke materialen, wordt er een bovengemiddelde isolatie toegepast in de gebouwen en worden er waar mogelijk groene daken en wanden toegepast voor een betere isolatie en voor een betere biodiversiteit.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

41

6 UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan het bestemmingsplan zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.

6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.

In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. 2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

42

om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten.

Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken.

Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

43

gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. De Provincie Limburg heeft op 20-11-23 een reactie in het kader van het vooroverleg gegeven. Deze heeft betrekking op de volgende punten: 1. het is wenselijk dat het bedrijfsplan als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd wordt om de essentie van het plan en de motivatie van de initiatiefnemers beter in beeld te krijgen. Daarnaast is niet duidelijk hoe de essentiële onderdelen geborgd worden. 2. Aangetoond zal moeten worden het initiatief niet ten koste gaat van andere verblijfsrecreatieverblijven. 3. Inzicht in de toeristisch recreatieve structuur van de gemeente en aangrenzende gemeenten is wenselijk. 4. In de toelichting ontbreekt een toetsing aan paragraaf 3.2 en 3.3.1 uit de Omgevingsvisie Limburg. Verder ontbreekt een toetsing aan artikel 2.4.6 uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 12.6 uit de Omgevingsverordening Limburg 2021. 5. Er dient een motivatie opgenomen te worden over de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande bebouwing. 6.

Er dient nog een regionale afstemming plaats te vinden in het regionale overleg Vrijetijdseconomie. Indien deze opmerkingen adequaat verwerkt worden in het plan ziet de Provincie geen aanleiding om in het vervolg van de procedure een zienswijze in te dienen. Op de volgende wijze is rekening gehouden met het vooroverleg reactie van de Provincie Limburg. Ad 1. Het bedrijfsplan is als bijlage 8 bij onderhavige toelichting gevoegd. Daarmee komt de essentie van het plan van de initiatiefnemers beter tot uitdrukking. De borging van essentiële onderdelen (aanleg groen en voedselbos en instandhouding bestaande groen) vindt plaats via de te sluiten anterieure overeenkomst. Er wordt gekeken om samen te werken met de buren. Deze samenwerking is echter niet essentieel voor het wel of niet slagen van dit plan. Beide initiatieven kunnen los van elkaar functioneren. Waar mogelijk kan het elkaar versterken. Er is daarom geen borging nodig tussen beide plannen. Ad 2. In het bedrijfsplan (bijlage 8) is een nadere motivatie opgenomen omtrent de marktruimte en concurrentieanalyse. Ad 3. In het bedrijfsplan (bijlage 8) wordt inzicht gegeven in de toeristisch recreatieve structuur van de gemeente en aangrenzende gemeenten. Ad 4. In paragraaf 3.3.1 is een nadere toelichting gegeven op de Omgevingsvisie Limburg en meer in het bijzonder het onderdeel vrijetijdseconomie. Ad 5.

In paragraaf 3.3.2 is een passage opgenomen over de mogelijkheden tot herbenutting. Ad 6. Het plan is ambtelijk in de regio besproken en akkoord bevonden. Het plan dient gezien de omvang (>25% uitbreiding) nog in het PHO besproken en geaccordeerd te worden. Voorafgaande aan de vaststelling van het plan zal er een akkoord moeten liggen vanuit de regio. Hiermee is er invulling gegeven aan de vooroverlegreactie van de Provincie Limburg.

Omgevingsdialoog Het plan is besproken met de omwonenden. Hiervan is een verslag gemaakt. Dit verslag is bij de gemeente bekend. In het kader van de AVG is het verslag niet als bijlage bij dit plan gevoegd. Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

44

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan drie zienswijzen ingediend. Met betrekking tot deze zienswijzen is een nota van inspraak en zienswijzen opgesteld. Verder hebben de zienswijzen geleid tot het aanpassen van het plan om tegemoet te komen aan de ingediende zienwijzen.

6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij

de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

45

7 JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmingsvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.

7.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het aangekochte perceel toegevoegd aan het terrein. Het bestaande terrein heeft voor het grootste deel de bestemming ‘Recreatie’. De groensingel met de uitloper richting zuidoosten heeft de bestemming ‘Natuur’ gekregen. Voor het nieuwe gedeelte is alleen aan de vlakken waar de nieuwe bebouwing (vakantiewoningen, receptiegebouw/bedrijfswoning) wordt opgericht een recreatieve bestemming toegekend. Middels een maatvoeringsaanduiding wordt het oppervlak aan nieuwe bebouwing gereguleerd. Ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning/receptiegebouw is een functieaanduiding opgenomen dat uitsluitend binnen dit perceelsdeel de bedrijfswoning gerealiseerd mag worden. Ter plaatse van de nieuwe parkeerplaats is de bestemming “Verkeer” toegekend. Verder zijn er een viertal functieaanduidingen ‘specifieke vorm van recreatie’ opgenomen. Deze reguleren het aantal bestaande vakantiehuisjes, het aantal nieuwe vakantiehuisjes, het ontplooien van dagrecreatieve activiteiten op het bestaande terrein en het aantal gastenkamers. Het terrein rondom de nieuwe bebouwing bestemd als “Groen”. Het toekennen van deze bestemming komt voort uit de verplichting om voor elke m2 bebouwing 5 m2 nieuwe groen te realiseren. Daarmee is deze verplichting beter controleerbaar en handhaafbaar.

Verder is er een maatvoeringsaanduiding “maximum verhard oppervlak toegevoegd. De aanduiding volgt een privaatrechtelijke afspraak (anterieure overeenkomst) waarin is vastgelegd hoeveel oppervlakte aan gebouwen en oppervlakteverharding gerealiseerd gaat worden en daarmee samenhangend hoeveel groen er minimaal gerealiseerd wordt. (In paragraaf 3.4.2 is een gedetailleerde berekening opgenomen.) In artikel 11 wordt een lid toegevoegd (11.5) waarin verwezen wordt naar deze aanduiding en de maximum oppervlakte van 2.987m2. Door opname van dit maximum in dit bestemmingplan ontstaat een bevoegdheid om op te treden tegen een overschrijding van deze oppervlakte. De aanduiding ligt over de bestemmingen “Groen”, “Recreatie met specifieke vorm van recreatie - 3” en de verkeersbestemming. Daardoor ontstaat de benodigde flexibiliteit in de hoeveelheid oppervlakteverharding binnen de afzonderlijke bestemmingen. Alle overige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” gelden voor het plangebied zijn eveneens overgenomen op de verbeelding. Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

46

7.3 Toelichting op de regels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: − Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. − Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. − Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In de toegevoegde planregels voor de bestemming “Groen” is opgenomen dat deze bestemming bedoeld is voor groen-, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Binnen de bestemming “Recreatie” wordt het aantal vakantiewoningen en gastenkamers gereguleerd. Bij de vakantiewoningen is daarbij tevens de maximale maatvoering opgenomen. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen.

Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

Bestemmingsplan “Hilkensbergweg 5 Broekhuizen”

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16080433/1