CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 1 juni 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Rector de Fauwestraat, Meterik.13.215 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

6 O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).

Hoofdstuk 5

31

5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 5.3.1 Beschrijving van het waterrelevant beleid Nationaal Waterplan Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg ook als uitgangspunten dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het beleid om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in de stad. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. En ook hier speelt de verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden, daar waar dat mogelijk is, verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook kan er gedacht worden aan het hooghouden van peilen nabij natuurgebieden. Ter voorkoming van eutrofiëring en het verlandingsproces kunnen voedselrijke bodems uitgebaggerd worden. Een ander belangrijk punt is dat het rioleringsbeheer door gemeenten in het plangebied op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies afgestemd dient te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater in het gebied ingepast te worden. Ook voor mensgerichte nevenfuncties dient plaats te zijn.

Duurzaam waterbeheer 21ste eeuw De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Hoofdstuk 5

32

Vasthouden, bergen, afvoeren De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd. Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid: • Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei; • Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem; • Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit; • Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer. Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021.

5.3.2 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen Het plangebied ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’. In dit gebied komt een kleilaag (Kiezeloöliet Klei) voor die niet doorboord mag worden in verband met de bescherming van de grondwatervoorraden. Het plangebied ligt daarnaast binnen een strategische grondwatervoorraad en het grondwaterlichaam Zand Maas. Aangezien bij het voorliggende initiatief geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt de ligging binnen de Venloschol, de strategische grondwatervoorraad en het grondwaterlichaam geen belemmering. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig waarvan de beschermingszone tot binnen het plangebied reikt.

Hoofdstuk 5

33

5.3.3 Waterhuishoudkundige situatie Grondwater Het maaiveld ter plaatse bevindt zich gemiddeld op circa 32 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordoostelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 22,5 meter +NAP, overeenkomend met circa 9,5 meter beneden maaiveld. Het plangebied bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol. Op basis van de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Bodemopbouw De bodem bestaat tot circa 7 meter beneden maaiveld hoofdzakelijk uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind 7. 5.3.4 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten In het plangebied worden acht woningen gerealiseerd ter plaatse van de voormalige basisschool.

Als gevolg hiervan zal de hoeveelheid oppervlakteverharding naar verwachting afnemen. Voor het plangebied wordt gestreefd naar afkoppeling van regenwater en infiltratie op het eigen perceel. Het beleid van de gemeente is erop gericht om hemelwater afkomstig van de daken zoveel mogelijk te hergebruiken. Hemelwater afkomstig van andere oppervlakteverhardingen wordt bij voorkeur op het eigen terrein opgevangen of indien mogelijk afgevoerd op oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Het Waterschap Limburg hanteert een bergingseis van 100 mm in 24 uur. De gemeente is verantwoordelijk voor de verwerking en infiltratie van het hemelwater van het openbare terrein. Conclusie Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan slechts een kader wordt gecreëerd voor de toekomstige woningbouw, worden in dit bestemmingsplan geen infiltratieberekeningen tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de in de toekomst aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen. De bovengenoemde uitgangspunten zullen hierbij als uitgangspunt en toetsingskader gehanteerd worden. 7 Gegevens m.b.t.

grondwater en bodem zijn afkomstig uit de rapportages van het uitgevoerde bodemonderzoek.

Hoofdstuk 5

34

5.3.5 Overleg waterbeheerder De oppervlakte van het plangebied bedraagt ongeveer 2.800 m2. De ondergrens voor het vooroverleg met het Waterschap is 2.000 m 2. Het plangebied wordt niet volledig verhard, maar rekening moet worden gehouden met om en nabij de 2.000 m 2.

5.4 Kabels en leidingen Binnen en in de directe omgeving van het plangebied komen geen leidingen of kabels met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone voor dat deze gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan.

5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffings-plicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode

Hoofdstuk 5

35

van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Door middel van een quickscan flora en fauna is getoetst of de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De resultaten van deze quickscan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 8. Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Deurnsche Peel & Mariapeel”, bevindt zich op circa 6,4 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van acht levensloopbestendige woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.

Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd.9 Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Voor meer informatie wordt verwezen naar de bijgevoegde onderzoeksrapportage.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ook ligt het plangebied niet binnen de zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en er zijn geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig. Hierdoor is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

8 BRO, Quickscan flora en fauna ‘Rector de Fauwestraat te Meterik’, projectnummer P02600, d.d. 6 april 2018 9 BRO, Aerius-berekening Rector de Fauwestraat Meterik, projectnummer P02600, d.d. 21 april 2020

Hoofdstuk 5

36

Soortenbescherming Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: 

Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Wat betreft soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. In het kader van de sloop van de voormalige basisschool is vervolgonderzoek nodig naar de functionaliteit van het gebouw vleermuizen. Voor het voorliggende bestemmingsplan levert het aspect ecologie hiermee geen belemmeringen op.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de geactualiseerde Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas (oktober 2015) is het plangebied aangewezen als een gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt een onderzoeksplicht indien het te verstoren oppervlak groter is dan 500 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden. Aangezien deze ondergrenzen bij de voorliggende ontwikkeling zullen worden overschreden, heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Onderstaand worden de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport10. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge zwarte enkeerdbodems aanwezig zijn. In een deel van het plangebied werd een restant van een podzolbodem aangetroffen (brokken en restant Bhorizont). De bodemopbouw in het plangebied bestaat grotendeels uit een AC-profiel. Hierbij is de top van het dekzand opgenomen in de bovenliggende ploeglaag. De ondergrond lijkt niet al te sterk 10 Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen, Rector de Fauwestraat te Me-

terik (gemeente Horst aan de Maas), projectnummer AM19537, d.d. 30 maart 2020

Hoofdstuk 5

37

te zijn afgetopt, aangezien boringen 2, 4 en 6 een ten dele intacte profiel laten zien. Op basis hiervan is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laatpaleolithicum – mesolithicum vanwege de kwetsbare aard bijgesteld naar middelhoog. Voor de overige perioden wordt de verwachting gehandhaafd. Omwille hiervan wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht voor een deel van het plangebied (zie het met rood aangegeven gedeelte in Bijlage 9 van het onderzoeksrapport). Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de vorm van een karterend booronderzoek of in de vorm van een proefsleuven onderzoek. Hiertoe dient vooraf een PvE worden opgesteld dat door de bevoegde overheid getoetst dient te worden. Wat betreft het overige deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

Het voormalige St. Theresiaklooster aan de westzijde van het plangebied is aangewezen als gemeentelijk monument. Middels het voorliggend plan wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op cultuurhistorische waarden.

5.7 Verkeer en parkeren Parkeren Voor de woningen geldt op basis van de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Hierbij is uitgegaan van een woonhuis in de rest van de bebouwde kom. Dit betekent dat voor de voorliggende acht woningen voorzien dient te worden in 16 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 10 parkeerplaatsen voorzien in de noordoosthoek van het plangebied en 6 à 7 parkeerplaatsen aan de zuidrand van het plangebied haaks op de Rector de Fauwestraat. In de planregels van dit bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen, op basis waarvan het plan dient te voldoen aan de geldende parkeernorm. Verkeersaantrekkende werking De realisatie van de woningen binnen het plangebied zal een bepaalde verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Het plangebied wordt ontsloten via de Rector de Fauwestraat. Volgens de CROW-

Hoofdstuk 5

38

rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ kan voor de acht woningen worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 59 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hierbij zijn tussen- en hoekwoningen in de rest van de bebouwde kom van de gemeente Horst aan de Maas als uitgangspunt genomen. De Rector de Fauwestraat en omliggende wegen kunnen dit aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken. Gezien de beperkte verkeersaantrekking van de acht woningen, is het niet aannemelijk dat de ontwikkeling leidt tot onaanvaardbare hinder als gevolg van extra verkeersbewegingen.

Hoofdstuk 5

39

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van acht woningen ter plaatse van de voormalige basisschool in de kern Meterik. De gronden zijn op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in eigendom van de gemeente Horst aan de Maas. Er is dan ook geen sprake van een verplicht kostenverhaal of een verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan. De gemeentelijke kosten kunnen worden verrekend met de grondverkoop.

6.2 Handhaving De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst een de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.

Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/ zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.

Hoofdstuk 6

41

Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 1 augustus 2020 t/m 11 september 2020 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. 6.3.2 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit:     

 

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6

42

7. JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijnen voor bestemmingsplannen (RO Standaarden 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

7.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de planregels, alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding zijn de toegekende bestemmingen weergegeven, in dit geval uitsluitend de bestemming ‘Woongebied’, waarbinnen middels aanduidingen nadere detailleringen zijn aangebracht.

7.3 Toelichting op de regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/ of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels In de inleidende regels zijn de begripsomschrijvingen en de wijze van meten opgenomen. Het artikel ‘Begrippen’ bevat een aantal noodzakelijke begripsbepalingen die worden gebezigd in de regels. In het artikel ‘Wijze van meten’ wordt uiteengezet op welke wijze gemeten dient te worden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Woongebied Om maximale flexibiliteit te kunnen behouden met betrekking tot het ontwerp en de verdere invulling van het gebied, is ervoor gekozen om aan het gehele plangebied de bestemming ‘Woongebied’ toe te kennen. Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan en tevens onder meer voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Door de bouwvlakken en woningtypen niet tot op detailniveau

Hoofdstuk 7

43

vast te leggen wordt flexibiliteit behouden waarmee kan worden geanticipeerd op de meest actuele marktvraag. Wel is het aantal woningen gemaximeerd op acht grondgebonden woningen. De goot- en bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 5,00 en 8,00 meter. Binnen deze bestemming is tevens een ontsluiting voorzien. Hoofdstuk 3: Algemene regels In de algemene regels is een aantal artikelen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelregel, de algemene gebruiks-, aanduidings- en afwijkingsregels en de overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel is opgenomen dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is opgenomen wat in ieder geval verstaan dient te worden onder strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is de regeling omtrent de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' opgenomen. Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels verschaffen het bevoegd gezag de mogelijkheid om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

Overige regels De overige regels bevatten een verwijzing naar de geldende wet- en regelgeving en de parkeerregels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels In de bepaling ‘Overgangsrecht’ zijn de overgangsregels ten aanzien van bebouwing en gebruik opgenomen. De slotregel bevat de titel hoe het plan aangehaald dient te worden.

Hoofdstuk 6

44

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Bodemonderzoek; rapport AM19537-vooronderzoek NEN5725 Rector de Fauwestraat Meterik; Aeres Milieu, 7 april 2020 Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai; M-tech; 28 april 2020 Bijlage 3: Quickscan flora en fauna, BRO, 6 april 2020 Bijlage 4: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek; Aeres Milieu; 30 maart 2020 Bijlage 5: Aerius-berekening, BRO, 21 april 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10088652/1