02c Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Rector de Fauwestraat te Meterik’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Rector de Fauwestraat te Meterik’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Identificatienummer:
NL.IMRO.1507.MTFAUWESTRAAT-BPV1
Rapportnummer:
P02600_2
Concept:
-
Ontwerp:
Juli 2020
Vastgesteld:
23 maart 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectleider BRO:
HL
Trefwoorden:
Woningbouw, Rector de Fauwestraat, Meterik, gemeente Horst aan de Maas
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van de woningbouwlocatie aan de Rector de Fauwestraat te Meterik.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 6
2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
7 7 7 8
2.3.1. Historische ontwikkeling 2.3.2 Cultuurhistorie
8 8
3. BELEID 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid
9 9 9
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.2.6 Nationaal Waterplan 2016-2021 3.3 Provinciaal beleid
9 9 10 11 11 11 12
3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.4 Regionaal beleid
12 13 14
3.4.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 3.5 Gemeentelijk beleid
14 15
3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 3.5.3 Welstandsnota 3.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie
15 17 18 19 19
4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten
21 21 21
Hoofdstuk 1
1
5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten
23 23 23
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 M.e.r.-beoordeling 5.3 Waterparagraaf
23 24 25 26 28 28 31 32
5.3.1 Beschrijving van het waterrelevant beleid 5.3.2 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen 5.3.3 Waterhuishoudkundige situatie 5.3.4 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten 5.3.5 Overleg waterbeheerder 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren
32 33 34 34 35 35 35 37 38
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41 42
6.3.1 Zienswijzenprocedure 6.3.2 Procedure bestemmingsplan
42 42
7. JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels
43 43 43 43
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Bodemonderzoek; rapport AM19537-vooronderzoek NEN5725 Rector de Fauwestraat Meterik; Aeres Milieu, 7 april 2020 Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai; M-tech; 28 april 2020 Bijlage 3: Quickscan flora en fauna, BRO, 6 april 2020
Hoofdstuk 1
2
Bijlage 4: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek; Aeres Milieu; 30 maart 2020 Bijlage 5: Aerius-berekening, BRO, 21 april 2020
Hoofdstuk 1
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om woningbouw te realiseren ter plaatse van de voormalige basisschool aan de Rector de Fauwestraat 26 te Meterik. Op deze locatie worden acht levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt. De gewenste ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’ niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom besloten een nieuw bestemmingsplan op te stellen.
Figuur 1 Topografische kaart met ligging plangebied (blauwe pijl)
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt centraal in de kern van Meterik, in de gemeente Horst aan de Maas en is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummers 3671 en 3673 en plaatselijk bekend als Rector de Fauwestraat 26. Het plangebied heeft een omvang van ca. 2.800 m2.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 2 Kadastrale kaart met begrenzing plangebied (rood omlijnd)
Het dorp Meterik ligt aan de noordwestzijde van Horst. Rondom Meterik zijn met name landbouwgronden gelegen en aan de zuidzijde liggen enkele glastuinbouwbedrijven. Het plangebied is centraal in de kern van Meterik gelegen en wordt aan de noordzijde begrensd door vrijstaande woningen, aan de oostzijde ligt een begraafplaats, aan de zuidzijde is de Rector de Fauwestraat gelegen met aan de overzijde daarvan aaneengeschakelde woningen en aan de westzijde is de nieuwe basisschool gelegen.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De projectlocatie is gelegen binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’, zoals dat door de raad van de gemeente Horst aan de Maas op 11 oktober 2009 is vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als ‘Maatschappelijk’. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan. Daarnaast passen de beoogde woningen ook niet binnen het ter plaatse gelegen bouwvlak. In het ter plaatse vigerende bestemmingsplan zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee het gewenste woongebied mogelijk kan worden gemaakt. Daarom is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.
Hoofdstuk 1
5
Figuur 3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Peelkernen' met ligging plangebied (rood omlijnd)
Daarnaast is recentelijk het parapluplan ‘Parkeren Horst aan de Maas’ in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is relevant met betrekking tot de parkeernorm die op de woningen van toepassing is. Dit bestemmingsplan komt verder aan de orde in hoofdstuk 5.7 ‘Verkeer en parkeren’.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ontstaansgeschiedenis en de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven en in hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen toegelicht. Hoofdstuk 5 gaat in op onderzoeksaspecten en tot slot komen in de hoofdstukken 6 en 7 respectievelijk de uitvoerbaarheid en de juridische toelichting aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Algemeen Het plangebied ligt centraal in de kern van Meterik, in de gemeente Horst aan de Maas. Op een groot deel van de planlocatie was de voormalige basisschool gelegen. Deze basisschool is verplaatst naar het naastgelegen voormalige St. Theresiaklooster dat aan de westzijde van het plangebied is gelegen. Op de navolgende luchtfoto is de oude basisschool nog zichtbaar.
Figuur 4 Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)
2.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied is gelegen middenin in de dorpskern van Meterik. De woningbouw in het dorp Meterik is met name grondgebonden. Rondom het plangebied zijn eveneens met name woningen gelegen. Aan de oostzijde van het plangebied ligt echter een begraafplaats en aan de westzijde een oud klooster waarvan een gedeelte als basisschool wordt gebouwd. Deze basisschool, genaamd ‘Onder de
Hoofdstuk 2
7
Wieken’, was eerder in de nog bestaande bebouwing binnen het plangebied gelegen. Deze oude basisschool wordt gesloopt en ter plaatse zijn acht grondgebonden woningen voorzien.
2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1. Historische ontwikkeling Meterik is ontstaan uit lintbebouwing van boerderijen rond een vruchtbaar akkerland, net als de gemeenschappen van Schadijk in het noorden, en Middelijk en Veld-Oostenrijk ten oosten van Meterik. Meterik is gelegen aan de Kabroekse beek, die rijke weilanden gaf. Het dorp ontwikkelde zich omstreeks het midden van de 19e eeuw tot een dorp, ten gevolge van de heide-ontginningen in de omgeving en de vestiging van een kerk. Meterik had op 4 oktober 2019 1.615 inwoners. Meterik wordt omgeven door landbouwgebied met vaak grootschalige bedrijven (champignonteelt, glastuinbouw). In het noordwesten vindt men de Schadijkse bossen en in het voormalige heideland, ten zuidoosten van de kern, ligt het Rotven, tegenwoordig een bosgebiedje. De basisschool die eerder in het plangebied was gelegen, is verplaatst naar het westelijk gelegen voormalige St. Theresiaklooster. Dit klooster is ontworpen door architect H. Heijnen en in 1925 gebouwd voor de zusters van de Heilige Joseph. Hierbij werden een aantal lokalen voorzien voor een meisjesschool omdat de pastoor destijds moeite had met de gemengde school in het dorp. Tot 1982 kregen de leerlingen van de basisschool les in het klooster. In 1982 werd de basisschool ‘Onder de Wieken’ geopend. Hiermee verlieten ook de laatste zusters het klooster.
Vanaf 2018 is een gedeelte van het klooster gerenoveerd en weer geschikt gemaakt voor de leerlingen van basisschool ‘Onder de Wieken’. Het gebouw is voorzien van de nieuwste technieken waarbij het klaar is om nu maar zeker ook in de toekomst geschikt te zijn voor het onderwijs. Het voormalige gebouw van de basisschool wordt gesloopt. 2.3.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten of karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Het voormalige St. Theresiaklooster aan de westzijde van het plangebied is aangewezen als gemeentelijk monument.
Hoofdstuk 2
8
3. BELEID
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante ruimtelijke beleidsaspecten voor de ontwikkeling van het plangebied.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 12 maart 2012 is de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Er geldt op grond van de SVIR uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Voor wat betreft de ontwikkeling van het plangebied is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie direct in het geding zijn. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 3
9
wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). In het voorliggende geval worden acht nieuwe wooneenheden gecreëerd.
Het toevoegen van maximaal 11 woningen is in lijn met de uitspraak 2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het initiatief hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desalniettemin is de voorliggende ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien op een herontwikkelingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in de behoefte aan woningen in Melderslo. Voor meer informatie over deze behoefte wordt verwezen naar de paragrafen 3.4 en 3.5. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele wijzigingen in werking getreden.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Vanuit het Barro zijn er voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en schaal van het project, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 1 2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017
Hoofdstuk 3
10
3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit besluit zijn de belangen uit de Rarro niet van toepassing. 3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit plan is opgenomen in paragraaf 5.2.7. 3.2.6 Nationaal Waterplan 2016-2021 In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.
Het Nationaal Waterplan richt zich op waterveiligheid, bescherming tegen overstromingen, waterbewustzijn, het beter verbinden van water en ruimte en de beschikbaarheid van voldoende en schoon water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Hoofdstuk 3
11
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) ‘Voor de kwaliteit van Limburg’ vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen de zone ‘overig bebouwd gebied’. Overige bebouwde gebieden zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen met deels een stedelijk karakter en deels een dorps karakter. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Transformatie regionale woningvoorraad; Bereikbaarheid; Balans voorzieningen en detailhandel; Stedelijk groen en water; Kwaliteit leefomgeving. De realisatie van woningen is passend binnen het overig bebouwd gebied. Bovendien vindt middels het initiatief herontwikkeling plaats van een slooplocatie in een bestaande woonstraat. Dit draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving in het overig bebouwd gebied. Blijkens de kaarten bij het POL2014 ligt het plangebied binnen een voorkeursgebied voor windturbines. Bij de voorliggende ontwikkeling worden geen windturbines mogelijk gemaakt.
De mogelijkheden voor de ontwikkeling van windturbines worden ook niet beperkt door het initiatief. Aangezien sprake is van een locatie te midden van bestaande woningen, zou de realisatie van windturbines hier toch al niet mogelijk zijn.
Hoofdstuk 3
12
Figuur 5 Uitsnede kaart POL 2014 'Zonering Limburg' met ligging plangebied (rood omlijnd)
3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld en daarna nog diverse malen geactualiseerd. In de Omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan en daaruit volgen geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen woningbouw. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap of (milieu)beschermingsgebieden ligt.
Hoofdstuk 3
13
Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Wel zijn de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’.
3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 20 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; 3. Goed wonen voor iedereen; 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio. Afweging In de plancapaciteit van de gemeente Horst aan de Maas (bijlage 5 bij de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg) is de onderhavige locatie niet opgenomen. Het betreft hier de toevoeging van zeven grondgebonden levensloopbestendige woningen.
De totale plancapaciteit in de gemeente Horst aan de Maas is volgens de structuurvisie met 1.234 woningen iets kleiner dan de verwachte huishoudensgroei van 1.295 huishoudens in de periode 20152030. De beperkte toevoeging van woningen aan de plancapaciteit is hiermee passend binnen de verwachte huishoudensgroei.
Hoofdstuk 3
14
Ten aanzien van de kwalitatieve woonbehoefte is in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming ‘Woongebied’ opgenomen, waarbinnen maximaal zes grondgebonden woningen worden toegestaan. Hierbij zijn geen strikte kaders vastgelegd ten aanzien van het woningtype. Dit biedt de mogelijkheid om in te spelen op de meest actuele marktvraag. Het beoogde initiatief past daarmee binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: de structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; de gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; de structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.
Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden.
Hoofdstuk 3
15
Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van deze gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a.
in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4.
De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6B ‘Woondorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een positieve grondhouding (ja). Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert. Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en
Hoofdstuk 3
16
herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een positieve grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 1,0. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied. Deze kwaliteitsbijdrage wordt meegenomen in de exploitatie van het plan. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014- juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden'. Afweging Het plangebied is gelegen binnen gebied waarvoor een positieve grondhouding (ja) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan, aangezien in de exploitatie van het plan rekening is gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg.
De beleidsopgaven voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde; 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2016-2021): Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners van de gemeente Horst aan de Maas. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw besteedt gemeente in haar programma wonen extra aandacht aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en dat zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomstbestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.
Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden.
Hoofdstuk 3
17
Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor de kern Meterik is de woningbouwopgave voor de periode 2015-2025 om 50 woningen te bouwen. Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 55 woningen nodig om de verwachte huishoudensgroei te kunnen opvangen. De voorliggende locatie is niet opgenomen als woningbouwlocatie. Dit betekent dat gelet op de huishoudensgroei ruimte is voor nog eens vijf woningen bovenop de bestaande plancapaciteit van 50 woningen. Middels de voorliggende ontwikkeling worden acht wooneenheden gerealiseerd. Het realiseren van drie extra woningen is slechts een beperkte toevoeging. Het plan voldoet hiermee aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. 3.5.3 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld.
Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor het plangebied zal het welstandsniveau ‘streng’ gaan gelden. De onderhavige locatie is gelegen in de dorpskern van Meterik. De dorpskernen zijn vroeger ontstaan langs belangrijke doorgaande wegen. Het centrumgebied was van vroeger uit een menging van wonen, werken en andere functies. De openbare ruimten werden gevormd door een plein (kruising van wegen) waar vaak ook de kerk werd gebouwd. De aansluitende lintbebouwing vormen de vaak nog aanwezige karakteristieke bebouwing in de kernen van de dorpen. De dorpskernen van Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Horst, Grubbenvorst, Lottum, Meterik en Sevenum hebben een (stedenbouwkundig) beschermde status en derhalve zijn voor deze dorpskernen specifieke welstandscriteria vastgesteld. In deze gebieden worden bouwwerken ook op detailaspecten beoordeeld. Dit niveau van welstandstoezicht beperkt zich tot gebieden waar de combinatie van ruimtelijke kwaliteit, samenhang en de dynamiek van de bouwopgaven om deze extra aandacht vraagt.
Hoofdstuk 3
18
In het kader van de concrete bouwplannen voor deze locatie zal het bouwplan worden voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De beoordeling door deze commissie vindt plaats op basis van het geldende BKP, de monumentenbeschrijving en/of de gebiedscriteria van de welstandsnota. 3.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Voornoemde nota parkeernormen wordt juridisch verankerd in het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal acht wooneenheden mogelijk gemaakt.
Hierbij dient conform de Nota Parkeernormen te worden voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. Binnen het plangebied worden in totaal 16 à 17 parkeerplaatsen gerealiseerd en hiermee is voldaan aan de geldende parkeernorm.
3.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
19
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Binnen het plangebied worden maximaal acht grondgebonden woningen met tuinen mogelijk gemaakt. Aan de oostzijde van het plangebied zijn vijf woningen geprojecteerd en aan de noordzijde drie woningen. Het betreft hier levensloopbestendige nultreden-woningen. Aan de noordoostzijde van de drie woningen zijn 10 parkeerplaatsen en aan de zuidzijde van de beoogde woningbouw zijn 6 à 7 parkeerplaatsen voorzien. De woningen worden ontsloten via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg vanuit de Rector de Fauwestraat.
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal acht wooneenheden mogelijk gemaakt. Het realiseren van deze woningen in het plangebied is ruimtelijk passend, aangezien in de directe omgeving van het plangebied ook voornamelijk woningen liggen. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de woningen in de omgeving. Met de ontwikkeling wordt een slooplocatie in een bestaande woonstraat ingevuld, hetgeen een stedenbouwkundig wenselijke ontwikkeling is. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en de woningen worden goed ingepast in de omgeving.
Hoofdstuk 4
21
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten (bodem- en grondwaterkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, milieueffectrapportage, waterparagraaf, kabels en leidingen, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren).
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Aeres Milieu heeft daarom een historisch bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport3. Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is niet gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Hierdoor kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd. Indien voor de bestemmingswijziging of herontwikkeling van de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is, dan kan dit onderzoek worden uitgevoerd conform de NEN 5740, strategie ‘onverdacht’. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan door de toegepaste asbestverdachte golfplaten niet worden uitgesloten.
Indien wordt vastgesteld dat de dakbedekking asbesthoudend is dan wordt geadviseerd om (na sloop) een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 te verrichten ter plaatse van het schoolgebouw. Indien er werkzaamheden plaatsvinden waar grond bij vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zondermeer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
3 Aeres Milieu, Vooronderzoek NEN5725 Rector de Fauwestraat 26 te Meterik, projectnummer AM19537, 7 april 2020
Hoofdstuk 5
23
5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het plangebied is gelegen aan een weg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Binnen een afstand van 200 meter zijn geen wegen gelegen met een hogere maximumsnelheid. In de nabije omgeving zijn ook geen spoorwegen gelegen. En onderzoek naar weg- of railverkeerslawaai is dan ook niet nodig. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de basisschool. M-Tech heeft onderzocht wat de invloed van de school is op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied4. Het doel van dit onderzoek is inzicht te geven in de inpasbaarheid in het bestemmingsplan voor de beoogde situatie.
Hierbij is het uitgangspunt dat de bestaande basisschool niet beperkt wordt in haar rechten. De akoestisch relevante activiteiten binnen de school, hebben betrekking op de spelende kinderen op het schoolplein. De geluidemissie vanwege de school is middels een rekenmodel inzichtelijk gemaakt. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 56 dB(A) gedurende de dagperiode. Daarmee wordt in de dagperiode niet voldaan aan de richtwaarden voor “gemengd gebied” conform de VNG-publicatie én aan de richtwaarden conform het Activiteitenbesluit artikel 2.17. Indien de richtwaarden uit bijlage 5.3 stap 2 niet toereikend zijn, mag echter bij voldoende motivatie afgeweken worden tot de richtwaarden volgens stap 3. Hierbij is 55 dB(A) etmaalwaarde toegestaan in gemengd gebied. Hier wordt eveneens niet aan voldaan. Het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen bedraagt ten hoogste 72 dB(A) gedurende de dagperiode. Deze waarden voldoen eveneens niet aan de gestelde richtwaarden. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 (VNG-publicatie) zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.
Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren waarbij tevens de 4
M-Tech, Akoestisch onderzoek in het kader van een bestemmingsplanprocedure voor 8 grondgebonden woningen op een voormalige schoollocatie te Meterik, rapportnummer, Met.Hor.20.AO BP-01, d.d. 28 april 2020
Hoofdstuk 5
24
cumulatie met eventuele reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Nader onderzoek is noodzakelijk bij stap 4. Echter zijn in onderhavige situatie maatregelen onderzocht. Indien de woningen voorzien worden van een dove gevel aan de voorzijde, geldt het volgende. Een gevel die voldoet aan de voorwaarden uit art. 1b vierde lid Wgh wordt ook wel een “dove gevel” genoemd. Een “dove gevel” is geen gevel in de zin van de Wet geluidhinder. Daarom gelden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet op een “dove gevel”. Dit wil zeggen een gevel waarin geen te openen delen zijn opgenomen. Daarnaast dient in combinatie met een dove gevel, in het ontwerp rekening te worden gehouden om de geluidgevoelige verblijfsruimten zoals slaapkamer en woonkamer, aan de achterzijde van de woningen te situeren. De tuinen van de woningen zijn aan de achterzijde gelegen, indien hier alle geluidgevoelig verblijfsruimten aan zijn gesitueerd, grenzen deze aan een geluidluwe gevel. Indien een scherm wordt toegepast bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten hoogste 55 dB(A) gedurende de dagperiode. Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 70 dB(A) gedurende de dagperiode. Daarmee wordt in de dagperiode wel voldaan aan de richtwaarden voor “gemengd gebied” conform de VNG-publicatie. Het bevoegd gezag bepaalt welke maatregelen acceptabel worden geacht.
5.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM);
Hoofdstuk 5
25
b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor woningbouwlocaties zijn in de Regeling NIBM de volgende grenzen opgenomen.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende project betreft de realisatie van acht grondgebonden woningen. Dit betekent dat ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 beneden de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Conclusie De ontwikkeling van de woningen is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
5.2.4 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen
Hoofdstuk 5
26
gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is.
Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: De norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; De norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied; Een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; Een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gelegen die in hun functioneren zouden kunnen worden belemmerd door de voorgenomen woningbouw. De meest dichtbij gelegen veehouderij ligt op circa 350 meter ten zuidwesten van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Daarnaast blijkt uit de kaart ‘Huidige situatie geur’ bij de plan-MER5 die is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ dat het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt beoordeeld als ‘goed’ (3,1-7,4 OU/m3).
Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, mede omdat reeds woningen dichter bij zijn gelegen. 5 BugelHajema, PlanMER bestemmingsplan buitengebied Horst, projectnummer 934.00.00.01.00, 24 november 2017, te raadplegen via
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPV1/b_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIEDBPV1_tb4.pdf
Hoofdstuk 5
27
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. De beoogde woningen vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand hebben ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Direct aan het plangebied is de basisschool gelegen. Uit paragraaf 5.2.2 volgt dat onderzoek is uitgevoerd naar de akoestisch relevante activiteiten binnen de school.
Hieruit volgt dat niet wordt voldaan aan de richtwaarden voor “gemengd gebied” conform de VNG-publicatie én aan de richtwaarden conform het Activiteitenbesluit artikel 2.17. Derhalve worden maatregelen genomen om te kunnen voldoen aan de richtwaarde. Voor het overige vinden in de omgeving van het plangebied geen activiteiten plaats met een dusdanige hinderzone dat zij de ontwikkeling in het plangebied belemmeren. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoofdstuk 5
28
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10ˉ6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.
Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van acht woningen mogelijk. Op basis van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten.
In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart zijn er in de wijde omgeving rond het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Op ca. 350 meter ten zuiden van het plangebied is een bedrijf gelegen met een propaantank van 8000 liter. De veiligheidsafstand bedraagt 50 meter. Het plan ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting.
Hoofdstuk 5
29
Figuur 6 Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauwe pijl)
Buisleidingen Op een afstand van 380 meter ten noorden van het plangebied is een gasontvangststation en in noordelijke richting daarvan een aardgasleiding gelegen. Het invloedsgebied bedraagt 140 meter. Daarnaast is op ca 1,9 km ten westen van het plangebied een pijpleiding gelegen. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 360 meter. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plan ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Vervoer gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt niet in de nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Op circa 2,6 kilometer ten oosten van het plangebied ligt de A73, waarover risicovol transport plaatsvindt. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg.
Hoofdstuk 5
30
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding of transportroute. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.2.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van acht woningen binnen de bestaande kern Meterik. Ter plaatse is een voormalige basisschool gelegen. Deze bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervolgens worden de beoogde woningen gebouwd. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Blijkens jurisprudentie6 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename met acht wooneenheden binnen een bestaande dorpskern. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 4). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r..