02c Toelichting bp Grimmelsweg-St.Maartensweg
Tekst van het document
5.3.4 Omgevingsverordening Limburg 2014 Conform de Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie december 2019) is een deel van de gemeente Horst aan de Maas, waaronder onderhavig plangebieden, gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Voor gebieden binnen deze zone gelden regels voor onder andere boringen dieper dan 5 meter boven NAP.
5.3.5 Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg Per 1 januari 2017 zijn Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas gefuseerd tot Waterschap Limburg. In 2012 is vooruitlopend op de fusie door de twee waterschappen één gezamenlijk plan opgesteld: Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Water in beweging’. Het waterbeheerplan beschrijf de wateropgaven binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water, de Deltabeslissingen en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Dit integrale beleids- en uitvoeringsplan betreft vooral het voortzetten en voortborduren van het vigerende beleid. Door het waterschap wordt ingezet op het gewenste resultaat: • veilige dijken • droge voeten • voldoende en schoon water in Limburg Het waterschap is verantwoordelijk voor een correcte inpassing van water en de belangen van waterbeheer en waterveiligheid in ruimtelijke plannen. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat het waterschap betrokken dient te worden in het voortraject van het opstelle n van ruimtelijke plannen, de zogenaamde Watertoets.
5.3.6 Waterhuishoudkundige situatie plangebied Binnen de plangebieden moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem worden aangelegd om de hoeveelheid regenwater te verwerken die gelet op het ter plaat se aan de orde zijnde (nieuw) afvoerend verhard oppervlak (bebouwing inclusief erfverhardingen) binnen 32
de plangebieden valt. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal dit aspect nader worden uitgewerkt. Afvoer van huishoudelijk afva lwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem.
5.3.7 Overleg Waterschap Vooroverleg met en advies van het Waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het Waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen met ee n toename van het nieuw afvoerend verhard oppervlak van minder dan 2000 m 2 en waarbij het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, geen vooroverleg plaats hoeft te vinden met het watertoetsloket. Het plan leidt niet tot een toename van het afvoerend verhard oppervlak van meer dan 2000 m 2 en ligt niet in een specifiek aandachtsgebied. Specifiek wateradvies door het Waterschap is niet noodzakelijk.
5.4 Natuur 5.4.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ec ologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting , vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Plangebied 1 is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen.
De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden betreffen ‘De Maasduinen’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ welke op een afstand van respectievelijk 1,8 kilometer en 15,1 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Ook blijkt dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gelegen. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende bij Natuurnetwerk Nederland is op een afstand van circa 505 meter ten westen van het plangebied gelegen. Gezien het feit dat het plangebied op een dusdanige afstand tot een Natura 2000-gebied of een gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland is gelegen en er ter plaatse van het plangebied enkel een bijgebouw gerealiseerd wordt zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.
33
Plangebied 2 is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden betreffen ‘De Maasduinen’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ welke op een afstand van respectievelijk 11,7 kilometer en 5,8 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Ook blijkt dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gelegen. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende bij Natuurnetwerk Nederland is op een afstand van circa 10 meter ten westen van het plangebied gelegen. Gezien het feit dat het plangebied niet binnen een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland is gelegen en er ter plaatse van het plangebied een varkensbedrijf wordt gesaneerd, zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.
5.4.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten - en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het uitbreiden van het bestemmingsvlak ter plaatse van de Grimmelsweg 5 brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Daarnaast is het planvoornemen om binnen het plangebied aan de Sint Maartensweg 7 een deel van de aanwezige bebouwing en verharding te slopen. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De te slopen varkensstal op het perceel zou als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stallen worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Daarom heeft Faunaconsult op 7 oktober 2020 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als seperate bijlage II bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A -soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan d e algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemeen voorkomende vogels Direct rondom het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als 34
strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door (het deel van) de varkensstal buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
5.5 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bo vendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond a anwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen a rcheologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op plangebied 1 ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en dieper dan 0,5 meter. Met het planvoornemen worden de verstoringsoppervlakte en -diepte niet overschreden, waardoor deze ingreep is uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Op plangebied 2 ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en op een klein gedeelte de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 0 m 2 en dieper dan 0,5 meter. Met het planvoornemen worden de verstoringsoppervlakte en -diepte niet overschreden, waardoor deze ingreep is uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan, de digitale erfgoedkaart van de gemeente Horst aan de Maas en de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg heben beide plangebieden geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6 Verkeer en parkeren Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2015 vastgesteld. De Nota Parkeernormen biedt een uniform toetsingskader voor 35
het beoordelen van aanvragen waarbij het parkeeraspect van belang is. Daarnaast sluit de nota aan op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzame mobiliteit. De hoofdmoot vormen de parkeernormen zoals die binnen de gemeente Horst aan de Maas van kracht zijn. Gemeente Horst aan de Maas beoordeelt het parkeeraspect van ruimtelijke initiatieven op basis van CROW- publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (oktober 2012). In de nota worden de gemaakte keuzes toegelicht en wordt gemotiveerd hoe de richtlijnen conform de CROW-publicatie voor de gemeente Horst aan de Maas worden geïnterpreteerd. Deze Nota Parkeernormen geldt als toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven met als doel het voorkomen van parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van deze initiatieven.
5.6.1 Mobiliteit Het toevoegen van nieuwe woningen zal normaliter zorgen voo r een toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien het feit dat er in deze situatie op beide plangebieden geen wooneenheden worden toegevoegd zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit en keer mogelijkheden om het aantal verkeerbewegingen van en naar de besluitlocatie te blijven verwerken.
5.6.2 Parkeren Ten behoeve van de nieuwe woningen zal moeten worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In de huidige situatie is ter plaatse van beide plangebieden reeds een woning aanwezig met ruimschoots voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Aangezien er geen wooneenheid wordt toegevoegd, voldoet de huidige situatie dan ook aan de parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas.
36
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
6.2 Handhaving Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan word en nageleefd. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de beleidsnota Vergunningen, Toezicht en Handhaving 2017-2020 zoals vastgesteld op 11 april 2017. De gemeente Horst aan de Maas stelt een gezonde, veilige, leefbare en gro ene leefomgeving centraal. Binnen het vastgestelde beleid is regelgeving vooral gericht op het mogelijk maken van individuele- gemeenschaps- en ondernemersinitiatieven. Bij het uitvoeren van de gemeentelijke taken wordt een dienstbare houding aangenomen ten opzichte van de aanvrager, waarbij de verantwoordelijkheid blijft liggen waar deze hoort. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraa l handhavingsbeleid waarbij preventie voorop staat. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. In de gemeente Horst aan de Maas wonen naar verhouding veel arbeidsmigranten.
Huisvesting dient plaats te vinden op een veilige manier en op een manier die de ruimtelijke kwaliteit borgt. Er geldt beleid, dat is vastgelegd in onderhavig bestemmingsplan. Indien huisvesting niet conform dit beleid plaatsvindt, zal in principe handhavend moeten worden opgetreden.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening zal het (concept) ontwerp bestemmingsplan worden voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de provincie Limburg.
37
6.3.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan ‘Grimmelsweg 5, Lottum en St. Maartensweg 7, Meterik’ zal ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.
6.3.3 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit: 1. Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; 2. Terinzagelegging van het ontwerpplan met bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ gedurende de termijn van 6 weken kunnen door eenieder zienswijzen (mondeling of schriftelijk) worden ingediend; 3. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien er zienswijzen zijn ingediend; 4. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ binnen twee weken, indien geen zienswijzen zijn ingediend; ▪ vanaf 6 weken na vaststelling indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingediend of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld; 5. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; 6.
Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
38