02c Toelichting bp Grimmelsweg-St.Maartensweg
Tekst van het document
Ontwerp bestemmingsplan “Grimmelsweg 5, Lottum en St. Maartensweg 7, Meterik” NL.IMRO.1507.HMGRIMMELSTMAARTWG-BPO1
Colofon Rapport: Bestemmingsplan Grimmelsweg 5, Lottum en St. Maartensweg 7, Meterik Rapportnummer: 2020.0670 Status: Ontwerp Datum: 24 juni 2021 Projectlocaties 1. Grimmelsweg 5 5973 PX Lottum Gemeente Horst aan de Maas 2. Sint Maartensweg 7 5964 NH Meterik Gemeente Horst aan de Maas Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Frank Janssen Senior Adviseur 06 – 392 701 81 Frank@reland.nl © juni 2021 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd
gegevensbestand
worden
opgeslagen,
zonder
voorafgaande
schriftelijke
toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in dez e tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ......................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied.......................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................... 7 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 2 Huidige situatie omgeving .................................................................... 10 2.1 Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 10 2.2 Functionele structuur .............................................................................................. 12 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie .............................................................. 12 HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie.................................................................................. 15 HOOFDSTUK 4 Beleidskader .......................................................................................
17 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................... 17 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ................................................................. 17 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................ 18 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................. 18 4.2 Provinciaal beleid ................................................................................................... 19 4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 ............................................................ 19 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 .................................................................. 21 4.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu ..................................................................................... 21 4.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................. 21 4.3.1 Integrale structuurvisie Horst aan de Maas ........................................................... 21 4.3.2. Kwaliteitsverbeterende maatregelen .................................................................... 23 HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten ..............................................................................
25 5.1 Inleiding ................................................................................................................. 25 5.2 Milieuaspecten ....................................................................................................... 25 5.2.1 Bodem ................................................................................................................. 25 5.2.2 Geluid ................................................................................................................. 26 5.2.3 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 26 5.2.4 Geur .................................................................................................................... 27 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................. 28 5.2.6 Externe veiligheid ................................................................................................ 29 5.3 Waterparagraaf ...................................................................................................... 31 5.3.1 Waterwet ............................................................................................................. 31 5.3.2 Nationaal Waterplan 2016-2021 ...........................................................................
31 5.3.3 Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 ............................................................ 31 5.3.4 Omgevingsverordening Limburg 2014 .................................................................. 32 5.3.5 Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg ................................................ 32 5.3.6 Waterhuishoudkundige situatie plangebied ........................................................... 32 5.3.7 Overleg Waterschap ............................................................................................ 33 5.4 Natuur .................................................................................................................... 33 5.4.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 33 5.4.2 Soortenbescherming ............................................................................................ 34 5.5 Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................. 35 5.6 Verkeer en parkeren ............................................................................................... 35 5.6.1 Mobiliteit .............................................................................................................. 36 3
5.6.2 Parkeren ............................................................................................................. 36 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 37 6.2 Handhaving ......................................................................................................... 37 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................... 37 6.3.1 Wettelijk vooroverleg ........................................................................................... 37 6.3.2 Zienswijzenprocedure .......................................................................................... 38 6.3.3 Procedure bestemmingsplan ................................................................................ 38
Bijlage I Bijlage II Bijlage III
Verkennend bodemonderzoek Quickscan Flora & Fauna Landschappelijk inpassingsplan
4
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De initiatiefnemer is voornemens om de reeds aanwezige woonbestemming aan de Grimmelsweg 5 te Lottum te vergroten en een groter bijgebouw t.b.v. het aan huis gebonden bedrijf te realiseren. Een dergelijke uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en vergroting van het toegestane aantal vierkante meters aan bijgebouwen kan binnen de gemeente Horst aan de Maas gerealiseerd worden, mits er elders wordt gesloopt als kwaliteitsverbeterende maatregel. Aan deze voorwaarde wenst de initiatiefnemer te voldoen door ter plaatse van de Sint Maartensweg 7 te Meterik de aldaar aanwezige stal te slopen en gedeeltelijk in te zetten voor de uitbreiding aan de Grimmelsweg 5. Zodoende is er een koppeling ontstaan tussen deze twee locaties. Uiteindelijk zal er hierdoor op de locatie aan de Sint Maartensweg 7 een grondgebonden akkerbouwbedrijf achterblijven, waarbij de bebouwingsmogelijkheden zijn beperkt en het intensief houden van vee wordt uitgesloten. Middels een principeverzoek heeft de initiatiefnemer het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas gevraagd om medewerking te verlenen aan het planvoornemen. In het principebesluit van 12 september 2019, geeft de gemeente aan dat de ontwikkeling voorstelbaar is en verleent zij, onder voorwaarden, medewerking aan het plan.
Beide ontwikkelingen zijn niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan . Om de wensen te realiseren is dan ook een separate bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. Het nieuwe bestemmingsplan ‘’Grimmelsweg 5 en Sint Maartensweg 7’’ bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Onderliggend document betreft de toelichting die dit plan vergezelt.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Er is sprake van twee plangebieden. Een plangebied is gelegen aan de Grimmelsweg 5 te Lottum en een plangebied is gelegen aan de Sint Maartensweg 7 te Meterik (zie figuur 1 op de volgende pagina). De plangebieden zijn beiden gelegen binnen de gemeente Horst aan de Maas. Beide plangebieden zijn aan elkaar verbonden door de toegepaste sloopregeling en worden dan ook gezamenlijk behandeld in dit bestemmingsplan. Doordat de plangebieden circa 10 kilometer bij elkaar vandaan liggen en er op beide plekken andere ontwikkelingen plaatsvinden, zijn ze in deze toelichting ter verduidelijking opgedeeld in plangebied 1 (Grimmelsweg 5 te Lottum) en plangebied 2 (Sint Maartensweg 7 te Meterik). Plangebied 1 Plangebied 1 is gelegen aan de Grimmelsweg 5 te Lottum. Op de locatie is een woning met bijgebouw en tuin aanwezig. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie H, perceelnummers 745, 1212, 1312 en 1314. Het plangebied beslaat slechts een beperkt gedeelte van het perceel met nummer 745. Dit plangebied heeft hierdoor een oppervlakte van circa 2.265 m2. Op figuur 2 is de kadastrale situatie weergegeven op een luchtfoto.
5
Plangebied 2 Plangebied 2 is gelegen aan de Sint Maartensweg 7 te Meterik. Op deze locatie wordt momenteel een varkenshouderij geëxploiteerd. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie K, perceelnummer 145, welke een grootte heeft van circa 33.830 m2. Het plangebied beperkt zich echter tot het huidige bouwvlak op dit perceel en heeft een grootte van circa 6.120 m2. Op figuur 3 op de volgende pagina is de kadastrale situatie van dit plangebied weergegeven op een luchtfoto.
2 1
Figuur 2. Ligging plangebieden binnen de gemeente en t.o.v. elkaar (plangebied 1 rood aangestipt – plangebied 2 geel aangestipt).
Figuur 1. Plangebied 2 - kadastrale situatie (plangebied rood omkaderd).
6
Figuur 3. Plangebied 1 - kadastrale situatie (plangebied rood omkaderd).
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Beide plangebieden zijn geregeld in de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (vastgesteld 19-12-2017) en ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ (vastgesteld 08-09-2020). Plangebied 1 In dit bestemmingsplan zijn voor plangebied 1 twee enkelbestemmingen van kracht, namelijk: de enkelbestemming ‘Wonen’ en de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarde n’. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Op de volgende pagina is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven (figuur 4). De bestemming ‘Wonen’ betekent dat het plangebied op dit moment gebruikt ma g worden ten behoeve van wonen en aan huis verbonden beroepen. Tevens mogen de gronden gebruikt worden voor bijvoorbeeld tuinen, paden, wegen, groenvoorzieningen e.d. Hierbij wordt aangegeven dat de woning een maximale inhoud mag hebben van 1.000 m 3 en de totale oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 150 m2 mag bedragen. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig/hobbymatig grondgebruik. Er is hier geen bouwvlak aanwezig, waardoor er slechts beperkt gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht op deze plek.
7
Figuur 4. Uitsnede vigerende bestemmingsplan (plangebied 1 rood omkaderd).
Plangebied 2 In dit bestemmingsplan is voor plangebied 2 de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ opgenomen. Daarnaast gelden hier de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. In figuur 5 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 5. Uitsnede vigerende bestemmingsplan (plangebied 2 rood omkaderd).
De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig/hobbymatig grondgebruik. Het plangebied bestaat hier uit het aanwezige bouwvlak. Het bouwvlak mag hier volledig bebouwd worden. Het plangebied is tevens aangeduid als ‘intensieve veehouderij’, wat betekent dat hier tevens een niet-grondgebonden veehouderij geëxploiteerd mag worden.
8
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk betreft hoofdstuk 2 een beschrijving van de plangebieden en hun historische ontwikkeling. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de gewenste ontwikkeling per plangebied en de ruimtelijke consequenties hiervan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locaties. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde.
9
HOOFDSTUK 2 Huidige situatie omgeving 2.1 Ruimtelijke structuur Plangebied 1 De locatie aan de Grimmelsweg 5 te Lottum ligt op een afstand van circa 450 m ten westen van het dorp Lottum in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De Grimmelsweg heeft een functie als ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer en betreft de verbindingsweg tussen de twee aanwezige buurtschappen ‘De Steegh’ en ‘Zwaanenheike’ . Door de afwisseling tussen bebouwing en agrarische percelen heeft de Grimmelsweg een halfopen karakter. Langs deze weg staan geen laanbomen. Ten zuiden van het plangebied ligt op een afstand van circa 3,6 kilometer de kern Grubbenvorst. Ten westen van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 5,7 km de kern van Horst. Op figuur 6 is de ruimtelijke structuur rondom plangebied 1 weergegeven t.o.v. de dorpen in de omgeving en de directe omgeving.
Figuur 6. Ruimtelijke structuren rondom plangebied 1.
10
Ten zuidwesten van het plangebied is op een afstand van circa 4,4 kilometer de snelwegverbinding A73 tussen Venlo en Venray gelegen. Ten oosten van het plangebied stroomt op een afstand van circa 1,26 kilometer de rivier de Maas. Parallel aan de Maas loopt de provinciale weg N271, welke Venlo en Gennep met elkaar verbindt. Deze provinciale weg ligt op een afstand van circa 1,9 kilometer ten oosten van het plangebied. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op een afstand van circa 2,3 kilometer ten westen van het plangebied en betreft de spoorverbinding Venlo-Nijmegen. Plangebied 2 De locatie aan de Sint Maartensweg 7 te Meterik ligt op een afstand van circa 1 ,2 kilometer ten noordwesten van het dorp Meterik in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De Sint Maartensweg heeft een functie als ontslu itingsweg voor de aanwezige (met name agrarische) bedrijven en het recreatiegebied ‘Schadijkse Bossen’. De Sint Maartensweg heeft aan de oostzijde een open karakter door de beperkt aanwezige bebouwing en vergezichten over de agrarische percelen. Aan de wes tzijde van de Sint Maartensweg bevinden zich de Schadijkse bossen wat zorgt voor een gesloten maar natuurlijk karakter. Het plangebied maakt onderdeel uit van de oostelijke zijde van de weg. Ten zuidoosten van het plangebied, op een afstand van circa 2,3 kilometer, bevindt zich de kern van Horst.
Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 3,17 kilometer, bevindt zich de snelwegverbinding A73 (Venlo-Venray). De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 3,46 kilometer en betreft de verbinding Venlo-Eindhoven.
Figuur 7. Ruimtelijke structuren rondom plangebied 2 (rechts weergegeven voor de directe omgeving).
11
2.2 Functionele structuur Plangebied 1 Binnen plangebied 1 is een woning met bijgebouwen en een tuin gelegen. Daarnaast is een gedeelte van de grond in gebruik als inrit naar het achtergelegen agrarisch land. Dit gedeelte wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis gebonden bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied liggen afwisselend agrarische bedrijven , agrarische percelen en burgerwoningen. Het valt hier op dat er in de loop der tijd relatief veel agrarische bedrijfswoningen zijn omgezet naar burgerwoningen en de dichtheid aan burgerwoningen hier dan ook relatief hoog is voor het buitengebied. Ten zuiden van het plangebied is tevens een cluster aan bedrijven gevestigd. Binnen dit bedrijvencluster bevinden zich onder andere een loonwerkbedrijf, rijwielspeciaalzaak, een slijperij en een wapenmakerij. De omgeving van het plangebied heeft door de aanwezigheid van de verschillende functies een duidelijk gem engd karakter. Plangebied 2 Binnen plangebied 2 is een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf gelegen met de daarbij horende bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen. De omliggende gronden zijn met name in gebruik ten behoeve van akkerbouw of agrarisch grasland. In de directe omgeving zijn met name voormalige agrarische bedrijfswoningen gelegen die inmiddels zijn omgezet naar een woonbestemming. Daarnaast zijn er nog een aantal agrarische bouwvlakken aanwezig.
De overzijde van de Sint Maartensweg wordt gekenmerk t door de ‘Schadijkse bossen’, waardoor het hier een robuust natuurlijk en groen karakter heeft. Ten zuidoosten van het plangebied ligt tevens een relatief klein kassencomplex. Het gebied wordt met name gekenmerkt door de verzichten door de grote agrarisch e akkers. Echter lijkt de agrarische bedrijvigheid hier steeds verder af te nemen.
2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie De historische ontwikkeling en de cultuurhistorie van de gemeente Horst aan de Maas is mede bepaald door het landschap. Het landschap bestaat achtereenvolgens van west naar oost uit: het hoogveenontginningenlandschap, het zandgrondenlandschap en het rivierdallandschap. Het hoogveenontginningenlandschap bestond in het verleden uit ontoegankelijk veenmoeras. Door turfwinning en ontginningen zijn grote delen van het hoogveen omgezet in agrarisch gebied, waarbij grote aaneengesloten, rationeel verkavelde landbouwgronden zijn ontstaan. Het zandgrondenlandschap heeft een sterke menging van landschapselementen, functies en gebruikers. Het is namelijk opgebouwd uit beekdalen, waaraan in het verleden de dorpen en akkercomplexen zijn ontstaan. Daarnaast zijn er jonge heideontginningen en bosg ebieden aanwezig. In dit gebied is de meeste bebouwing geconcentreerd en het gebied wordt het meest intensief gebruikt. Het rivierdallandschap staat sterk onder invloed van de rivier de Maas. Het landschap bestaat uit een mix van oude akkercomplexen, jonge ontginningen, bos- en natuurgebieden, steil 12
randen en glooiingen in het landschap. Dit landschapstype is het meest intact gebleven en deze zone heeft dan ook de meeste cultuurhistorische waarde. De meeste bebouwing is gesitueerd aan de Maas. De invloed van het water vertaalt zich onder meer in een afwisselend patroon van bebouwing en beplanting, afgewisseld met meer open gebieden. Om het voormalig gebruik van de plangebieden vast te stellen, is gebruik gemaakt van historische kaarten op http://topotijdreis.nl/ Per plangebied wordt aan de hand van deze kaarten duidelijk gemaakt hoe het huidige gebruik is ontstaan in de loop der tijd. Plangebied 1 1850
1900
1967
2019
Figuur 8. Plangebied 1 en directe omgeving in de loop der jaren.
Uit de kaarten op de vorige pagina blijkt dat plangebied 1 en omgeving lange tijd voornamelijk een agrarisch gebruik kende. De Grimmelsweg bestond tot 1900 nog niet en was hiervoor met name in gebruik als agrarisch productieland. Vanaf 1967, wanneer de schaalvergroting in de landbouw sterker wordt, zien we aan de Grimmelsweg steeds meer bebouwing ontstaan. Deze bebouwing doet dan ook met name dienst als agrarische bedrijfsgebouwen. In 2019 zien we dat een groot gedeelte van deze voormalige agrarische bebouwing inmiddels in gebruik is ten behoeve van wonen. Het gebied is in de periode tussen 1967 en 2019 dan ook sterk versteend. 13
Plangebied 2 1850
1900
1967
2019
Figuur 9. Plangebied 2 en directe omgeving in de loop der jaren.
Uit bovenstaande kaarten blijkt dat plangebied 2 en omgeving in de loop der jaren voornamelijk een agrarisch gebruik kende. De Sint Maartensweg is in 1850 voor het eerst vastgelegd op kaartmateriaal en laat hier met name agrarisch land en/of natuur zien. Omstreeks 1900 is het plangebied nog steeds in gebruik als agrarisch productieland. Pas rond 1967 als de schaalvergroting in de landbouw versterkt, zien we bebouwing ontstaan binnen het plangebied. Tot 2019 lijkt ditzelfde bedrijf door te zijn gegroeid tot wat het nu is. De omgeving en het landgebruik lijken niet sterk te veranderen in de loop der jaren. Agrarische percelen en natuur blijven hier de meest beeldbepalende aspecten.
14
HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie In dit hoofdstuk zal de beoogde situatie van onderhavige ontwikkeling besproken worden. Plangebied 1 Binnen plangebied 1 zal het bestemmingsvlak ‘Wonen’ uitgebreid worden. De agrarische bestemming zal gewijzigd worden in een woonbestemming. In figuur 10 is het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ weergegeven.
Figuur 10. Beoogde situatie Grimmelsweg 5.
Naast de beoogde uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ zal ter plaatse van het plangebied een nieuw bijgebouw gerealiseerd worden. Om het aantal vierkante meters aan bijgebouwen op deze locatie mogelijk te maken zal gebruik gemaakt worden van de sloopregeling uit de ‘kwaliteitsverbeterende maatregelen’ van de gemeente Horst aa n de Maas. Om aan de voorwaarden te voldoen zal ter plaatse van de Sint Maartensweg 7 te Meterik de aldaar aanwezige varkensstal worden gesloopt en gedeeltelijk worden ingezet voor de uitbreiding aan de Grimmelsweg 5. Het resterende gedeelte van de stal wo rdt ingezet als kwaliteitsverbeterende maatregel voor andere (nog nader te bepalen) initiatieven. De locatie zal landschappelijk worden ingepast. Voor het inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage III.
15
Plangebied 2 Binnen plangebied 2 zal de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd worden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ blijft gehandhaafd. Daarnaast zal de aanwezige varkensstal met een oppervlakte van 628,65 m2 gesloopt worden waarbij 450 m2 wordt ingezet t.b.v. de uitbreiding aan de Grimmelsweg 5. Tot slot zal het bouwvlak met ca. 4360 m2 verkleind worden. In figuur 11 is het beoogde bouwvlak met een zwart kader weergegeven. In de beoogde situatie blijft de bedrijfswoning en een bijgebouw behouden t.b.v. akkerbouwactiviteiten.
Figuur 11. Beoogde situatie Sint Maartensweg 7.
16
HOOFDSTUK 4 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante Rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid met betrekking tot onderhavig plan.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijk soverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. De twee plangebieden zijn niet binnen een onderdeel van de Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn er in dit geval geen aanvullende regels vanuit andere nationale belangen van belang. Afweging Er geldt op grond van de SVIR uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij ruimtelijke plannen. De voorgenomen ontwikkeling om in plangebied 1 de bestemming wonen te vergroten en meer oppervlakte aan bijgebouwen toe te staan middels de gemeentelijke sloopregeling, is een kleinschalige ontwikkeling waardoor het Rijksbeleid dit plan niet in de weg staat. Ditzelfde geldt voor plangebied 2 waar, in het kader van de sloopregeling en in relatie met plangebied 1, een intensieve veehouderij wordt gesaneerd door de stal af te breken en het bouwvlak te verkleinen. Bij deze ontwikkeling is sprake van een lokale ontwikkeling, w aarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie direct in het geding zijn.
Uit deze toelichting blijkt bovendien dat de kwaliteit van bodem, water en lucht voldoet aan de eisen daaromtrent en dat er geen sprake is van negatieve milieueffecten waardo or de gezondheid van burgers wordt geschaad. Zoals elders uit deze toelichting blijkt, bestaan er verder ook vanuit milieu-hygiënisch oogpunt, zoals geluid en externe veiligheid, geen 17
belemmeringen in het gebied. De nationale belangen zijn dan ook niet in het geding als gevolg van onderhavig nieuw bestemmingsplan.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een separate planologische procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale en gemeentelijke beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling.
Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling kleinschalig van aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag wanneer er nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersyste matiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de SVIR (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te b epalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling 18
rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. In dit geval wordt binnen plangebied 1 de woonbestemming vergroot en het aantal vierkante meters aan bijgebouwen verhoogd. Dit wordt mogelijk gemaakt in het kader van de gemeentelijke sloopregeling. Binnen plangebied 2 wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en daarbij worden de stallen gesloopt, waardoor de vergroting in plangebied 1 mag plaatsvinden. Omdat het hier geen woningbouw betreft en slechts een beperkte toename van het aantal vierkante meters aan bijgebouwen in ruil voor de sloop van een intensieve veehouderij (verhouding 1:3), spreekt men hier niet van een stedelijke ontwikkeling. Afweging Onderhavige ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling. Het toestaan van een groter oppervlak aan bijgebouwen in ruil voor de sloop van gebouwen elders draagt daarnaast bij aan het zorgvuldig ruimtegebruik. Het doorlopen van de Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is dan ook niet noodzakelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze ontwikkeling.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) vastgesteld. In de loop der jaren is dit omgevingsplan meerdere keren aangepast. De meest volledige en recente versie is vastgesteld op 13 augustus 2019, aan deze versie wo rdt de ontwikkeling getoetst. Belangrijke principes uit het omgevingsbeleid van de provincie Limburg zijn: 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn en in dynamisch voorraadbeheer, dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Het instrument van het Limburgs Kwaliteitsmenu is overgedragen aan de gemeenten. 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische beeldbepale nde gebouwen. 3. Uitnodigen. De manier waarop de Provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.
In het POL is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel ver schillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden: • Stedelijk centrum, • Bedrijventerrein, 19
•
Overig bebouwd gebied.
In het landelijk gebied gaat het om de zones: • Goudgroene natuurzone, • Zilvergroene natuurzone, • Bronsgroene landschapszone en • Buitengebied. Volgens de POL2014 kaart ‘Zonering Limburg’ ligt zowel plangebied 1 als plangebied 2 geheel binnen de zone ‘Buitengebied’. Volgens het POL2014 liggen de accenten in deze zone op: • Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; • Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; • Kwaliteit en functioneren ondergrond.
Plangebied 1
Plangebied 2
Figuur 12. Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met ligging plangebieden (rood omcirkeld).
Afweging Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk dat ter plaatse van plangebied 1 de woonbestemming wordt vergroot en het aantal vierkante meters bijgebouwen aldaar wordt verhoogd. Dit gebeurt in het kader van de gemeentelijke sloopregeling. Binnen plangebied 2 wordt een stal gesloopt 20
en gaat het bedrijf aldaar verder als een akkerbouwbedrijf. Hierdoor verbetert de milieusituatie in de omgeving van plangebied 2, er verdwijnt immers een intensieve veehouderij, en er v indt een stuk ontstening van het buitengebied plaats. Door de sanering van de intensieve veehouderij ontstaat er in plangebied 2 ruimte voor het akkerbouwbedrijf en anderzijds biedt het ruimte binnen plangebied 1 om daar de bebouwingsmogelijkheden (bijgebo uwen) licht te verhogen. De ontwikkeling binnen plangebied 1 wordt dan ook mogelijk gemaakt door binnen plangebied 2 een bijdrage aan kwaliteitsverbetering te leveren in de vorm van sloop, het beëindigen van een intensieve veehouderij en het verkleinen van het bouwvlak en haar bebouwingsmogelijkheden. Daarmee past de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen van het POL2014.
4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening en deze is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd overgenomen. Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening niet gele gen binnen milieubeschermingszones of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
4.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregel LKM regelt de 'extra' condities en voorwaarden waaronder bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk zijn. Aangezien de gemeente het LKM heeft uitgewerkt in haar structuurvisie, geldt het gemeentelijk kwaliteitsmenu, zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Integrale structuurvisie Horst aan de Maas De Structuurvisie Horst aan de Maas is 26 november 2019 vastgesteld. Het betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal -maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen staat voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de 21
mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal dat de nieuwe Wro biedt. D e structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd. Volgens de bij de structuurvisie behorende visiekaart liggen de twee plangebieden binnen het ‘Agrarisch gebied’. Het gemeentelijk beleid heeft bepaalde gebieden aangewezen waar ruimte is voor uitbreiding van agrarische bedrijvigheid en innovatie. Binnen het agrarisch gebied waar beide plangebieden zijn gelegen geldt dat ontwikkelingen niet ten koste mogen gaan van de landschappelijke kwaliteit. Daarnaast wordt hier geopteerd voor bijvoorbeeld het verplaatsen van intensieve veehouderijen naar meer gangbare plekken.
Figuur 13. Uitsnede Integrale beleidsvisiekaart Structuurvisie Horst aan de Maas met ind icatie ligging plangebieden (rood omcirkeld).
De beoogde vergroting van het bestemmingsvlak wonen en verhoging van het aantal vierkante meters bijgebouw ter plaatse van plangebied 1 is passend binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente. Deze vergroting wordt mogelijk gemaakt doordat er elders (plangebied 2) een knelpunt wordt opgelost en/of kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvindt. Binnen plangebied 2 wordt namelijk de intensieve veehouderij gesaneerd en omgezet naar een akkerbouwbedrijf, wat zorgt voor ontstening van het landschap en een verbetering van het milieu ter plekke en in de omgeving. Het slopen van gebouwen elders in ruil voor meer bebouwingsmogelijkheden bij een bestaande woning sluiten aan bij de principes van efficiën t ruimtegebruik en het gemeentelijk beleid. Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Het grondprincipe van het gemeentelijk (en provinciaal) kwaliteitsmenu (GKM) is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, wat dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als bu iten de ‘rode 22
contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Binnen plangebied 1 wordt de woonbestemming vergroot en worden meer vierkante m eters aan bijgebouw mogelijk gemaakt. Het uiteindelijk te realiseren extra bijgebouw zal in het kader van het gemeentelijke kwaliteitsmenu landschappelijk worden ingepast. Ter plekke van plangebied 2 wordt de intensieve veehouderij gesaneerd en een stal gesloopt welke deels ingezet wordt voor de uitbreiding aan de Grimmelsweg 5. Uiteindelijk blijft hier een grondgebonden akkerbouwbedrijf over. Ter plaatse van plangebied 2 wordt de omgevingskwaliteit sterk vergoot waardoor een aanvullende bijdrage niet noodz akelijk is. Tot slot wordt de vergroting van het bestemmingsvlak en de bouwmogelijkheden ter plaatse van plangebied 1 mogelijk gemaakt door de gemeentelijke sloopregeling die in de volgende paragraaf verder wordt beschreven.
4.3.2. Kwaliteitsverbeterende maatregelen Via kwaliteitsverbeteringen wordt de (ruimtelijke) ingreep, die door een ontwikkeling plaatsvindt, altijd gecompenseerd. Als eerste wordt bekeken of compensatie op eigen terrein mogelijk is. Als dit niet mogelijk is, kan elders worden gecompens eerd. Is ook dit niet mogelijk, dan kan worden gecompenseerd door een financiële kwaliteitsbijdrage af te dragen aan het kwaliteitsfonds buitengebied of het leefbaarheidsfonds kernen. De voorwaarden voor de kwaliteitsverbeteringen zijn als volgt: - De kwaliteitsverbeteringen zijn alle fysiek ruimtelijk van aard en komen ten goede aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied en/of de dorpen; - Het dient bij de kwaliteitsverbeteringen te gaan om additionele verbeteringen. Zaken die al volledig met andere middelen gedekt zijn komen daarom niet in aanmerking; - De kwaliteitsverbeteringen dienen in tijd en plaats een verband te hebben met de ingreep/ontwikkelingen; - De kwaliteitsverbetering is kwantificeerbaar. De volgorde waarin de algemene kwaliteitsverbeterende maatregelen wenselijk zijn, is de volgende: 1. Op eigen terrein; 2. Op een ander terrein (elders); 3. Fondsafdracht.
‘Beleidslijn Groter Bouwen in het Buitengebied’ Indien wordt afgeweken van de vigerende bouwregels voor het bouwen van grotere hoofd- en bijgebouwen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ geldt dat de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing is. Deze beleidslijn heeft betrekking op nieuw te bouwen woningen in het buitengebied die wor den uitgebreid naar een inhoud die de maatvoering van het bestemmingsplan ‘Buitengebied van Horst aan de Maas’ overstijgen. Het beleidsstuk is in 2011 opgesteld, maar in 2014 heeft een actualisatie plaatsgevonden om een aantal specifieke regelingen nader u it te werken door middel van de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied'. In de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied' zijn hierop de navolgende aanvullingen toegevoegd:
23
1. Maximum aantal m² bebouwing: Bijgebouwen tot maximaal 150 m² zijn zonder meer toegestaan (ook bij (bedrijfs-)woningen met een omvang van 1.300 m³ of groter). Voor een initiatiefnemer die meer dan 150 m² aan bijgebouwen wil hebben, geldt: a. Maximaal 600 m² is toegestaan, mits op het moment van de aanvraag reeds 600 m² of meer bebouwing legaal aanwezig is op hetzelfde perceel; b. Hetgeen gesloopt wordt of kan worden mag voor 1/3 worden ingezet. Hierover wordt geen bijdrage gerekend; c. Wanneer meer wordt teruggebouwd of wordt behouden dan 1/3 van het gesloopte geldt een bijdrage van € 45,- per m². 2. Enkel bestaand en legaal en op eigen perceel: De 600 m² geldt voor het totaal aantal bijgebouwen op hetzelfde perceel. Voor sloop elders voorziet de Integrale Structuurvisie in een sloopvergoeding. Bovendien kan enkel wat legaal is en b estaand is worden ingezet. Bouwwerken die eerder zijn gesloopt, zonder specifieke afspraak, kunnen in principe niet alsnog worden ingezet, met uitzondering van hetgeen hierna is uitgewerkt; 3. Sloop in het verleden: Eerder gesloopte bebouwing kan worden meeg enomen in de bepaling van het maximaal toegestane aantal m² bijgebouwen onder de volgende voorwaarden: a. De gesloopte bebouwing door dezelfde eigenaar uitgevoerd als de aanvragen en; b. De sloop heeft aantoonbaar niet langer dan 5 jaar geleden plaatsgevonden en ; c.
Het gesloopte telt enkel mee voor de berekening van het aantal m² dat (terug)gebouwd mag worden. Dit wil zeggen dat voor de bijdrage aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwing. In onderhavige ontwikkeling zal aan de Grimmelsweg 5 de oppervlakte aan bijgebouwen verruimd worden tot een totaal van 300 m2. Om de toevoeging van 150 m2 aan bijgebouwen (die boven op de oppervlakte van 150 m2 die zonder meer is toegestaan) te kunnen compenseren, zal 450 m2 aan stallen op de locatie aan de Sint Maartens weg 7 gesloopt worden.
24
HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks - en milieuaspecten. Per sectoraal aspect is aangegeven waar rekening mee dient te worden gehouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient per afzonderlijke aanvraag te worden getoetst of er al dan niet belemmeringen zijn te verwachten met betrekking tot de ontwikkeling.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. In voorgenomen ontwikkeling wordt het bestemmingsvlak ‘Wonen’ uitgebreid en wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming. Aangezien dit een gevoeligere bestemming betreft dient middels een onderzoek naar de bodemkwaliteit te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor de locatie is dan ook een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder staan de conclusies en aanbeveling van dit bodemonderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt naar bijlage I verwezen. Conclusie Gelet op de voormalige boomgaard wordt de onderzoekslocatie als “verdacht” aangemerkt voor een bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB). Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen (OCB) aangetoond. Wel zijn in de grond een licht verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater licht verhoogde gehalten barium, cadmium en zink aangetoond. Voor de licht verhoogde gehalte minerale olie is geen duidelijke bron of oorzaak aan het licht gekomen. Voor de verhoogde gehalten metalen in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaak of bron aan het licht gekomen.
Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat de halfverha rding voldoet aan de eisen voor niet vormgegeven bouwstoffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de omzetting van de bestemming van “agrarisch” naar “wonen”. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmateriaal van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden .
25
5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebie d geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking v an het bestemmingsplan. Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt dit voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt In dit geval worden er op beide planlocaties geen nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. De huidige woningen zullen behouden blijven waardoor er in feite niets veranderd voor het aspect geluid. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
5.2.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO 2). Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m 3 . Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof op de planlocaties aan de Grimmelsweg 5 en Sint Maartensweg 7 respectievelijk circa 17,03 en 18,04 µg/m 3 (PM 10) bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Door de realisatie van het bijgebouw zal het aantal verkeer sbewegingen in de nieuwe situatie niet toenemen. De hoeveelheid fijnstof in de lucht zal dan ook niet toenemen. Een nader onderzoek naar de effecten op de luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m 3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m 3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor 26
stikstofdioxide ter plaatse van de planlocaties aan de Grimmelsweg 5 en Sint Maartensweg 7 respectievelijk circa 14,05 en 14,28 µg/m 3 bedraagt. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het woon - en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit aanvaardbaar kan worden geacht. Daarnaast heeft de ontwikkeling zelf geen dusdanig negatief effect op de luchtkwaliteit, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is.
5.2.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsings kader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van ve ehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatb aarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon - en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.
Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebo uwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. In de zin van de wet geurhinder en veehouderij wordt er met onderhavige ontwikkeling ter plaatse van de Grimmelsweg 5 geen nieuw geurgevoelig object opgericht. Voor de bestaande burgerwoning is reeds bepaald dat ter plaatse van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ met betrekking tot het aspect geur sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Deze woning vormt dan ook geen belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen. Daarnaast zal in de zin van de wet geurhinder en veehouderij ter plaatse van de Sint Maartensweg 7 geen nieuw geurgevoelig object worden opgericht. De bestaande bedrijfswoning vormt dan ook geen belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen. Met de staking en sanering van de intensieve veehouderij op deze locatie zal bovendien op verschillende aspecten het woon - en leefklimaat van de directe omgeving verbeteren (geur, endotoxinen, etcetera). 27
Het aspect geur vormt dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.
Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In het kader van het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ verandert er in de beoogde situatie ter plaatse van de planlocatie aan de Sint Maartensweg 7 niets. Deze locatie wordt in deze onderbouwing derhalve buiten beschouwing gelaten. In het geval van de planlocatie aan de Grimmelsweg 5, is deze gelegen in een gemengd lint van woonbestemmingen en (agrarische) bedrijvigheid. De aan te houden afstanden conform de VNG -publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden tot de meest nabijgelegen functies reeds met 1 stap verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde bestemmingsgrens aan Grimmelsweg 5 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Adres
Soort bedrijf
Milieu-
Minimum-
Werkelijke
Grimmelsweg 7
Agrarisch
Horsterdijk 69
Voldaan
cat.
afstand
afstand
2
10 meter
10 meter
Ja
Agrarisch
2
10 meter
55 meter
Ja
Horsterdijk 73
Agrarisch
2
10 meter
55 meter
Ja
Zandterweg 26
Loonbedrijf
3.1
50 meter
120 meter
Ja
De Steegh 12
Agrarisch
2
10 meter
75 meter
Ja
Horsterdijk 50
Agrarisch
2
10 meter
105 meter
Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de aanwezige bedrijven in de omgeving voldoen aan de minimum richtafstanden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
28
5.2.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slach toffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit (Bevi). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot pl anologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaa ts te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 15 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
29
120 m.
450 m.
Figuur 14. Uitsnede risicokaart. Planlocatie blauw omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Op een afstand van circa 120 meter is aan de Zandterweg 26 een propaantank gelegen. De propaantank heeft een risicocontour van 25 meter. De planlocatie is buiten deze risicocontour gelegen. Daarnaast bevindt zich op 450 meter ten zuidoosten van het plangeb ied aan de Zandterweg 6 een wapenmakerij met bijbehorende schietbaan. Bij deze risicovolle inrichting is een risicoafstand niet van toepassing waardoor deze inrichting geen belemmering vormt voor het planvoornemen. In dit geval is geen sprake van de toevoeging van (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en leidt de ontwikkeling niet tot een toename van de personendichtheid. Er vindt dus geen wijziging plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor kan ten aanzien van risicovolle inrichtingen in de omgeving worden uitgegaan dat deze geen belemmering vormen voor de voorgestane ontwikkeling. Risicovol transport over (spoor)wegen Conform de risicokaart vindt in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over (spoor)wegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
30
Risicovol transport over water Conform de risicokaart vindt in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over water waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.3 Waterparagraaf 5.3.1 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen, zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning.
5.3.2 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal Waterplan worden de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid voor de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050, beschreven. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan heeft het kabinet, vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem, de volgende principes verankert: • integraal waterbeheer • voorkomen afwenteling • verbinden water en ruimte
5.3.3 Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 zoals vastgesteld op 11 december 2015. Het is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 2010-2015 en een uitwerking van het strategisch waterbeleid in POL2014, teneinde te voldoen aan de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water en aanvullende nationale kaders, waaronder het Nationaal Waterplan en het Deltaprogramma. De bescherming van de watervoorraden, een goede watervoorziening, een goede water - en natuurkwaliteit en de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast behoren tot de basistaken van de overheid. Duurzaamheid, publieke participatie, draagvlak en integraliteit zijn derhalve belangrijke uitgangspunten bij deze actualisatie van het provinciaal waterbeleid. 31
Met dit beleidsplan wordt de uitdaging aangegaan door de provincie om met haar uitvoeringspartners, zijnde het waterschap, WML, Rijk, gemeenten, terreinbeheerders en derden, de realisatie van onze ambities voor de komende plantermijn 2016 -2021 gezamenlijk en op een integrale wijze gestalte te geven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen een belangrijk uitgangspunt en worden de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten gestimuleerd. De watertoets wordt hierbij als afwegingskader gebruikt. De watertoets doorloopt het gehele ruimtelijk planproces waarin waterbelangen meegewogen worden. Het zorgt ervoor dat de waterbelangen al vanaf het begin van het planproces meegenomen worden en het bie dt de mogelijkheid om gezamenlijk kansen te benutten om de wateropgaven en doelen op gebied van ruimtelijke ordening optimaal op elkaar af te stemmen.