02c Toelichting
Tekst van het document
Op 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. Wegverkeer/spoorverkeerlawaai De huidige bedrijfswoning is reeds een geluidsgevoelig object. Door de bestemmingswijziging van een “sport” bedrijfswoning naar een agrarische bedrijfswoning is er geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De woning blijft zoals aanwezig in stand. Er hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai is daarom niet benodigd. Industrielawaai Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemming “Sport” omgezet naar de bestemming “Agrarisch met waarden”. Met de nieuwe bestemming wordt het mogelijk om ter plaatse een productiegerichte paardenhouderij te exploiteren. Zoals uit paragraaf 5.2.5 blijkt geldt te voor een paardenhouderij voor het onderdeel geluid een richtafstand van 10 meter. In zowel de bestaande situatie als in de nieuwe situatie
26
bedraagt de afstand tussen onderhavig bouwvlak en het bouwvlak van de locaties Megelsum 5 en 7 0 meter. Er is 1 gebouw dat binnen de richtafstand van 10 meter ligt. Alle overige bebouwing ligt op voldoende ruime afstand. De afstand tussen het gebouw en de woning aan Megelsum 7 zal ongeveer 7,5 meter bedragen Er wordt daarmee niet voldaan aan de richtafstand. Omdat er niet aan de richtafstand voldaan wordt kan niet aangenomen worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarom heeft initiatiefnemer opdracht gegeven voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek. Door HMB is er voor de beoogde bedrijfssituatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd (rapport 21316401N). Uit het rapport (bijlage 3) blijken de volgende conclusies: 1. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening wordt geconcludeerd dat de beoogde wijziging van de inrichting een terugschaling van milieucategorie en bedrijfsactiviteiten inhoudt, en vanuit akoestisch oogpunt mogelijk is. Een acceptabel woon- en leefklimaat in de omgeving is ook voor de toekomst gewaarborgd. 2. In het kader van het Activiteitenbesluit kan bij de aangevraagde bedrijfsvoering aan alle geldende geluideisen worden voldaan. Voor wat betreft het onderdeel geluid is het plan daarmee inpasbaar.
5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De bestemmingswijziging leidt niet tot een toe- of afname van het aantal verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. Daarnaast is beoordeeld of het aantal te houden paarden met betrekking tot de uitstoot van fijn stof is aan te merken als NIBM. De handreiking fijn stof en veehouderijen geeft aan dat het niet altijd noodzakelijk is om met een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering.
Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden of een uitbreiding/oprichting NIBM is. Er is een tabel opgesteld, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, waarbij per afstand de hoeveelheid emissie kan worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Zo is bij een afstand van 70 meter van het emissiepunt tot een gevoelig object een uitbreiding van de emissie van fijn stof met 324.000 g/jr. NIBM. In onderhavige situatie gaat het om het houden van 18 paarden en 7 veulens. Uit de emissiewaardenlijst op InfoMil blijkt dat voor paarden geen emissiefactor is vastgesteld. Ter vergelijk is de emissiefactor van een melkkoe (opstallen) en jongvee aangehouden. Hiervoor is gekozen om redelijkerwijs toch een emissie te kunnen bepalen. Melkoeien en jongvee zijn qua gewicht en wijze van huisvesten enigzins vergelijkbaar met paarden. De emissienormen bedragen respectievelijk 148 en 38 g/dier/jaar. Dit geeft een emissie van fijn stof van 2.712 g/jr. Omdat op 70 meter de vuistregelgrens op
27
324.000 g/jr. ligt en de emissie slechts 2.712 g/jr. bedraagt, kan hier geconcludeerd worden dat de bijdrage als gevolg van de bestemmingswijziging nihil is. Volledigheidshalve is er een berekening gemaakt met het programma ISL3a (bijlage 4). Hierin zijn de 18 volwassen paarden en de 7 paarden in opfok opgenomen. Voor paarden is geen factor voor de emissie van fijnstof beschikbaar. Daarom is de emissiefactor opgenomen van melkkoeien (opstallen) en vrouwelijk jongvee. Dit geeft een vergelijkbare emissie van fijnstof. Uit de opgestelde berekening blijkt dat de concentratie ter plaatse van de hoogst belaste woning (Megelsum 7) uitkomt op 17.36 microgram (maximaal 40 toegestaan) als jaargemiddelde concentratie en 6.1 overschrijdingsdagen per jaar (maximaal 35 toegestaan). Beiden liggen ruim binnen de wettelijke normen. Ook het verkeer van en naar de locatie kan tot effecten leiden op de luchtkwaliteit. Middels de NIBM tool van Infomil kan bepaald worden of de extra verkeersbewegingen te beschouwen zijn als NIBM en wat de maximale bijdrage is van de verkeersbewegingen aan de luchtkwaliteit. In dit geval is er geen sprake van extra verkeersbewegingen. In het kader van een worst case scenario zijn echter alle verkeersbewegingen ingevoerd in de NIBM tool. Zie hiervoor ook de afbeelding hieronder.
Afbeelding 18: NIBM tool
Hieruit blijkt dat de bewegingen leiden tot een bijdrage van 0.02 mg/m3 NO2 en 0.0 mg/m3 voor PM10. Als deze berekende waardes opgeteld worden bij de met ISL3a berekende waarde wordt er nog steeds ruimschoots voldaan aan de normstelling. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland
28
geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 7.8 6µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 14,98 µg/m³ en de concentratie NO2 10,22 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Stof uit rijbak Naast het houden van dieren en de transportbewegingen zou er vanuit de rijbak ook nog stof vrij kunnen komen. Diffuse emissie van fijnstof (zoals uit de rijbak) dient op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomen te worden. Hier kan het volgende over gemeld worden: ten eerste kan gesteld worden dat het voor het paard en de berijder niet wenselijk is om gebruik te maken van een rijbak waarin veel stof vrijkomt. Alleen al daarom wordt de rijbak gesproeid om stofvorming te voorkomen. Ten tweede wijzigen de emissie vanuit de rijbak niet, het gaat immers om een bestaande rijbak. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt daarmee geen beperkende factor voor het plan.
5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies uit veehouderijen en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om objecten bestemd voor wonen en verblijf. De Wgv is van toepassing op alle vergunningplichtige activiteiten. Het Activiteitenbesluit is het toetsingskader voor niet-vergunningplichtige veehouderijen. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wgv als uitgangspunt overgenomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels voor vergunningplichtige bedrijven. Op basis van de Wgv geldt voor het houden van paarden dat tussen de gevel van dierenverblijven en geurgevoelige objecten een afstand van tenminste 25 meter gehanteerd moet worden. De afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf en gevoelige objecten in het buitengebied dient minimaal 50 meter te bedragen. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom geldt dat deze twee afstanden respectievelijk 50 en 100 meter dienen te bedragen. De kern van Meerlo ligt op een afstand van circa 1 km.
Binnen een vaste afstand van 50 meter tussen het bouwvlak van Kortenbos 1 en omliggende bouwvlakken (zowel Wonen als Agrarisch) zijn de volgende locaties gelegen: ▪ Megelsum 3 (burgerwoning) ▪ Megelsum 5 (burgerwoning) ▪ Megelsum 7 (burgerwoning) ▪ Megelsum 9 (bouwvlak intensieve veehouderij met bedrijfswoning) Aan de wijze van toetsen wijzigt met de bestemmingswijziging niets. Nieuwe dierenverblijven mogen in de huidige situatie niet binnen 25 meter van één van de geurgevoelige objecten opgericht worden. In de nieuwe situatie blijft dit ook het geval. Om dat dubbel te borgen is op de verbeelding een aanduiding aangebracht dat
29
binnen 25 meter van de bouwvlakken Megelsum 5 en Megelsum 7 geen nieuwe dierenverblijven mogen worden opgericht. In de begrippen is tevens een definitie opgenomen van een dierenverblijf. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de wet- en regelgeving op het gebied van geur en dat bij definitieve vergunningverlening nader getoetst wordt of voldaan wordt aan de eis van de vaste afstanden. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie.
Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De genoemde afstanden zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een (buiten)gebied met een matige tot sterke functiemenging. Op de locatie Megelsum 4 is een manege gelegen met een bestemming “Sport”. Megelsum 3, 5 en 7 zijn locaties met de bestemming “Wonen”.
Kortenbos 1 heeft nu nog de bestemming “Sport”, deze wijzigt naar de bestemming “Agrarisch met waarden” met de functieaanduiding ‘veehouderij’. Megelsum 9 heeft de bestemming “Agrarisch met waarden” met de aanduiding “intensieve veehouderij”. Op korte afstand van elkaar (200 meter rond Kortenbos 1) liggen dus een manege, woningen van derden, een intensieve veehouderij en een paardenhouderij. Deze combinatie van functies leidt er toe dat er sprake is van een gemengd gebied. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verkleind.
30
Huidige situatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied de volgende milieubelastende activiteiten aanwezig:
Manege Paardenfokkerij
Geur 30 30
Stof 10 10
Geluid 10 10
Gevaar 0 0
Binnen de genoemde richtafstanden zijn de volgende milieugevoelige objecten gelegen: ▪ Megelsum 3 (burgerwoning) ▪ Megelsum 5 (burgerwoning) ▪ Megelsum 7 (burgerwoning) ▪ Megelsum 9 (bouwvlak intensieve veehouderij, op dit deel van het bouwvlak is echter geen bedrijfswoning gelegen) Ten tijde van vergunningverlening voor de huidige inrichting is aangetoond dat de bedrijvigheid geen nadelige gevolgen heeft voor de leefomgeving en in de genoemde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Beoogde situatie In de beoogde situatie vervalt de manegefunctie en resteert uitsluitend de paardenfokkerij. De milieubelastende activiteit van de manege vervalt dan ook volledig. Voor de nieuwe situatie gelden derhalve de volgende richtafstanden:
Paardenfokkerij
Geur 30
Stof 10
Geluid 10
Gevaar 0
De nieuwe situatie is wat betreft milieubelastende activiteiten gelijk aan de huidige bedrijvigheid. Aangezien de bestaande situatie in het verleden als “aanvaardbaar” is beoordeeld en in de beoogde situatie de milieubelasting ten hoogste gelijk blijft, echter waarschijnlijk verbeterd, is er ook in de beoogde situatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Afweging De ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof en geluid in de maximale beoogde bedrijfssituatie zijn onderzocht en nader gemotiveerd in respectievelijk paragraaf 5.2.4, 5.2.3 en 5.2.2. Hieruit blijkt dat voor deze milieuaspecten voldaan wordt aan de gestelde wettelijke maximale waardes. Op grond van de maximale geur-, stof- en geluidsproductie in de beoogde situatie is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het ruimtelijke relevante milieuaspect gevaar heeft geen onderzoek plaatsgevonden. De richtafstand van gevaar bedraagt 0 meter, oftewel er geldt geen richtafstand. Op basis van de VNG-publicatie wordt dan ook geconcludeerd dat het milieuaspect gevaar niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.2.6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens.
31
Kwetsbare objecten betreffen woningen, verblijfsgebouwen (zoals scholen, ziekenhuizen, bejaardenhuizen), gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn (zoals kantoorgebouwen met een oppervlakte van meer dan 1.500 m² bvo en winkelcentra met meer dan 5 winkels) en kampeer- en recreatieterreinen voor meer dan 50 personen. Beperkt kwetsbare objecten betreffen overige bedrijfsgebouwen en dezelfde functies, maar dan kleiner van formaat of met minder mensen. Het te vestigen glastuinbouwbedrijf betreft in overwegende mate geen (beperkt) kwetsbare object. De betreffende teelt van de planten is dermate arbeidsextensief, dat uitsluitend met het planten, herplanten en de oogst grotere aantallen personen in de kas verblijven. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen.
Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Plaatsgebonden risico Bij het inventariseren van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied is, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens deze risicokaart liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Het dichtstbijzijnde risicovolle object betreft de opslag van propaan op camping ‘t Karrewiel. De afstand van de propaanopslag tot de grens van het plangebied bedraagt bijna 300 meter. De plaatsgebonden risicocontour van de propaanopslag bedraagt 25 meter en reikt derhalve niet tot aan het plangebied.
32
Afbeelding 18. Uitsnede risicokaart
Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en directe omgeving geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en directe omgeving geen risicovolle transportroutes gelegen. Groepsrisico Het aantal personen binnen het plangebied neemt niet in onevenredige mate toe, waardoor het groepsrisico met de bestemmingswijziging niet wijzigt. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de bestemmingswijziging. 5.2.7 M.E.R Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Een milieueffectrapportage kan aan de orde zijn op het moment dat er een passende beoordeling nodig is op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming.
Een passende beoordeling is nodig als er sprake is van “mogelijk significante effecten” op Natura2000 gebieden zoals opgenomen onder artikel 2.7 lid 1 van de 1
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)
33
Wet natuurbescherming. Zoals onder paragraaf 5.5.2 van dit plan verder inhoudelijk uitgewerkt ligt de locatie op ruime afstand van Natura2000 gebieden en blijft de depositie van ammoniak lager ten opzichte van de referentiedata. Daarmee is er geen sprake van mogelijke significante effecten. Op basis daarvan is er geen MER noodzakelijk. Een m.e.r.(-beoordeling) is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D Het plangebied voorziet in het toekennen van een agrarische bestemming aan een bestaande manege. Deze bestemmingswijziging is enerzijds noodzakelijk om de huidige bedrijfsactiviteiten voort te kunnen zetten en anderzijds om voor de bedrijfsvoering noodzakelijke nieuwe gebouwen op te richten. Het betreft thans een paardenhouderij met 18 paarden en 7 veulens.
Een paardenhouderij komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D14 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 100 paarden. Aangezien in dit geval sprake is van 18 paarden en 7 veulens is er geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit me.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Aangezien deze toelichting uitgebreid ingaat op de mogelijke effecten van dit plan, wordt bij deze het verzoek gedaan om de toelichting te beschouwen als de vormvrije m.e.r. Op deze vormvrije m.e.r.
dient door de gemeente Horst aan de Maas een besluit genomen te worden, waarin gemotiveerd wordt of het al dan niet noodzakelijk is om een m.e.r. op te stellen. Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en de bestemmingswijziging
34
leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en / of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. Een paardenhouderij komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. Er is geen sprake van mogelijk significante effecten zoals bedoeld in artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming, daarmee is er geen plan-MER noodzakelijk. 3. Een paardenhouderij valt wel onder categorie D14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ niet worden overschreden; 4. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit project wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 5.
Uit onderhavige toelichting, zijnde de vorrmvrije m.e.r.-beoordeling, is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Kortom, voor de bestemmingswijziging naar een agrarisch bedrijf bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.
35
Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden.
Afbeelding 19. Uitsnede kaart GHG
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt circa 15,3 meter +NAP. De originele bodem ligt volgens de bodemkaart van Nederland op de overgang van een vlakvaaggrond, welke bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand en een ooivaaggrond, welke bestaat uit lichte zavel.
36
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Peel en Maasvallei blijkt het plangebied een goede tot zeer goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 10 m/dag. Ter plaatse van het plangebied en omgeving varieert de grondwatertrap globaal tussen grondwatertrap V en VII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand voor het grootste deel tussen 80-120 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van het plangebied stroomt de Van Smallenbroek, een primaire watergang van het waterschap. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. De Keur is in onderhavig geval niet van toepassing daar de afstand van het plangebied tot aan deze watergang ruim 100 meter bedraagt. Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft enerzijds tot doel een functionele wijziging van de bestemming, maar anderzijds ook om de bouwmogelijkheden te vergroten.
In de huidige situatie is de locatie bebouwd met een bedrijfswoning, een rijhal met paardenstallen en een andere (vervallen) paardenstal. Gewenst is om een hooi- en stroopslag, berging en een overdekte stapmolen nieuw te bouwen. De nieuwe gebouwen leiden tot een toename van het verhard oppervlak van 1.126 m2. Vanwege de ligging in het stroomvoerend rivierbed van de Maas heeft initiatiefnemer contact gezocht met het gebiedsbureau Ooijen-Wanssum. Dit heeft geleid tot de aanvraag van een PIAV. Op 25 april 2019 heeft de Provincie Limburg een akkoord gegeven op de PIAV. Op basis van de verleende PIAV kan initiatiefnemer een aanvraag indienen in het kader van de Waterwet voor de nieuwe bebouwing. Voor deze vergunning dient Rijkswaterstaat een besluit te nemen. Aangezien de PIAV verleend is lijkt vergunning verlening in het kader van de Waterwet haalbaar omdat er per saldo geen effecten optreden. De bestemmingswijziging leidt tot een toename van het verhard oppervlak. De oppervlakte van de bestaande gebouwen bedraagt circa 1.600 m2. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm van 1 l/s/ha niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de nieuwbouw, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand.
37
Het afkoppelen van het hemelwater wordt vormgegeven door het aanleggen van twee infiltratiesloten op het perceel. Een komt evenwijdig aan de Megelsum, naast de buitenbak. De andere wordt aangelegd evenwijdig aan de kavelgrens met de woning Megelsum 5. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 50 mm neerslag valt. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt en waarbij 63 mm valt, geen overlast voor derden veroorzaken. Met een toename van de bouwmogelijkheden met 1.126 m2 dient minimaal 56 m3 geborgen te worden. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemers wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna De huidige functie als manege maakt het plangebied net zo geschikt als ecotoop voor beschermde of zeldzame planten of dieren als de nieuwe functie van paardenhouderij. Uit de natuurgegevens, welke zijn in te zien op www.limburgsevogels.nl, valt op te maken dat zich in het plangebied geen beschermenswaardige dier- en plantensoort bevinden, althans dat over het afgelopen kalenderjaar geen soorten zijn waargenomen. Gelet op het bovenstaande is een verstoring van flora en fauna van in de omgeving voorkomende broedvogelsoorten door de bestemmingswijziging niet te verwachten. Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 3.5 van de Wn is opgenomen.
38
Door eventuele werkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen. 5.5.2 Natura2000 Het plangebied bevindt zich niet in of direct nabij Natura2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft de Maasduinen, gelegen op een afstand van 2,6 km. Op grotere afstand zijn ook andere Natura2000gebieden gelegen, zoals de Boschhuizerbergen op 6,8 km. Deze gebieden maken onderdeel uit van een Europees natuurnetwerk. Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van dit netwerk van beschermde natuurgebieden. Hiervoor zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen als Natura2000-gebieden. Voor deze gebieden geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden.
Initiatiefnemer heeft voor de beoogde bedrijfssituatie bij de Provincie Limburg een vergunning aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze vergunning is op 6 mei 2021 verleend door de Provincie Limburg (kenmerk 2020-201466). De verleende vergunning komt overeen met de in dit bestemmingsplan beoogde situatie. Het besluit van de vergunning is toegevoegd als bijlage 5. In de berekening bijhorende bij het besluit zijn alleen de paarden(stallen) opgenomen als bronnen van emissie. Ondertussen is het ook gebruikelijk geworden om ook de andere bronnen binnen de inrichting op te nemen zoals CV ketel(s), verkeersbewegingen van en naar de inrichting en overige bronnen binnen de zoals tractoren en dergelijke. Volledigheidshalve zijn deze bronnen aan de Aerius berekening toegevoegd. Deze bronnen zijn zowel in de uitgangsituatie als in de beoogde situatie aanwezig. De berekening van alle bronnen is als bijlage 6 bij dit plan gevoegd. Op basis van het bovenstaande zijn er geen beperkingen te verwachten door onderhavig plan.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of nabijheid het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de ontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren.
39
5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.
Afbeelding 20. Uitsnede archeologische waardenkaart
De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een gematigde archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend. Aan een gematigde verwachtingswaarde zijn de volgende ondergrenzen gesteld in het gemeentelijk beleid: 50 cm diepte en 2.500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd wordt dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 2.500 m² bedraagt. De in het vigerende bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemming aangaande de gematigde archeologische waarde wordt in onderhavig bestemmingsplan overeenkomstig opnieuw opgenomen. Archeologie vormt daarmee geen beperkende factor voor de bestemmingswijziging.
40
5.7 Verkeer en parkeren Het plangebied blijft ontsloten via de Kortenbos (hoofdingang) en Megelsum (zijingang). Door de bestemmingswijziging is er geen toe- of afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Parkeren bij de bedrijfswoning blijft plaatsvinden op eigen terrein, hiervoor is meer dan voldoende plaats voorhanden. Op de oprit zijn minimaal twee parkeerplaatsen gerealiseerd. De bedrijfswoning voldoet daarmee aan de parkeernorm die in de “Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2015” is opgenomen.
41
6 UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de bestemmingswijziging is in handen van de initiatiefnemers. De kosten verbonden aan de realisering van dit initiatief zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemers. Het initiatief betreft een gebruikswijziging zonder dat er sprake is van kostenverhaal of andere grondexploitatieaspecten. Er zijn zelfs geen kosten voor de aanleg van een inrit of het aansluiten op de riolering. De bestemmingswijziging heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Wel kan er door de gemeente Horst aan de Maas besloten worden tot het vaststellen van een exploitatieplan. Met de gemeente is een planschade-overeenkomst gesloten waardoor eventuele planschadeclaims op rekening van initiatiefnemers worden afgewenteld. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.
6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden.
42
2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn.
Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente.
Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
43
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Het concept bestemmingsplan is voorgelegd aan de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat. De provincie Limburg en Rijkswaterstaat hebben advies uitgebracht omtrent het plan. De provincie Limburg heeft aangegeven dat in paragraaf 3.2.5 een passage dient te worden opgenomen inzake de Regeling Ontwikkelingsruimte Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De initiatiefnemers dienen namelijk te beschikken over een zogenaamde PIAV, die moet worden aangevraagd bij de provincie Limburg. Deze PIAV is noodzakelijk om uiteindelijk een Watervergunning te kunnen aanvragen. Paragraaf 3.2.5 is naar aanleiding van de gemeente opmerking aangepast. Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat er voor het initiatief een PIAV verleend dient te worden, welke als basis dient voor een aan te vragen vergunning in het kader van de Waterwet.
Paragraaf 5.3.3 is hierop aangepast, tevens geeft initiatiefnemer bij deze aan dat er een verzoek is gedaan voor een PIAV en dat er een vergunning aangevraagd zal worden bij Rijkswaterstaat. Daarmee is er tegemoet gekomen aan de opmerkingen van zowel de Provincie Limburg als Rijkswaterstaat. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 maart 2019 gedurende 6 weken voor eenieder terinzage gelegen. Tijdens de inzage termijn zijn er drie zienswijzen ingediend tegen het ontwerpplan. In het zienswijzenrapport wordt nader ingegaan op deze zienswijzen. De zienswijzen hebben geleid tot een aantal aanpassingen c.q. tekstuele aanpassingen in de toelichting. Deze leiden wijzigingen leiden niet tot een ander plan of een plan dat nadeligere gevolgen heeft voor de omgeving. De aanpassingen zijn uitsluitend bedoeld om het plan te verduidelijken of tegemoet te komen aan de ingebrachte zienswijze.
6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en
44
▪ ▪
gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
45
7 JURIDISCHE TOELICHTING
7.1 Planstukken Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ toelichting ▪ planregels ▪ verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas.
7.2 Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen de bestemming zijn nadere aanduidingen aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer. Uit de verbeelding blijkt dat de reeds vigerende bestemming, dubbelbestemming en gebiedsaanduiding nog steeds voor het plangebied gelden. De bestemming is echter gewijzigd naar de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’.
46
7.3 Toelichting op de planregels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: ▪ Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. ▪ Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. ▪ Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. ▪ Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.
Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven. De belangrijkste omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden zijn overzichtelijk opgenomen in een tabel.
47