02c Toelichting
Tekst van het document
1 2
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland) Staatsblad 2011, nr. 102
Vastgesteld
22
Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op tien woningen valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij.
Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4.
Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. 5.2.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Voor deze locatie is in 2018 een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie, met uitzondering van mogelijk asbesthoudend materiaal in de puinhoudende grond ten westen en zuiden van de niet meer in gebruik zijnde garage, onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de Onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL).
3
HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek, Lottumseweg 47 Grubbenvorst, 26 juni 2018, kenmerk: 18282001A
Vastgesteld
23
Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. Enkele parameters zijn aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. Op het maaiveld en in de uitkomende puinhoudende grond van de twee proefgaten ten westen en zuiden van de niet meer in gebruik zijnde garage is geen noemenswaardig verhoogd gehalte asbest aangetoond. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe belemmering of beperking voor het gebruik voor woondoeleinden. Er dient rekening mee gehouden te worden dat op de onderzoekslocatie vrijkomende (puinhoudende) grond mogelijk niet als ‘altijd toepasbaar’ kan worden aangemerkt. 5.2.3 Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie tabel 3), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt.
Tabel 1.Geluidzone in meters van wegen in stedelijk of buitenstedelijk gebied
Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350
Buitenstedelijk 250 400 600
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. De nieuw te realiseren woningen worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De woningen zijn beoogd in de bebouwde kom van Grubbenvorst aan de Lottumseweg. Voor de Lottumseweg geldt een maximumsnelheid van 50 km/uur. Ook voor de Steegakkerweg geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. De woningen zijn gelegen in de geluidszone van de Lottumseweg en de Steegakkerweg. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd (zie separate bijlage). Uit het akoestisch onderzoek volgt dat bij de nieuwe woningen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Alleen voor de bestaande woning ligt de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Lottumseweg hoger dan de voorkeursgrenswaarde.
Omdat dit echter een bestaande woning betreft hoeft er voor deze woning geen hogere waarde te worden vastgesteld. Op basis van artikel 76, lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. 4
HMB Groep, Akoestisch onderzoek gevelgeluidbelasting wegverkeer (SRM2) Het Comerthofje Grubbenvorst, 25 februari 2022, kenmerk: 20272602N
Vastgesteld
24
Omdat de ongecorrigeerde totale geluidbelasting op de nieuwe woningen nergens hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woningen zijn niet noodzakelijk. 5.2.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 16,9 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 16,6 µg/m³.
In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een ontwikkeling NIBM, als aannemelijk is dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2.
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De ministeriële regeling NIKBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg. Aangezien thans tien nieuwe woningen worden toegevoegd draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vastgesteld
25
5.2.5 Geur Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag. Ook kan geur psychische klachten veroorzaken, bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. Een woning is een geurgevoelig object. De woningen kunnen derhalve geurhinder ondervinden van veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gelegen. De agrarische bedrijven worden dan ook niet in hun functioneren belemmerd door de voorgenomen woningbouw. Tevens zal er bij de toekomstige woningen geen sprake zijn van hinder als gevolg van omliggende agrarische bedrijven. Nader onderzoek naar geurhinder als gevolg van agrarische bedrijvigheid is dan ook niet noodzakelijk.
5.2.6 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’ vanwege de functiemening van woningen en bedrijven. In geval van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verkleind. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient
Vastgesteld
26
daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Bedrijventerrein ‘Hagelkruis’, afstand tot het plangebied 0 meter; ▪ Een bedrijf in categorie 1 of 2 op de locatie Lottumseweg 54, afstand tot het plangebied 90 meter; ▪ Gymzaal, sporthal en MFC ’t Haeren op de locatie Irenestraat 20-20b, afstand tot het plangebied 150 meter; ▪ Een kantorenpand op de locatie Lottumseweg 43a, afstand tot het plangebied 188 meter; ▪ Een bedrijf in categorie 1 of 2 op de locatie Lottumseweg 42-42a, afstand tot het plangebied 200 meter. Bedrijventerrein Hagelkruis Aangezien het bedrijventerrein tegen het plangebied grenst zijn de effecten van het bedrijventerrein op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied onderzocht5. Volgens de systematiek van milieuzonering wordt, uitgaande van een omgevingstype gemengd gebied, voor nagenoeg alle omliggende bedrijven voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden voor de thans vergunde inrichtingen. Ter plaatse van het plangebied zal naar verwachting geen sprake zijn van geurhinder, stofhinder, geluidhinder of gevaar ten gevolge van de vergunde activiteiten van deze bedrijven.
De huidige activiteiten lijken weinig belastend voor het milieu en de omgeving en naar verwachting zal hiervoor zonder aanvullende maatregelen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Voor het adres Mercuriusplein 4/5 wordt niet voldaan aan de mogelijk van toepassing zijnde richtafstand. Op basis van aanvullende informatie zoals verkregen vanuit de gemeente kan worden gesteld dat geen sprake zal zijn van geurhinder, stofhinder of gevaar ten gevolge van de vergunde activiteiten. Ten aanzien van het aspect geluid is de bedrijfsvoering nader beschouwd. Indien laden en lossen bij de roldeuren aan de oostzijde van het pand plaatsvindt in de avond- en/of nachtperiode is een geluidscherm noodzakelijk om aan de eisen uit het Activiteitenbesluit te voldoen. Indien op de perceelsgrens tussen de kadastrale percelen 5899 en 2796 een geluidscherm met een hoogte van circa vier meter over een lengte van circa 20 meter (vanaf het pand in oostelijke richting gemeten) wordt gerealiseerd zal naar verwachting worden voldaan aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit en sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en daarmee een goede ruimtelijke ordening. Resumerend kan gesteld worden dat het woningbouwinitiatief de omliggende bedrijven niet (verder) zullen beperken in hun huidige (vergunde) bedrijfsvoering.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan daarmee worden geconcludeerd dat in onderhavige situatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien in de toekomst sprake is van de vestiging van een bedrijf van een hogere milieucategorie dan thans vergund/aanwezig, dan is een dergelijk bedrijf mogelijk wel inpasbaar, maar dient bij vergunningverlening extra aandacht te worden besteed aan met name het geluidsaspect (en mogelijk andere aspecten, afhankelijk van het type bedrijf). Eventuele toekomstige emissies van geur, stof en/of geluid en risico's ten gevolge van opslag van gevaarlijke stoffen zullen moeten voldoen aan de algemene eisen uit het Activiteitenbesluit en bijbehorende regeling. Conform het zorgplichtartikel in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit dient elk bedrijf te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder/stofhinder/geluidhinder en het voorkomen van risico’s voor de omgeving. Voorts moet voldaan worden aan de concrete eisen in het Activiteitenbesluit.
5
Peutz, Woningbouw Het Comerthofje Grubbenvorst milieuzoneringsanalyse, 28 januari 2022, rapportnummer: O 16726-2-RA001
Vastgesteld
27
Overige functies De milieuruimte van de andere milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 4). Tabel 2. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied
Bedrijf
Adres
SBI-2008
Bedrijfslocatie categorie 1 en 2 Gymzaal, sporthal en MFC ’t Haeren
Lottumseweg 54
-
Irenestraat 20-20b
931
Kantorenpand
Lottumseweg 43a
Bedrijfslocatie categorie 1 en 2
Lottumseweg 42-42a
63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 -
Aan te houden afstanden 10 meter Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
0 meter 0 meter 30 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter
Afstand tot plangebied 90 meter 150 meter
188 meter
200 meter
Aan alle richtafstanden van deze functies in de omgeving wordt ruimschoots voldaan. Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. Conclusie Met het aanleggen van een geluidscherm/-wal vormt milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van de woningen. In de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd omdat andere bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. Om aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening te voldoen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is geregeld dat het betreffende gebruik ten behoeve van woondoeleinden pas is toegestaan indien de geluidwerende maatregel zoals beschreven in het onderzoek is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. 5.2.7 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten.
De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten
Vastgesteld
28
risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.
Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 3. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart is het plangebied in de buurt van het vaarwegtraject van de Maas gelegen.
Vastgesteld
29
Maascorridor
Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart Limburg met plangebied rood omcirkeld
Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Volgens de Risicokaart van Nederland liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen. Transport gevaarlijke stoffen Risicovol transport kan plaatsvinden over de N271 en de A73. De N271 is gelegen ten oosten van het plangebied op een afstand van 1,4 kilometer. De A73 is gelegen ten zuidwesten van het plangebied op een afstand van 2,1 kilometer. Tabel 4. Risicoafstanden van de omliggende wegen
Weg N271 A73
PR-plafond 10-6 contour 0 meter 6 meter
Invloedsgebied
Afstand planlocatie tot aan de weg
880 meter 880 meter
1,4 kilometer 2,1 kilometer
Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze wegen. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in een ruimtelijk plan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Vervoer over het water Grubbenvorst ligt dicht bij de Maas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per water is in het kader van het Basisnet een risicoplafond vastgesteld. De Maas is gelegen op een afstand van 755 meter van het plangebied. Tabel 5. Risicoafstanden van de omliggende vaarwegen
Binnenvaartroute
LF1, brandbare vloeistof
LF2, brandbare vloeistof
LT1, toxische vloeistof
Maascorridor
803
2710
40
Vastgesteld
GF3, brandbaar gas 289
GT3, toxisch gas 258
30
De plaatsgebonden risicocontour ligt binnen de oevers van deze rivier. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen knelpunt. Voor de hoogte van het groepsrisico van de Maas zijn personendichtheden binnen een zone van 200 meter bepalend (zogenaamde afkapgrens; hierbuiten heeft de aanwezigheid van personen nauwelijks of geen invloed op de hoogte van het groepsrisico). Het plangebied is gelegen buiten de contouren van zowel het plaatsgebonden risico als van het groepsrisico met betrekking tot de Maas. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. In de wijde omgeving rond het plangebied is er geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Advies Veiligheidsregio Onderhavig bestemmingsplan is door de Veiligheidsregio Noord-Limburg beoordeeld (zie bijlage 2).
Er wordt geadviseerd rekening te houden met de volgende beheersmaatregelen ter verbetering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw en de gemeente: Initiatiefnemer: ▪ Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats die dan op een makkelijk te bereiken plaats, en zorg voor een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht van buitenaf naar binnen komt. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast worden geplaatst. ▪ Zorg bij de aanleg van de infrastructuur voor 1 of 2 brandkranen (debiet minimaal 30 m3/uur) ten behoeve van gebouwbrandbestrijding. Gebruiker van het gebouw: ▪ Zorg dat de toekomstige bewoners op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: “binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten” en hiernaar wordt gehandeld. ▪ Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Gemeente: ▪ Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften, etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is.
5.3
Waterparagraaf
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam)
Vastgesteld
31
waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het provinciale waterbeleid sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Het plangebied ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’. In dit gebied komt een kleilaag (Kiezeloöliet Klei) voor die niet doorboord mag worden in verband met de bescherming van de grondwatervoorraden. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig waarvan de beschermingszone tot binnen het plangebied reikt.
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem bestaat tot circa 3 m -mv voornamelijk uit Zand, matig fijn, zwak tot matig siltig met plaatselijk een sterk zandige leemlaag. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een matige bodemdoorlaatbaarheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Op basis van kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogte grondwaterstand (GHG) boven de 250 cm-mv is gelegen.
Vastgesteld
32
Afbeelding 12. Uitsnede kaart GHG
Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is zichtbaar dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Ten oosten van het plangebied stroomt de Salder en de Zijtak Salder. De Salder en de Zijtak Salder betreffen beide primaire watergangen van het waterschap. De Keur van het waterschap is op beide watergangen van toepassing. Het oprichten van tien nieuwe woningen heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de Salder en de Zijtak Salder, de afstand van het plangebied tot de watergangen is daarvoor te groot. Afvalwater / riolering Het afvalwater van de nieuwe woningen zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Het stelsel is voldoende van omvang om van slechts tien woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Het plangebied betreft een nieuwbouwplan voor tien ltwee-onder-een-kapwoningen. Daarnaast wordt de voormalige bedrijfswoning Lottumseweg 47 omgezet naar burgerwoning.
Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van woningen, bijgebouwen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het hemelwater wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Dit kan door middel van een open dan wel een gesloten infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) of bijvoorbeeld door een grindkoffer of -krat. Bij de nieuwe woningen zal het hemelwater dan ook op eigen terrein worden opgevangen. Hiervoor is voldoende ruimte.
Vastgesteld
33
De exacte omgang met hemelwater zal worden uitgewerkt bij het definitieve bouwplan in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de woningen en andere verhardingen. Hiervoor dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: ▪ De infiltratievoorziening(en) dient te zijn gedimensioneerd op een bui van 100 mm. ▪ Geadviseerd wordt geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toe te passen. Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor het initiatief. In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen zullen de benodigde voorzieningen voor de omgang met hemelwater nader worden uitgewerkt.
5.4
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone voor dat deze gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan.
5.5
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van tien woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie6 uitgevoerd. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn
6
Faunaconsult, Flora- en Fauna-inspectie op Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, 25 november 2020
Vastgesteld
34
maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. 5.5.2 Natura2000 Er zijn geen beschermde Natura2000 gebieden nabij het plangebied. Het dichtstbijzijnde Nature2000-gebied Maasduinen ligt ruim twee kilometer ten noordoosten van het plangebied, aan de overkant van de Maas. Vanwege de beperkte omvang van het initiatief, de tussenliggende rivier en de afstand tot het natuurgebied wordt niet verwacht dat de realisatie van het nieuwbouwplan aan de Lottumseweg 47 negatieve effecten heeft op het Natura2000-gebied Maasduinen.
Maasduinen
Afbeelding 13. Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura200-gebied Maasduinen
In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van ruim 2 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1.
In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben.
Vastgesteld
35
De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om de stikstofdepositie tijdens de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) te bepalen. Als uit de AERIUS Calculator blijkt dat er geen stikstofdepositie door de gebruiksfase van het project of plan op de Natura2000-gebieden plaatsvindt, hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden en is geen vergunning nodig. Als er wél een toename van stikstofdepositie plaatsvindt is vervolgonderzoek nodig om te beoordelen of een vergunning verleend kan worden. Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege het gebruik van de woningen en de toename van verkeer van en naar de locatie. Hierom is het exacte effect van de realisatie van de woningen door middel van AERIUS Calculator berekend op de Natura2000-gebieden (zie bijlage 1). Om de effecten te berekenen is uitgegaan van tien twee-onder-een-kap woningen. Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van tien twee-onder-een-kapwoningen tot een emissie van 21,7 kg/jaar NOx.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Voor het bepalen van het gebiedstype is gebruik gemaakt van de ‘Nota Parkeernormen 2019’ van gemeente Horst aan de Maas. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: Koop, huis, twee-onder-een-kap ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom, weinig stedelijk Op basis van de kencijfers genereert één dergelijke woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 82 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 41 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). In AERIUS Calculator is er van uitgegaan dat het verkeer zo snel mogelijk Grubbenvorst verlaat door via de Lottumseweg in noordelijke richting te rijden naar de rotonde met de Steegakkerweg. Vanaf deze rotonde kan het verkeer zich naar alle richtingen verspreiden en gaat het op in het heersende verkeersbeeld. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 2,1 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie. De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 23,8 kg NOx per jaar.
Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Nature2000-gebieden. Het initiatief leidt dus niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan
Vastgesteld
36
de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied echter gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting.
Afbeelding 14.Uitsnede Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas met plangebied rood omcirkeld
Op de Archeologische Maatregelenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met hoge archeologische waarde. In gebieden met een hoge archeologische verwachting dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt. Een archeologisch vooronderzoek7 heeft binnen het plangebied plaatsgevonden. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de mogelijke toekomstige bouwplannen. Het archeologisch niveau bevindt relatief ondiep aan het maaiveld, tussen de 40 en 70 cm –mv (oftewel op een hoogte van tussen de 19,33 en 19,84 meter +NAP), en daarom wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. De archeologische resten kunnen het best opgespoord worden door middel van een proefsleuvenonderzoek. Tijdens een proefsleuvenonderzoek wordt gekeken of er archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied, wat voor resten er aanwezig zijn, wat de gaafheid is van de resten en of de resten behoudenswaardig (interessant) zijn. Het doel van het proefsleuvenonderzoek8 was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaatsen.
In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Zijn de archeologische vindplaatsen behoudenswaardig, en, zo ja, kunnen ze behouden blijven of dienen ze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied twee proefsleuven aangelegd en is één proefsleuf verlengd om beter grip te krijgen op de archeologische waarde van het terrein. Er is een totaaloppervlak van 601 m2 onderzocht, wat neerkomt op een dekkingsgraad van 8,9%. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische vondsten aangetroffen. Dit is in overeenstemming met de archeologische verwachting die het gebied heeft, gezien de ligging op een relatief hooggelegen Maasterras waarin een vruchtbare natuurlijke bodem is gevormd. De oudste vondsten dateren uit de steentijd, en wijzen op extensief gebruik in het mesolithicum en/of midden neolithicum. Het meeste 7
RAAP, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, 10 november 2020, projectnummer: 0925-6229 8 RAAP, Een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, 2 juni 2021, projectcode: GRULO3
Vastgesteld
37
vondstmateriaal stamt uit de late prehistorie, vermoedelijk het einde van de late bronstijd of (de tweede helft van) de vroege ijzertijd, en wijst op een nederzettingsterrein. Een kleine hoeveelheid vondsten hoort thuis in de Romeinse tijd en dateert in de loop van de 2e of in de 3e eeuw. Ook deze resten wijzen op een nederzettingsterrein. De grote vraag is waarom er wel tientallen vondsten maar geen grondsporen zijn aangetroffen. Een bevredigende verklaring kan daar echter niet voor worden gegeven. De jongste vondsten dateren uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Vermoedelijk betreft het bemestingsmateriaal uit de late middeleeuwen (12e eeuw) en de nieuwe tijd (B), dat samen met het uitrijden van potstalmest op de toenmalige akkers is beland. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat de resten niet behoudenswaardig zijn. Op basis van het onderzoek en de waardestelling luidt het selectieadvies: vrijgeven van het plangebied. De gemeente heeft op basis van een selectiebesluit besloten dat uit het proefsleuvenonderzoek blijkt de hoge archeologische waarde van het plangebied.
Er wordt geadviseerd om in de te verlenen omgevingsvergunning op te nemen dat tijdens de bouwperiode de mogelijkheid wordt geboden aan de lokale amateurarcheologen om buiten werktijden eventuele vondsten op het terrein te verzamelen. Daarnaast wordt geadviseerd om een algemene bepaling op te nemen in de te verlenen omgevingsvergunning dat archeologische toevalsvondsten tijdens de bouwwerkzaamheden, altijd wettelijk behoren te worden gemeld op basis van de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 en 5.11. Het advies luidt om de archeologische dubbelbestemming te continueren. Deze is dan ook in stand gehouden door middel van onderhavig bestemmingsplan. Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in de Provinciale Omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère.
De Provinciale Omgevingsvisie schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of nabijheid het plangebied geen cultuurhistorische waarden, behalve het gemeentelijk monument waartoe het pand aan de Lottumseweg 47 behoort. De realisatie van het initiatief zal echter geen invloed hebben op deze woning; enkel de functie zal worden veranderd van bedrijfswoning naar een woonfunctie. Samenvattend gaan er dus geen cultuurhistorische waarden verloren met de ontwikkeling van tien twee-onder-een-kapwoningen aan de Lottumseweg 47.
5.7
Verkeer en parkeren
Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het
Vastgesteld
38
gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. In dat kader is een verkeersstudie9 uitgevoerd. Voor de woningbouwlocatie zal een nieuwe ontsluiting worden aangelegd die aansluit op de Lottumseweg. Het aan leggen van een nieuwe weg aan de Lottumseweg leidt tot lagere rijsnelheden in zowel de nieuwe woonstraat als de nieuwe woonwijk vanwege een lagere verkeersaantrekkende werking. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken is naar de functie ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’ en naar het gebiedstype ‘rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied’. Op basis van de kencijfers genereert één dergelijke woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worstcase benadering genereert het initiatief dagelijks 82 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 41 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Gezien het profiel van de Lottumseweg en andere wegen in de omgeving zal deze verkeersstroom niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. Parkeren Conform de ‘Nota Parkeernormen 2019’ ligt het plangebied in de rest bebouwde kom van Horst.
Ook staat in de nota: ‘Volgens de oad wordt de totale gemeente Horst aan de Maas getypeerd als weinig stedelijk gebied (500-1000 adressen per km2)’. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gekeken naar het type woning ‘woonhuis’. Per woning dient in dit geval 2,0 parkeerplaatsen te worden aangelegd. Het stedenbouwkundig plan voorziet in de realisatie van 20 parkeerplaatsen op eigen terrein, 1 parkeerplaats bij elke woning en 10 parkeerplaatsen langs de nieuwe ontsluiting. Bij de bestaande woning zijn op eigen terrein al 2 parkeerplaatsen aanwezig. Het initiatief sluit dan ook aan bij de gemeentelijke parkeercijfers.
9
Arthic verkeer, Verkeersontsluiting Comerthof Grubbenvorst, 3 juli 2020
Vastgesteld
39
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van het woningbouwplan geschiedt volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemers af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin naast verhaal van de ambtelijke kosten ook de afdracht GKM wordt meegenomen. Na ondertekening van de anterieure overeenkomst door beide partijen is het gemeentelijk kostenverhaal afdoende verzekerd. Hierdoor is dit plan economisch uitvoerbaar. Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemers.
6.2
Handhaving
Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren; 4. Servicegericht handelen, en 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden.
Vastgesteld
40
2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteed wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn.
Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. Preventiestrategie; 2. Toezichtstrategie; 3. Sanctiestrategie, en 4. Gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente.
Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
Vastgesteld
41
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure de direct betrokken omwonenden van het initiatief op de hoogte gebracht door het houden van een informatieavond op 9 november 2021. Het is kansrijk om op voorhand de omgeving te betrekken bij de planvorming. Niet alleen vanwege het belang als ‘omwonende van een ontwikkeling’, maar ook als ‘potentiële bewoner / gebruiker’ van het gebied. De voorlopige plannen zijn aan de omwonenden gepresenteerd en zij hebben waar mogelijk vragen kunnen stellen c.q. opmerkingen kunnen maken op. Waar nodig heeft initiatiefnemer de plannen toegelicht of aangepast. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties.
Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en Waterschap Limburg. Van deze instanties is geen vooroverlegreactie ontvangen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 augustus tot en met 22 september 2022 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend. Wel hebben tijdens deze periode het Waterschap Limburg en provincie Limburg nog bevestigd dat zij geen opmerkingen hebben op het bestemmingsplan.
6.4
Procedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;