CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Lottumseweg 47 te Grubbenvorst.18.692 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan ’Lottumseweg 47, Grubbenvorst’ NL.IMRO.1507.GRLOTTUMSEWEG47-BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Lottumseweg 47 Grubbenvorst”

IDN:

NL.IMRO.1507.GRLOTTUMSEWEG47-BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

20 december 2022

Aanvrager:

Peters bouw en onderhoud

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

2.

3.

4.

5.

6.

INLEIDING .............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan .....................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied...........................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan....................................................................................................................4

1.4

Leeswijzer.................................................................................................................................................5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1

Algemeen .................................................................................................................................................6

2.2

Ruimtelijke structuur ................................................................................................................................6

2.3

Functionele structuur ...............................................................................................................................7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie ...........................................................................................7

BELEID...................................................................................................................................................................9 3.1

Inleiding.....................................................................................................................................................9

3.2

Rijksbeleid ................................................................................................................................................9

3.3

Provinciaal beleid.................................................................................................................................. 11

3.4

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................................. 16

3.5

Conclusie ............................................................................................................................................... 19

PLANBESCHRIJVING...................................................................................................................................... 20 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ................................................................................ 20

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ....................................................................................... 20

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 22 5.1

Inleiding.................................................................................................................................................. 22

5.2

Milieuaspecten ...................................................................................................................................... 22

5.3

Waterparagraaf ..................................................................................................................................... 31

5.4

Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 34

5.5

Natuur .................................................................................................................................................... 34

5.6

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................................. 36

5.7

Verkeer en parkeren............................................................................................................................. 38

UITVOERBAARHEID ....................................................................................................................................... 40 6.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................. 40

6.2

Handhaving ........................................................................................................................................... 40

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 42

Vastgesteld

1

6.4 7.

Procedure .............................................................................................................................................. 42

JURIDISCHE TOELICHTING .......................................................................................................................... 44 7.1

Planstukken ........................................................................................................................................... 44

7.2

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................. 44

7.3

Toelichting op de planregels................................................................................................................ 45

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 2: Advies Veiligheidsregio Noord-Limburg Separate bijlagen: ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep) ▪ Milieuzoneringsanalyse (Peutz) ▪ Flora- en Fauna-inspectie (Faunaconsult) ▪ Archeologisch onderzoek (RAAP) ▪ Proefsleuvenonderzoek (RAAP) ▪ Verkeersanalyse (Arthic verkeer)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Ten noorden van de kern Grubbenvorst was tot medio jaren ’70 van eind vorige eeuw een garage annex tankstation gevestigd aan de Lottumseweg 47. Het tankstation is tot circa 1975 actief geweest waarna het terrein tot enkele jaren geleden nog is gebruikt als garagebedrijf. Hiervan resteert nog een bedrijfspand op het terrein. In het bijbehorende monumentale pand is een (bedrijfs)woning gevestigd. Vanaf 2000 is ten noordwesten van het terrein het bedrijventerrein “Hagelkruis” ontwikkeld. Hier bevinden zich thans dan ook diverse bedrijfshallen. Direct ten zuiden en westen van het terrein bevinden zich echter de woonwijken van Grubbenvorst. Mede gezien de ligging aan de rand van de woonwijken heeft het terrein weinig potentie voor de vestiging van nieuwe bedrijvigheid. De initiatiefnemer is dan ook voornemens de bedrijfsfunctie van het terrein te halen de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning, de nog resterende bedrijfsbebouwing te slopen en daarvoor in de plaats woningbouw te ontwikkelen in de vorm van tien levensloopbestendige twee-onder-eenkapwoningen. In de gemeente Horst aan de Maas en in het bijzonder in de kern van Grubbenvorst blijkt behoefte aan levensloopbestendige woningen (zijn namelijk zeer geschikt voor bewoning door senioren).

Afbeelding 1. Ligging locatie Lottumseweg 47 in Grubbenvorst (rood omcirkeld)

De gewenste woningbouwontwikkeling is echter in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Werkgelegenheidsgebieden I”. Op basis van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is uitsluitend een bedrijfsfunctie toegestaan (van milieucategorie 3.1 en 3.2, tevens is een bevoegdheid opgenomen om een hogere milieucategorie (tot en met 4.2) toe te staan) waarin het enkel toegestaan is om op het terrein te wonen in een bedrijfswoning. Desondanks biedt het gemeentelijk beleid mogelijkheden tot het realiseren van woningen in Grubbenvorst. Onder voorwaarden heeft de gemeente daarom in principe medewerking kunnen verlenen aan de realisatie van woningen op de betreffende locatie. Om de beoogde situatie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt de vigerende bedrijventerreinbestemming omgezet naar een woonbestemming om zo het gebruik van het gebied voor bedrijfsmatige doeleinden uit te sluiten en het gebruik voor woondoeleinden toe te staan en de bouw van tien woningen mogelijk te maken. De woning aan de Lottumseweg 47 zal hiermee de functie van bedrijfswoning verliezen en als burgerwoning behouden blijven.

Vastgesteld

3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De beoogde woningbouwlocatie is gelegen in het noordelijk deel van de kern Grubbenvorst, aan de rand van bedrijventerrein “Hagelkruis”. De locatie maakt dan ook onderdeel uit van dit bedrijventerrein. Van oudsher is aan de Lottumseweg sprake van een kort bebouwingslint, waarvan de bedrijfswoning nog steeds onderdeel uitmaakt. De woonfunctie overheerst heden ten dage in dit bebouwingslint. Het terrein staat kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie C, nummer 2796. Dit perceel wordt in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”.

Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzingen Lottumseweg 47 en omgeving – beoogde locatie voor nieuwe woningen rood aangeduid

In het oosten grenst het plangebied aan de Lottumseweg, waaraan aan de overzijde woningen zijn gelegen. In het zuiden grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen De Kurver 5 tot en met 23 en De Scheper 2 tot en met 14. In het westen grenst het plangebied aan de laatste uitbreiding van de kern Grubbenvorst “De Comert”. Bij dit woningbouwplan wordt momenteel een uitbreiding van 50 woningen gerealiseerd. In het noorden grenst het plangebied aan de woningen van het bebouwingslint van de Lottumseweg, terwijl het achterste gedeelte van het plangebied grenst aan het bedrijventerrein.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Werkgelegenheidsgebieden I” (vastgesteld d.d. 10 september 2013) en is bestemd als ‘Bedrijventerrein’ en voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van circa 0,6 ha. Binnen het bouwvlak is de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen ter plaatse van de bestaande woning. Tevens zijn voor het gehele bestemmingsvlak de maatvoeringen ‘maximum bouwhoogte: 7 m’ en ‘minimum afstand tot zijdelingse perceelsgrens: 3 m’ opgenomen. De locatie is daarnaast voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’.

Vastgesteld

4

De voor ‘Bedrijventerrein’ bestemde gronden zijn voor bedrijven van categorie 3.1 tot en met categorie 3.2. Binnen deze bestemming is tevens een bevoegdheid opgenomen om een hogere milieucategorie toe te staan (tot en met 4.2). Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak waarbij 80% van het bouwperceel mag worden bebouwd. Per bouwperceel is in dit geval één bedrijfswoning toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’.

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woningen aangeduid

Het oprichten van de tien woningen is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk de locatie te benutten voor woondoeleinden. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient de huidige bestemming te worden omgezet naar een woonbestemming. In het vigerende bestemmingsplan is geen mogelijkheid gegeven om door middel van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid het omzetten naar de bestemming ‘Wonen’ mogelijk te maken. Er zal dan ook een buitenplanse procedure moeten worden doorlopen om de bestemming ‘Bedrijventerrein’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader, waarbinnen de planvorming plaatsvindt. Met name het planologisch beleid op provinciaal en gemeentelijk niveau komt hier aan bod. Hoofdstuk 4 gaat in op de planbeschrijving. Vervolgens zijn in hoofdstuk 5 de betreffende milieu hygiënische en planologische aspecten behandeld. Tenslotte focussen de hoofdstukken 6 en 7 op de uitvoerbaarheid, de planstukken alsmede het vooroverleg.

Vastgesteld

5

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Het plangebied is gesitueerd in het noorden van Grubbenvorst, aan de Lottumseweg 47. Grubbenvorst maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern heeft circa 4.800 inwoners.

Afbeelding 4. Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied

2.2

Ruimtelijke structuur

De ruimtelijk structuur van Grubbenvorst wordt bepaald door de belangrijkste ontsluitingswegen; de Lottumseweg, de Venloseweg en de Kloosterstraat / Californischeweg. Het historische dorpshart is het groene Pastoor Vullinghsplein waar de oude linten richting Lottum, Venlo en Horst samenkomen. De locatie is gelegen in het noordelijke gedeelte van de kern Grubbenvorst en vormt onderdeel van het oude lint van de Lottumseweg. De Lottumseweg betreft de historische verbindingsweg tussen de kernen Grubbenvorst en Lottum.

Afbeelding 5. en 6. Impressie plangebied

Vastgesteld

6

Aanvankelijk waren ten zuiden van het plangebied, aan de Lottumseweg, de lokale sportvelden gelegen. Medio jaren ’90 van de vorige eeuw zijn deze sportvelden verplaatst en heeft ter plaatse woningbouw plaatsgevonden. Toen is de huidige woonwijk ontstaan die direct ten zuiden van het plangebied ligt. De woningen van deze woonwijk zijn niet persé georiënteerd op de Lottumseweg, waardoor de karakteristiek van het historische bebouwingslint niet is versterkt. Aan de overzijde van de Lottumseweg is de karakteristiek van het bebouwingslint veel beter herkenbaar. In 2016 heeft een verdere uitbreiding van de kern plaatsgevonden ten westen van het plangebied. Deze woningbouwontwikkeling is nog in uitvoering en nog niet afgerond. Tussen het bebouwingslint van de Lottumseweg en de Steegerakkerweg is vanaf eind jaren ’90 van de vorige eeuw het bedrijventerrein “Hagelkuis” ontwikkeld. Hier typeren bedrijfshallen en brede wegen. De achterkant van deze bedrijfshallen grenzen aan het plangebied. Zodoende is er nauwelijks ruimtelijke binding met dit bedrijventerrein. Momenteel wordt het plangebied gebruikt als tuin behorende bij de woning Lottumseweg 47 en ligt het grotendeels braak. Aan de voorzijde is het perceel verhard en staat de woning en de voormalige bedrijfsbebouwing. De woning behoort tot een monumentaal pand wat in het verleden is gesplitst en verbouwd tot twee woningen.

2.3

Functionele structuur

In de bebouwde kom van Grubbenvorst overheerst de woonfunctie. In de omgeving zijn dan ook in oostelijke, zuidelijke en westelijke richting woningen gelegen. Ten westen van het plangebied is de nieuwbouwwijk “De Comert” gelegen waar circa 50 nieuwe woningen worden gebouwd. De centrumfuncties van Grubbenvorst bevinden zich circa 400 meter ten zuiden van het plangebied aan de Kloosterstraat en Pastoor Vullinghsplein. Het plangebied is gelegen aan de rand van bedrijventerrein “Hagelkruis”. Dit bedrijventerrein kenmerkt zich door een afwisseling van voornamelijk lokaal georiënteerde bedrijven. Hieronder bevinden zich zowel kleinschalige als grotere bedrijven, zoals bedrijven in de handel van auto’s en motorfietsen, metaalverwerkende bedrijven, vervoersbedrijven, een drukkerij en bouw- en aannemersbedrijven. In het bebouwingslint van de Lottumseweg zijn nagenoeg uitsluitend burgerwoningen gelegen. De woningen betreffen bijna allemaal vrijstaande woningen. Enkel de burgerwoning Lottumseweg 49 betreft een halfvrijstaande woning (samen met de bedrijfswoning Lottumseweg 47). Op de locatie Lottumseweg 53 is nog een bedrijf gevestigd; een autogarage.

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Grubbenvorst is van oudsher ontstaan door de meanderende Maas, waarvan de steilranden nog steeds zichtbaar zijn dwars door het dorp. De hoge Maasoever van Grubbenvorst heeft een oude bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot duizenden jaren voor Christus. Archeologische vondsten uit het dorp wijzen op bewoning vanaf de bronstijd.

Vastgesteld

7

Bedrijventerrein Hagelkruis kent haar oorsprong in de jaren ’90. Daarvoor waren de gronden hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden in gebruik. Voor de gronden ten noorden van het bedrijventerrein is dit nog steeds het hoofdgebruik. De hoofdentree van het bedrijventerrein is gelegen aan de Steegerakkerweg. Een tweede ontsluitingsweg van het bedrijventerrein is de Hagelkruisweg. De oorspronkelijke bebouwing van de Lottumseweg waren voornamelijk boerderijen. In de loop der tijd is andere bebouwing met een afwijkend karakter langs deze weg ontstaan en zijn de agrarische activiteiten beëindigd. De woning Lottumseweg 47 is in 1928 gebouwd in de traditionalistische bouwstijl. De locatie is van oorsprong gebruikt als fruitkwekerij / champignonkwekerij. Laterna is de locatie gebruikt als garage annex tankstation.

Afbeelding 7. Historische kaart 1936

Afbeelding 8. Historische kaart 1980

Vastgesteld

8

3.

BELEID

3.1

Inleiding

De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal als gemeentelijk niveau. Voor de ontwikkeling en het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Hierna zijn de belangrijkste bevindingen uit het beleid beschreven en wordt aangegeven hoe de ontwikkeling van het plangebied hierop inspeelt.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Vastgesteld

9

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de realisatie van de tien woningen worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, de realisatie van de woningen is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen

Vastgesteld

10

gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). De herbestemming van het plangebied behelst enerzijds een functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning en heeft anderzijds betrekking op de realisatie van nieuwbouw. Het plan voorziet in de ontwikkeling van tien woningen en kan derhalve niet worden gekenmerkt als stedelijke ontwikkeling. Er hoeft in het kader van onderhavig initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is vervolgens per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven voor de provincie Limburg. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de

Vastgesteld

11

groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

De Omgevingsvisie bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De Omgevingsvisie houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De Omgevingsvisie is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.

Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.

De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit.

Vastgesteld

12

Het initiatief voorziet in een passend nieuw gebruik van de locatie Lottumseweg 47, ter afronding van de direct aangrenzende woonwijken. Het initiatief heeft betrekking op een vorm van herinvulling van het huidige bedrijfsterrein. Er wordt hierdoor optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom van Grubbenvorst. Er worden daarnaast woningen gerealiseerd waaraan concrete behoefte bestaat. Het initiatief is hierdoor in overeenstemming met de uitgangspunten uit de provinciale Omgevingsvisie. 3.3.2 Ontwerp Omgevingsverordening De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het voormalige POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd.

De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief hoeft, gezien de kleinschaligheid, niet getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 3.3.3 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen NoordLimburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie.

De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval wel van toepassing: ▪ Ligging in de boringsvrije zone Venloschol; ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 20 m boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 15 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval niet aan de orde.

Vastgesteld

13

Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland. Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Grubbenvorst. Voor het bebouwd gebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm.

Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 1% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. 3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In april 2016 hebben de bestuurders van de gemeente Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray, Peel en Maas en de provincie Limburg de Regionale Structuurvisie 2016- 2020 vastgesteld. Met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg hebben de acht regiogemeenten voor het eerst een gezamenlijke visie en koers vastgelegd op het gebied van wonen. Op 20 oktober 2020 is de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 in werking getreden. De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt een herijking van de Regionale Structuurvisie wonen uit 2016. Naast een vernieuwde gezamenlijke regionale visie op het thema wonen maken de acht regiogemeenten opnieuw regionale afspraken welke vervolgens door worden gevoerd in het lokaal te voeren beleid. Een belangrijke onderlegger voor woonbeleid vormt de bevolkingsontwikkeling en de huishoudensontwikkeling. In totaal zijn acht pijlers geïdentificeerd op basis van de verwachte bevolkingsontwikkeling. De acht pijlers vormen de koers die de regiogemeenten de komende jaren willen gaan varen. De inhoudelijke pijlers zijn: 1.

Kwalitatief vraagstuk- mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Om richting te geven aan de benodigde aantallen maakt de regio gebruik van huishoudensprognoses. Prognoses geven richting aan de toekomst. Een goede onderbouwing van de woningbehoefte blijft leidend, daarom kiest de regio ervoor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. De regio heeft uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen (ook Ruimte voor Ruimte plannen worden hieraan getoetst) 2. Liefde voor de bestaande voorraad De regio bekijkt nadrukkelijk of sprake is van de juiste kwaliteit woning op de juiste plek voor de juiste doelgroep. Toekomstbestendigheid en in sommige gevallen flexibiliteit staan hierbij voorop. Voor woningen in de bestaande voorraad (in de wijken, maar ook in het buitengebied) onderzoekt de regio of het instellen van een fonds kan helpen in de transformatieopgave. Hierbij maakt de regio zoveel mogelijk gebruik van goede praktijkvoorbeelden en kan het van belang zijn om de samenwerking met (uiteenlopende) marktpartijen te intensiveren. 3.

Kwalitatief vraagstuk op de lange termijn: wat doen we na de huishoudenspiek? De regio verkent samen met de provincie de mogelijkheden ten aanzien van het ontwikkelen van instrumentarium om op termijn woningen uit de bestaande voorraad te halen. Enerzijds omdat ze niet meer

Vastgesteld

14

4.

5.

6.

7.

8.

nodig zijn (na het bereiken van de huishoudenspiek) en anderzijds om ook na de huishoudenspiek ruimte te maken voor de toevoeging van kwalitatief goede woningen. Daarnaast zet de regio in op het faciliteren en stimuleren van tijdelijke en experimentele woonvormen waarmee kan worden ingespeeld op de periode na de huishoudenspiek. Huisvesting voor specifieke doelgroepen Bijzondere aandacht is nodig voor de huisvesting van specifieke doelgroepen. Hieronder vallen woonwagenbewoners, internationale werknemers, woonurgenten, zorgdoelgroepen, ouderen, starters, economische dak- en thuislozen en vergunningshouders. Thuis in je huis, straat, buurt en wijk De regiogemeenten zijn ervan bewust dat zij samen met inwoners, woningcorporaties, onderwijs, maatschappelijke instellingen (zoals zorg- en welzijnsorganisaties) en bedrijven aan de lat staan om de leefbaarheid te bewaken. Het gezamenlijke doel is om de leefbaarheid te behouden of waar nodig te versterken. Samenwerking en het maken en samen uitvoering geven aan (prestatie-) afspraken is daarbij van groot belang en daar zit ook de kracht. Sociale huursector en toewijzingsbeleid corporaties Sturen op de sociale huurmarkt is vooral een samenspel tussen woningcorporaties, huurdersbelangenverenigingen en gemeenten. Op gemeenteniveau wordt gekeken of de voorraad sociale huurwoningen voldoende is, of dat moet worden toegevoegd.

Middenhuur De regio constateert dat er een opgave ligt om het aantal middenhuur woningen te vergroten. Daarom onderzoekt de regio de mogelijkheden om regionale ‘mandjes’ te maken, waarbij de mogelijkheden om te bouwen op aantrekkelijke locaties worden gekoppeld aan het bouwen op minder voor de hand liggende locaties. Om de bouw van middenhuurwoningen te kunnen stimuleren, wordt door de provincie gekeken om hiervoor het Stimuleringsregeling Wonen mede in te richten (bijvoorbeeld door leningen, garantstellingen en subsidies) als onderdeel van de nieuwe Limburgse Agenda Wonen. Leefbaarheid kleine kernen Door een sterke vergrijzing in kleine kernen kan de leefbaarheid onder druk komen te staan. Woningbouw kan nooit alleen de oplossing zijn voor leefbaarheidsvraagstukken. Op kleine schaal woningbouw toevoegen blijft mogelijk. De toevoeging van woningen is vooral gericht op het bevorderen van de doorstroming.

Onderhavig initiatief sluit aan bij pijler 1, ‘Kwalitatief vraagstuk - mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling’. Binnen deze pijler zijn uitgangspunten opgesteld voor de kwalitatieve richtlijn die leidend is. De uitgangspunten zijn: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Koppelkansen (het realiseren van een woning gebruiken voor het aanpakken van andere opgaven zoals leegstand); ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regie streeft sociaal duurzame woonconcepten na; ▪ De regio zoekt aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Samen wil de regio een breed palet aan woonmilieus bieden dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van deze regio. Ook in Noord-Limburg leven mensen steeds langer; de verwachting is dat het aantal 75plussers met 36% zal stijgen vanaf 2020 tot en met 2050. De behoefte aan nultredenwoningen is door de vergrijzing relatief groot. De komende 10 jaar gaat het om een theoretische behoefte aan ruim 5.400 nultredenwoningen.

Vastgesteld

15

In het huidige woonbeleid wordt gefocust op de toenemende vergrijzing, dus rekening houdend met de bijkomende mobiliteitsbeperking van senioren waar woningen op ingericht moeten worden. De tien te ontwikkelen woningen worden allen levensloopvriendelijk ingericht zodat deze geschikt zijn voor bewoning door senioren. Daarnaast wordt er gebouwd op het thans deels onbebouwde perceel, welke omgeven is door bestaande woningen aan de zuidzijde en zal aansluiten op de laatste uitbreiding van de kern Grubbenvorst “De Comert” aan de westzijde. De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van tien levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen in de bebouwde kom van Grubbenvorst. Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van pijler 1 en is hiermee niet strijdig met de visie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Onder dit deelgebied vallen de kernen binnen de gemeente Horst aan de Maas met een bovenlokaal voorzieningenniveau. In deze dorpen wordt gebouwd voor de eigen woningbehoefte. Voor de kern Grubbenvorst specifiek geldt voor projectmatige woningbouw een positieve grondhouding. Dit betekent dat de gemeente in principe dergelijke initiatieven wenst en stimuleert.

Van projectmatige ontwikkeling wordt gesproken wanneer een verzoek betrekking heeft op de toevoeging van minimaal twee woningen op particuliere grond (zowel binnen- als buiten de bebouwde kom) welke niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Grubbenvorst aan de Lottumseweg 47. Aan de Lottumseweg en in de directe omgeving heeft al veel woningbouw plaatsgevonden. Het plangebied is gelegen bij het woningbouw “De Comert” en grenst hier aan de westelijke zijde tegen aan. Het initiatief voor het oprichten van tien woningen past functioneel gezien goed binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst in oostelijke, zuidelijke en westelijke richting. In noordelijke richting is aan de Lottumseweg sprake van een bestaand bebouwingslint bestaande uit burgerwoningen.

Vastgesteld

16

Afbeelding 9.Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie

Verder is de structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal die de Wro biedt. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd. Het grondprincipe van het gemeentelijk (en provinciaal) kwaliteitsmenu (GKM) is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als buiten de ‘rode contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Het GKM is van toepassing op ontwikkelingen die niet rechtstreeks of via een flexibiliteitbepaling (zoals wijzigings- of afwijkingsregels) zijn toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Naast een goede ruimtelijke inpassing van de locatie zelf (welke zal worden gerealiseerd, zie hiervoor paragraaf 4.2), moet een kwaliteitsbijdrage (GKM) worden geleverd. De kwaliteitsbijdrage wordt bepaald aan de hand van de module ‘projectmatige woningbouw’. Hiervoor geldt een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m2 plangebied * factor 0,5 (vanwege de positieve grondhouding en ligging binnen de contour).

3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de Maas de ambities voor woningbouw voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners

Vastgesteld

17

overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern.

Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma. Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. ▪ Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp. De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad.

De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters)woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Uit het Masterplan blijkt dat de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Horst aan de Maas groot is en dat er een gevarieerd aanbod van nieuwe woningen moet worden gerealiseerd, 1.000 nieuwe woningen in totaal. Onderhavige woningen dragen op kleine schaal bij aan deze enorme woonopgave. In Grubbenvorst heerst in dat kader ook een actuele behoefte aan betaalbare en de juiste woningen. De voorliggende locatie aan de Lottumseweg draagt mede bij aan het invullen van de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Grubbenvorst. De ontwikkeling vindt plaats op een inbreidingslocatie en sluit aan bij de laatste uitbreiding van de kern aangezien het plangebied tegen deze uitbreiding aanligt. Het initiatief sluit aan op de opgave om het langer zelfstandig wonen voor senioren te stimuleren door te voorzien in levensloopbestendige woningen (ook wel nultredenwoningen genoemd). Om aan deze concrete behoefte te voldoen wordt met het initiatief niet voldaan aan het gevarieerd nieuwbouwopgave van de gemeente.

Echter is onderhavige woningbouwontwikkeling al in gang gezet voor de inwerkingtreding van het

Vastgesteld

18

Masterplan (principeakkoord op deze woningbouwontwikkeling is gegeven op 22 september 2020, ruim een half jaar voor vaststelling van het Masterplan). Ten slotte moedigt het Masterplan inbreidings- en herontwikkelingslocaties aan, waartoe het initiatief kan worden geschaald. Het plan voldoet dan ook, waar van toepassing, aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas.

3.5 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, als de gemeente Horst aan de Maas zelf. Qua woningbouwbehoefte voldoet de ontwikkeling aan de concrete (boven)lokale behoefte.

Vastgesteld

19

4.

PLANBESCHRIJVING

Initiatiefnemer is voornemens om de locatie Lottumseweg 47 te herontwikkelen. De locatie was voorheen in gebruik als garage / tankstation. Ondanks dat er al vele jaren geen bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied plaatsvinden, is de bestemming hier nooit op aangepast. Initiatiefnemer wenst de voormalige bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning en er in totaal tien levensloopbestendige woningen te realiseren.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het formeel planologisch mogelijk maken de bedrijfswoning Lottumseweg 47 te herbestemmen als burgerwoning en tien levensloopbestendige twee-ondereen-kapwoningen op te richten. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Er mogen uitsluitend tien nieuwe twee-onder-een-kapwoningen worden gerealiseerd. ▪ De maximale goothoogte van de nieuwe woningen bedraagt 4 meter; ▪ De maximale bouwhoogte van de nieuwe woningen bedraagt 8 meter; ▪ De bedrijfswoning Lottumseweg 47 wordt herbestemd als burgerwoning; ▪ Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend. ▪ Middels een voorwaardelijke bepaling wordt geborgd dat het gebruik van de locatie voor woondoeleinden pas is toegestaan indien de noodzakelijke geluidwerende maatregel is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Maaskernen” zoals dat thans voor de kern van Grubbenvorst geldt. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied voor het grootste deel bestemd is als ‘Wonen’. Het plangebied is daarnaast voor een deel bestemd als ‘Groen’ en ‘Verkeer’.

Binnen de woonbestemming is een nieuw bouwvlak toegekend met de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ en de maatvoeringen ‘maximum aantal wooneenheden: 10’, ‘maximum goothoogte: 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte 8 m’ zodat uitsluitend de realisatie van tien twee-onder-een-kapwoningen mogelijk wordt gemaakt met de genoemde goot- en bouwhoogte. Binnen het plangebied zijn ook de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – grondwal en geluidsscherm’ en ‘specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting’ toegekend. Daarnaast is binnen het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ opgenomen.

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten

Alhoewel er geen bedrijf meer is gevestigd is het plangebied wel nog steeds bestemd voor bedrijfsdoeleinden. De locatie ligt echter in het kerngebied van Grubbenvorst, omringd door een woonwijk en een nieuwbouwwijk. Daarmee lijkt het plangebied uitermate geschikt voor de realisatie van woonhuizen. De beoogde woningen betreffen twee-onder-een-kapwoningen bestaande uit één bouwlaag afgewerkt met een kap. Alle woningen zullen worden voorzien van een dakkapel aan de noordelijke zijde van het dakvlak. Tevens zal er voor iedere woning een aangebouwde garage met plat dak worden gerealiseerd.

Vastgesteld

20

De woonhuizen zullen worden voorzien van een ruime aanbouw. De woningen zullen levensloopbestendig worden opgeleverd, dit wil zeggen dat in de woning voorzieningen worden aangebracht die het mogelijk maken de woning een leven lang te bewonen. De achtertuinen van de woningen zijn op het zuiden gericht. Daarnaast dient een verkeersontsluiting te worden ontwikkeld die de woonhuizen bereikbaar maakt vanuit de Lottumseweg. Via een erfachtige bestrating met gescheiden fiets- en voetpaden zullen de twee-onder-eenkapwoningen bereikbaar worden. Om de nieuwe woningen in het groen in te passen zal een rij bomen worden aangeplant aan de noordelijke zijde van het plangebied en in het zuidoosten. Door het aanplanten van nieuw groen heeft het gestelde in dit bestemmingsplan, zowel op de korte als op langere termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten op de omgeving. Concluderend kan ten aanzien van stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten worden gesteld dat er geen sprake is van een verslechtering van het stedenbouwkundige karakter en tevens een functie mogelijk wordt gemaakt die veel beter in de woonomgeving past dan de huidige bedrijfsbestemming.

Afbeelding 10. Inrichting openbare ruimte, inclusief landschappelijke inpassing

Vastgesteld

21

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Inleiding

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 Milieueffectrapportage Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied worden tien woningen gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12105556/1